← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.11 Rolnummer: 2009/AB/051943 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-11-23 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 13:30 Fiche 1 Voor de beëindiging van een individuele beroepsopleiding onderneming (IBO-overeenkomst) is enkel in een geldelijke sanctie voorzien ten aanzien van de onderneming, (niet ten aanzien van de VDAB) wanneer de volgende voorwaarden samen vervuld zijn: - vroegtijdige beëindiging - eenzijdige beëindiging - beëindiging zonder geldige reden - beëindiging zonder akkoord van de VDAB. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Andere Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BEROEPSOPLEIDING - IBO-overeenkomst - Beëindiging - Sanctie. Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - - - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Nota: Gerangschikt onder V P. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder V P (Besluit Vl. Exec. 21/12/1988), art. 121 en I L (W. 29/07/1991), art.

  1. Fiche 2 Krachtens artikel 121 van het BVR van 21 december 1988 beslist de VDAB over de beëindiging of de voortzetting van een beroepsopleiding door een uitkeringsgerechtigde werkloze. Deze beslissing behoort tot de doelgebonden bevoegdheid van het bestuur. De VDAB kan in functie van de opleidingsdoelstelling beslissen om de beroepsopleiding stop te zetten, zelfs zonder fout in hoofde van de cursist. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Algemeen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BEROEPSOPLEIDING - IBO-overeenkomst - Beslissingsmacht VDAB. Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - 121 - 36 ELI link Pub nr 1989029017 Nota: Gerangschikt onder V P (Besl. Vl. Exec. 21/12/1988), art.
  2. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder V P en I L (W. 29/07/1991), art.
  3. Fiche 3 Krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling, moeten deze handelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Krachtens artikel 3 van diezelfde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze moeten afdoende zijn. In het kader van een gebonden bevoegdheid kan het bestuur ermee volstaan de feitelijke gegevens en de wetsartikelen aan te geven op grond waarvan het verplicht was om een beslissing te nemen. Het staat aan de feitenrechter te oordelen of een dergelijke motivering afdoende is. Dit is niet het geval bij een verwarrende motivering. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Toepassingsgebied Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling - Motivering beslissing VDAB. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 2 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Nota: Gerangschikt onder I L (W. 29/07/1991), art.
  4. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder V P en V P (Besluit Vl. Exec. 21/12/1988), art.
  5. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 SEPTEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - overeenkomst individuele beroepsopleiding bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: O.F. , wonende te [xxx], appellante, vertegenwoordigd door mr. SIMEONS Veerle, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 b
  6. Tegen:
  7. De Vlaamse Dienst Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB), met kantoren te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 11, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VAN DEN SPIEGEL Liesbeth loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan
  8. HTI BVBA, met maatschappelijke zetel te 9500 GERAARDSBERGEN, Astridlaan 172, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. QUINTELIER Sofie loco mr. CALLOENS Lieven, advocaat te 9300 AALST, Parklaan
  9. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 6 februari 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 06320/07). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 maart 2009; - de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 29 september 2009, - de conclusie voor de eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 26 mei 2009 en de syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 12 april 2010; - de conclusie voor de tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 juli 2009, de aanvullende conclusies, neergelegd ter griffie op 27 januari 2010 en de syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 12 mei 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  10. Op 20 november 2006 ondertekenden partijen en de VDAB een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming (IBO-overeenkomst), waardoor de bvba Home Team (thans bvba H.T.I) aan mevrouw O.F. een opleiding van 13 weken (van 21 november 2006 tot 19 februari 2007) garandeerde als adviseur. Ingevolge artikel 2d van deze overeenkomst gaat de onderneming de verbintenis aan de cursist vanaf de eerste kalenderdag na de opleiding in dienst te nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor een duur die minstens gelijk is aan de periode van de opleiding. In artikel 6 van deze overeenkomst worden de regels in verband met de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst bepaald.
