← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100624.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100624.14 Rolnummer: 2008/AB/051599 Rechtsgebied: Bestuursrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-01 13:20 Fiche 1 Anders dan de beslissing tot ambtshalve onderwerping aan de sociale zekerheid, die als dusdanig geen rechtsgevolgen met zich meebrengt, is de beslissing tot ambtshalve schrapping van de onderwerping wel een beslissing die rechtstreekse rechtsgevolgen met zich meebrengt. Ze is dan ook als bestuurshandeling onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 tot de formele motivering van bestuurshandelingen. De nietigheid van de beslissing tot ambtshalve schrapping belet echter niet dat de rechter uitspraak moet doen over het subjectieve recht op onderwerping aan de sociale zekerheid. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Toepassingsgebied Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Motievering van bestuurshandelingen - Wet van 27/06/1969 Sociale zekerheid werknemers - Ambtshalve schrapping van onderwerping - Uitoefening van het werkgeversgezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Nota: Gerangschikt onder I L (Wet 29/07/1991), art. 1 - VII A I (Wet 27/06/1969), art.

  1. Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder VII A II (Wet 27/12/2006 [I]), art. 328 en VII A I (Wet 27/06/1969), art.
  2. Fiche 2 De arbeidsrelatiewet van 27/12/2006 vindt geen toepassing io een betwisting over een onderwerping die zich volledig situeert voor de invoegetreding van de wet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Aard arbeidsrelatie Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - Wet van 27/06/1969 Sociale zekerheid werknemers - Ambtshalve schrapping van onderwerping - Uitoefening van het werkgeversgezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - 328 - 30 ELI link Pub nr 2006021362 Nota: Gerangschikt onder VII A II (Wet 27/12/2006 [I]), art.
  3. Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder I L (Wet 29/07/1991), art. 1 - VII A I (Wet 27/06/1969), art. 1 en VII A I (Wet 27/06/1969), art.
  4. Fiche 3 De uitoefening van het werkgeversgezag is onmogelijk wanneer vader en zoon beide afgevaardigde bestuurder zijn in 2 ondernemingen, waarbij de vader in de ene onderneming en de zoon in de andere onderneming als werknemer is ingeschreven, en beide dus de hoedanigheid van werkgever en werknemer vermengen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - Wet van 27/06/1969 Sociale zekerheid werknemers - Ambtshalve schrapping van onderwerping - Uitoefening van het werkgeversgezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A I (Wet 27/06/1969), art.
  5. Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder I L (Wet 29/07/1991), art. 1 - VII A I (Wet 27/06/1969), art. 1 en VII A II (Wet 27/12/2006 [I]), art.
  6. Fiche 4 Anders dan de beslissing tot ambtshalve onderwerping aan de sociale zekerheid, die als dusdanig geen rechtsgevolgen met zich meebrengt, is de beslissing tot ambtshalve schrapping van de onderwerping wel een beslissing die rechtstreekse rechtsgevolgen met zich meebrengt. Ze is dan ook als bestuurshandeling onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 tot de formele motivering van bestuurshandelingen. De nietigheid van de beslissing tot ambtshalve schrapping belet echter niet dat de rechter uitspraak moet doen over het subjectieve recht op onderwerping aan de sociale zekerheid. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Motievering van bestuurshandelingen - Wet van 27/06/1969 Sociale zekerheid werknemers - Ambtshalve schrapping van onderwerping - Uitoefening van het werkgeversgezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 01 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A I (Wet 27/06/1969), art.
  7. en I L (Wet 29/07/1991), art. 1 Andere samenvattingen zijn gerangschikt onder VII A II (Wet 27/12/2006 [I]), art. 328 en VII A I (Wet 27/06/1969), art.
