id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.5 Rolnummer: 2009/AB/52096 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-08-19 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 13:16 Fiche Schendt artikel 1675/7 §2, 2° Ger.W. het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de artt. 10 en 11 van de Grondwet en het recht een menswaardig leven te leiden, neergelegd in artikel 23 van de Grondwet, - in zoverre het de schuldbemiddelingsrechter kennelijk verbiedt om op voorstel van de schuld bemiddelaar in het belang van de boedel en rekening houdend met de menselijke waardigheid van de schuldenaars, de opportuniteit van de verkoop te beoordelen, en te voorzien in een uitstel of afstel van de verkoop in het belang van de boedel, - terwijl artikel 25 derde lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de curator wel de mogelijkheid geeft om een dergelijke beoordeling voor te leggen aan de rechter-commissaris, dan wanneer mag aangenomen worden dat een handelaar die een faillissement aanvraagt, een grotere kennis heeft over financiële aangelegenheden en de noodzaak van het nemen van tijdige maatregelen dan een natuurlijke persoon, die geen koopman is en niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog de vervallen schulden te betalen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Algemeen (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: SCHULDOVERLAST - Prejudiciële vraag. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/7 §2,2° - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI art. 1675/7 §2, 2° Ger.W. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2010 11 e KAMER COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling (artikel 578,14° Ger.W.) tegenspraak tav. appellante, de heer V. A., mevr. D. S. en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav. de schuldeisers prejudiciële vraag In de zaak: CENTRALE KREDIETVERLENING NV, met zetel te 8790 WAREGEM, Mannebeekstraat 33, appellante, vertegenwoordigd door mr. TANGHE Michaël loco mr. GHEKIERE Alain, advocaat te 8870 IZEGEM, Brugstraat
- Tegen: V. A. en D. S. , wonende te [xxx], geïntimeerden, beiden aanwezig in persoon, bijgestaan door mr. HEERINCKX Sandra, advocaat te 1500 HALLE, Nijverheidsstraat 36 bus
- VAN CAMPENHOUT J., advocaat, in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar, met kantoor te 1702 GROOT-BIJGAARDEN, Robert Dansaertlaan 82, en verschijnend ter zitting; In aanwezigheid van:
- MOBISTAR NV, met zetel te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 70,
- FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, BTW ONTVANGKANTOOR HALLE, 1500 HALLE, Zuster Bernadastraat 32,
- IWVB, met zetel te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Alsembergsesteenweg 5a,
- FSMB, met zetel te 1000 BRUSSEL, Zuidstraat 111,
- CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579/40,
- IVERLEK, met zetel te 3000 LEUVEN, Aarschotsesteenweg 58,
- VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, met zetel te 9320 EREMBODEGEM, Alfons Van de Maelestraat 96,
- VLAAMSE GEMEENSCHAP, met zetel te 9300 AALST, Bauwensplaats, 13 bus 2,
- OCMW SINT-PIETERS-LEEUW, met kantoor te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Fabriekstraat 1,
- VLABEL, met zetel te 1210 BRUSSEL, Koning II laan 19/7,
- EANDIS JURIDISCHE DIENST, met zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,
- EANDIS SODV, met zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg 199,
- ELECTRABEL, met zetel te 9000 GENT, Franklin Rooseveltlaan 1,
- VLAAMSE ZORGFONDS, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 35/7,
- GEMEENTEBESTUUR SINT-PIETERS-LEEUW, met zetel te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Pastorijstraat 21,
- ING BELGIE, met zetel te 1000 BRUSSEL, Marnixlaan 24,
- ALPHA CREDIT, met zetel te 1000 BRUSSEL, Ravensteinstraat 60/15,
- DEXIA BANK, met zetel te 1000 BRUSSEL, Pachecolaan 44,
- BELGACOM, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 27,
- FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, BELASTINGEN LENNIK, met regionaal kantoor te 1500 HALLE, Zuster Bernardastraat 32,
- VAN OUDENHOVE Patrick, notaris, met standplaats te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, H. Consciencestraat 31, Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak tav dhr. V. A., mevr. D. S., dhr. Van Campenhout, Nv Centrale Kredietverlening en Ocmw Sint-Pieters-Leeuw, bij verstek tav overige partijen op 20 april 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 32e kamer (A.R. 09/252/B). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 22 april 2009; - het tussenarrest van het hof van 21 december 2009; - de besluiten na tussenarrest voor de appellante, neergelegd ter griffie op 13 januari 2010, - de besluiten na tussenarrest voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 25 maart 2010; - de besluiten voor de schuldbemiddelaar, neergelegd ter griffie op 26 februari 2010; - de nota van de schuldbemiddelaar, neergelegd ter griffie op 18 mei 2010; - de voorgelegde stukken; De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** *
