id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100624.13 Rolnummer: 2009/AB/052318 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-08-26 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-01 13:21 Fiche Voor de toepassing van de inhouding op de aanvullende pensioenen, voorzien door art. 191, 1e lid, 7° van de gecoördineerde wetten op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, dient als aanvullend voordeel beschouwd te worden in de zin van deze bepaling het kapitaal verworven ingevolgde een pensioentoezegging gedaan en gefinancierd door een Nederlandse werkgever, zelfs indien het toegekende voordeel de vorm aanneemt van een individuele levensverzekering, afgesloten in België. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Financiering Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Ziekteverzekering - Gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, art. 191, 1e lid, 7°. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 191,L1,7° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 JUNI 2010 7e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekteverzekering kennisgeving artikel 580,2°, Ger.W. tegensprekelijk heropening van de debatten in de zaak: V.D. , wonende te [xxx], doch die woontkeuze doet op het kantoor van zijn raadsman, Meesters VANDENDIJK Marc, advocaat te 1180 BRUSSEL, Edith Cavellstraat 66, appellant, vertegenwoordigd door mr. HENDRICKX C. loco mr. VANDENDIJK Marc, advocaat te 1180 BRUSSEL, Edith Cavellstraat 66, tegen: 1. RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE JONGH I. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1 2. RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren 3-5, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE KRUIJVER V. loco mr. DE BOCK Ernest, advocaat te 1800 VILVOORDE, Xavier Buissetstraat 24 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 04-05-2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 33e kamer (A.R. 19589/06). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 juli 2009; - de conclusies, neergelegd voor de in het geding zijnde partijen; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 29 april 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 5 mei 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn die werd voorzien voor het neerleggen ter griffie van een repliekconclusie verstreek op 27 mei 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspaak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING. 1. De heer V.D., die op dat ogenblik een Nederlands rijksinwoner was, sloot op 10 november 1994 een individuele levensverzekeringsovereenkomst af met de maatschappij Royal Life. De eenmalige premie voor deze verzekering werd gestort door de BVBA V.D.. Op verzoek van de heer V.D., die inmiddels een Frans rijksinwoner was geworden werd door de maatschappij AGF Belgium (opvolger van de maatschappij Royale Live) de uitkering van deze verzekering in de vorm van een kapitaal uitgekeerd op 30 juni 2006. Op deze uitbetaling van kapitaal heeft de verzekeringsmaatschappij echter, overeenkomstig de wettelijke bepalingen van toepassing in België, een RIZIV-bijdrage ingehouden van 3,55 % en een solidariteitsbijdrage ten voordele van de Rijksdienst voor Pensioenen van 2 %. De heer V.D., die van oordeel was dat deze inhoudingen onterecht gebeurden, heeft zich tot het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en tot de Rijksdienst voor Pensioenen gewend om de terugbetaling te bekomen van de inhoudingen, hetgeen hem geweigerd werd. 2. Bij dagvaardingen van 31 oktober 2006 en 8 november 2006 heeft de heer V.D. het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Pensioenen gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis van 4 mei 2009 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering als ongegrond afgewezen. 3. Bij aangetekend schrijven van 8 juli 2009 heeft de heer V.D. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het verzoekschrift in hoger beroep werd bij aangetekend schrijven van 8 juli 2009 ingediend. Het is regelmatig naar vorm. Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Pensioenen betwisten echter de tijdigheid van het hoger beroep. Zij stellen dat het hoger beroep niet ingesteld werd binnen de maand (verlengd met 15 dagen ingevolge de kennisgeving in Frankrijk) na de kennisgeving van het bestreden vonnis bij gerechtsbrief. De heer V.D. stelt daartegenover dat de kennisgeving bij gerechtsbrief niet correct gebeurde omdat geen rekening gehouden werd met de keuze van woonplaats, die hij gedaan had in de inleidende dagvaarding en in de synthesebesluiten die hij had neergelegd voor de arbeidsrechtbank. Overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan, overeenkomstig artikel 792, 2e en 3e lid van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 792, 2e lid van het Gerechtelijk Wetboek brengt de griffier het vonnis binnen de acht dagen ter kennis van partijen bij gerechtsbrief. Overeenkomstig artikel 40, laatste alinea van het Gerechtelijk Wetboek is de betekening in het buitenland ongedaan indien de partij, op wiens verzoek ze verricht is, de woonplaats of de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van degene aan wie betekend wordt in België of, in voorkomend geval in het buitenland, kende. De heer V.D. heeft vanaf de inleidende dagvaarding steeds keuze van woonplaats gedaan bij zijn raadslieden. De kennisgeving van het vonnis, die de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot vervangt, had dan ook dienen te gebeuren op de gekozen woonplaats van de heer V.D.. De kennisgeving die gedaan werd in zijn gewone woonplaats, kon derhalve de beroepstermijn niet laten lopen. Het beroep is derhalve ontvankelijk. III. BEOORDELING. 1. De heer V.D. is van oordeel dat de eerste rechter, door te oordelen dat de sommen die hem werden uitgekeerd, dienden beschouwd te worden als een aanvulling van een pensioen, toegekend bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een reglement of een collectieve ondernemings of sectoriele overeenkomst, ten onrechte toepassing gemaakt heeft van de bepalingen van artikel 191, 1e lid, 7° van de gecoördineerde wetten op de ziekte en invaliditeitsverzekering en van artikel 68 § 5 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Volgens hem kon de individuele levensverzekering, die hij afsloot, niet beschouwd worden als een aanvulling op het wettelijk pensioen, zoals bedoeld door de geciteerde bepalingen. Dat de afgesloten overeenkomst een individuele levensverzekering is, leidt de heer V.D. af uit het contractschema van de polis en uit het feit dat het gaat om een polis van het type tak 23, levensverzekeringsovereenkomst die, op het ogenblik van het totstandkomen van de polis, niet mocht aangewend worden voor de opbouw van een groepsverzekering. De heer V.D. verwijst naar diverse interpretaties, volgend uit de voorbereidende werken van de wet van 30 maart 1994 en een rondschrijven van de administratie der belastingen. De heer V.D. voert verder aan dat hij niet onderworpen is aan het personeel toepassingsgebied van de ingeroepen bepalingen, vermits hij nooit rijksinwoner van België is geweest en hij ook nooit een aanspraak op een pensioen of een tussenkomst in de ziekteverzekering ten aanzien van een Belgische sociale zekerheidsinstelling kan bekomen. Hij stelt dat de toepassing van deze bepalingen op zijn situatie strijdig is met art. 33 van de Europese Verordening 1408/71. Hij verwijst ook naar een schrijven van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering waarin aanvaard wordt dat er, in toepassing van het vermelde artikel 33, een recht op terugbetaling is van de bijdragen op het ogenblik dat hij de hoedanigheid van wettelijk gepensioneerde verwerft. In ondergeschikte orde voert de heer V.D. aan dat de bijzondere bijdrage, verschuldigd ingevolge art. 68 van de wet van 30 maart 1994, in ieder geval niet kan toegepast worden, vermits deze bijdrage enkel kan ingehouden worden op een pensioen ten laste van een Belgisch pensioenstelsel. 2. Artikel 191, 1e lid, 7° van de gecoördineerde wetten op de ziekte en invaliditeitsverzekering van 14 juli 1994 bepaalt: " De verzekeringsinkomsten bestaan uit: 7° de opbrengst van een inhouding van 3,55 % op de wettelijke ouderdoms-, rust- , anciënniteits- en overlevingspensioenen of op elk ander als zodanig geldend voordeel, alsmede op elk voordeel, bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij bij toepassing van de wettelijke reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een reglement, een collectieve of sectoriele overeenkomst. Deze inhouding wordt eveneens verricht op het voordeel dat het pensioen vervangt of aanvult en dat wordt toegekend aan een zelfstandige krachtens een collectieve overeenkomst of een individuele toezegging van een pensioen afgesloten door de onderneming. " Artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 bepaalt in zijn § 5: "De Belgische uitbetalingsinstelling van een na 31 december 1996 in de vorm van een kapitaal betaald aanvullend voordeel, waarvan het bedrag hoger is dan 2.478,94 EUR, verricht, bij de uitbetaling van het kapitaal, ambtshalve een afhouding gelijk aan 2 t.h. van het brutobedrag van dat kapitaal" Hetzelfde artikel bepaalt in zijn § 1: Voor de toepassing van de artikelen 68 tot en met 68quinquies wordt verstaan: "(