  8. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 JUNI 2010 7e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers (artikel 580,1° Ger.W.) tegensprekelijk definitief in de zaak: M.G., wonende te [xxx], doch woonstkeuze doende bij gerechtsdeurwaarder BUYSE Bernard, met kantoor te 1210 BRUSSEL, Sint-Joostplein, 1, appellant op hoofdberoep geïntimeerde op incidenteel beroep, die niet verschijnt ter openbare terechtzitting, noch wordt vertegenwoordigd. tegen:
  9. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, eerste geïntimeerde op hoofdberoep, eerste appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. DE GREEF Dirk, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30
  10. FINQ NV, met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Fruithoflaan, 95 bus 28, tweede geïntimeerde op hoofdberoep, tweede appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. BOLJAU A. loco mr. L'ALLEMAND Thierry, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47/49 bus 1
  11. MDG MANAGMENT BVBA, met maatschappelijke zetel te 2242 ZANDHOVEN, Nachtegaaldreef, 25, derde geïntimeerde op hoofdberoep, derde appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. BOLJAU A. loco mr. L'ALLEMAND Thierry, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47/49 bus 1 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 09-05-2005 door de arbeidsrechtbank te Antwerpen, 5e kamer (A.R. 343.167); - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 15-06-2007 door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, 4e kamer (A.R. 2050608); - het voor eensluidend verklaard afschrift van de derde kamer van het Hof van Cassatie, uitgesproken op 22 september 2008 (A.R. nr. S.07.0117.N), waarbij het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen gedeeltelijk wordt vernietigd en de beperkte zaak naar dit arbeidshof wordt verwezen; - de dagvaarding om te verschijnen voor dit arbeidshof na het arrest van het Hof van Cassatie, betekend op 17 november 2008 en neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 11 december 2008; - de conclusies die voor de beide partijen werden neergelegd ter griffie - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 14 januari 2010, waarna de zaak in voortzetting werd gezet. De partijen hebben op de openbare terechtzitting van 22 april 2010 beiden verklaard dat er geen verdere mondelinge uiteenzetting van de middelen en conclusies meer vereist is, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 3 mei 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op het advies neer te leggen verstreek op 27 mei 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  12. De heer M.G. was als bediende tewerkgesteld bij de NV Luc Mortelmans en bij de BVBA MDG Management (verder in afkorting de BVBA MDG). De NV Luc Mortelmans werd opgericht op 29 maart 1997 door de omvorming van de BVBA Luc Mortelmans naar een NV. Zowel de heer M.G. als de heer M.L., zijn zoon, werden benoemd tot gedelegeerd bestuurder. Vanaf 1 november 1999 kwam de heer M.G. in dienst van de NV Luc Mortelmans als bediende, voor een halftijdse betrekking. De BVBA MDG MANAGEMENT werd opgericht op 12 januari 1998, oorspronkelijk als een coöperatieve vennootschap met beperkte en hoofdelijke aansprakelijkheid, maar in de loop van de maand februari 1999 omgevormd tot een BVBA. Ook hier waren de heer M.G. en de heer M.L. samen zaakvoerder. Vanaf 1 november 1999 tot 1 juli 2001 was de heer M.G. ook hier ingeschreven als bediende voor een halftijdse betrekking. In beide vennootschappen was ook de heer M.L. ingeschreven als bediende.
  13. Bij schrijven van 21 juni 2001 deelde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid mee dat hij de aangifte als werknemer van de heer M.G. en van de heer M.L. in de NV Luc Mortelmans schrapte. Bij schrijven van 9 mei 2003 werd een zelfde beslissing betekend ten aanzien van de tewerkstelling van beide personen bij de BVBA MDG. Beide beslissingen waren gesteund op de overweging dat noch de heer M.G. noch de heer M.L. arbeidsprestaties verrichtten in ondergeschikt verband.
  14. Bij onderscheiden dagvaardingen van 6 februari 2002 en 24 september 2003 hebben de heer M.G. en respectievelijke de NV Luc Mortelmans (eerste dagvaarding) en de BVBA MDG (tweede dagvaarding) deze beslissingen betwist voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Voor de arbeidsrechtbank stelde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, in ondergeschikte orde, tussenvorderingen in lastens de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG, waarbij hij hun veroordeling vroeg tot terugbetaling van de sociale zekerheidsbijdragen, die naar aanleiding van de beslissing van ambtshalve schrapping waren teruggestort. Bij vonnis van 9 mei 2005 heeft de arbeidsrechtbank te Antwerpen de beide vorderingen samengevoegd doch als ongegrond afgewezen. De tussenvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werden (impliciet) afgewezen.
