← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.6 Rolnummer: 2009/AB/052562 Rechtsgebied: Overige - Unierecht Invoerdatum: 2010-10-15 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 13:31 Fiches 1 - 2 Aangezien België op grond van artikel 9.3 van de EG-Verordening 1348/2000 gebruik gemaakt heeft van de afwijkingsmogelijkheid, waardoor de kennisgeving en betekening bepaald wordt door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, dient artikel 40 Ger.W. worden toegepast voor het bepalen van de datum van betekening van de dagvaarding en de beoordeling van de verjaring. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT.- Betekening en kennisgeving Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 40 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Gerangschikt onder I A art.

  1. Eveneens gerangschikt onder IX H (EG-Verordening 1348/2000), art.
  2. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Verordening Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - RECHTSPLEGING EN BEVOEGDHEID - Artikel 9, van de EG-Verordening 1348/2000 van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken. Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 1348/2000 - 29-05-2000 - 9 Nota: Gerangschikt onder IX H (EG-Verordening 1348/2000), art.
  3. Eveneens gerangschikt onder I A art.
  4. Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN. 3e KAMER bediendecontract op tegenspraak Heropening der debatten In de zaak : PAJA KUNSTSTOFFE JAESCHKE Gmbh , vennootschap naar Duits recht, met maatschappelijke zetel te D-51493 RÖSRATH, Bergische Landstrasse 104, Postfach 1240 Appellante, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Borm L. loco Duyster E , advocaat te Eupen , tegen : B.L. , wonende te [xxx] , Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Vanneste J. , advocaat te Brussel . * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 23ekamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 19 mei 2009; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 8 oktober 2009; -de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 9 december 2009, 10 februari 2010 en 9 april 2010 ; - de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 11 januari 2010, 10 maart 2010 en 10 mei 2010 ; - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 29 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden. * * * FEITEN EN RECHTSPLEGING
  5. Op 31 oktober 2003 ondertekenden de GMBH Paja Kunststoffe Jaeschke ( hierna afgekort als Paja) en de heer B.L. een arbeidsovereenkomst als handelsvertegenwoordiger, waardoor deze laatste met ingang van 1 november 2003 in dienst kwam. Naast een vast loon ontving de heer B.L. overeenkomstig artikel 11 van deze overeenkomst ook een commissieloon, waarvoor verwezen werd naar bijlage 3 van de overeenkomst. In de bijlage 3 wordt een commissieloon van 2% op de nettoverkoopprijs voorzien bij elke klantenlevering van meer dan 10 t, ; bij minder dan 10 t. bedraagt deze commissie 3%. Bij het exemplaar van de arbeidsovereenkomst van Paja is een klantenlijst gevoegd , waarop een aantal klanten doorstreept zijn en waarbij aangeduid wordt dat de niet doorstreepte klanten van B.L. zijn. Deze lijst is ook door hem geparafeerd.
  6. Volgens het C4 formulier werd de arbeidsovereenkomst beëindigd met een opzeggingsbrief van 23 augustus 2007, die betrekking zou hebben op de periode van 24 augustus 2007 tot en met 30 september
  7. Deze brief wordt door geen van de partijen voorgebracht. In een aangetekende brief van 4 augustus 2008 stelt de raadsman van de heer B.L., Paja in gebreke in betaling van : - een pro rata 13e maand 2007 van euro 1573,22 - vakantiegeld einde dienst : vakantiedienstjaar 2007 van euro 1.782,99 - vakantiedienstjaar 2008 van euro 7.973,31 - een opzeggingsvergoeding van 8 maanden of euro 63.662,46 - een uitwinningvergoeding van euro 20.123,43 - achterstallig commissieloon van euro 27.213,61 en van euro 13.560,51 - afgifte van het formulier C17 bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten.
