id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.4 Rolnummer: 2010/AB/00021 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-08-19 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 13:18 Fiche 1 Het niet nakomen door de schuldenaar van zijn verplichtingen is een herroepingsgrond waarvoor geen intentioneel element vereist is, wel moet het niet nakomen een zekere zwaarwichtigheid hebben, wat kan blijken uit het herhaald niet nakomen van de verplichtingen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELINGSCHULDOVERLAST - Herroeping wegens niet nakomen van zijn verplichtingen. Nota: Gerangschikt onder XVI art. 1675/15 § 1, 2°. Een andere samenvatting is gerangschikt onder I A art. 1675/15 § 1, 5°. Fiche 2 Het begrip valse verklaringen in artikel 1675/15 § 1, 5° Ger.W. duidt niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en zelfs ook op opvolledige verklaringen, met name onvolledig op het vlak waar het voor de collectieve schuldenregeling van het grootste belang was om de betrokken verklaring of inlichting wel te geven. Een standaardvoorbeeld is het verzwijgen van inkomsten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Doelbewust afleggen van valse verklaringen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/15 §1,5° - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder I A art. 1675/15 § 1, 5°. Een andere samenvatting is gerangschikt onder XVI art. 1675/15 § 1, 2° Ger.W. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2010 11 e KAMER COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling (artikel 578,14° Ger.W.) tegenspraak tav appellant en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav de schuldeisers; definitief In de zaak: R , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door mr. PIERARD Benjamin, advocaat te 1500 HALLE, Vandenpeereboomstraat, 66-
- Tegen:
- GEMEENTE WEMMEL, gevestigd te 1780 WEMMEL, Dr. H. Folletlaan, 28,
- AXA BANK BELGIUM, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Brusselsestraat, 45,
- ONTVANGKANTOOR DER BELASTINGEN WEMMEL-WEZEMBEEK, met zetel te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan, 50-b3131,
- FIDUSUD, met zetel te 5101 ERPENT Namur, Chaussée de Marche, 511,
- EUROMUT, met zetel te 1080 BRUSSEL, Mettewielaan, 44,
- FIDUCRE, (voor KBC), met zetel te 1140 BRUSSEL, H. Matisselaan, 16,
- GDW DAMS, (voor UZ BRUSSEL), met zetel te 1180 BRUSSEL, Brugmannlaan, 577,
- MERCATOR, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Desguinlei, 100,
- BRUGMANN ZIEKENHUIS, met zetel te 1020 BRUSSEL, A. Van Gehuchtenplein, 4, 10.FOD SOCIALE ZEKERHEID, (uitbetaling tegemoetkomingen), met zetel te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan, 50 b100, Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting. In aanwezigheid van: OCMW VAN MERCHTEM, schuldbemiddelaar, met kantoor te 1785 MERCHTEM, Gasthuisstraat, 17, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VAN DER SYPT Chantal, advocaat te 1020 BRUSSEL, E. Bockstaellaan
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak tav dhr. R. J.-C. en het OCMW Merchtem, bij verstek tav de schuldeisers op 2 december 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 32e kamer (A.R. 08/2802/B). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 8 januari 2010; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 6 april 2010, - de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 26 februari 2010 en de 2de vervangende conclusies op 16 april 2010; - de voorgelegde stukken; De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- Op 2 mei 2002 legde de heer R. J.-C. bij de beslagrechter te Brussel een verzoekschrift collectieve schuldenregeling neer. Bij beschikking van de beslagrechter van 20 juni 2002 werd zijn verzoek toelaatbaar verklaard en werd het OCMW te Merchtem benoemd tot schuldbemiddelaar. Er deden zich een aantal moeilijkheden voor tussen de heer R. J.-C. en de schuldbemiddelaar. Op 19 augustus 2009 legde het OCMW een verzoekschrift tot herroeping neer bij de arbeidsrechtbank te Brussel; de motieven voor deze herroeping worden in het vonnis van de eerste rechter aangehaald en kunnen geresumeerd worden als dat de heer R. J.-C. niet te bereiken was, zich verschuilde achter een VZW, die op private basis ziekenvervoer organiseerde, waardoor hij allerhande voordelen bekwam, die hij verborgen hield. Hij werd tevens herhaalde malen veroordeeld voor allerhande overtredingen door diverse politierechtbanken en ging nieuwe schulden aan tijdens de periode van collectieve schuldenregeling. Zijn financiële situatie is in die omstandigheden helemaal niet transparant en hij gaat engagementen aan die onmogelijk zijn met zijn zogenaamd beperkt inkomen.