  11. Op 20 december 2006 vond er een evaluatiegesprek plaats, omdat mevrouw O.F. van mening was dat zij onvoldoende opgeleid werd. De onderneming zou hiertoe een aanvraag tot stopzetting van de individuele beroepsopleiding hebben geformuleerd (zie stuk 6 VDAB). Volgens de begeleider van de VDAB was er inderdaad geen interactie tussen beide partijen, maar hoefde mevrouw O.F. zich niets te verwijten qua inzet en persoonlijkheid. De VDAB-consulent concludeerde dat belanghebbende geen eerlijke kans kreeg om te slagen in de IBO ingevolge vooroordelen van de werkgever, niet gebaseerd op vaardigheid of kennis van de belanghebbende (stuk 6 VDAB). Op 27 december 2006 schreef de VDAB aan de bvba dat zij vastgesteld had dat deze de overeenkomst had stopgezet zonder akkoord van de VDAB, wat niet in overeenstemming is met het BVR van 21 december 1988, inzonderheid de artikelen 120 en 129 (dit gebeurde met het formulier TO28SW2). Op het formulier Beëindiging van een beroepsopleiding van 27 december 2006 bevestigde de VDAB dat de opleiding werd stopgezet ingevolge toepassing van artikel 6 IBO-overeenkomst. De woorden op initiatief van de VDAB werden hierbij geschrapt. Op dezelfde datum schreef de VDAB aan mevrouw O.F. dat zij volgens artikel 6 van de opleidingsovereenkomst een schadeloosstelling kon eisen van de werkgever (dit is het formulier TO28SC2).
  12. Op 5 januari 2007 schreef de VDAB aan de bvba: Na onderzoek en na beide partijen te hebben gehoord, heeft de VDAB beslist om de overeenkomst te beëindigen op 20/12/
  13. Dit is in overeenstemming met het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding (inzonderheid de artikels 120 en 129). ... dit document vernietigt en vervangt (wegens administratieve fout) het document TO28SW2 afgeleverd op 20 december
  14. Op dezelfde datum schreef de VDAB aan mevrouw O.F.: Na onderzoek en na beide partijen te hebben gehoord, heeft de VDAB beslist om de overeenkomst te beëindigen op 20/12/2006 en dit om volgende reden: geschil met werkgever. Deze beslissing is in overeenstemming met het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeids-bemiddeling en de beroepsopleiding (inzonderheid de artikels 120 en 129). ... hierbij vindt u een formulier C91-IBO. ... dit document vernietigt en vervangt (wegens administratieve fout) het document TO28SC2 afgeleverd op 20 december
  15. Op een bijgevoegde formulier C91-IBO wordt omtrent de reden vermeld: nadere uitleg omtrent ... de andere reden : samenwerking tussen werkgever en cursist niet meer mogelijk - zonder schuld aan cursist. (‘foutieve houding' werd geschrapt).
  16. Bij aangetekende brief van 10 januari 2007 vroeg mevrouw O.F. aan de bvba H.T.I. ingevolge artikel 6 van de IBO-overeenkomst betaling van het resterend gedeelte van de opleiding. Op 12 januari 2007 wees de bvba dit verzoek af omdat haar standpunt was bijgetreden door de VDAB.
  17. Op 16 april 2007 dagvaardde mevrouw O.F. de VDAB en de bvba H.T.I. solidair, in solidum, minstens elk voor zijn deel, in betaling van: - een productiviteitspremie van euro 2.681,58 - een vergoeding voor gederfd loon van euro 4.520,46 - een schadevergoeding ex aequo et bono van euro 1.000, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten. De VDAB stelde een tussenvordering in tegen de bvba H.T.I. in betaling van euro 571,68, meer de gerechtelijke intresten en de kosten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 februari 2009 werden de hoofdvordering en de tussenvordering ontvankelijk en ongegrond verklaard en werd mevrouw O.F. veroordeeld tot de gerechtskosten.
  18. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 13 maart 2009, tekende mevrouw O.F. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering. De VDAB tekende incidenteel beroep aan en zij hernam hierbij in ondergeschikte orde haar oorspronkelijke tussenvordering. II. BEOORDELING.