- Het hof verwijst naar wat reeds gezegd werd in het tussenarrest van 21 december
- Voor de beschikking van toelaatbaarheid van 17 maart 2009, werd ten verzoeke van appellante op 13 maart 2009 de verkoop aangeplakt van het onroerend goed van de heer V. A. en mevrouw D. S., gelegen [xxx]. Met verwijzing naar artikel 1675/14 Ger. W. vatte de schuldbemiddelaar de arbeidsrechtbank bij hoogdringendheid met de vraag om de schorsing te bevelen van de gedwongen verkoop van het hierboven vermelde onroerend goed, en zulks op straffe van een dwangsom van euro
- De schuldbemiddelaar stelde de noodzaak en de opportuniteit van de gedwongen verkoop in vraag, omdat het inkomen van de schuldenaars een volledige terugbetaling van de schuldmassa in het vooruitzicht stelde, terwijl bij een verkoop de schuldenaars een huurpand zouden moeten betrekken waarbij de gemiddelde huur zondermeer het dubbele zou bedragen van de hypothecaire mensualiteit, zodat het verder zetten van de verkoop in zijn ogen rechtsmisbruik uitmaakt. De schuldbemiddelaar voegt daar thans nog aan toe dat bij een onmiddellijke verkoop van het onroerend goed ( zonder aanzuiveringplan), de aanrekening van de interesten zal worden geschorst op de dag van de toelaatbaarheid, zodat appellante na die datum geen verdere interesten zou kunnen aanrekenen en zij slechts kan delen in de verkoopopbrengst voor euro 21.587,57 overeenkomstig haar aangifte van schuldvordering van 23 maart
- In het kader van een minnelijk aanzuiveringplan daarentegen kan de schuldbemiddelaar rekening houden met bijkomende intresten, zoals besproken in de briefwisseling tussen appellante en de schuldbemiddelaar. De schuldbemiddelaar zegt dat hij op basis van zijn briefwisseling met appellante reeds een bedrag van 13 x euro 327,93 = euro 3.935 heeft doorgestort aan appellante dat door haar werd aanvaard. ( 13 x 327,93 geeft wel als resultaat van euro 4.263,09). Volgens de berekening van de schuldaflossingen door de schuldbemiddelaar kunnen volgens hem in die omstandigheden de schulden ( interesten en verhogingen inbegrepen) alleszins binnen de 36 maanden worden aangezuiverd ( zie zijn stuk 2).
- In het tussenarrest van 21 december 2009 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard wat betreft het incidenteel derdenverzet van appellante tegen de toelaatbaarheidbeschikking van 17 maart
- Alvorens verder recht te doen over het hoger beroep in zoverre het gericht was tegen de beslissing van de eerste rechter in verband met de opschorting van de verkoop van de woning, werden de debatten heropend om de partijen toe te laten te antwoorden op de vraag of appellante niet berust had in het bestreden vonnis en of ze gelet op de voorstellen tot aanzuivering van de schuld nog een persoonlijk en reeds verkregen en dadelijk belang had bij haar hoger beroep. (zie in verband met deze voorstellen : de briefwisseling beschreven in randnummer 3 van het tussenarrest van 21 december 2009 Feiten en rechtspleging).
- Appellante antwoordt hierop dat ze reeds in haar eerste brief van 22 april 2009 aankondigde dat ze overwoog om hoger beroep aan te tekenen en dat ze geen definitief standpunt innam, waarna ze in een volgende brief van 23 april 2009 bevestigde dat ze zich geenszins had verbonden om geen hoger beroep aan te tekenen. Uit de briefwisseling kan geen ondubbelzinnige berusting of uitdrukkelijk akkoord worden afgeleid en appellante had aldus het vereiste belang om het hoger beroep aan te tekenen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.
- Appellante steunt haar beroep op de omstandigheid dat de wetgever in artikel 1675/7 §2 Ger. W. uitdrukkelijk voorzien heeft dat indien de dag van de gedwongen verkoop van het in beslag genomen onroerende goed reeds voor de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking was bekendgemaakt, de verkoop niettemin gebeurt voor rekening van de boedel. Appellante verwijst naar artikel 25 tweede lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, en wijst er op dat dit gelijklopend is met artikel 1675/7 § 2 Ger. W. Dit is juist, met dien verstande dat artikel 25 derde lid van de Faillissementswet hieraan toevoegt: Wanneer evenwel het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curators uitstel of afstel van de verkoop toestaan. Deze toevoeging vinden we niet terug in artikel 1675/7 §2 Ger. W.
