← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100902.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100902.6 Rolnummer: 2009/AB/52539 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-07-02 06:50 Fiche 1 Sociale Zekerheid. Z.I.V. Gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 op de ziekteverzekering. Koninklijk Besluit van 25 november 1976. Sancties ten aanzien van de zorgenverstrekkers. Geen toepassing van de lichtere ‘strafwet'. Invordering. Verjaring. 1. De retroactiviteitsregel, zoals bedoeld in artikel 15.1 van het IVBPR en artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, heeft enkel dan tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd. Dit is niet het geval bij de wijziging en opheffing van het Koninklijk Besluit van 25 november 1976, waarbij de verplichting tot het bijhouden van een dagboek door kinesisten opgeheven werd, maar een andere wijze van controle werd ingevoerd. 2. Wanneer een zorgenverstrekker een administratieve sanctie betwist voor de arbeidsrechtbank is het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering bevoegd om, bij wijze van tegeneis, de veroordeling te vragen van de zorgenverstrekker tot betaling van de opgelegde geldboete, ook al heeft het de mogelijkheid om de directe uitvoering van de sanctiebeslissing te bekomen via de administratie van de BTW. De toepasselijke verjaringstermijn voor de invordering van de bijdragen bedraagt overeenkomstig art. 2262 van het Burgerlijk Wetboek 10 jaar. De intresten verjaren echter na 5 jaar. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging - Betrekking met zorgverstrekker Vrije woorden: Sociale Zekerheid des werknemers - Ziekte-en invaliditeitsverzekering- . Sancties ten aanzien van de zorgenverstrekkers. Geen toepassing van de lichtere ‘strafwet'. Invordering. Verjaring. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 76 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: VII D.N. art. 76 Eveneens gerangschikt onder I B art. 2269 Fiche 2 Wanneer een zorgenverstrekker een administratieve sanctie betwist voor de arbeidsrechtbank is het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering bevoegd om, bij wijze van tegeneis, de veroordeling te vragen van de zorgenverstrekker tot betaling van de opgelegde geldboete, ook al heeft het de mogelijkheid om de directe uitvoering van de sanctiebeslissing te bekomen via de administratie van de BTW. De toepasselijke verjaringstermijn voor de invordering van de bijdragen bedraagt overeenkomstig art. 2262 van het Burgerlijk Wetboek 10 jaar. De intresten verjaren echter na 5 jaar. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: BURGERLIJK WETBOEK - Sociale Zekerheid. Z.I.V. Sancties ten aanzien van de zorgenverstrekkers. Geen toepassing van de lichtere ‘strafwet'. Invordering. Verjaring. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2269 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Nota: I B art 2269 eveneens gerangschikt onder VII D.N. art 76 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 02 SEPTEMBER 2010 7e KAMER kennisgeving artikel 583 Ger. W. administratieve sanctie zorgverstrekker tegensprekelijk definitief in de zaak: P. L., appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. DE VISSCHER A. loco mr. PERSYN Christian, advocaat te 8000 BRUGGE, Ezelstraat 25 tegen: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER Luc, advocaat te 8000 BRUGGE, Karel De Stoutelaan 148 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschift van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brugge, uitgesproken op tegenspraak door de vierde kamer op 20 mei 1997 (A.R. nr. 81.266); - het voor eensluidend verklaard afschift van het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, uitgesproken op tegenspraak op 14 december 2007 door de vijfde kamer (A.R. nr. 06/282); - het voor eensluidend verklaard afschift van het arrest van het Hof van Cassatie, uitgesproken op 3 november 2008 door de derde kamer (A.R. nr. S.08.0060.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.8), waarbij het arrest van het arbeidshof te Brugge wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar dit arbeidshof; - het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 3 augustus 2009 en ingeschreven op de algemene rol van dit arbeidshof op 1 oktober 2009; - de conclusies die voor de beide partijen ter griffie werden neergelegd; - de voorgelegde stukken. De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 15 juni 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Aan de in het geding zijnde de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot uiterlijk 15 juli 2010 een repliekconclusie op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING. 1. Op 24 februari 1993 werd bij de heer P. een controle uitgevoerd door een geneesheer-inspecteur van de Dienst voor Geneeskundige Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, met betrekking tot de naleving van de verplichtingen voor een kinesist tot het houden van een persoonlijk verstrekkingenregister. Na ondervraging van de heer P. werd op dezelfde dag een proces-verbaal van bevinding