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 2 december 2009 werd de beschikking van toelaatbaarheid herroepen op grond van artikel 1675/15 §1, 2°, 4° en 5° en werd de staat van ereloon in de kosten van de schuldbemiddelaar vereffend waarvan een groot gedeelte ten laste van het fonds werd gelegd. Dit vonnis werd bij gerechtsbrief aan de heer R. J.-C. ter kennis gebracht op 9 december
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 8 januari 2010, tekende de heer R. J.-C. hoger beroep aan en vroeg hij dat de herroeping ongedaan zou worden gemaakt. II. BEOORDELING
- Het hoger beroep van de heer R. J.-C. werd tijdig ingesteld en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.
- Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaars: 1° ... 2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen; 3° ... 4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt 5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd ...
- De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepinggronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers. ( P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 75, nr. 110). In de parlementaire voorbereiding van de wetgeving betreffende de collectieve schuldenregeling werd benadrukt dat de gronden tot herroeping in essentie neerkomen op het niet nakomen van de procedurele goede trouw. (Gedr. St. Kamer, 1996-97, 1073/11, 87-88; 1073/1, 17 en 1073/11, 23). Deze veronderstelt een loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling. Artikel 1675/15 §1, 2° Het niet nakomen van zijn verplichtingen
- Het niet nakomen door de schuldenaar van zijn verplichtingen is een herroepinggrond waarvoor geen intentioneel element vereist is, wel moet het niet nakomen een zekere zwaarwichtigheid hebben, wat kan blijken uit het herhaald niet nakomen van de verplichtingen. ((De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 19).
- De schuldbemiddelaar heeft reeds in een brief van 3 mei 2005 aan de beslagrechter te Brussel zich erover beklaagd dat de heer R. J.-C. met de regelmaat van de klok ambtshalve wordt afgeschreven om zich dan een tijdlang nergens meer in te schrijven, terwijl hij nochtans in de buurt van Wemmel actief blijft als ambulancier en regelmatig gezien wordt met een ambulance. Over deze activiteit ontbreekt elke transparantie. In een brief van 14 februari 2008 diende de schuldbemiddelaar zich opnieuw bij de beslagrechter te beklagen over het feit dat de heer R. J.-C. zijn afspraken niet nakomt en nalaat contact op te nemen. Op 7 mei 2008 heeft de schuldbemiddelaar opnieuw uitleg gevraagd over de voordelen die de heer R. J.-C. had ingevolge zijn activiteiten in verschillende VZW's, zijn herhaalde adreswijzigingen en de bijkomende ziekenhuisfacturen. Hij werd erop gewezen dat hij in het verleden niet getuigd heeft van een grote samenwerking en er werd hem een overeenkomst voorgelegd waarin zijn rechten en verplichtingen in het kader van de schuldbemiddeling werden gepreciseerd. In deze overeenkomst wordt de noodzaak benadrukt om gedurende de hele procedure in goede trouw mee te werken. De verzoeker dient de schuldbemiddelaar onmiddellijk op de hoogte te brengen van elke wijziging in zijn persoonlijke situatie, hij mag geen nieuwe schulden maken en moet zoveel mogelijk bijdragen tot de verbetering van zijn financiële situatie. Uit een brief van 17 mei 2008 van de schuldbemiddelaar volgt dat de mutualiteiten de uitbetaling van de aan de heer R. J.-C. toekomende vergoeding dienden te blokkeren omdat hij de documenten in verband met de opening van de rubriekrekening niet ondertekende. Op 5 juni 2008 schreef de schuldbemiddelaar de heer R. J.