- c)onder "aanvullend voordeel", elk voordeel bedoeld als aanvulling van een in
- a)of
- b)bedoeld pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij krachtens wettelijke, bestuursrechtelijke of statutaire bepalingen, hetzij krachtens bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve of sectorale overeenkomst, ongeacht het feit of het een periodiek of een in de vorm van een kapitaal betaald voordeel betreft. Als aanvullende voordelen in de zin van
- c)worden eveneens beschouwd: - de in a), 1°, bepaalde renten die uitbetaald worden in de vorm van een kapitaal; - elk voordeel, betaald aan een persoon ongeacht zijn statuut, in uitvoering van een individuele pensioentoezegging." 3. Of al dan niet terecht inhoudingen gebeurden op het kapitaal dat aan de heer V.D. uitgekeerd werd, dient bepaald te worden aan de hand van de precieze wettelijke teksten en niet aan de hand van theoretische onderscheidingen, zoals die op basis van die teksten en interpretaties ervan gemaakt worden tussen voordelen toegekend "in de tweede pijler" of voordelen "toegekend in de derde pijler" en ongeacht het fiscaal statuut dat dit kapitaal in België geniet op het ogenblik van de uitbetaling. Aldus is zonder belang voor de oplossing van het geschil de omzendbrief van de administratie van belastingen, waarnaar de heer V.D. verwijst en die overigens, om te besluiten dat geen belastingsaftrek dient gedaan te worden, zich in essentie steunt op het feit dat geen premies betaald werden in België. Concreet dient in deze zaak nagegaan te worden, in het licht van de geciteerde teksten en de voorliggende betwisting, of het kapitaal dat de heer V.D. genoten heeft voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, en zulks ongeacht de formule die gekozen werd voor de verzekering van dit voordeel. 4. De eerste rechter heeft de voorlegging bevolen van het volledige dossier van de verzekeraar bij wie de betwiste verzekering werd afgesloten. In dit dossier komt een schrijven voor van de verzekeringsmaatschappij AGF Belgium (die in de rechten getreden is van de maatschappij Royal Life) waaraan gehecht is een schrijven van de Nederlandse belastingsdiensten van 19 juli 1994 met de volgende inhoud: " Gezien de door U voorgelegde verklaring van de verzekeringskamer dd. 15 juli 1994 wordt goedgekeurd dat de pensioenverplichting/ kapitaal zonder inhouding van loonheffing door V.D. Beheer B.V. wordt overgedragen aan Royale Life in België (zijnde een vestiging van Royal Nederland Levensverzekeringen, gevestigd te Utrecht), onder voorwaarde dat: (
- a)het bij Royal Life in België bedongen of te bedienen recht valt te kwalificeren als een aanspraak op pensioen in de zin van artikel 11, eerste lid, letter a en derde lid van de wet op de loonbelasting 1964, dan wel als een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin van artikel 11, eerste lid, letter d van de voornoemde wet; (
- b)het pensioenkapitaal door Van Daelen Beheer BV rechtstreeks wordt overgemaakt aan Royal Life in België tegen de waarde in het economisch verkeer; (
- c)terzake van de overdracht van het pensioenkapitaal wordt geen enkele aftrek op het inkomen van de heer en mevrouw V.D. toegepast. Ten bewijzen van een en ander verzoek ik u, mij na de overdracht van het pensioenkapitaal een kopie van de polis te verstrekken". Uit het vermelde schrijven van de verzekeraar blijkt dat, in uitvoering van de verplichtingen opgelegd door de Nederlandse belastingdiensten, bijzondere clausules in de polis werden opgenomen en met name de clausule: " Deze verzekeringsovereenkomsten houdt verband met een pensioenregeling in de zin van artikel twee lid 4, letter C van de Pensioen- en Spaarfondsenwet. Op deze verzekeringsovereenkomsten zijn de regels van de verzekeringsovereenkomsten Pensioen en Spaarfondsenwet van toepassing." Overeenkomstig art. 2, lid 1 van deze laatste wet, die reeds door de eerste rechter werd geciteerd en waaromtrent aldus geen betwisting bestaat, is een werkgever die aan personen verbonden aan zijn onderneming toezeggingen doet omtrent pensioenverplichtingen, verplicht ter uitvoering ervan (
- a)hetzij toe te treden tot een bedrijfstak pensioenfonds; (
- b)hetzij aan de onderneming een pensioenfonds te verbinden (