opgemaakt, dat bij aangetekende zending voor kennisgeving aan de heer P. werd toegezonden. Bij beslissing van 13 februari 1995, ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 22 februari 1995, besliste de Directeur-generaal van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut aan de heer P. een administratieve geldboete op te leggen van 1.775.211,00 BF (44.006,33 euro ), dit overeenkomstig artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten en verpleegkundigen en tot bepaling van de administratieve geldboetes ingeval van inbreuk op de voorschriften. De sanctie was gelijk aan 33 % van de verzekeringsinkomsten voor de inbreuken op de artikelen 1 en 2 van het Koninklijk Besluit en 10 % voor de inbreuken op artikel 3 van het Koninklijk Besluit. 2. Bij verzoekschrift van 21 maart 1995 betwistte de heer P. deze sanctie voor de arbeidsrechtbank te Brugge. Bij vonnis van 20 mei 1997 deed de arbeidsrechtbank uitspraak over dit beroep. De arbeidsrechtbank verwierp alle door de heer P. ingeroepen verweermiddelen met betrekking tot de formele regelmatigheid van de bestreden beslissing en zijn feitelijke grondslag, maar herleidde de opgelegde sanctie tot een bedrag van 1.238.520,00 BF (30.702,11 euro ), zulks in toepassing van een Koninklijk Besluit van 25 november 1996 dat een vermindering inhield van de voorziene boetes. De arbeidsrechtbank veroordeelde de heer P. tot betaling van de som van 1.238.520,00 BF (30.702,11 euro ). De heer P. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis bij het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge. Het arbeidshof wees bij arrest van 14 december 2007 het hoger beroep van de heer P. af maar bepaalde, gevolg gevend aan het incidenteel beroep van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. het bedrag van de administratieve geldboete op 35.819,10 euro en veroordeelde de heer P. tot betaling van dit bedrag. 3. Bij arrest van 3 november 2008 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof te Gent verbroken. De verbreking steunde hierop dat het arbeidshof geweigerd had de repliekconclusies van de heer P. op het advies van het Openbaar Ministerie in aanmerking te nemen omdat deze laattijdig waren, terwijl volgens andere vaststellingen van het arrest deze repliekconclusies wel waren neergelegd binnen de termijn die daarvoor gesteld was. 4. Op 1 oktober 2009 zijn partijen vrijwillig verschenen voor het hof ten einde uitspraak te horen doen, na cassatie, over het door de heer P. ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brugge en het door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering ingestelde incidenteel beroep. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brugge, zoals neergelegd voor het arbeidshof te Gent, is regelmatig naar vorm. Het is tijdig vermits het werd neergelegd binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis. Partijen zijn rechtsgeldig voor dit hof verschenen ten einde, na cassatie, verder te horen uitspraak doen over de ingestelde beroepen. III. BEOORDELING. 1. Het hoofdberoep van de heer P. . 1.1. De heer P. verwijt in de eerste plaats aan de eerste rechter ultra petita beslist te hebben door hem veroordeeld te hebben tot betaling van de (herleide) administratieve geldboete, terwijl een dergelijke veroordeling door het Rijksinstituut voor Ziekte en invaliditeitsverzekering niet gevorderd werd. De heer P. stelt verder dat de eerste rechter niet de bevoegdheid had om, ingevolge het Koninklijk Besluit van 25 november 1996, de door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering opgelegde administratieve geldboete te verminderen. Volgens de heer P. kon een dergelijke vermindering enkel door het Rijksinstituut zelf opgelegd worden in het kader van een nieuwe beslissing (die dan laattijdig zou zijn). Volgens de heer P. dient de uitgesproken boete volledig vernietigd te worden in toepassing van het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet zoals voorzien in artikel 7.1. van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), art. 15.1. van het Internationaal Verdrag voor de Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 2, lid 2 van het strafwetboek. De heer P. wijst er daarbij op dat op dit ogenblik de verplichting tot het bijhouden van de verstrekkingenregister opgeheven werd door artikel 74 van de wet van 7 december 2005. De heer P. herneemt verder een aantal procedurale grieven die hij reeds geformuleerd had voor de arbeidsrechtbank: de bestreden administratieve beslissing zou de motiveringsplicht miskend hebben, het legaliteitsbeginsel zou geschonden zijn doordat de administratieve boete enkel steunde op het Koninklijk Besluit en niet op een wet, de regels van bewijsvoering zouden geschonden zijn evenals het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging, het PV van vaststelling zou nietig zijn, de opgelegde boete zou verjaard zijn en minstens nietig zou zijn, omdat zij niet was uitgesproken binnen een redelijke termijn. De heer P. betwist tenslotte ook ten gronde de inbreuk. Hij houdt voor dat het verstrekkingenregister wel degelijk bestond maar ingevolge administratieve omstandigheden niet voorhanden was op het ogenblik van de controle. Hij wijst er in dit verband ook op dat het Koninklijk Besluit van 3 augustus 1987, dat de modaliteiten inzake het bijhouden van het verstrekkingenboek wijzigde, niet gewezen werd op voorstel van de bevoegde dienst van het Rijksinstituut, zoals vereist door artikel 68 van de gecoördineerde ziektewetten van 14 juli 1994. In ondergeschikte orde vraagt hij dat overeenkomstig artikel 6, 4e lid van het Koninklijk Besluit van 25 november 1996 de uitvoering van de sanctie zou uitgesteld worden gedurende een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van de uitspraak. 