← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100625.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 25 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100625.8 Rolnummer: 2006/AB/48283 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-01 13:22 Fiche 1 Wanneer een werkgever een forfaitaire onkostenvergoeding aan de werknemer betaalt, zonder dat daar werkelijke kosten tegenover staan, heeft men te maken met loon en wordt deze betaling een verkapte vorm van tegenprestatie voor arbeid. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzegging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Loon als tegenprestatie voor arbeid versus onkostenvergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II AAN art 39. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art.4 Fiche 2 Een technisch commerciaal afgevaardigde die eindklanten bewerkt en adviseert om aldus het cliënteel van zijn werkgever, bestaande uit groothandelaars, onrechtstreeks tot aankopen bij de werkgever te stimuleren, is geen handelsvertegenwoordiger, daar hij niet in hoofdzaak rechtstreeks het cliënteel bezocht met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Handelsvertegenwoordiger - Begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN art. 4. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder II AAN art. 39. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 JUNI 2010 3e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende (artikel 578,1°(

  1. b)Ger.W.) tegensprekelijk definitief in de zaak: D.S.P., wonende te [xxx], appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. SNOEKS Vincent loco mr. SNOEKS Philippe, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Peter Benoitstraat 32 tegen: COOPER SAFETY BV, besloten vennootschap naar Nederlands recht, gedinghervattende partij voor BLESSING ELECTRONICS BV, met maatschappelijke zetel te Ter Heijdenseweg, 465, NL - 4825 BK BREDA (NEDERLAND), geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. DESCHEEMAEKER K. loco mr. WENS Stany, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 29-04-2004 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 12e kamer (A.R. 42612/97). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 februari 2006; - de conclusies die voor de beide partijen ter griffie werden neergelegd; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 21 mei 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * FEITEN EN RECHTSPLEGING 1. Op 26 februari 1993 ondertekenden de BV Blessing Electronics ( hierna afgekort tot Blessing) en de heer D.S.P.een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, voor bedienden waarbij de heer D.S.P.vanaf 2 maart 1993 werd aangeworven in de functie van technisch commercieel afgevaardigde. Artikel 1 bepaalt : De werkgever neemt de bediende in dienst vanaf 2 maart 1993 in de functie van technisch commercieel afgevaardigde. De activiteiten van de bediende zullen in hoofdzaak bestaan uit : het introduceren, adviseren, promoveren van noodverlichting van de werkgever in België. Dit behelst voornamelijk het bewerken van studieburelen, installateurs, architecten, openbare diensten, edm. ... De bezoldiging wordt geregeld in artikel 4. Naast de bruto maandbezoldiging en de eindejaarspremie wordt aan de medewerker in buitendienst een maandelijks bedrag voor onkosten betaald van 6.000 frank. Verder voorziet artikel 4 in een bonusregeling, naargelang de omzet. Artikel 10 bevat een concurrentiebeding. Artikel 13 bepaalt : Alle onkosten die gemaakt worden in opdracht van de werkgever en uit hoofde van de normale activiteiten van de werknemer worden mits voorlegging van de bewijsstukken volledig terugbetaald door de werkgever. Telefoonkosten worden terugbetaald mits voorlegging van de nodige bewijsstukken. Per 2 maand wordt er een bedrag van 1270 frank afgetrokken voor privégebruik. De functie van technisch commercieel medewerker buitendienst wordt nader omschreven in een bijlage, die de heer D.S.P.op 25 maart 1994 voor ontvangst en akkoord ondertekende. 