  8. Op 30 september 2008 dagvaardde de heer B.L. GMBH Paja Kunststoffe Jaeschke voor de arbeidsrechtbank te Brussel in afgifte van het formulier C4 voltijds brugpensioen en het formulier C17 brugpensioen onder verbeurte van een dwangsom en in betaling van euro 1 provisioneel voor de aanvullende vergoedingen brugpensioen, alsook in betaling van de bedragen vermeld in de brief van 4 augustus
  9. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 19 mei 2009 verklaarde deze zich bevoegd en verwierp ze het argument van de verjaring van Paja; ten gronde werd de vordering ontvankelijk en reeds in volgende mate gegrond verklaard dat Paja veroordeeld werd om aan de heer B.L. een volledig ingevuld ,ondertekend en gedagtekend formulier C17 brugpensioen en een formulier C4 voltijds brugpensioen te overhandigen onder verbeurte van een dwangsom van euro 50 per dag vertraging bij gebreke dit te doen binnen de 30 dagen na betekening van dit vonnis; Paja werd veroordeeld tot betaling van euro 1 provisioneel voor de aanvullende vergoeding brugpensioen; de overige vorderingen worden voor verdere in staatstelling naar de rol verzonden.
  10. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 8 oktober 2009, tekende GMBH Paja Kunststoffe Jaeschke hoger beroep aan teneinde het vonnis te horen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de heer B.L. onontvankelijk, minstens ongegrond te horen verklaren; In ondergeschikte orde vroeg zij dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof; In nog meer ondergeschikte orde vroeg zij dat de vordering slechts zou gegrond verklaard worden ten belope van een opzeggingsvergoeding van 3 maanden. De heer B.L. houdt voor dat het hoger beroep nietig is, minstens onontvankelijk, alleszins ongegrond en hij vraagt de bevestiging van het vonnis en omwille van de devolutieve kracht van het hoger beroep de toewijzing van zijn oorspronkelijke volledige vordering. BEOORDELING
  11. De heer B.L. houdt voor dat de akte van hoger beroep nietig is omwille van : - de schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, omdat het adres van het arbeidshof is aangeduid als Place Polaert 3 - schending van artikel 1057,5° Ger. W. en 862 §1 Ger. W. omdat het arbeidshof betiteld wordt als Arbeidsgerechtshof.
  12. Deze schendingen kunnen niet aanvaard worden. Het adres van het arbeidshof Brussel is voldoende duidelijk aangeduid met de vermelding Justitiepaleis B-1000 Brussel. De foutieve aanduiding van de straatnaam is hierdoor irrelevant. Op grond van artikel 1057,5° Ger. W. dient de akte van hoger beroep de rechter in hoger beroep te vermelden. Artikel 862 §1, 4° Ger. W. schrijft op straffe van absolute nietigheid de aanwijzing van de rechter, die van de zaak kennis moet nemen, voor. Met verwijzing naar de rechtsleer die geïntimeerde aanhaalt kan opgemerkt worden dat deze aanwijzing niet dient te gebeuren in sacramentele bewoordingen en dat deze uitzonderingsregel van restrictieve interpretatie is. ( B. Deconinck, Comm. Ger., art. 862 §1, 4° in Artikelsgewijze commentaar van het gerechtelijk wetboek). Met verwijzing naar het door geïntimeerde aangehaalde cassatiearrest van 22 september 1988 (RW 1989-90, 134) kan vastgesteld worden dat de benaming Arbeidsgerechtshof Brussel een normale rechtzoekende, die gewoon zorgvuldig en bedachtzaam is, niet in verwarring zal brengen, daar het duidelijk is dat Paja het arbeidshof Brussel heeft aangeduid als rechter in hoger beroep. Voor nadere toelichting omtrent de problematieken, behandeld in dit randnummer, kan verwezen worden naar K. Wagner, De sanctieregeling in de taalwetgeving van 1935,...TBH 2010, 234 e.v.
  13. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Paja heeft afstand gedaan van haar middelen in verband met de onbevoegdheid ratione loci van de arbeidsrechtbank te Brussel en van de exceptio obscuri libelli in verband met de oorspronkelijke vordering. ( zie zittingsblad 22 juni 2010) De verjaring van de vordering
  14. Op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, een jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Op grond van artikel 2244 B.W. vormt een dagvaarding voor het gerecht een burgerlijke stuiting. Volgens de vermelding op het C4-formulier eindigde de arbeidsovereenkomst van de heer B.L. op 30 september
  15. De dagvaarding van de heer B.L. werd door de gerechtsdeurwaarder bij aangetekend schrijven van 30 september 2008 met vertaling in het Duits en vergezeld van de nodige stukken overgemaakt aan het Ambtsgericht Bergisch Gladbach, en dit ingevolge artikel 4 van de EG-Verordening van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken. Op 30 september 2008 werd de dagvaarding ook bij aangetekend schrijven verzonden aan Paja. Ingevolge artikel 40 Ger. W. stuurt de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats hebben, bij een per post aangetekende brief, het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en wordt de betekening geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vorm zoals in dit artikel bepaald. De aangetekende zending werd naar zeggen van appellante door het Ambtsgericht Bergisch Gladbach ontvangen op 6 oktober
  16. Zijzelf ontving de aangetekende zending op 7oktober
  17. Overeenkomstig het Duitse recht geschiedt de betekening op datum van de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde. Naargelang men de datum van verzending ( 30 september 2008) dan wel de datum van ontvangst ( 6/7 oktober 2008) in aanmerking neemt als datum van de dagvaarding, is de vordering, ingesteld bij deze dagvaarding, overeenkomstig artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, al dan niet verjaard.