1.2. De eerste rechter heeft inderdaad ultra petita uitspraak gedaan door de heer P. te veroordelen tot betaling van het bedrag van de boete, zoals deze door de arbeidsrechtbank verminderd was, zonder dat een dergelijke veroordeling voor de arbeidsrechtbank gevorderd was. Voor het arbeidshof te Gent heeft het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering wel de veroordeling gevraagd van de heer P. tot betaling van de geldboete. Het hof zal deze vordering beoordelen in het kader van het incidenteel beroep en de incidentele vordering van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. 1.3. Anders dan de heer P. voorhoudt had de eerste rechter wel degelijk de bevoegdheid om, ingevolge het Koninklijk Besluit van 25 november 1996, de opgelegde administratieve boete te verminderen. Artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de zorgverleners, bedoeld in artikel 76 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bepaalt uitdrukkelijk dat artikel 6 van het besluit, dat de nieuwe administratieve geldboetes oplegt, van toepassing is op de administratieve geldboetes, opgelegd krachtens het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987, die bij de inwerkingtreding van het besluit van 25 november 1996 nog niet definitief geworden waren, hetgeen het geval was bij de heer P. . Overeenkomstig artikel 583 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de toepassing der administratieve sancties, bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 578 tot 582 en bij de wet betreffende de administratieve geldboeten, toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. Tot deze wetten en verordeningen behoren deze die betrekking hebben op de verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering (art. 580, 1° Gerechtelijk Wetboek). Elk geschil dat betrekking heeft op het opleggen van een administratieve geldboete in toepassing van het K.B. van 4 juni 19987 behoort dus tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Indien de rechter niet bevoegd is om in de plaats van het bestuur een sanctie op te leggen, dan kan hij nochtans wel de sanctiemaat beoordelen en herleiden zo daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld in geval van onevenredigheid tussen de inbreuk en de sanctie. Hierbij moet hij de wet toepassen, wat meteen inhoudt dat het hem toekomt de hoegrootheid van de administratieve geldboete te verminderen of uitstel toe te staan indien de wet daarin ondertussen (op het ogenblik waarop hij kennis neemt van het geschil) voorziet, en uitdrukkelijk bepaalt dat de nieuwe sanctiemaat en modaliteiten ervan toepasselijk zijn op de administratieve geldboetes die opgelegd werden krachtens de vroegere wettelijke regeling, die bij de inwerkintreding van de nieuwe regeling nog niet definitief zijn geworden. De arbeidsrechtbank kan geen beslissing bevestigen die een hogere boete oplegt dan diegene waarin de wet, die hij dient toe te passen, voorziet. Deze beslissing kan hij eveneens niet zonder meer vernietigen wanneer het opleggen van een administratieve geldboete verantwoord voorkomt. 1.4. De heer P. kan evenmin gevolgd worden wanneer hij stelt dat ingevolge de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden (artikel 74 van de wet van 7 december 2005) de rechtbank geen sanctie meer zou kunnen uitspreken wegens het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet. De door de heer P. ingeroepen retroactiviteitsregel, zoals bedoeld in artikel 15.1 van het IVBPR en artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek, heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd. ( Cass. 26.04.2010, http:// jure.juridat.just. fgov.be/?lang=nl°). In het arrest van 26 april 2010 oordeelt het Hof van Cassatie dat zulks niet het geval was bij de voorliggende regeling. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 december 2005, tot opheffing van het eerste lid van artikel 76 en van het zesde lid van artikel 168 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en van haar uitvoeringsbesluit van 10 november 2006, blijkt, zo oordeelt het Hof van Cassatie, dat de afschaffing van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden is ingegeven door het streven naar administratieve vereenvoudiging. Die verplichting werd een overbodige en overdreven administratieve belasting van de kinesitherapeuten geacht, gelet op het feit dat het individueel kinesitherapiedossier bijna dezelfde gegevens moet bevatten en die gegevens volstaan om de nodig geachte controle op de prestaties verder te kunnen verrichten. Daarbij werd onderstreept dat het vervallen van de verplichting om een verstrekkingenregister bij te houden en van de sancties die worden opgelegd zo dat register niet wordt bijgehouden, meebrengt dat het onvolledig bijhouden van het individueel kinesitherapiedossier voortaan tot gevolg heeft dat het volledige bedrag van de verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de prestaties waarvoor het dossier foutief is bijgehouden zal worden gerecupereerd, hetgeen een zwaardere sanctie is dan de administratieve geldboete opgelegd krachtens het Koninklijk Besluit van 25 november 1996, die slechts 25 pct. van de verzekeringstegemoetkoming bedraagt. Aldus blijkt, aldus het Hof van Cassatie, dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het aan de eiser ten laste gelegde feit, niet is gewijzigd. Het hof sluit zich bij de zienswijze aan. 1.5. Overeenkomstig art. 2 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dient iedere bestuurshandeling in de zin van art. 1 van de wet uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Overeenkomstig art. 3 van dezelfde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn. Een beslissing is voldoende gemotiveerd in de zin van de vermelde wettelijke bepalingen wanneer zij de betrokkene toelaat, op basis van de enkele lectuur van de beslissing, te begrijpen waarom de beslissing getroffen is en te beoordelen of er elementen zijn om deze beslissing te betwisten voor de arbeidsrechtbank. De bestreden administratieve beslissing beantwoordt aan de vereisten van motivering zoals voorzien door de art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Zij vermeldt de feitelijke en wettelijke grondslag van de uitgesproken sanctie. De bestreden beslissing was er niet toe gehouden te vermelden dat bepaalde onderdelen van het Koninklijk Besluit 4 juni 1987 later aangepast werden door het Koninklijk Besluit van 3 augustus 1987, te meer nu deze aanpassingen geen invloed hadden op de omschrijving van de inbreuk of de bestraffing ervan. De bestreden beslissing was er niet toe gehouden te antwoorden op de verweermiddelen van de heer P. die aangevoerd werden buiten de termijn van 15 dagen, volgende op de kennisgeving van het proces-verbaal van bevinding, kennisgeving die rechtsgeldig gebeurde aan het (hoofd) kabinet, waar de inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering de vaststellingen deed. 1.6. De administratieve geldboete, voorzien door het Koninklijk Besluit van 7 juni 1987, maakt geen strafsanctie uit in de zin van art. 7.1 van het EVRM, art. 15.1. van het IVBPR en art. 14 van de Grondwet. (Cass. 6.05.2002, http:// jure.juridat.just. fgov.be/?lang=nl). Overigens wordt het legaliteitsbeginsel, vastgelegd in art. 14 van de Grondwet, niet geschonden vermits art. 168, al. 9 van de gecoördineerde wetten op de ziekteverzekering, zoals aangevuld door de wet van 20 december 1995, de maximumgrens vastlegt waarbinnen de Koning de administratieve geldboete kan bepalen en in toepassing van art. 11 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1996 de uitgesproken sanctie aangepast wordt in functie van deze nieuwe wettelijke bepaling. 1.7. De door de heer P. ingeroepen schendingen van de regels inzake de bewijsvoering, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging steunen uitsluitend op het strafrechtelijk karakter van de sanctie. Zoals uiteengezet onder nr. 1.6 vertoont de administratieve geldboete, opgelegd door het Koninklijk Besluit van 7 juni 1987, en aangepast door het Koninklijk Besluit van 25 november 1996, echter niet het karakter van een strafsanctie. Bovendien is het niet zo dat, in de hypothese dat deze sancties een strafrechterlijk karakter zouden vertonen in de zin van het EVRM en het IVBPR, zulks tot gevolg heeft dat zij ook maatregelen zijn van strafrechtelijke aard in de zin van het Belgische Strafwetboek en de algemene bepalingen van Belgisch strafrecht en strafprocesrecht daarop toepassing zouden vinden (cfr.Cass. 29 maart 2010, JTT 2010, p.226). 1.8. Het proces verbaal van vaststelling van mevrouw Apeslagh is, in tegenstelling met hetgeen de heer P. voorhoudt, niet nietig. Overeenkomstig artikel 77 van de wet van 9 augustus 1963 op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals dit van toepassing was op het ogenblik van de tussenkomst van inspecteur, heeft de Dienst voor Geneeskundige Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als opdracht de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering te controleren op het vlak van hun realiteit en conformiteit met de voorschriften van de wet en haar uitvoeringsbesluiten. Overeenkomstig artikel 91 van dezelfde wet werd een Dienst voor Administratieve Controle ingesteld die als opdracht had in te staan voor de administratieve controle op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van de uitkeringsverzekering en van de moederschapverzekering, alsmede voor de administratieve controle op het in acht nemen van de bepalingen van de wet en haar uitvoeringsbesluiten. Om hun opdracht te vervullen beschikken deze beide diensten over geneesheren-inspecteurs, apothekers-inspecteurs en verpleegkundigen-controleurs, alsook over controleurs, adjunct controleurs, inspecteurs en adjunct-inspecteurs (art. 80 en 94 van de wet). Deze inspecteurs en controleurs leggen de eed af (art. 107 van de wet). Hun vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel. Deze inspecteurs ontlenen aldus hun bevoegdheden aan de wet en voeren de opdrachten uit die de wetgever hen toevertrouwt. De omstandigheid dat zij aangestelden zijn van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, en dat de opbrengst van deze boetes zou gaan naar dit instituut, verhindert niet dat zij op wettelijke wijze hun controlebevoegdheden uitoefenen. 