2. Op 25 januari 1996 werd deze arbeidsovereenkomst beëindigd door middel van een opzegging ingaande op 1 februari 1996, waarvan de termijn in nader overleg zou worden bepaald, maar waarbij ter informatie wordt aangegeven dat deze volgens de arbeidsovereenkomstenwet 3 maanden bedroeg. Op 19 februari 1996 bereikten partijen een akkoord om de opzeggingstermijn op 4 maanden te bepalen, waarbij de heer D.S.P.op individuele basis outplacement zou bekomen. Om dit optimaal te laten verlopen werd overeengekomen dat de heer D.S.P.gedurende de maand februari één dag per week, gedurende de maand maart drie dagen per week en gedurende de maanden april en mei volledig vrijgesteld werd van prestaties, zonder dat deze vrijstelling kon ingeroepen worden als ernstige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. In een brief van de raadsman van de heer D.S.P.van 25 maart 1996 vorderde deze een uitwinningsvergoeding. Op 26 maart 1996 vroeg de werkgever een aantal bedrijfsgoederen terug. Op 28 maart 1996 reageerde de raadsman van de heer D.S.P.dat hij gedurende de vrijstelling van prestaties tijdens de maanden april en mei deze goederen mocht behouden, maar hij kon akkoord gaan om deze terug te geven indien de arbeidsovereenkomst vervroegd beëindigd zou worden met uitbetaling van alle vergoedingen en waarbij nogmaals werd aangedrongen op betaling van de uitwinningsvergoeding. Op 24 mei 1996 schreef de heer D.S.P.persoonlijk dat hij verlof wenste op te nemen van woensdag 29 mei tot en met 18 juni 1996. Op 30 mei 1996 meldde de raadsman van Blessing dat hij pas op die dag de brief van 24 mei 1996 ontving en dat de arbeidsovereenkomst volgens afspraak eindigde op 31 mei 1996 met afrekening van de verschuldigde bedragen, zodat geen vakantiedagen meer konden worden opgenomen. 3. Op 19 maart 1997 dagvaardde de heer D.S.P.de BV Blessing Electronics in betaling van - een saldo loon voor de maanden april en mei 1996 van euro 297,47, dit bedrag te bruteren - een opzeggingsvergoeding van euro 1.888,92 - een uitwinningsvergoeding van euro 8.149,40 afgifte van alle sociale documenten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 29 april 2004 werd deze vordering ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard : Blessing werd veroordeeld tot betaling aan de heer D.S.P.van : - euro 297,47 netto ten titel van saldo loon voor de maanden april en mei 1996 - pm op de brutobedragen op voormelde bedragen - euro 5.158,83 ten titel van vergoeding voor de periode van 1 tot en met 18 juni 1996 deze bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op bruto afgifte van de aangepaste sociale bescheiden voor deze bedragen. Het overige, waaronder de uitwinningsvergoeding, werd afgewezen en de vennootschap werd veroordeeld tot de gerechtskosten. 4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 februari 2006, tekende de heer D.S.P.hoger beroep aan wat betreft de afwijzing van de vordering in betaling van de uitwinningsvergoeding en wat betreft de aanpassing van het bedrag van de opzeggingsvergoeding tot euro 1.558,83; in ondergeschikte orde vroeg hij toegelaten te worden tot een getuigenverhoor. De BV Cooper Safety, voorheen Blessing Electronics, tekende incidenteel beroep aan wat betreft de bedragen die door de eerste rechter werden toegekend. BEOORDELING. Ontvankelijkheid Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Het loonsaldo van euro 297,47 voor de maanden april en mei 1996 1. De discussie over dit onderdeel vloeit voort uit de vraag of de forfaitaire onkostenvergoeding van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst als loon moet worden beschouwd. Onkostenvergoedingen kunnen aanvaard worden, wanneer het gaat om de vergoeding van reële kosten, die normaliter voor rekening van de werkgever zijn en die aldus een verband vertonen met de arbeidsovereenkomst. Het bewijs van het bestaan van deze onkosten moet door de werkgever kunnen worden gegeven, wat niet wegneemt dat een onkostenvergoeding forfaitair kan worden bepaald, maar dan moet de werkgever kunnen aantonen dat deze forfaitaire onkostenvergoeding in verhouding staat met de werkelijke kosten . Wanneer een werkgever een onkostenvergoeding aan de werknemer betaalt, zonder dat daar werkelijke kosten tegenover staan, heeft men te maken met loon en wordt deze betaling een verkapte vorm van tegenprestatie voor arbeid. 