  18. Artikel 9, lid 1 en 2 van de EG- Verordening 1348/2000 van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken bepaalt m.b.t. datum van betekening :
  19. Onverminderd artikel 8 is de datum van betekening of kennisgeving van artikel 7 de datum waarop betekening of kennisgeving overeenkomstig het recht van de aangezochte Lid-Staat is geschied.
  20. Wanneer in het kader van een in de Lid-Staat van herkomst in te leiden of hangende procedure de betekening of kennisgeving van een stuk binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, wordt de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen, evenwel bepaald door het recht van deze Lid-Staat. Op basis van artikel 9.1 wordt de datum van kennisgeving door het Duitse recht bepaald; in het kader van artikel 9.2 bepaalt het Belgische recht de datum. Artikel 9.3 voorziet echter in een afwijkingsprocedure voor de Lidstaten, waarvan België gebruik heeft gemaakt door uitbreiding van het toepassingsgebied van lid 2 dat dan als volgt luidt: Voor de betekening en de kennisgeving van een gerechtelijk en buitengerechtelijke stuk wordt de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking moet worden genomen evenwel bepaald door de wetgeving van de lidstaat van herkomst. ( PB EG, C-202/10 van 18 juli 2001, p. 1) België motiveerde dit als volgt : België is van oordeel dat overwegingen van rechtszekerheid voor de aanvrager rechtvaardigen dat de datum van afgifte van het stuk ten aanzien van hem wordt vastgesteld, zulks onverminderd de bescherming van de andere partij zoals geregeld in het eerste lid van artikel
  21. ... Zelfs in de situatie waarin door de wet geen enkele termijn voor handelen is vastgelegd, is het immers, wat gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken betreft, van belang dat een rechtsgevolg wordt toegekend aan de totstandkoming van een stuk. ... Dat is ook zo indien een persoon die een verjaring wenst te onderbreken, een stuk tot stuiting laat betekenen ( buitengerechtelijk stuk) ( PB EG, C-202/10 van 18 juli 2001, p. 1) Hieruit vloeit voort dat het Belgisch recht moet toegepast worden voor het bepalen van de datum van de dagvaarding, meer bepaald wat betreft de gevolgen voor de verjaring. ( zie hierover het grondig gedocumenteerd arrest van het arbeidshof Brussel van 12 september 2007 ( Soc. Kron. 2008, 457) en de rechtsleer die in dit arrest wordt aangehaald) Oordeelkundig wordt in bovenvermeld arrest ook vastgesteld dat voor betekeningen in het buitenland moet verwezen worden naar artikel 40 Ger.W, omdat anders de verzoeker in een situatie terechtkomt waarin hij geen enkele vat meer heeft op de gevolgen voor de termijnen. Artikel 40 vermijdt dit door de datum van de betekening te laten ingaan door de afgifte van de akte aan de postdienst via een aangetekende brief.
