← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.3 Rolnummer: 2010/AB/00277 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2010-08-19 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 13:17 Fiche 1 Ingevolge het eenzijdig verzoekschrift op grond van artikel 1025 e.v. Ger.W., neergelegd door de appellant op 22/09/2009, heeft de toelaatbaarheidsfase in de collectieve schuldenregeling een eenzijdig karakter, wat meebrengt dat de schuldeisers IN DEZE FASE geen partij zijn. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Eenzijdig verzoekschrift Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - Gerechtelijk recht -COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Toelaatbaarheid tot Collectieve Schuldenregeling - Eenzijdige procedure - Schuldeisers geen partij. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1025 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: Gerangschikt onder I A art.

  1. Een andere samenvatting is gerangschikt onder XVI art. 1675/
  2. Fiche 2 Duurzame financiële problematiek voor toelaatbaarheid tot Collectieve Schuldenregeling is niet aanwezig wanneer ten aanzien van de fiscus niet alle mogelijkheden zijn uitgeput voor het overeenkomen van een redelijk minnelijk afbetalingsplan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - Gerechtelijk recht -COLLECTIEVE SCHULDENREGELING -SCHULDOVERLAST - Toelaatbaarheid CSR vereist duurzame financiële problematiek. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/2 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI art. 1675/
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I A art.
  4. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL BESCHIKKING OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2010 11 e KAMER COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling (artikel 578,14° Ger.W.) éénzijdig verzoekschrift definitief In de zaak: V.M. , wonende te [xxx]; Appellant, vertegenwoordigd door mr. SMOUT Marc, advocaat te 1820 STEENOKKERZEEL, Anjelierenlaan
  5. Tegen:
  6. ARGENTA SPAARBANK NV, , met zetel te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 49-53,
  7. PARTENA VZW, met zetel te 1000 BRUSSEL, Anspachlaan 1,
  8. SIBELGAS CVBA, met zetel te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan 13,
  9. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, BELASTINGEN EN INVORDERING, AOIF, ONTVANGKANTOOR KORTENBERG, gevestigd te 1930 ZAVENTEM, Hoogstraat 19 bus 9,
  10. B.K., wonende te [xxx],
  11. ISA COMPTA BVBA, met zetel te 7190 ECAUSSINNES, Boulevard de la Sennette 55, Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend beschikking uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking, uitgesproken op 4 maart 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 32e kamer (A.R. 09/886/B). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 maart 2010; - de voorgelegde stukken; Gehoord de appellant in zijn middelen en verdediging op de zitting in raadkamer van 7 juni 2010, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  12. Op 22 september 2009 heeft de heer V.M. ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling ingediend. Op 28 september 2009 heeft de voorzitter aan de raadsman van de heer V.M. bijkomende gegevens en stukken gevraagd. Op 4 maart 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel het verzoek niet toelaatbaar verklaard, omdat niet is ingegaan op de vraag van de rechtbank om in overeenstemming met artikel 1675/4 § 3 Ger. W. alle bijkomende inlichtingen te verstrekken.
  13. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 22 maart 2010, heeft de heer V.M. hoger beroep tegen dit vonnis aangetekend en hernam hij zijn oorspronkelijke vraag tot het verkrijgen van de collectieve schuldenregeling. De heer V.M. legt thans een aangevuld stukkenbundel neer. II. BEOORDELING
  14. Het hoger beroep van de heer V.M. werd tijdig ingesteld. Het hoger beroep is ingesteld binnen de maand na de datum van de beschikking, zodat er geen discussie over de tijdigheid kan zijn; de beschouwingen van de heer V.M. over de wijze van kennisgeving en de gevolgen voor de tijdigheid missen dan ook relevantie. Het beroep voldoet aan de overige ontvankelijkheidvereisten, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.
  15. Ingevolge het eenzijdig verzoekschrift op grond van artikel 1025 e.v. Ger. W., neergelegd door de heer V.M. op 22 september 2009, heeft de toelaatbaarheidfase in de collectieve schuldenregeling een eenzijdig karakter, wat meebrengt dat de schuldeisers in deze fase geen partij zijn. (Antwerpen, 1 maart 2005, A.R. 2004/EV/5, aangehaald in S. Voet, Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing inzake collectieve schuldenregeling: Maar vergeet ook de schuldeisers niet! noot onder Gent, 27 september 2005, R. W. 2006-07, 606 e.v., meer bepaald p. 608) Ze dienen derhalve evenmin te worden opgeroepen.
  16. Op grond van artikel 1028 Ger. W. onderzoekt de rechter de vordering, ingediend op eenzijdig verzoek. Bij toepassing van artikel 1028, tweede lid Ger. W. kan de schuldbemiddelingsrechter de verzoeker in raadkamer horen. Dit betreft echter een mogelijkheid en is geen verplichting. ( B. Wylleman en E. Van Acker, Praktische gids voor schuldbemiddelaars, Kluwer 2006, 18, nr. 33). De eerste rechter had reeds bij toepassing van artikel 16754 § 3 Ger. W. aan de heer V.M. de mogelijkheid gegeven om zijn onvolledig verzoekschrift en dossier aan te vullen en wanneer hij daaraan geen gevolg geeft, is hij slecht geplaatst om aan de eerste rechter te verwijten dat zij de mogelijkheid van artikel 1028, tweede lid niet aangewend heeft.