- Voor de ratio legis van artikel 1675/7 §2 Ger. W. verwijst appellante naar de Memorie van toelichting (Parl. St. K.v.V. (1996-97), 1073/1 en 1074/2,
- Hierin lezen we: Het is moeilijk aanneembaar dat de collectieve aanzuiveringsregeling uitsluitend zou ingediend worden om het overigens onvermijdelijke verloop van een gedwongen uitvoeringsmaatregel tegen te werken. Men moet er ook aan herinneren dat de schorsende werking slechts plaatsheeft op de datum van de beslissing van toelaatbaarheid en niet op de datum van de indiening van het verzoekschrift. Teneinde de minste twijfel ter zake te vermijden, werd het wenselijk geacht, in navolging van wat het faillissementsrecht vermeldt, te voorzien dat "indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds voor de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel". In de kamercommissie ondervroeg een commissielid de minister over de mogelijkheid van de schuldbemiddelingsrechter om de opportuniteit van een geplande verkoop na te gaan. De minister antwoordde als volgt : De vice-eerste minister licht toe dat artikel 1675/7 §2, tweede lid, geen afwijking inhoudt op de mogelijkheid van gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen, indien de datum door aanplakking werd vastgesteld en bekendgemaakt. Het is de bedoeling te vermijden dat door een handeling op het laatste nippertje, de beslagene een onvermijdelijke gedwongen tegeldemaking probeert te vermijden waarvoor belangrijke kosten werden gedaan. Hij kan deze situatie perfect voorkomen door zijn vraag om collectieve schuldenregeling vroeger te formuleren. Het is zo dat artikel 25, derde lid van de wet op de faillissementen, bepaalt dat, indien het belang van de boedel het vereist, de rechter-commissaris op verzoek van de curator, de toestemming kan geven om de verkoop uit te stellen of om ervan af te zien. De vice-eerste minister is niet overtuigd van het nut van deze bepaling in het kader van dit ontwerp. (Parl. St. K.v.V. (1996-97), 1073/11, 45-46; onderlijning door het hof)
- De elementen, aangehaald in randnummer 1, noopten de schuldbemiddelaar ertoe om aan de eerste rechter een schorsing van de geplande verkoop van de gezinswoning van de aanvragers van de collectieve schuldenregeling te vragen, en dit in het licht van een volgens de schuldbemiddelaar billijke afhandeling van de collectieve schuldenregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de belangen van de boedel. Wanneer het om een faillissement zou gaan, zou de schuldbemiddelaar (curator) op grond van artikel 25, derde lid van de faillissementswet van 8 augustus 1997 in die omstandigheden het uitstel of afstel van de verkoop kunnen bekomen. Tijdens de parlementaire voorbereiding verantwoordde de minister dit verschil door erop te wijzen dat inzake de collectieve schuldenregeling de schuldenaar deze situatie perfect kan voorkomen door zijn vraag om collectieve schuldenregeling vroeger te formuleren en dat hij om die reden niet overtuigd is van het nut van deze bepaling in het kader van de collectieve schuldenregeling. Deze opmerking kan echter evengoed gelden bij een faillissement op aangifte. De vraag rijst dan ook of het door de minister ingeroepen criterium pertinent en adequaat is en zo ja, of het criterium proportioneel is. Een handelaar die een faillissement aanvraagt, wordt immers verondersteld een grotere kennis te hebben over financiële aangelegenheden en de noodzaak van het nemen van tijdige maatregelen dan een natuurlijke persoon, die geen koopman is en niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog de vervallen schulden te betalen.
- In zijn beroepsbesluiten, neergelegd op 22 mei 2009, en in zijn nota, neergelegd op 10 mei 2010, vraagt de schuldbemiddelaar dat aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag zou worden gesteld teneinde te vernemen of er een schending is van het gelijkheidsbeginsel wanneer artikel 1675/7 §2, 2° Ger. W. de schuldbemiddelingsrechter kennelijk verbiedt - in tegenstelling tot het faillissementsrecht - om de opportuniteit van de verkoop te beoordelen, en te voorzien in een uitstel of afstel van de verkoop in het belang van de boedel. Rekening houdend met o.m. de vragen, die aangebracht werden in randnummer 6, past het dat alvorens verder recht te doen een dergelijke prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt gesteld. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak tav. appellante, de heer V. A., mevr. D. S. en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav. de schuldeisers, Het tussenarrest van 21 december 2009 verder uitwerkend, Verklaart het hoger beroep in zijn geheel ontvankelijk, doch alvorens verder te beslissen stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: Schendt artikel 1675/7 §2, 2° Ger. W. het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in de art. 10 en 11 van de Grondwet en het recht een menswaardig leven te leiden, neergelegd in artikel 23 van de Grondwet, - in zoverre het de schuldbemiddelingsrechter kennelijk verbiedt om op voorstel van de schuldbemiddelaar in het belang van de boedel en rekening houdend met de menselijke waardigheid van de schuldenaars, de opportuniteit van de verkoop te beoordelen, en te voorzien in een uitstel of afstel van de verkoop in het belang van de boedel, - terwijl artikel 25 derde lid van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 de curator wel de mogelijkheid geeft om een dergelijke beoordeling voor te leggen aan de rechter-commissaris, dan wanneer mag aangenomen worden dat een handelaar die een faillissement aanvraagt, een grotere kennis heeft over financiële aangelegenheden en de noodzaak van het nemen van tijdige maatregelen dan een natuurlijke persoon, die geen koopman is en niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog de vervallen schulden te betalen. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: De Heer L. LENAERTS, raadsheer, Mevrouw K. CUVELIER, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de elfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 21 juni 2010 door L. Lenaerts, kamervoorzitter en K. Cuvelier, griffier. L. LENAERTS. K. CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100621.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div