  15. Bij verzoekschrift van 25 augustus 2005 heeft de heer M.G. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Bij arrest van 15 juni 2007 heeft het arbeidshof te Antwerpen de oorspronkelijke vordering van de heer M.G. gegrond verklaard en voor recht gezegd dat de heer M.G., voor de ganse periode van zijn tewerkstelling bij beide vennootschappen, terecht onderworpen was geweest aan het stelsel der sociale zekerheid voor de werknemers. De tussenvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De NV Luc Mortelmans werd veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van 6.903,03 euro , te vermeerderen met de verwijlsintresten en de BVBA MDG werd veroordeeld tot terugbetaling van de som van 6.648,52 euro , vermeerderd met de verwijlintresten.
  16. Bij arrest van 22 september 2008 heeft het Hof van Cassatie, op voorziening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het arrest van het arbeidshof te Antwerpen verbroken, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde. De verbreking steunde hierop dat het arbeidshof te Antwerpen niet geantwoord had op het argument van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat in beide vennootschappen geen effectieve gezagsuitoefening mogelijk was.
  17. Bij exploot van 17 november 2008 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het arrest van het Hof van Cassatie betekend, met de dagvaarding van de heer M.G. en van de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG voor dit hof ten einde te horen uitspraak te doen over het door de heer M.G. ingestelde beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het arbeidshof te Antwerpen verklaarde het hoger beroep reeds ontvankelijk. De zaak werd, na cassatie, rechtsgeldig aanhangig gemaakt bij dit hof, met betekening van het cassatiearrest en dagvaarding van de heer M.G., de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG. III. BEOORDELING.
  18. De NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG MANAGEMENT voeren in de eerste plaats aan dat de beslissingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot schrapping van de gedane aangifte in het sociale zekerheidsstelsel van de werknemers nietig zijn, omdat deze onvoldoende gemotiveerd zijn. Ten gronde voeren zij aan dat de partijen uitdrukkelijk geopteerd hebben voor een samenwerking in ondergeschikt verband, en dat deze kwalificatie slechts kan terzijde geschoven worden in zoverre aangetoond wordt dat de uitvoering, die aan de overeenkomst werd gegeven, niet met deze kwalificatie verenigbaar is. Zij verwijzen daarbij naar de arbeidsrelatiewet die volgens hem van toepassing is. Dit bewijs wordt volgens hen niet gebracht. Zij betwisten dat binnen beide vennootschappen geen daadwerkelijke uitoefening van het patronale gezag mogelijk zou geweest zijn. Ten slotte voeren zij aan dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uitdrukkelijk zou erkend hebben dat de beslissing tot ambtshalve schrapping ongegrond was omdat hij is overgegaan tot een afzonderlijke dagvaarding ten laste van beide vennootschappen in terugbetaling van de teruggestorte sociale zekerheidsbijdragen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Ten aanzien van de ingeroepen nietigheid van de ambtshalve schrapping stelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met verwijzing naar een cassatiearrest van 18 december 2000, dat de beslissing tot ambtshalve schrapping geen administratieve beslissing is die onder toepassing valt van de wet van 29 juli
  19. Hij stelt dat binnen geen van beide vennootschappen een effectieve gezagsuitoefening mogelijk was. Bij de NV Luc Mortelmans was de heer M.G. afgevaardigd beheerder op gelijke voet als de heer M.L., terwijl hij bij de BVB MDG MANAGEMENT statutair zaakvoerder was, zonder dat een orgaan kan aangewezen worden dat het patronale gezag zou kunnen uitgeoefend hebben.