  22. Evenzeer stelt dit arrest terecht dat het arrest van het Grondwettelijk Hof 48/2006 van 29 maart 2006 hier niet terzake is omdat het geen betrekking heeft op de datum ten aanzien van de verzender van de aangetekende brief. In de overweging B4 van dit arrest benadrukt het Grondwettelijk Hof inderdaad zelf dat het zijn onderzoek beperkt tot de gestelde vraag, met name het aanvangspunt van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel door de persoon aan wie de akte wordt betekend. Appellante verzoekt het arbeidshof om een nieuwe en gelijklopende prejudiciële vraag te stellen, die echter uitgaat van de nieuwe EG-verordening 1393/
  23. Zoals de eerste rechter terecht heeft ontleed, is deze verordening op huidige zaak nog niet van toepassing. Er is dan ook geen reden om deze nieuwe prejudiciële vraag voor te leggen. Uit dit alles vloeit voort dat de heer B.L. zijn dagvaarding tijdig betekend heeft en dat er geen verjaring is op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. Het brugpensioen en de opzeggingsvergoeding
  24. Partijen wijzen op artikel 3, laatste lid van de CAO van 26 juni 2007 tot verlenging van het stelsel van conventioneel brugpensioen vanaf de leeftijd van 58 jaar, afgesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid ( KB 2 juli 2008 BS 9 oktober 2008): Om te genieten van deze collectieve arbeidsovereenkomst zullen de betrokken bedienden hun akkoord moeten betuigen met de opzeggingstermijn vastgesteld in artikel 82 §2, eerste en tweede lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zijnde met een opzeggingstermijn van drie maanden per voltooide of begonnen schijf van vijf jaar dienst bij de door het vorige alinea van dit artikel beoogde werkgever. Artikel 82 §2, eerste en tweede lid bepalen dat de opzeggingstermijn welke door de werkgever moet in acht worden genomen, ten minste drie maanden bedraagt voor de bedienden die minder dan vijf jaar in dienst zijn en dat deze termijn wordt vermeerderd met drie maanden bij de aanvang van elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever. De heer B.L. wijst erop dat zijn basisloon hoger is dan euro 28.093 en euro 56.187, zoals bepaald in artikel 82 § 3 en 5 van de arbeidsovereenkomstenwet, zodat de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn moet worden vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter, maar dat de opzeggingstermijn niet korter mag zijn dan de in §2 eerste en tweede lid vastgestelde termijnen. Wanneer de partijen dus zelf tot een overeenkomst over de opzeggingstermijn zijn gekomen, dan kan de rechter deze niet meer vaststellen. De heer B.L. vraagt dat het arbeidshof de opzeggingstermijn zou vaststellen, maar hij gaat tevens, zij het in ondergeschikte orde, akkoord met de door de werkgever voorgestelde minimum opzeggingstermijn van drie maanden, al naargelang de lezing die gegeven wordt aan artikel 3, laatste lid van de CAO van 26 juni
  25. Omdat ook Paja akkoord gaat met een opzeggingstermijn van drie maanden, is het daardoor onduidelijk in hoeverre partijen nu al dan niet een overeenkomst hebben bereikt over de opzeggingstermijn. Alvorens verder te beslissen over het brugpensioen en de opzeggingsvergoeding, past het dan ook dat de debatten worden heropend teneinde de heer B.L. de mogelijkheid te geven om te verduidelijken of hij nu al dan niet akkoord gaat met de door de werkgever voorgestelde opzeggingstermijn van drie maanden en aldus duidelijk te expliciteren of er nu al dan niet een overeenkomst over de opzeggingstermijn is. Aan partijen wordt daarbij tevens gevraagd om de opzeggingsbrief voor te brengen en aan te duiden of gebeurlijk reeds een deel van de opzeggingstermijn werd gepresteerd. Pro rata 13e maand en vakantiegeld einde dienst
  26. Paja gedraagt zich op deze punten naar de wijsheid van het arbeidshof en brengt geen argumenten aan waarom de pro rata 13e maand en het vakantiegeld einde dienst niet verschuldigd zouden zijn, evenmin wordt de berekening van deze onderdelen betwist. Rekening houdend met de devolutieve kracht van het hoger beroep, dient de vordering in verband met deze onderdelen gegrond te worden verklaard ten belope van : - pro rata eindejaarspremie euro 1573,22, - vakantiegeld dienstjaar 2007 : euro 1782,99 - vakantiegeld dienstjaar 2008 : euro 7.973,13 Uitwinningsvergoeding