2. In artikel 13 van de arbeidsovereenkomst neemt de werkgever de terugbetaling van alle onkosten ten laste, mits voorlegging van de bewijsstukken. Men ziet dan ook niet in welke onkosten nog gedekt worden door het forfaitair maandelijks bedrag van 6.000 frank ( euro 148,74) dat in artikel 4 aan de heer D.S.P.wordt toegekend. Weliswaar tracht de werkgever voor te houden dat artikel 6 en artikel 13 wel bepaalde onderscheiden onkostenonderdelen bedoelde, maar dit is in strijd met de formulering van artikel 13 van de arbeidsovereenkomst waarin duidelijk gesproken wordt over alle onkosten. Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat de forfaitaire onkostenvergoeding van artikel 4 een verdoken loon is. Aldus dient dit bedrag te worden gebruteerd. Het incidenteel beroep is op dit punt ongegrond. De vergoeding voor de periode van 1 tot 18 juni 1996 3. De heer D.S.P.preciseert ter zitting dat hij deze post verkeerdelijk heeft aangeduid als een saldo opzeggingsvergoeding, terwijl het in feite gaat over de afrekening van de vakantiedagen na de uitdiensttreding. Uit het C4-formulier en uit het attest van tewerkstelling kan afgeleid worden dat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd op 31 mei 1996. Uit de loonbrief van de maand mei 1996 volgt dat de volledige wedde voor deze maand betaald werd, samen met de pro rata eindejaarspremie en het vakantiegeld einde dienst. Uit het vakantieattest volgt dat het volledige vakantiegeld einde dienst werd afgerekend, zowel het vakantiegeld voor het dienstjaar 1995 - vakantie 1996, als het vakantiegeld voor het dienstjaar 1996 - vakantie 1997. Tijdens het vakantiejaar 1996 werden er tot en met 31 mei 1996 geen vakantiedagen opgenomen, wat overigens ter zitting wordt bevestigd, zodat terecht het volledige vakantiegeld 1995 -1996 werd afgerekend. De bedragen die op het vakantieattest vermeld zijn, vindt men volledig terug op de loonfiche van de maand mei 1996 en het bedrag van deze loonfiche werd betaald via de rekening van de heer D.S.F.. Het vakantiegeld werd dan ook volledig en correct afgerekend, zodat er geen openstaand saldo meer is. De opzeggingstermijn werd niet geschorst door ziekte of vakantiedagen en het loon van de opzeggingstermijn werd eveneens aan de heer D.S.P.betaald, zodat er ook op dit punt geen openstaand saldo meer is. Het incidenteel beroep is op dit punt dan ook gegrond. De uitwinningsvergoeding 4. Enkel een handelsvertegenwoordiger kan een vordering instellen tot het bekomen van een uitwinningsvergoeding. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de activiteit van een handelsvertegenwoordiger omschreven als volgt : " de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger is de overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, verzekeringen uitgezonderd, onder het gezag, voor rekening en in naam van een of meer opdrachtgevers". Uit de definitie van een handelsvertegenwoordiger volgt dus dat deze cliënteel dient op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en/of het sluiten van zaken . Wat de notie bezoeken van klanten betreft, is vereist dat er een rechtstreeks contact met het cliënteel bestaat : het volstaat niet dat de handelsvertegenwoordiger contact opneemt met de eindgebruiker ( die geen klant van de werkgever