1.9. De aan de heer P. opgelegde boete is niet verjaard. Overeenkomstig artikel 9 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 treedt de verjaring van de inbreuk in 2 jaar na de dag waarop de overtreding werd begaan, en wordt deze verjaring gestuit door de in artikel 5 bedoelde vaststelling. Het proces-verbaal van vaststelling van 24 februari 1993 heeft de verjaring gestuit wat betreft de inbreuken die begaan zijn in de periode van 25 februari 1991 tot en 24 februari 1993. Rekening houdend met deze stuiting waren, op het ogenblik van de bestreden beslissing (13 februari 1995), de feiten waarop de beslissing steunde niet verjaard. De verjaring was ook nog niet ingetreden op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing op 22 februari 1995, of de datum waarop deze beslissing hem werd aangeboden, indien men deze data als uitgangspunt zou moeten nemen, wat volgens het Hof niet het geval is. De bestreden beslissing is ook niet nietig omdat de beslissing niet genomen werd binnen een redelijke termijn. De lange termijn die verlopen is tussen het ogenblik waarop de vaststelling van de overtredingen gebeurde en het ogenblik waarop de administratieve beslissing genomen werd kan verklaard worden door de noodzaak voor de bevoegde dienst van het Rijksinstituut om bij de verzekeringsinstellingen de nodige gegevens in te winnen omtrent de prestaties die door de heer P. aangerekend werden in de betwiste periode, en die de grondslag vormen voor de bepaling van de omvang van de administratieve boete. 1.10. De realiteit van de door de heer P. begane inbreuken wordt voldoende bewezen door het PV van vaststelling van de inspecteur, die vaststelde dat de heer P. noch voor het lopende jaar 1993, noch voor de jaren 1991 en 1992, een verstrekkingenboek kon voorleggen, dat beantwoordde aan de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987. De heer P. heeft zulks overigens toegegeven op het ogenblik van zijn onderhoor en heeft verder niet tijdig gereageerd op het PV van vaststelling. Waar de heer P. thans voorhoudt (besluiten blz. 10, sub. 4.1) dat zijn verstrekkingenregister wel bestond en dat het zich bij Mevrouw Ballegeer-Bussche zou bevonden hebben, die instond voor het overbrengen van de in het register ingeschreven gegevens in het door hem kort tevoren aangekocht computerprogramma, moet vastgesteld worden dat de heer P. in zijn schrijven van 21 april 1993 niet vermeldt dat zijn verstrekkingenregister zich bij Mevrouw Ballegeer zou bevonden hebben maar wel dat zijn dagboek 1993 zich op zijn verblijfplaats te Knokke bevond waar "men bezig was de patiëntenfiches en het geschreven dagboek over te zetten in de computer". Artikel 1 van het K.B. van 4 juni 1987 voorziet uitdrukkelijk dat het persoonlijk verstrekkingenregister ter beschikking moet worden gehouden van de Dienst voor Geneeskundige Controle van het Rijksinstituut voor ziekte-en invaliditeitsverzekering...

  1. b)in de spreekkamer van de zorgverstrekker of, indien hij daarover niet beschikt, in zijn belangrijkste behandelingscentrum, voor de verstrekkingen die er worden verleend en deze welke worden verleend bij de rechthebbenden thuis. De heer P. diende dan ook toe zijn verstrekkingenregister ter beschikking te houden in zijn praktijk aan de Baron Ruzettelaan 36, te 8310 Brugge, waar hij, zoals hij in zijn brief van 21 april 1993 aangeeft, zijn wettelijke woonplaats had en waar en zijn hoofdpraktijk gelegen is. Door zijn verstrekkingenregister niet ter beschikking te houden zoals voorgeschreven door artikel 1 van het K.B. van 4 juni 1887 maakt de heer P. elke doeltreffende controle op de verstrekkingen onmogelijk. Dat de heer P. niet gehouden zou geweest zijn de inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering te woord te staan omdat hij ziek was en zijn verstrekkingenregister dan ook niet ter beschikking diende te houden kan evenmin aanvaard worden. Bij lezing van het proces-verbaal van verhoor van 23 februari 1993 kan men immers vaststellen dat de heer P. daarin nergens gewag maakt van enige ziekte en de inbreuk zonder meer erkent door aan te geven dat hij binnen een veertiental dagen met alles zal in orde zijn. De boete werd dan ook terecht vastgesteld op een percentage van de verzekeringstegemoetkomingen toegekend in de periode van twee jaar vóór de dag van vaststelling van de overtreding, zowel op grond van art.6, eerste streepje als op grond van art 6, tweede streepje van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987. Terecht heeft de eerste rechter, in toepassing van artikel 6 en 11 van het Koninklijk Besluit 25 november 1996, de opgelegde boete herleid. De omvang van deze herleiding wordt verder onderzocht bij de behandeling van het incidenteel beroep. 