  27. Ook hier gedraagt Paja zich naar de wijsheid van het arbeidshof, maar ze argumenteert wel dat een aantal cliënten geen nieuw aangebrachte cliënten zijn, omdat in de bijlage van hun exemplaar van de arbeidsovereenkomst deze cliënten op de lijst doorstreept waren, wat beduidde dat het cliënten van de werkgever zijn. Dit argument ontkracht echter niet dat de heer B.L. een aanbreng van cliënteel heeft gedaan. Paja erkent zelf dat de vergelijking met de lijst met doorstreepte cliënten slechts leidt tot een gedeeltelijke correctie van de lijst die de heer B.L. voorbrengt in verband met het nieuw aangebrachte cliënteel. Dit houdt dus in dat er alleszins nieuw cliënteel werd aangebracht. Er is geen discussie over het feit dat de heer B.L. handelsvertegenwoordiger is, ontslagen werd zonder dringende reden en een anciënniteit had van meer dan één jaar. Paja bewijst niet dat uit de beëindiging van de overeenkomst geen enkel nadeel volgt voor de handelsvertegenwoordiger. De heer B.L. heeft derhalve recht op betaling van uitwinningvergoeding, waarvan de becijfering op euro 20.123,43 niet wordt betwist. Commissielonen
  28. De heer B.L. vordert betaling van achterstallige commissielonen ten bedrage van euro 15.067,94 en van euro 15.560,
  29. Hij houdt voor dat Paja deze afrekeningen niet betwist, maar dit is niet zo. Paja schrijft zelfs uitdrukkelijk op pagina 12 van haar syntheseberoepsbesluiten : deze vorderingen zijn integraal betwist. Paja legt uit dat er in het verleden een foutieve toepassing is geweest van de uitbetaling van de commissielonen en dat de heer B.L. aldus te veel provisie ontvangen heeft. Tevens zou er een verrekening gebeurd zijn, maar hiervan wordt geen verduidelijkende uitleg gegeven. De heer B.L. heeft de bewijslast in verband met zijn vordering en hij dient dus de basis en de juistheid van zijn afrekening aan te tonen. Het hof stelt vast dat volgens bijlage 3 van de arbeidsovereenkomst er een verschillend commissieloon van toepassing is naargelang de bestelling meer of minder dan 10 t. bedraagt. Langs haar kant dient Paja te verduidelijken op basis waarvan in de loonfiches verrekeningen hebben plaatsgevonden. Partijen worden derhalve door het hof uitgenodigd om een gestaafde afrekening voor te leggen en desgevallend in concreto aan te tonen waarom de voorgelegde afrekening onjuist is. Partijen zullen trachten om op basis daarvan mogelijk tot een onderlinge afrekening te komen en zo niet, zullen zij minstens de overgebleven twistpunten precies aanduiden. Het hof behoudt zich daarbij de mogelijkheid voor om bij blijvende onduidelijkheid en/of onenigheid een deskundige aan te stellen, waarbij partijen zullen willen overwegen of de kost hiervan in verhouding staat met de financiële inzet van hun zaak. De debatten worden hiertoe heropend. Intresten
  30. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 ( inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende loonbedragen dienen berekend te worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 3 september 2007 zijnde na 1 juli
  31. Dit geldt niet voor de vakantiegelden, die niet onder de loonbeschermingswet vallen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, veroordeelt de GMBH Paja Kunststoffe Jaecke tot betaling aan de heer B.L. van volgende bedragen : - pro rata 13e maand van euro 1.573,22 - uitwinningsvergoeding van euro 20.123,43 te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 30 september 2007 en de gerechtelijke intresten, allen berekend op bruto en van - vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2007 van euro 1.782,99 - vakantiegeld einde dienst vakantiedienstjaar 2008 van euro 7.973,13 te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 4 augustus 2008 en de gerechtelijke intresten op netto; Alvorens verder ten gronde te beslissen, heropent de debatten ten einde partijen toe te laten te antwoorden op de opmerkingen, geformuleerd in de randnummers 7 en 10; Staat appellante partij toe besluiten neer te leggen uiterlijk op 4 november 2010; Staat geïntimeerde partij toe besluiten neer te leggen uiterlijk op 4 januari 2011; Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van 11 februari 2011 om 14 uur , in de zaal 0.6, Poelaertplein 3 te 1000 Brussel. Om verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de derde kamer van het arbeidshof en ondertekend door: L. Lenaerts, raadsheer; J. Lindemans, raadsheer in sociale zaken, als werkgever; R. Vandenput, raadsheer in sociale zaken,als werknemer-bediende; Bijgestaan door S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier. L. Lenaerts, S. Van Landuyt, J. Lindemans , R. Vandenput. En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op drie september tweeduizend en tien door : L. Lenaerts raadsheer Bijgestaan door S. Van Landuyt afgevaardigd griffier L.Lenaerts, S. Van Landuyt. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100903.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.