- c)hetzij de voorzieningen te treffen overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid (d)... Overeenkomstig art. 2, lid 4, letter c van deze wet kan de werkgever voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, letter c, treffen door ervoor te zorgen dat personen, verbonden aan zijn onderneming, daartoe door hem geheel of ten dele in staat gesteld, zelf overeenkomsten afsluiten als bedoeld onder B, (dit zijn verzekeringsovereenkomsten met een verzekeraar). Uit de samenlezing van deze documenten en wettelijke bepalingen blijkt dat de overeenkomst afgesloten door de heer V.D., ook al wordt zij een levensverzekering genoemd, aangegaan werd ingevolge de arbeidsovereenkomst die de heer V.D. verbond met de BVBA Beheer V.D. (zie verwijzing naar de loonwet en de Pensioen en Spaarfondsenwet die telkens verwijzen naar de werkgever) en ingevolge de pensioentoezegging die in het kader van deze arbeidsovereenkomst door de BVBA V.D. werd gedaan. De financiële last van de pensioentoezegging werd daarbij volledig gedragen door de werkgever, zij het dat, naar Nederlands recht, het pensioenrecht gerealiseerd werd doordat de werknemer zelf een overeenkomst afsloot, maar met de financiële middelen die daarvoor door zijn werkgever ter beschikking gesteld werden, concreet door de storting van een eenmalige premie. Dat de financiële middelen in casu door de werkgever geleverd zijn blijkt voldoende duidelijk uit het schrijven van de Nederlandse belastingdiensten, waarin als voorwaarde voor de goedkeuring van het afsluiten van een overeenkomst met een Belgische verzekeringsmaatschappij, gesteld wordt dat de premie rechtstreeks door de BVBA V.D. beheer moet gestort worden. Aldus is de overeenkomst, welk ook haar benaming weze, of haar kwalificatie volgens Belgische verzekeringsrecht, te beschouwen als een aanvullend voordeel op een pensioen krachtens bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst. Zonder belang daarbij is dat het contractschema van deze polis, deze is van een individuele levensverzekerings-overeenkomst. Zonder belang is ook dat de polis van het type tak 23 levensverzekeringsovereenkomst is , en dat, volgens de Belgische wetgeving van toepassing op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, deze niet kan aangewend worden voor de opbouw van een aanvullende pensioenverzekering. 5. Ten onrechte houdt de heer V.D. in ondergeschikte orde voor dat de heffing, voorzien door de wet van 30 maart 1994, niet zou kunnen toegepast worden omdat deze slechts zou moeten ingehouden wordt in het geval het een pensioen betreft ten laste van een Belgisch pensioenstelsel. Artikel 68 §1,
- a)van de wet van 30 maart 1994, waarnaar de heer V.D. verwijst, geeft enkel de definitie van het begrip wettelijk pensioen. De bepaling van art. 68 § 1, c), die betrekking heeft op het begrip aanvullend voordeel, houdt geen enkele beperking in waaruit zou kunnen afgeleid worden dat alleen aanvullende voordelen, toegekend in België ten laste van een Belgische verzekeringsmaatschappij of ten laste van een Belgische verzekeraar, in aanmerking worden genomen. Uit artikel 68 § 1, b, blijkt overigens duidelijk dat de bepaling ook betrekking heeft op de voordelen ten laste van een buitenlands pensioenstelsel of van een pensioenstelsel van een internationale instelling. 6. Blijft tenslotte de vraag of de inhoudingen voorzien door artikel 191 van de gecoördineerde wetten op de ziekte invaliditeitsverzekering en van artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 kunnen toegepast worden ten aanzien van een persoon die geen rijksinwoner is, het nooit geweest is en op geen enkele wijze aanspraak zal kunnen maken op een tussenkomst van de Belgische ziekteverzekering. De heer V.D. verwijst in dit verband naar artikel 33 van de Europese verordening 1408/71 van 14 juli 1971 op de sociale zekerheid. Volgens art. 33.1. van deze verordening is het orgaan van een lidstaat, dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald dat, voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, gemachtigd deze bijdragen in te houden op het pensioen of de renten, in zoverre deze prestaties voor rekening komen van een orgaan van de bedoelde lidstaat. Volgens artikel 33. 2 zijn premies, of soortgelijke inhoudingen, niet invorderbaar wanneer de pensioen- of rentetrekker, krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap. In zijn arrest nr. C-275/83 van 28 maart 1985, (Jur. 1985, 1097) heeft het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen geoordeeld dat de regeling van artikel 191 van de gecoördineerde wetten op de Ziekte-en Invaliditeitsverzekering strijdig is met artikel 33 van het verdrag in de mate dat de bijdrage eveneens geheven wordt ten laste van personen, die geen prestaties genieten van ziekte en moederschap ten laste van het Belgisch orgaan. In zijn arrest nr. 253/90 van 6 februari 1992 (Jur. 1992, 531) heeft het hof echter geoordeeld dat artikel 33 niet kan ingeroepen worden