1.11. Er is geen aanleiding toe om zoals gevraagd door de heer P. , een uitstel toe te kennen in toepassing van artikel 6, 4e al. van het Koninklijk Besluit van 25 november 1996. De heer P. komt weliswaar theoretisch in aanmerking voor de toekenning van een dergelijk uitstel omdat hem in de loop van de 3 jaren, voorafgaande aan de beslissing van 13 februari 1995, geen andere geldboete werd opgelegd voor gelijkaardige feiten, maar daartegenover staat dat de heer P. zich tegelijkertijd in een toestand van herhaling bevond, volgens art. 6 al. 5 van het Koninklijk Besluit, omdat een nieuwe inbreuk werd vastgesteld binnen de 3 jaar na de uitspraak van een eerder sanctie op 19 januari 1991 (cfr. infra). Het beroep van de heer P. tegen deze beslissing werd afgewezen bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brugge van 1 april 1993, gevoegd bij het dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. 1.12. Ten onrechte voert de heer P. nog de nietigheid aan van het Koninklijk Besluit van 3 augustus 1987 waarbij het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 werd gewijzigd. De opgelegde sanctie wordt immers volledig gerechtvaardigd door de tekortkomingen aan het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 in zijn oorspronkelijke versie, zodanig dat de eventuele onregelmatigheid bij de totstandkoming van de wijzigingen van dit Koninklijk Besluit (dat geen gunstigere regels stelde voor de heer P. ) zonder belang is voor de beslechting van het geschil. 2. De incidentele vordering en het incidenteel beroep van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering. 2.1. Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering betwist het vonnis van de eerste rechter in de mate dat deze, in toepassing van 11 en artikel 6, al. 3 van het Koninklijk besluit van 25 november 1996, de administratieve boete herleidt tot een bedrag van 1.238.520,00 BF (30.702,11 euro ), zonder rekening te houden met het feit dat de administratieve geldboete, opgelegd op basis van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 had dienen verdubbeld te worden, vermits de heer P. zich in een staat van herhaling bevond. De heer P. betwist deze vordering stellende dat niet aangetoond is dat hij zich in een toestand van herhaling bevond. Het hof stelt vast dat de mogelijkheid om de administratieve geldboete te verdubbelen reeds werd voorzien in artikel 6, al.3 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987, en dat de bestreden administratieve beslissing daarvan toepassing maakt door de geldboete voor de overtreding op grond van art. 3 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 vast te stellen op 10 % in plaats van 5 %. Dat er een toestand van herhaling was blijkt uit het vonnis van de arbeidsrechtbank van Brugge van 1 april 1993 waarbij de administratieve beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering van 17 januari 1991 wordt bevestigd, waarbij aan de heer P. een geldboete werd opgelegd van 121.827,00 BF (3.020,01 euro ) om als kinesist over de periode van 1 januari 1988 tot 21 juni 1989 niet voldaan te hebben aan de bepalingen van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. 2.2. Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering had voor de eerste rechter geen incidentele vordering ingesteld waarbij hij de veroordeling vorderde van de heer P. tot betaling van de administratieve geldboete. Hij vorderde deze veroordeling wel bij besluiten neergelegd voor het arbeidshof te Gent op 13 november 2006, waarbij hij de veroordeling vorderde van de heer P. tot betaling van de som van 30.702,11 euro , vermeerderd met de moratoire intresten vanaf de 31e dag na de kennisgeving van de administratieve geldboete en de gerechtelijke intresten vanaf 25 maart 1995. In latere besluiten van 1 juni 2007 werd, ingevolge het incidenteel beroep tegen het vonnis van de eerste rechter in zoverre deze het bedrag van de administratieve geldboete herleidde, de vordering teruggebracht op een bedrag van 35.819,10 euro (1.444.939,00 BF). De heer P. roept de onontvankelijkheid in van deze vordering en verder de verjaring. In ondergeschikte orde stelt hij dat het bedrag van de gevorderde intresten in ieder geval herleid dient te worden ingevolge de nalatigheden van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering in de terugvordering van de administratieve boete, minstens dat het bedrag van de intresten dient herleid te worden ingevolge de toepassing van de vijfjarige verjaring. Subsidiair vordert de heer P. een schadevergoeding van de 15.370,00 euro die het bedrag zou moeten compenseren van de interesten waartoe hij veroordeeld werd. 2.3. Overeenkomstig artikel 168 van de gecoördineerde wetten op de ziekte en invaliditeitsverzekering van 14 juli 1994 zijn de definitieve beslissingen inzake geldboetes, die in toepassing van deze bepaling worden uitgesproken, van rechtswege uitvoerbaar. Ingeval de schuldenaar in gebreke blijft, kan de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en domeinen ermee belast worden deze administratieve geldboete in te vorderen ,overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de wet op de rijkscompatibiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1968. Uit deze bepaling blijkt niet dat de administratieve geldboetes enkel kunnen ingevorderd worden via de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, de registratie en de domeinen. Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering kan deze geldboetes invorderen via een gerechtelijke procedure en zij heeft met name daarvoor een voldoende belang wanneer, ingevolge de betwisting van de opgelegde boete, een procedure aanhangig gemaakt is voor de bevoegde arbeidsrechtbank. De tegenvordering is derhalve ontvankelijk. 2.4. Geen enkele bepaling van de gecoördineerde wetten op de ziekteverzekering van 14 juli 1994 rechter bepaalt de termijn voor het instellen van een vordering voor de arbeidsrechtbank. Terzake is dan ook principieel de gemeenrechtelijke 10 jarige termijn van toepassing voorzien door art. 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek. Er is geen aanleiding tot toepassing van de strafrechtelijke verjaringstermijn omdat de administratieve geldboetes in ieder geval geen maatregelen zijn van strafrechtelijke aard in de zin van het Belgisch Strafwetboek, zodat de algemene bepalingen van Belgisch strafrecht en strafprocesrecht erop toepassing zouden vinden (cfr. Cass. 29 maart 2010, J.T.T 2010, p.226). Evenmin dient toepassing gemaakt worden van de bepaling van art. 2262 bis, al. 2 van het Burgerlijk Wetboek dat betrekking heeft op de rechtsvorderingen tot vergoeding van een schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. De tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek werd echter slechts ingevoerd bij wet van 10 juni 1998, en verving de tot op dat ogenblik gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar. Zulks houdt in dat de nieuwe verjaringstermijn, die korter is, slechts begint te lopen vanaf het ogenblik van het van kracht worden van de nieuwe wettelijke bepaling, hetzij op 17 juni 1998. De administratieve geldboete, die werd uitgesproken op 12 februari 1995 en ter kennis gebracht van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering op 22 februari 1995, is op die basis niet verjaard. 2.5. Er is geen reden toe om, zoals gesuggereerd door de heer P. , een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel doordat deze termijn langer zou zijn dan deze die toepasselijk is in vergelijkbare situaties. Het hof is er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer de ingeroepen bepalingen klaarblijkelijk geen schending inhouden van het gelijkheidsbeginsel of niet strijdig zijn met de grondwet of wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak gedaan heeft over een identieke vraag. Het Koninklijk Besluit van 4 juni 1987 stelt een verjaringstermijn in van twee jaar, waarbinnen de Dienst voor Administratieve Controle sancties kan opleggen, indien het verstrekkingenboek inzake kinesitherapieprestaties niet of niet op correcte manier wordt bijgehouden. Deze verjaringstermijn is dezelfde als deze die geldt voor de vordering tot betaling van prestaties of voor de vordering tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties in de ziekteverzekering. Deze termijn is ook geenszins afwijkend van de termijnen die in de andere sociale zekerheid stelsels worden toegepast. Artikel 168 van de gecoördineerde wetten op de ziekteverzekering verleent aan het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering rechtstreeks een uitvoerbare titel om de betaling te bekomen van de opgelegde geldboeten. Deze titel kan uitgevoerd worden door tussenkomst van de administratie van de belasting voor de toegevoegde waarde, maar ook door het instellen van een vordering voor de arbeidsrechtbank, hetzij bij wijze van hoofdeis hetzij bij wijze van tegeneis. De vordering strekt er dan echter niet meer toe uitspraak te doen over het recht op socialezekerheidsprestaties, maar heeft enkel als voorwerp de uitvoering te bekomen van een uitvoerbare titel die reeds bestaat. Op deze vordering is artikel 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. In een vergelijkbare zaak heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 162/2009 van 20 oktober 2009 geoordeeld dat er geen schending was van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel doordat de RVA, naast de termijn waarover deze instelling beschikt om een onverschuldigde betaling vast te stellen en die 3 of 5 jaar bedraagt, nog over de termijn van 10 jaar beschikt om de uitvoerbare titel, die het zichzelf verleent, uit te voeren. Het Hof maakt daarbij de vergelijking met de private zekerheidsinstellingen die zich niet zelf een uitvoerbare titel kunnen verschaffen, maar deze moeten bekomen voor de rechtbank. Overeenkomstig artikel 2262 bis van het Burgerlijk Wetboek beschikken deze instellingen eveneens over een termijn van 10 jaar om over te gaan tot uitvoering van deze titel. 