  19. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. Beëindiging IBO-overeenkomst
  20. Artikel 6 van de IBO-overeenkomst bepaalt: Indien de onderneming de overeenkomst voor beroepsopleiding vroegtijdig en zonder geldige reden stopzet, eenzijdig en zonder akkoord van de VDAB, is hij/zij de cursist een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met de som van de premie voor het resterend gedeelte van de opleiding en het loon dat de onderneming, op basis van artikel 2d verschuldigd is voor de periode overeenstemmend met de duur van de opleiding. ... Hieruit vloeit voort dat er enkel in een geldelijke sanctie voorzien is ten aanzien van de onderneming, (niet ten aanzien van de VDAB) en dat daarvoor de volgende voorwaarden samen vervuld dienen te zijn: - vroegtijdige beëindiging - eenzijdige beëindiging - beëindiging zonder geldige reden - beëindiging zonder akkoord van de VDAB. Volgens het eerste schrijven van de VDAB aan mevrouw O.F. van 27 december 2006 zou de beëindiging hebben plaatsgevonden zonder het akkoord van de VDAB. In de navolgende brieven van 5 januari 2007, verandert de VDAB van standpunt en ze vervangt de documenten TO28SC2 en TO28SC2, afgeleverd op 20 december 2006 (op deze datum werden geen documenten afgeleverd, maar vermoedelijk bedoelde de VDAB de brieven van 27 december 2006) door de nieuwe brieven van 5 januari
  21. Hieruit vloeit nog niet voort dat de onderneming de beroepsopleiding tav de cursist met een geldige reden beëindigd heeft; integendeel, uit het evaluatieformulier van de VDAB volgt dat er geen interactie was tussen beide partijen en dat mevrouw O.F. zich niets hoeft te verwijten qua inzet en persoonlijkheid. Op het formulier C91-IBO in verband met beëindiging van de beroepsopleiding, afgestempeld door de VDAB en ondertekend door de coördinator, wordt uitdrukkelijk bevestigd dat de stopzetting gebeurde zonder schuld van de cursist. Ongeacht het latere akkoord van de VDAB, heeft de onderneming dan ook de beroepsopleiding zonder geldige reden in hoofde van mevrouw O.F. stopgezet, zodat volgens artikel 6 van de IBO-overeenkomst de forfaitaire vergoeding verschuldigd is. Terecht vordert mevrouw O.F. van de werkgever/onderneming dan ook de in artikel 6 bepaalde schadevergoeding, die overeenstemt met: - de som van de premie voor het resterende gedeelte van de opleiding en - het loon dat de onderneming, op basis van artikel 2d verschuldigd is voor de periode overeenstemmend met de duur van de opleiding. De vordering van mevrouw O.F. lastens de onderneming is dan ook gegrond wat betreft de productiviteitspremie en het loon voor de periode van 21 december 2006 tot en met 19 februari 2007; wel blijkt dat de productiviteitspremie door mevrouw O.F. en door de VDAB niet volledig identiek wordt becijferd, maar de begroting door de VDAB op euro 571,86 is in overeenstemming met het document T027.W. Aldus heeft mevrouw O.F. voor de opleidingsperiode en de bijkomende periode van 13 weken recht op: - de productiviteitspremie euro 571,86 loon 21 december 2006 tot 19 februari 2007 euro 2.988,53 subtotaal euro 3.560,39 - het gederfde loon voor de periode van 20 februari 2007 tot 21 mei 2007 euro 4.523,74 Totaal euro 8.084,13 Artikel 6 van de IBO-overeenkomst bepaalt op forfaitaire wijze de schadevergoeding waarop mevrouw O.F. aanspraak kan maken en dit ongeacht haar reële situatie na de beëindiging van de IBO overeenkomst. Deze forfaitaire schadevergoeding dekt aldus de volledige schade die uit de beëindiging voortvloeit, zodat mevrouw O.F. niet bijkomend nog een vergoeding kan vragen voor een zogenaamde gemiste kans; bovendien legt zij nergens uit waarin deze gemiste kans zou bestaan. De werkgever kon immers na de gewaarborgde periode van 13 weken de arbeidsovereenkomst beëindigen en mevrouw O.F. toont bovendien geen schade aan doordat zij na deze periode verder zonder werk zou zijn gebleven. De positie van de VDAB