  2. is)om zodoende onrechtstreeks de verkoop van de producten van de werkgever te bevorderen. De tekst van artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet onderstelt dat de handelsvertegenwoordiger personen of instellingen bezoekt die klant zijn of kunnen worden van de werkgever. ( D. Ryckx, Het juridisch statuut van de handelsvertegenwoordiger, Or. 2004, 115) Zo oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 8 januari 1970 dat een werknemer (een medische afgevaardigde), die de bezochte personen enkel bekend maakt met de producten zonder dat blijkt dat de betrokkenen klanten van de werkgever waren of konden worden, niet de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger heeft. Wanneer de bestreden beslissing stelt dat het niet vereist is dat de handelsvertegenwoordiger de rechtstreekse cliënt bezoekt, miskent ze de definitie van handelsvertegenwoordiger.( Cass. 8 januari 1970, R.W. 1969-1970, 1569). Om dezelfde reden werd door het Hof van Cassatie een beslissing onwettig geacht, die het opsporen en bezoeken van kleinhandelaars ten gunste van groothandelaars, die klanten van de werkgever zijn, gelijkstelt met bezoeken aan personen die cliënteel van de werkgever zijn of kunnen worden. Dergelijke bezoeken aan kleinhandelaars zijn geen cliënteel van de werkgever, zoals bedoeld in artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet. (Cass. 14 december 1977, Arr. Cass. 1978, I, 460, Pas, 1978, I, 432) De vertegenwoordigingsactiviteit dient in hoofdzaak te worden uitgeoefend, wat volgt uit artikel 88 van de arbeidsovereenkomstenwet : Op de bepalingen van deze titel kan zich alleen beroepen de handelsvertegenwoordiger die in dienst wordt genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen, zelfs indien hij door zijn werkgever wordt belast met bijkomstig werk dat van andere aard is dan de handelsvertegenwoordiging. Dat voordeel wordt... niet verleend aan de bediende die er af en toe mede wordt belast, samen met zijn arbeid binnen de onderneming, stappen te doen bij de cliëntèle. Degene die zich op het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiger beroept, moet zijn hoedanigheid bewijzen (Arbh. Antwerpen, 13 februari 2004, JTT 2004, 361 met een omstandige analyse van de parlementaire voorbereiding in verband met de bewijslast en P. Leclercq, Het statuut van de handelsvertegenwoordiger, Kluwer,Sociale Praktijkstudies, 2006, 19); de bediende wiens activiteiten zowel commerciële als andere aspecten vertoont, maar die niet bewijst welke van beide aspecten doorslaggevend is, kan zich niet beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger (Arbh. Brussel, 27 januari 2004, A.R. 39.550). 5. Uit de functieomschrijving van een technisch commercieel afgevaardigde in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst volgt dat deze instaat voor het introduceren, adviseren, promoveren van noodverlichting van de werkgever in België. Dit behelst voornamelijk het bewerken van studieburelen, installateurs, architecten, openbare diensten, edm. Hieruit volgt niet dat de heer D.S.P.cliënteel bezocht met het oog op het onderhandelen over en het afsluiten van zaken. De activiteit van de werkgever wordt in het promotieartikel in de Elektrokrant ( stuk 13 van de heer D.S.F.) toegelicht in de zin dat de verkoopspolitiek geschraagd wordt op de zogenaamde Push & Pull techniek, waarbij men alleen levert aan de groothandel en nooit aan de eindverbruiker. De verkopers moeten dus de vraag indirect opwekken, door de producten te promoten bij de klanten van de groothandelaar. De geïnteresseerde eindverbruiker krijgt van de commercieel afgevaardigde een lijst met verkooppunten. De activiteit van de commercieel afgevaardigde wordt in het artikel dan ook geduid als niet alleen een commerciële taak ten opzichte van de groothandelaar, maar vooral een adviserende taak. Aldus toont de heer D.S.P.niet aan dat hij rechtstreeks het cliënteel bezocht met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, daar het cliënteel van zijn werkgever de groothandel was en zijn activiteit vooral gericht was op het (technisch) stimuleren van de markt, reden waarom hij contact opnam met de klanten van de groothandel. Het onrechtstreeks bevorderen van de verkoop leidt niet tot een activiteit van handelsvertegenwoordiger. Deze onrechtstreekse verkooppolitiek wordt ook uitdrukkelijk bevestigd in de verklaring van de heer Rudy Frigne. Dit volgt ook uit de functieomschrijving, die de heer D.S.P.op 25 maart 1994 voor ontvangst en akkoord heeft ondertekend. De doelstelling van zijn functie wordt daarin verwoord als volgt : Het meewerken vanuit de buitendienst aan het realiseren van de rayon verkoopbudgetten door het mondeling ( tijdens klantenbezoek, telefonisch...) dan wel schriftelijk ( brief, fax...) geven van technisch commerciële adviezen, het doen van offertes, in ontvangstname van orders, het technisch commercieel ondersteunen van kopende en niet ( direct) kopende klanten en projectenopvolging in verband met noodverlichting in het toegewezen rayon. Deze werkzaamheden worden verder specifiek omschreven en daarbij ligt de nadruk zeer sterk op het geven van adviezen, het onderhouden van contacten met eindgebruikers, het behandelen van technische en commerciële problemen... De offertes en technische adviezen, die de heer D.S.P.voortbrengt onder zijn stukken 16, lijken dan ook eerder gericht aan de eindgebruiker, die een lijst van verdelers ontving, aan wie de BV verkocht. Deze eindgebruiker is dus niet het cliënteel van de werkgever. Alleszins brengt de heer D.S.P.geen verkoopsovereenkomsten voor, waaruit zou kunnen afgeleid worden dat zijn commerciële activiteiten in onmiddellijk verband stonden met de koper. Volgens de stukken verkocht Blessing immers aan groothandelszaken. Er zijn dan ook geen elementen die aantonen dat de betiteling in de arbeidsovereenkomst als een bediende met de functie van technisch commercieel afgevaardigde onjuist is. 6. Hierbij kan niet volledig uitgesloten worden dat de heer D.S.P.ook soms verkoopsactiviteiten ontwikkelde ten aanzien van de groothandel zelf, maar hij toont niet aan dat dit zijn hoofdactiviteit is, die hij vervult op bestendige wijze; de stukken wijzen immers eerder in een andere richting, nl. dat zijn hoofdactiviteit gericht was op het adviseren en inlichten van de eindverbruiker, zodanig dat deze vervolgens bij de groothandel aankocht. Het getuigenaanbod is niet ter zake dienend, daar dit niet tot het bewijs leidt dat de heer D.S.P.in hoofdzaak en op bestendige wijze taken van handelsvertegenwoordiger verrichtte door cliënteel ( groothandelszaken) op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken 7. Ten onrechte tracht de heer D.S.P.zijn situatie te vergelijken met deze die aan de orde was in het arrest van het arbeidshof Brussel van 3 september 2004 (Ors. 2005, 23-24) Immers, in dat dossier werd tussen de partijen uitdrukkelijk overeengekomen dat de werknemer tewerkgesteld was als handelsvertegenwoordiger, die de producten van de werkgever vertegenwoordigde bij het beschreven cliënteel. Na een omstandige analyse van de feiten van het dossier, oordeelde het hof op basis van de leer van de zgn. kwalificatiearresten dat de voorgelegde elementen niet toelieten de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uit te sluiten. De heer D.S.P.daarentegen heeft met zijn werkgever een overeenkomst als bediende afgesloten in de functie van technisch commercieel afgevaardigde en de elementen die in randnummer 5 zijn onderzocht, bevestigen deze kwalificatie. 8. Aangezien de heer D.S.P.derhalve niet als handelsvertegenwoordiger was tewerkgesteld, kan hij geen aanspraak maken op een uitwinningsvergoeding, zoals terecht door de eerste rechter geoordeeld. Zijn hoger beroep is dan ook ongegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, verklaart het hoger beroep ongegrond en het incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de BV Blessing Electronics ( thans Cooper Safety) veroordeelt tot betaling van een vergoeding van euro 5.158,83, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op bruto en in zoverre het veroordeelt tot de afgifte van de aangepaste sociale documenten voor dit bedrag; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer D.S.P.wat dit gedeelte betreft ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis voor al het overige; Veroordeelt de heer D.S.P.tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 1.100. Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Roger VANDENPUT Paul DEPRETER Lieven LENAERTS en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 25 juni 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Lieven LENAERTS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100625.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.