  20. Overeenkomstig art. 2 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dient iedere bestuurshandeling in de zin van art. 1 van de wet uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Overeenkomstig art. 3 van dezelfde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn. Een beslissing is voldoende gemotiveerd, in de zin van de vermelde wettelijke bepalingen, wanneer zij de betrokkene toelaat, op basis van de enkele lectuur van de beslissing te begrijpen waarom de beslissing getroffen is en te beoordelen of er elementen zijn om deze beslissing te betwisten voor de arbeidsrechtbank. Overeenkomstig artikel 1 van de wet moet onder bestuurshandeling worden verstaan de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van het bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of een ander bestuur. Ten onrechte verwijst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid naar het cassatiearrest van 18 december 2000 (Arr.Cass. 2000, p.2023). Dit cassatiearrest heeft betrekking op een ambtshalve onderwerping aan de sociale zekerheid. Het Hof van Cassatie oordeelt dat de beslissing tot ambtshalve onderwerping geen onmiddellijke rechtsgevolgen heeft en derhalve niet uitvoerbaar is, aangezien de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de hem verschuldigde bijdragen ofwel moet invorderen bij wijze van dwangbevel, ofwel de bijdrage moet invorderen door te dagvaarden voor het arbeidsgerecht. Anders dan de beslissing tot ambtshalve onderwerping heeft de beslissing tot ambtshalve schrapping wel degelijk onmiddellijke rechtsgevolgen vermits ze een einde stelt aan de onderwerping van de betrokken werknemer aan het stelsel van de sociale zekerheid van de werknemers, en de betrokken werknemer derhalve niet meer kan genieten van de sociale zekerheidsvoordelen die gefinancierd worden met de door de werkgever gestorte bijdragen. (cfr.Arbh. Brussel, 8e kamer, 24.12.2003, J.T.T.2004, 70; Arbh. Brussel, 8e kamer, 3.03.2010, J.T.T. 2010, 203). De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft ten andere aan zijn beslissing onmiddellijk uitvoering gegeven door de gestorte sociale zekerheidsbijdragen terug te betalen, zonder enig akkoord af te wachten. De bestreden beslissingen worden enkel gemotiveerd met de overweging dat de heer M.G. ten onrechte onderworpen werd aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers, vermits één van de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst, met name het gezag, ontbreekt. Indien men kan aannemen dat een juridisch geschoold persoon op basis van deze motivering de feitelijke en wettelijke grondslag van de beslissing kan situeren, dan laat zij echter de gewone werkgever en werknemer niet toe om een voldoende inzicht te verwerven in de grondslagen van de beslissing, zowel in feite als in rechte. De beslissing is dan ook niet afdoende gemotiveerd in de zin van de wet van 29 juli
  21. De vaststelling door de rechter van de nietigheid van de beslissing van een sociale zekerheidsinstelling wegens niet naleving van de formele motiveringsplicht doet echter niet af aan zijn bevoegdheid en zijn verplichting uitspraak te doen over de rechten die voor de aanvrager voortvloeien uit de wettelijke bepalingen: hij kan het gevorderde voordeel slechts erkennen indien hij oordeelt dat aan alle wettelijke vereisten voldaan is om het gevorderde recht toe te kennen (Cass.27.06.2005, http:// jure.juridat.just. fgov.be/?lang=nl). De vordering van de heer M.G. heeft duidelijk als voorwerp de erkenning van het recht op de onderwerping aan de sociale zekerheid van de werknemers van de door hem verrichte prestaties. Het hof kan deze vordering slechts toekennen indien zij vaststelt dat aan alle wettelijke bepalingen voor een dergelijke onderwerping voldaan is. 3.
  22. Het hof is van oordeel dat, vermits de betwisting die aan zijn oordeel wordt voorgelegd, betrekking heeft op de periode van 1 november 1999 tot einde 2002, de wet van 27 december 2006 (arbeidsrelatiewet) nog geen toepassing vindt. Indien, in beginsel, de nieuwe wet niet enkel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, dan is dit enkel in zoverre die toestanden zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, en voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten (cfr. Cass. 28 februari 2003, www.juridat.be; Cass. 14 maart 2005, JTT 2005,223). De vordering heeft in huidige zaak betrekking op een ‘toestand' die volledig afgelopen was voor de inwerkingtreding van de wet. 3.