-C. andermaal aan met de vraag klaarheid te geven over de mandaten die hij vervulde in verschillende VZW's en opheldering te geven over zijn huur en zijn woonsituatie. Op 6 juni 2008 liet de schuldbemiddelaar aan de heer R. J.-C. weten dat de kosten van aansluiting bij Coditel niet opgenomen waren in zijn overzicht, terwijl men diende vast te stellen dat hij over een e-mailadres beschikte; de schuldbemiddelaar vroeg zich af op welke basis hij zich deze kosten kon veroorloven gelet op zijn voorgehouden minieme inkomsten. Op 12 juni 2008 werd de heer R. J.-C. nogmaals aangeschreven omdat hij niet gereageerd had op de vorige vragen en brieven. Op 26 juni 2008 vroeg de schuldbemiddelaar hoe het mogelijk was dat hij zich geëngageerd had voor de vakantiekosten voor zijn kinderen ten belope van euro 550, terwijl dit onmogelijk kon met zijn beperkte inkomsten. Op 4 juli 2008 beklaagde de schuldbemiddelaar zich nogmaals over de onbereikbaarheid van de heer R. J.-C. en het niet in orde zijn van de bankrekening. Dit werd nogmaals herhaald in een brief van 10 juli 2008, waarbij voor de zoveelste maal de vraag gesteld werd naar transparantie in verband met zijn betrokkenheid bij VZW's. Een volgende herinneringsbrief dateert van 24 juli 2008 waarin het OCMW concludeerde dat hij toch alleszins over andere inkomsten diende te beschikken, daar hij niet eens de moeite deed om zijn rekeningnummer over te maken, waardoor zijn leefloon niet kon worden gestort. In een uitvoerige brief van 3 augustus 2008 werden al deze vragen nogmaals opgelijst en het OCMW meldde duidelijk aan de heer R. J.-C. dat zijn houding enkel mogelijk kon zijn doordat hij beschikte over andere bronnen van inkomsten, vermoedelijk via zijn werkzaamheden in de VZW's. In het kader van een procedure voor de jeugdrechtbank te Brussel met zitting op 20 mei 2009, bevestigde de heer R. J.-C. een akkoord tot betaling van een onderhoudsbijdrage van euro 210 voor de kinderen, terwijl hij dan slechts over een inkomen van euro 800 zou beschikken. Deze regeling werd alleszins niet besproken met de schuldbemiddelaar. Ter zitting van 7 juni 2010 werd aan het hof als uitleg gegeven dat men veronderstelde dat het OCMW dit dan wel zou betalen. Omdat er een ernstig vermoeden bestond van andere inkomsten, heeft het OCMW de ten laste neming van het onderhoudsgeld geweigerd bij beslissing van 8 juli
- Ter zitting van 7 juni 2010 wordt bevestigd dat het beroep van de heer R. J.-C. tegen deze weigering door de arbeidsrechtbank werd afgewezen. Tevens lijkt de heer R. J.-C. betrokken te zijn in een procedure van vereffening en verdeling van zijn huwelijksgemeenschap, maar niettegenstaande zijn ex-echtgenote zou gehouden zijn tot het betalen van een opleg, wordt de afhandeling ervan niet geactiveerd. Door het herhaald niet geven van relevante inlichtingen en door de schuldbemiddelaar niet onmiddellijk op de hoogte te brengen van elke wijziging in zijn persoonlijke situatie, komt de heer R. J.-C. zijn verplichtingen in het kader van de collectieve schuldenregeling niet na en dit op een dergelijke wijze dat dit door de permanente herhaling een zwaarwichtig karakter heeft. Tevens laat hij na om in verband met de afhandeling van de vereffening en verdeling bij te dragen tot de verbetering van zijn financiële situatie. Bovenvermeld overzicht toont aan dat hij schromelijk tekort komt in het nakomen van de vereiste procedurele goede trouw en dat hij niet loyaal en actief meewerkt bij de uitvoering van de aanzuiveringsregeling.