met betrekking tot de inhoudingen op aanvullende pensioenen, betaald door langs contractuele weg ingevoerde stelsels, omdat deze niet binnen de materiële werkingssfeer van de verordening behoren. Uit een schrijven van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering van 26 september 2006, dat wordt voorgelegd door de heer V.D., komt naar voren dat het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering aanvaardt dat geen bijdragen kunnen gevorderd worden in het kader van artikel 191 van de gecoördineerde wetten op de ziekteverzekering, in zoverre komt vast te staan dat de genieter van het aanvullend voordeel of pensioen nooit aanspraken zal kunnen maken op een tussenkomst van de Belgische ziekteverzekering. Of zulks het geval is zal, aldus dit schrijven, echter enkel kunnen vastgesteld worden op het ogenblik dat de betrokkene de hoedanigheid van wettelijke gepensioneerde verwerft. Dit standpunt lijkt in besluiten bevestigd te worden, zij het of voorzichtige wijze door te stellen, dat de vraag tot terugbetaling voorbarig is. Uit de voorgelegde stukken blijkt echter dat de heer V.D., geboren op 22 maart 1945, de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft en dat hij bovendien als Frans rijksinwoner ten laste is van de Franse sociale zekerheid. De vraag stelt zich derhalve of het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering op dit ogenblik bereid is over te gaan tot terugbetaling van de inhouding. Verder is de vraag of de Rijksdienst voor Pensioenen, die stelt dat enkel het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering bevoegd is om de kwalificatie van een aanvullend kapitaal als een aanvullende uitkering te controleren of te wijzigen en dat dit standpunt hem bindt, eveneens bereid is op dit ogenblik tot terugbetaling van de inhouding over te gaan. Het hof merkt daarbij op dat de objectieven van beide wetgevingen toch wel verschillend zijn en er geen correlatie lijkt te bestaan tussen de solidariteitsbijdrage op de pensioenen en de opening van enig recht ten aanzien van de sociale zekerheid Het komt als aangewezen voor om op dit punt de heropening van de debatten te bevelen teneinde het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten hun standpunt terzake te verduidelijken. In het kader van de heropening komt het ook als aangewezen voor dat het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering - dan wel de heer V.D. - een kopie voorlegt van de vroegere briefwisseling die dienaangaande gevoerd werd en met name een brief van 4 augustus 2006 waarin het standpunt van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering zou uiteengezet zijn. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Alvorens verder uitspraak te doen over de gegrondheid van het hoger beroep beveelt de heropening van de debatten ten einde het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Pensioenen toe laten standpunt in te nemen over de vraag of, gelet op het feit dat hij inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft en geen aanspraak maakt op een Belgische sociale zekerheidsregeling, de heer V.D. recht heeft of de terugbetaling van de inhoudingen die gebeurd zijn in toepassing van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 op de ziekte en invaliditeitsverzekering en de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Aan partijen wordt ook gevraagd de briefwisseling voor te leggen die met het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering werd gevoerd, zoals gepreciseerd in de overwegingen van het arrest. Bepaalt de termijnen voor neerlegging van besluiten als volgt: Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering zal zijn besluiten dienen neer te leggen uiterlijk op 12 augustus 2010; de Rijksdienst voor Pensioenen zal zijn besluiten dienen neer te leggen uiterlijk op 16 september 2010; De heer V.D. zal zijn besluiten neerleggen op 21 oktober 2010; Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering en de Rijksdienst voor Pensioenen zullen aanvullend kunnen besluiten uiterlijk op 25 november 2010. De zaak wordt opnieuw voor pleidooien vastgesteld ter zitting van 6 januari 2011 om 14u 30 voor een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten. Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Fernand KENIS, raadsheer, Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer- arbeider, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO Christian LAURIERS Fernand KENIS en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 24 juni 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100624.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div