  23. Ten onrechte voeren de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG aan dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou afstand gedaan hebben van de ambtshalve schrapping door een aparte terugvorderingprocedure tegen hen in te leiden voor de arbeidsrechtbank. In de omstandigheden van de zaak is duidelijk dat deze procedure enkel bewaarshalve werd ingesteld, met name voor het geval de rechtbank of het hof zouden oordelen dat de schrapping van de onderwerping ten onrechte gebeurde. Het inleiden van deze procedure houdt derhalve geen erkenning in van het recht van de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG. 3.
  24. Overeenkomstig artikel 1 § 1 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders vindt deze wet toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn. Overeenkomstig artikel 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever, handarbeid of hoofdarbeid te verrichten. In het lichte van de recente cassatierechtspraak dient met de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG aangenomen te worden dat de kwalificatie die de partijen aan hun overeenkomst gegeven hebben, daarbij, gelet op de bewijskracht van deze overeenkomst, het startpunt dient te zijn van de beoordeling van de rechter. Daarna moet de rechter echter oordelen of de feitelijke elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd daarmee al dan niet verenigbaar zijn. In het eerste geval handhaaft hij de kwalificatie, in het tweede geval herkwalificeert hij deze (W.van Eeckhoutte, Gezag in de cassatierechtspraak", NJW, 2005, p.16). In de eerste plaats stelt zich daarbij, in de voorliggende zaak, de vraag of in de concrete relatie die bestond tussen partijen, en gelet op het statuut van de heer M.G. als afgevaardigde beheerder bij de NV Luc Mortelmans en van statutair zaakvoerder bij de BVBA MDG, sprake kan zijn van een daadwerkelijke uitoefening van het gezag de werkgever, vereist voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. 3.
  25. De overeenkomst met de NV Luc Mortelmans (thans de NV FINQ). In de rechtspraak en rechtsleer wordt aangenomen - en dit wordt ook door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet betwist - dat het bekleden van het mandaat van afgevaardigd bestuurder van een NV de uitoefening van een andere functie onder het gezag van een orgaan of een aangestelde van de vennootschap niet uitsluit en dat deze zelfs het dagelijks bestuur van deze nv kan waarnemen krachtens een arbeidsovereenkomst (Cass. 28 mei 1984, RW 1984-85, 333 met concl. Adv.gen. Lenaerts). Vereist is dan dat deze afgevaardigd bestuurder deze functie of het dagelijks bestuur uitoefent onder het gezag van een orgaan van een vennootschap, van een ander bestuurder of van een aangestelde van de vennootschap (Cass. 30 mei 1988, RW. 1988-89, 439). Het blijkt niet - en het wordt ook niet aangevoerd - dat de raad van bestuur van de NV Luc Mortelmans in casu het gezag zou uitgeoefend hebben over de heer M.G.. Volgens de verklaring van de heer M.L. in het kader van het administratief onderzoek kwam de raad van bestuur overigens slechts eenmaal per jaar samen kwam, zodat ook niet kan ingezien worden hoe deze raad het werkgeversgezag zou uitgeoefend hebben. Daarbij komt nog dat de raad van bestuur volledig uit familieleden was samengesteld (o.m. de echtgenote van de heer M.L. en dus de schoondochter van de heer M.G.), hetgeen de effectieve uitoefening van een gezag nog onwaarschijnlijker maakt. De NV Luc Mortelmans voert aan - en zulks werd ook verklaard tijdens het onderzoek - dat het werkgeversgezag over de heer M.G. zou uitgevoerd zijn door de heer M.L., die eveneens afgevaardigd beheerder was. Zoals