2.6. Moratoire intresten zijn principieel verschuldigd. De kennisgeving van de administratieve beslissing van 12 februari 1995 op 22 februari 1995 hield immers een duidelijke ingebrekestelling in tot betaling van de geldboeten. Op deze intresten is echter de verjaringstermijn van toepassing van art. 2277 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk alles wat betaalbaar is per jaar of bij kortere termijnen, verjaard na verloop van 5 jaar. (Cfr. Cass. 2.11.1998, T.B.B.R., 2000, 248; A.Van Oevelen, Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijn in het Belgisch privaatrecht, T.P.R. 1987, 1793; Claeys e.a. De verjaring, Intersentia 2007, p. 156; M. Marchandise, La prescription libératoire, 2007, p. 94; A. Lindemans, De verjaring van de vordering tot betaling van intresten, noot onder Cass.2.11.1998, T.B.B.R., 2000, 250). De interesten zijn, gelet op de datum waarop de tegenvordering werd ingediend, te weten 13 november 2006, verjaard voor de periode die 13 november 2001 voorafgaat. 2.7. Er is onvoldoende reden om, zoals nog gevraagd wordt door de heer P. , het recht op intresten verder te beperken gelet op het stilzitten van het rijksinstituut. De heer P. heeft het initiatief genomen om de betwisting voor de arbeidsrechtbank aanhangig te maken. Hij wist of moest weten dat deze betwisting de loop der interesten niet opschortte. De arbeidsrechtbank heeft bij vonnis van 20 mei 1997 zijn vordering afgewezen, waarna hij hoger beroep instelde. Gelet op het vonnis van de arbeidsrechtbank kon de heer P. er zich geenszins aan verwachten dat het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering niet verder zou aandringen in deze betwisting. De heer P. diende dan ook zelf de nodige initiatieven te nemen om zijn hoger beroep sneller te laten berechten, ten einde het bedrag van de intresten niet te hoog te laten oplopen. Om dezelfde redenen is er geen voldoende grondslag voor de tegenvordering die door de heer P. gesteld wordt als compensatie van de intresten die hij verschuldigd is. 3. De kosten. De eerste rechter heeft ten onrechte het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering veroordeeld tot de kosten in toepassing van artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek De heer P. is als zorgenverstrekker geen gerechtigde op een sociale zekerheidprestaties in de zin van deze bepaling. Er is geen reden toe om, zoals het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering vraagt, een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de procedure voor het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge en voor de procedure voor het arbeidshof te Brussel. Overeenkomstig art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg. (Zulks was overigens ook voorzien in het vroegere Koninklijk Besluit van 30 november 1970). Het Gerechtelijk Wetboek kent slechts twee aanleggen, de eerste aanleg en het beroep (art. 616 Gerechtelijk Wetboek). Ook de procedure voor het Hof van Cassatie vormt geen nieuwe aanleg (cfr.K. BROECKX, Gerechtelijke Wetboek, Artikelsgewijze Commentaar, art. 616). Door het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie komt geen nieuwe aanleg tot stand. Het ingeleide geding en de aanleg worden heropend voor een nieuwe rechter, maar blijven dezelfde aanleg en geding uitmaken die hervat worden (J. BORÉ " La Cassation en matière civile", Parijs, 1980, p. 1048 en 1057). De dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij het de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt is dan ook geen gedinginleidende akte, maar een akte tot hervatting en voortzetting van het geding (Cass. 27 september 1993, Arr. Cass.1973,762). OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en zegt voor recht dat, ingevolge de toepassing van het Koninklijk Besluit van 25 november 1996, de uitgesproken sanctie herleid dient te worden tot een bedrag van 35.819,10 euro . Verklaart de nieuwe vordering ingesteld door Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering in graad van beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Veroordeelt de heer P. tot betaling van de som van 35.819,10 euro , bedrag te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 13 november 2001 en de gerechtelijke intresten vanaf 13 november 2006. Veroordeelt de heer P. tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering op 160,64 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, zoals gevorderd en 291,50 euro rechtsplegingvergoeding in graad van beroep, zoals gevorderd. Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Fernand KENIS, raadsheer, Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO Christian LAURIERS Fernand KENIS De heer Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door F Kenis, raadsheer, voorzitter en C. Lauriers, raadsheer in sociale zaken, als werkgever. S. Van der hoeven, griffier. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 september 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100902.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.