  22. In artikel 6 wordt niet voorzien dat de schadevergoeding mede ten laste is van de VDAB. Krachtens artikel 121 van het BVR van 21 december 1988 beslist de VDAB over de beëindiging of de voortzetting van een beroepsopleiding door een uitkerings-gerechtigde werkloze. Deze beslissing behoort tot de doelgebonden bevoegdheid van het bestuur (Cass. 14 april 2003, Soc. Kron. 2004, 386). Ook al is er hiervoor geen geldige reden in hoofde van de cursist, toch kan ingevolge deze bepaling de VDAB in functie van de opleidingsdoelstelling beslissen om de beroepsopleiding stop te zetten. Krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling, moeten deze handelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Krachtens artikel 3 van diezelfde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze moeten afdoende zijn. In het kader van een gebonden bevoegdheid kan het bestuur ermee volstaan de feitelijke gegevens en de wetsartikelen aan te geven op grond waarvan het verplicht was om een beslissing te nemen. Het staat aan de feitenrechter te oordelen of een dergelijke motivering afdoende is (Cass. 14 april 2003, Soc. Kron. 2004, 386). In het formulier C91-IBO 5 januari 2007 stelt de VDAB dat de opleiding op haar initiatief werd stopgezet omdat de samenwerking tussen werkgever en cursist niet meer mogelijk is - zonder schuld aan de cursist. De woorden foutieve houding werden daarbij doorstreept. Op basis van dezelfde dossiergegevens had de VDAB echter op 27 december 2006 een totaal tegenovergestelde beslissing genomen en had zij de toepassing van artikel 6 van de IBO- overeenkomst weerhouden en bevestigd aan mevrouw O.F.. De VDAB geeft nergens op een afdoende wijze aan hoe ze uit dezelfde dossiergegevens twee tegengestelde meningen kan afleiden. Een verwijzing naar een zgn. administratieve fout volstaat hiertoe niet. De motivering is ten aanzien van de onderneming weinig afdoende, omdat in het wijzigende document TO28SW2 van 5 januari 2007 aan de onderneming enkel gezegd wordt dat de VDAB na onderzoek en na beide partijen te hebben gehoord beslist heeft om de overeenkomst te beëindigen op 20 december 2006, en dit in overeenstemming met het BVR van 21 december 1988 (inzonderheid de artikels 120 en 129). Hierdoor geeft de VDAB aan de onderneming de indruk dat er in hoofde van de onderneming een geldige reden voor de beëindiging is, terwijl uit het dossier blijkt dat de VDAB van oordeel is dat mevrouw O.F. geen eerlijke kans om te slagen kreeg en dat de beëindiging niet gebaseerd is op haar gebrek aan vaardigheid of kennis (zie voorstel tot het stopzetten van een individuele beroepsopleiding - stuk 6 VDAB). Deze verwarrende motivering brengt nochtans geen schade toe aan mevrouw O.F., daar zij op grond van artikel 6 van de IBO-overeenkomst lastens de werkgever de schadevergoeding bekomt waarop zij recht heeft. Dit artikel voorziet echter niet in een gehoudenheid van de VDAB. De vordering in solidum tegen de VDAB is dan ook ongegrond en hierdoor is de tussenvordering zonder voorwerp. Evenmin voorziet artikel 6 in een gedeeltelijke gehoudenheid van de VDAB. De werkgever daarentegen heeft voor zijn eventuele schade geen tussenvordering lastens de VDAB gesteld. Voor zover de motivering verwarrend overkomt en daaruit zou kunnen afgeleid worden dat zij niet afdoende is in hoofde van de bvba, staat het dan ook niet aan het hof om de gebeurlijke aansprakelijkheid van de VDAB in verband met eventuele schade van de werkgever te beoordelen. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond, Veroordeelt de bvba H.T.I. tot betaling aan mevrouw O.F. van een schadevergoeding van euro 8.084,13, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 10 januari 2007 en gerechtelijke intresten. Wijst al het meergevorderde af; Verklaart de tussenvordering zonder voorwerp. Veroordeelt de bvba H.T.I. tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van mevrouw O.F. begroot op: rechtsplegingsvergoeding euro 900,00 dagvaarding euro 120,83 Totaal euro 1.020,83 En aan de zijde van de VDAB begroot op rechtsplegingsvergoeding euro 900 voor beide aanleggen. Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Paul DEPRETER, Roger VANDENPUT. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 3 september 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.