de eerste rechter terecht opmerkt, is deze stelling echter moeilijk in overeenstemming te brengen met het geheel van de verklaringen die in het kader van het administratief onderzoek werden afgelegd en met het statuut van vader en zoon Mortelmans. De heer M.L. verklaarde o.m.: " In de NV zijn er twee gedelegeerd bestuurders, nl. ikzelf en mijn vader. .. Mijn vader oefent effectief zijn mandaat uit. Ik leg u een document voor waarop mijn vader optreedt als gedelegeerd bestuurder van de NV Luc Mortelmans. .. Ik heb de beslissing genomen om op 1/9/98 in dienst te komen van de NV als bediende omdat ik van oordeel ben dat ik in de firma twee onderscheiden functies uitoefen, namelijk het mandaat van gedelegeerd bestuurder waarvoor ik nog steeds sociale bijdragen betaal als zelfstandige in hoofdberoep enerzijds en anderzijds de functie van bediende boekhouder... Ook mijn vader kwam in dienst als bediende van de NV op 1/11/
  26. Hij werkte in dezelfde situatie als mij met dezelfde invulling van het takenpakket. In feite runnen we de zaak samen. ... Wij zijn beide ingeschreven als deeltijds bediende. Ik leg U het personeelsregister voor. Zoals u kunt zien zijn wij beide ingeschreven in dit personeelsregister... Wij zijn aangesloten bij het sociaal secretariaat Acerta dat voor ons de loonsadministratie verzorgt. De loonsopdrachten worden doorgegeven door mij of mijn vader aan het sociaal secretariaat." De heer M.G. verklaarde o.m: " Ik ben gedelegeerd bestuurder van de NV Luc Mortelmans, samen met mijn zoon. Daarnaast ben ik ook, net als mijn zoon, ingeschreven als bediende voor de uitvoerende taken binnen de NV. Ik heb nota genomen van de verklaring die U heeft afgenomen van mijn zoon. Ik heb deze grondig gelezen en verklaar mij volledig akkoord met datgene dat in deze verklaring is opgenomen. Ik kan hier nog aan toevoegen dat ik in de praktijk ook wel degelijk mijn bevoegdheden als gedelegeerd bestuurder uitoefen zoals het in rechte verbinden van de NV en verrichtingen op de rekening van de NV. Het takenpakket werd juist omschreven in de verklaring van mijn zoon: wij runnen de zaak samen en oefenen beiden zowel de beheerstaken als de uitvoerende taken uit. Als ik afwezig ben wegens ziekte moet ik dat staven met een doktersbriefje. Ik ben nog niet ziek geweest. Voor M.L. geldt hetzelfde als bediende." In feite zouden dus de heer M.L. en de heer M.G. tegelijkertijd van elkaar werkgever en werknemer zijn geweest voor wat betreft de taken die onderscheiden zijn van de uitoefening van het dagelijks beheer, en dan nog voor taken die identiek zijn. Voor het hof is zulks onverenigbaar met het uitoefenen van het werkgeversgezag. Aldus zou immers, bij wijze van voorbeeld, de heer M.G., wanneer hij een opdracht kreeg van de heer M.L., deze eenvoudig kunnen afwenden door dezelfde opdracht te geven, als werkgever ditmaal, aan de heer M.L.. De omstandigheid dat de betrokkenen eventueel op andere tijdstippen hun taken als bediende zouden uitgeoefend hebben, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Voor het hof is het niet aannemelijk dat twee personen tegelijkertijd elkaars werkgever en werknemer zijn. Bovendien hebben de betrokkenen beide een gelijkwaardig mandaat in de vennootschap. Wanneer, zoals thans aangevoerd wordt, de heer M.L. in werkelijkheid alleen het dagelijks bestuur en het gezag uitoefende, ziet men niet goed in waarom aan de heer M.G. een gelijkwaardig mandaat als gedelegeerd bestuurder toegekend werd. De toekenning van een gelijkwaardig mandaat wijst er integendeel op dat, in overeenstemming met de oorspronkelijke verklaringen van de betrokkenen, beide als gelijkwaardige partners optraden in de NV Luc Mortelmans. 3.