- De heer R. J.-C. tracht dit te weerleggen door te verwijzen naar de briefwisseling van zijn kant, waarin hij zich voornamelijk beroept op de zogenaamde onwil van de schuldbemiddelaar en op zijn verzoek om in het Nederlands te worden aangesproken. Zijn verzoekschrift tot inleiding van de procedure tot collectieve schuldenregeling werd in het Nederlands opgesteld, wat overigens in overeenstemming is met artikel 3 tweede lid van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De schuldbemiddelaar verklaart dat de heer R. J.-C. zichzelf in het Nederlands kon uitdrukken bij zijn verschijning voor de beslagrechter. De bezwaren van de heer R. J.-C. kunnen dan ook geen afbreuk doen aan het feit dat hij zijn essentiële verplichtingen aanhoudend niet nakwam. De schuldbemiddelaar heeft niet anders gedaan dan de heer R. J.-C. trachten te bewegen tot een normale samenwerking, weliswaar tevergeefs. Terecht heeft de eerste rechter dan ook de herroeping aanvaard op grond van artikel 1675/15 §1, 2° Ger. W. Artikel 1675/15 §1, 4° het bewerken van zijn onvermogen
- Gelet op het ontbreken van duidelijke gegevens, zijn er onvoldoende feitelijke elementen om vast te stellen dat de heer R. J.-C. zijn onvermogen zou hebben bewerkt. Artikel 1675/15 §1, 5° doelbewust afleggen van valse verklaringen
- Het begrip valse verklaringen duidt niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en zelfs ook op onvolledige verklaringen, met name onvolledig op het vlak waar het nu net van het grootste belang was om de betrokken verklaring of inlichting wel te geven. Een standaardvoorbeeld is het verzwijgen van inkomsten (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 27). Gelet op het overzicht dat in randnummer 5 werd gegeven, staat het vast dat de heer R. J.-C. onvolledige verklaringen aflegt in verband met zijn werkzaamheden in de VZW's; hij brengt geen enkele transparantie over de voordelen die hij heeft door deze werkzaamheden. Uit de vaststellingen van de schuldbemiddelaar volgt dat hij alleszins beschikt over een voertuig en een GSM; uit zijn stukken volgt dat hij een internetaansluiting en een e-mailadres heeft. Terecht heeft de schuldbemiddelaar over dit alles bij herhaling nadere en verifieerbare inlichtingen gevraagd. De onvolledige en ontwijkende verklaringen van de heer R. J.-C. maken dat het onmogelijk is een juist zicht te bekomen op zijn daadwerkelijke financiële situatie. Ten onrechte wil de heer R. J.-C. het afleggen van valse verklaringen beperken tot het feit dat hij de beschikking had over een ziekenwagen en GSM via de VZW; hij verschuilt zich hierachter om na te laten een volledig overzicht van zijn betrokkenheid in de ambulancedienst te verstrekken. Het verzwijgen van essentiële financiële informatie duidt op het bewust afleggen van valse verklaringen in de zin van de wet, zodat de eerste rechter terecht de schuldbemiddeling herroepen heeft op grond van artikel 1675/15 §1, 5° . De financiële transparantie omtrent zijn situatie wordt evenmin gegeven door zijn stukken 16 tot en met 20, die enkel betrekking hebben op de mutualiteitsuitkeringen en zijn toelating door de adviserend geneesheer om in de VZW te werken. In hoeverre dit werkelijk onbezoldigd gebeurde en hij niet beschikt over belangrijke voordelen in natura, wordt door hem niet opgeklaard. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden bevestigd, met dien verstande dat de herroeping niet gegrond wordt op artikel 1675/15 §1, 4°. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24, Recht doende op tegenspraak ten aanzien van appellant en de schuldbemiddelaar en bij verstek ten aanzien van de geïntimeerden schuldeisers; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid van 23 juni 2003 gegrond wordt op artikel 1675/15 §1, 2° en 5°, en niet op grond van artikel 1675/15 §1, 4°. Kosteloze procedure. Aldus gewezen door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: De Heer L. LENAERTS, raadsheer, Mevrouw K. CUVELIER, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de elfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 21 juni 2010 door L. Lenaerts, kamervoorzitter en K. Cuvelier, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div