  17. In graad van hoger beroep heeft de heer V.M. zijn dossier aangevuld. Zijn situatie is inmiddels gewijzigd in de zin dat hij sedert 15 maart 2010 werkzaam is bij Caterpillar als magazijnier, waar hij een arbeidsweek van 37,50 uren presteert aan euro 11,10/uur, aangevuld met een ploegenpremie van euro 0,9992/uur. Ter zitting verklaart hij dat dit hem een maandloon van plusminus euro 1.600 oplevert. Verder maakt hij melding van een teruggave van BTW van euro 1.790,
  18. Artikel 1675/2 Ger. W. bepaalt : Elke natuurlijke persoon, die geen koopman is... kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervolgen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot collectieve schuldenregeling indienen. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel...
  19. De heer V.M. baatte een café uit en heeft dit stopgezet op 13 december 2008, zijnde meer dan zes maanden voor het indienen van zijn verzoek tot toelating tot de collectieve schuldenregeling. Hij dient dus verder te voldoen aan de volgende toelaatbaarheidsvoorwaarden : - er dient een structurele en duurzame financiële problematiek aanwezig te zijn; - hij mag niet kennelijk zijn onvermogen hebben bewerkt. Wat betreft de structurele financiële problematiek werd geoordeeld dat tijdelijke betalingsmoeilijkheden onvoldoende zijn om te spreken van een duurzame en structurele financiële problematiek ( Brussel 30 mei 2000, RW 2000-01, 1107; Brussel 13 juli 2000, RW 2000 -01, 1056).
  20. Uit de stukken die de heer V.M. thans voorlegt, kan afgeleid worden dat hij door zijn samenwoonst met zijn vader, diens vriendin en haar moeder plus dochter, zo goed als geen recurrente leefkosten heeft. Hierdoor kan hij het overgrote deel van zijn loon aanwenden tot aanzuivering van zijn schulden. De schulden aan Argenta Spaarbank, Sibelgas en ISA Compte betreffen maandelijkse afbetalingen van respectievelijk euro 246,25, euro 64,67 en euro 149,
  21. Voor zijn schuld aan Partena heeft hij een afbetalingsregeling bekomen van euro
  22. Dit maakt dat hij een maandelijkse afbetalingslast heeft van euro 813,
  23. Zijn schuld aan B.K. is zeer duister en wordt omschreven als poef zonder dat er enige cijfermatige verduidelijking is. Er bestaat evenmin een verantwoordend stuk, zodat met deze schuld aan een familielid van de bijzit van zijn vader geen rekening kan gehouden worden. Rekening houdend zijn minieme leefuitgaven, maakt het verschil tussen zijn inkomen van euro 1.600 en zijn afbetalingen van euro 813,66 een bedrag van euro 786,
  24. De heer V.M. heeft dan enkel nog een belastingschuld 2008 ten bedrage van euro 8.185,
  25. Hij heeft getracht om ook hiervoor een afbetalingsregeling te bekomen, maar op 10 juli 2009 heeft de ontvanger hem slechts toegestaan om deze schuld af te betalen in vier maandelijkse stortingen van euro 2.
  26. Dit was voor de heer V.M. onhaalbaar, maar dit enkele gegeven is onvoldoende om in de huidige situatie een structurele en duurzame financiële problematiek voor te wenden. Het moet immers mogelijk zijn om met de fiscus tot een realistischer voorstel te komen, waarbij rekening gehouden wordt met zijn reële situatie, zijn huidig inkomen en de afbetalingen waartoe hij reeds gehouden is. Het is voor het hof niet duidelijk hoeveel de fiscale achterstand thans juist bedraagt, omdat er inmiddels sinds de vergeefse poging om tot een realistisch afbetalingsplan te komen, reeds bijna een jaar verstreken is. Evenmin is het duidelijk in hoeverre de teruggave BTW tot een lagere fiscale schuld kan leiden. Het staat derhalve aan de heer V.M. om door bemiddeling van zijn raadsman een nieuw en realistisch afbetalingsplan met de ontvanger overeen te komen, waarbij uitgegaan wordt van zijn huidige situatie, zoals beschreven in randnummer
  27. Enkel wanneer een redelijke afbetalingsregeling zou geweigerd worden, kan eventueel heroverwogen worden of er een structurele en duurzame financiële problematiek is, die het verantwoordt om de collectieve schuldenregeling toe te staan. Hiertoe kan de heer V.M. dan gebeurlijk een nieuw verzoekschrift indienen. In de huidige stand bewijst hij echter niet dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 1675/2 Ger., zodat zijn hoger beroep ongegrond is. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtdoende na éénzijdig verzoekschrift, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Wijst de heer V.M. ervan af en bevestigt de bestreden beschikking. Kosteloze procedure. Aldus gewezen door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: De Heer L. LENAERTS, raadsheer, Mevrouw K. CUVELIER, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de elfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 21 juni 2010 door L. Lenaerts, kamervoorzitter en K. Cuvelier, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.