  27. De overeenkomst met de BVBA MDG. Hetgeen gesteld werd met betrekking tot de overeenkomst met de NV Luc Mortelmans kan worden overgeplaatst op de relatie van de heer M.G. met de BVBA MDG. Zowel de heer M.L. als M.G. hebben gelijklopende verklaringen afgelegd met betrekking tot hun activiteiten in beide vennootschappen. Daarbij komt dat bij de BVBA MDG de heer M.L. en de heer M.G. statutaire zaakvoerders waren, en aldus beiden het werkelijk en volledig beheer van de vennootschap in handen hadden, zonder dat er een vennootschapsorgaan bestond dat boven hen stond en het werkgeversgezag had kunnen uitoefenen. Als (enige) statutaire zaakvoerders hadden zij identieke en volledige bevoegdheden, zodat het uitgesloten is dat de ene gezag kon uitoefenen over de andere. De algemene vergadering van een bvba laat zich niet in met het dagelijks bestuur van de bvba en kan als dusdanig ook niet geacht worden het patronaal gezag te hebben uitgeoefend (Arbh. Antwerpen, 15.09.1977, Soc. Kron. 2001, 137) De BVBA MDG kan niet gevolgd worden waar hij in ondergeschikte orde vraagt dat het de beslissing tot schrapping zou beperkt blijven tot 29 juni 2001, datum waarop de heer M.G. ontslagen werd als statutair zaakvoerder. Er wordt immers niet tegengesproken dat de heer M.G. in zijn mandaat als statutair zaakvoerder vervangen werd door zijn echtgenote G. Baert die, volgens de voorgelegde stukken, voorheen geen deel uitmaakte van de BVBA, zodanig dat een en ander overkomt als een fictieve constructie, die opgezet werd na de controle die in de loop van de maand april 2001 plaatsvond bij de NV Luc Mortelmans. Terecht merkt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overigens op dat uit de verklaringen van M.L. en M.G. niet blijkt dat er vanaf dat ogenblik enige wijziging in de vorm van samenwerking zou ingetreden zijn.
  28. Het hoger beroep van de heer M.G. dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden. Ingevolge deze beslissing is het incidenteel beroep van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zonder voorwerp. De heer M.G., de NV Luc Mortelmans en de BVBA MDG dienen tot de kosten veroordeeld te worden. De kostenveroordeling is solidair voor wat betreft de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en de kosten van de cassatievoorziening. De rechtsplegingsvergoedingen na cassatie kunnen afzonderlijk worden toegekend ten aanzien van de in het ongelijk gestelde partijen, in wat oorspronkelijk twee onderscheiden vorderingen waren. Er is geen reden toe om, zoals door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gevraagd, een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de procedure voor het arbeidshof te Antwerpen en voor de procedure voor het arbeidshof te Brussel. Overeenkomstig art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg. (Zulks was overigens ook voorzien in het vroegere Koninklijk Besluit van 30 november 1970). Het Gerechtelijk Wetboek kent slechts twee aanleggen, de eerste aanleg en het beroep (art. 616 Gerechtelijk Wetboek). Ook de procedure voor het Hof van Cassatie vormt geen nieuwe aanleg (cfr.K. BROECKX, Gerechtelijke Wetboek, Artikelsgewijze Commentaar, art. 616). Door het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie komt geen nieuwe aanleg tot stand. Het ingeleide geding en de aanleg worden heropend voor een nieuwe rechter, maar blijven dezelfde aanleg en geding uitmaken die hervat worden (J. BORÉ " La Cassation en matière civile", Parijs, 1980, p. 1048 en 1057). De dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij het de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt is dan ook geen gedinginleidende akte, maar een akte tot hervatting en voortzetting van het geding (Cass. 27 september 1993, Arr. Cass.1973,762). OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 3 mei 2010 door advocaat-generaal J.-J. André; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 mei
  29. Verklaart het incidenteel beroep zonder voorwerp. Veroordeelt de heer M.G., de NV FINQ en de BVBA MDG solidair tot de kosten van de procedure voor de arbeidsrechtbank, tot op heden begroot op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding van de arbeidsrechtbank, en tot de kosten van de cassatievoorziening, begroot op 326,28 euro (herleid bedrag) en de kosten van dagvaarding na cassatie, begroot op 149,83 euro. Veroordeelt de heer M.G. tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 145,78 euro . Veroordeelt de NV FINQ tot de kosten van het hoger beroep ten opzichte van haar, tot op heden begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 900,00 euro . Veroordeelt de BVBA MDG MANAGEMENT tot de kosten van het hoger beroep ten opzichte van haar, tot op heden begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 900,00 euro . Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Fernand KENIS, raadsheer, Jean-Marie BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON Jean-Marie BOULOGNE Fernand KENIS en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 24 juni 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100624.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.