← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100906.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100906.4 Rolnummer: 2009/AB/052639 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2010-10-14 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-07-01 16:36 Fiche 1 Door de foutieve terugzending van het bestreden vonnis heeft de schuldenaar de kennisgeving bij gerechtsbrief nooit ontvangen en dit gebeurde door omstandigheden buiten zijn wil, die overmacht uitmaken. Hij kon deze omstandigheden niet voorzien, noch voorkomen. Er kan met deze kennisgeving geen rekening gehouden worden voor de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering Vrije woorden: SCHULDOVERLAST - Onregelmatige kennisgeving - Overmacht. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/16 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI A art. 1675/

  1. Een andere korte inhoud is gerangshikt onder XVI A art. 1674/14 §
  2. Fiche 2 De blijvende saisine van de arbeidsrechtbank, voortvloeiend uit artikel 1675/14 § 2, beperkt de devolutieve kracht van het hoger beroep. Wanneer tijdens een beroepsprocedure in een zaak van collectieve schuldenregeling de nieuwe vordering wordt gesteld door de schuldenaar, dan dient de nieuwe vordering door de arbeidsrechtbank, die gevat is gebleven, te worden beoordeeld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Algemeen (collectieve schuldenregeling) Vrije woorden: SCHULDOVERLAST- Blijvende saisine arbeidsrechtbank Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/14,§2 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI A art. 1675/14 §
  3. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder XVI A art. 1675/
  4. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 SEPTEMBER 2010 11 e KAMER COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling Tegenspraak tav appellant en de schuldbemiddelaar en bij verstek tav de geïntimeerden schuldeisers Heropening der debatten In de zaak: V.D. Peter, appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. VOET Stefaan, advocaat te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan
  5. Tegen:
  6. ONTVANGKANTOOR DOMEINEN EN PENALE BOETEN GENT, met zetel te 9000 GENT, Zwijnaardsesteenweg, 314,
  7. CENTEA NV, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg, 180,
  8. ONTVANGKANTOOR DIRECTE BELASTINGEN MOL, met zetel te 2400 MOL, Venakkerstraat 2,
  9. RIJKINSTITUUT VOOR SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein, 6,
  10. BTW-ONTVANGKANTOOR TURNHOUT, met zetel te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat, 22,
  11. ONTVANGKANTOOR DIRECTE BELASTINGEN AARSCHOT, met zetel te 3200 AARSCHOT, Amerstraat, 19,
  12. ACERTA VZW, met zetel te 2610 WILRIJK, Sneeuwbeslaan, 20, Schuldeisers, niet verschijnend, noch vertegenwoordigd ter zitting. In aanwezigheid van: VAN TONGELEN Bart, advocaat, met kantoor te 3200 AARSCHOT, Amerstraat, 147/5, verschijnt in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar; *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak tav dhr V.D. en de schuldbemiddelaar, bij verstek tav de schuldeisers op 17 december 2008 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 6e kamer (A.R. 08/1774/B). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 november 2009; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 15 april 2010, - de conclusies voor de schuldbemiddelaar, neergelegd ter griffie op 22 maart 2010, - de voorgelegde stukken; De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 21 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  13. Op 24 juni 2004 legde de heer V.D. een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling neer bij de beslagrechter te Leuven. Bij beschikking van 29 juni 2004 verklaarde de beslagrechter dit verzoek toelaatbaar en werd advocaat Bart Van Tongelen aangesteld als schuldbemiddelaar.
  14. De schuldbemiddelaar maakte op 28 september 2004 een ontwerp van minnelijke aanzuiveringregeling op, dat hij op 29 september 2004 aan de verzoeker en de schuldeisers overmaakte. Hij stelde voor om maandelijks euro 100 in te houden op het inkomen van de heer V.D., dat euro 273 per week bedroeg. Hij hield rekening met de vaste kosten, zoals de huur ( euro 450/maand) en water elektriciteit en gas ( euro 100/maand). De aanzuiveringregeling zou lopen over een periode van 105 maanden en op die wijze zou 5% van de schuldvorderingen kunnen worden aangezuiverd. De resterende schuld in hoofdsom, intresten en kosten werd kwijtgescholden. Er volgde een bijkomende aangifte van schuldvordering van de VZW Acerta ( euro 19.769,38), zodat de schuldbemiddelaar een tweede ontwerp opmaakte op 10 november 2004, waarbij hij de periode van de aanzuivering verlengde van 105 naar 115 maanden, zodat nog steeds 5% van de schuldvorderingen kan worden aangezuiverd. Twee schuldeisers (het BTW kantoor Turnhout en het Ontvangkantoor directe belastingen Aarschot) tekenden bezwaar aan. Bij beschikking van 4 maart 2005, homologeerde de beslagrechter te Leuven het tweede ontwerp van de schuldbemiddelaar.
  15. Op 26 februari 2008 heropende de beslagrechter te Leuven de minnelijke fase voor een periode van 6 maanden, omdat de heer V.D. wegens het faillissement van zijn vroegere werkgever (Carpotra) een bedrag van euro 10.601,84 had ontvangen van het Fonds voor sluiting van ondernemingen. Op 26 juni 2008 stelde de schuldbemiddelaar een derde ontwerp van aanzuiveringplan op, dat op 2 juli 2008 aan de schuldenaar en de schuldeisers werd overgemaakt. De schuldbemiddelaar stelde volgende verdeling voor van het bedrag van euro 10.601,84: - een terugbetaling aan de schuldeisers van euro 5.000 - een terugbetaling aan het OCMW van Lommel van euro 1.634,74 - een terugbetaling aan de RVA van euro 903,10 - een betaling aan de heer V.D. ter compensatie van de extra kosten omwille van het inkomstenverlies van euro 3.062,
  16. In functie van de gewijzigde inkomsten ( euro 1.700 per maand) stelde de schuldbemiddelaar voor euro 300 in te houden op het inkomen van de heer V.D., waarvan euro 50/maand zou worden gereserveerd ter betaling van de honoraria van de schuldbemiddelaar, samen met de eventuele reserve. De aanzuiveringregeling zou lopen over de resterende periode van 79 maanden. Bij aangetekende brief van 17 augustus 2008 tekende de heer V.D. bezwaar aan tegen dit voorstel, omdat hij een voor de schuldeisers gunstigere verdeling van het bedrag voorstelde, maar hij koppelde dit voorstel aan een vermindering van de duur van de aanzuiveringregeling met 41 maanden naar verhouding met de vervroegde uitbetaling aan de schuldeisers. Hij betwistte de verhoging van de inhouding op zijn inkomen, o.m. omdat de terugbetaling van kosten geen inkomen voor hem was; een inhouding van euro 150 leek hem haalbaar.
  17. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 17 december 2008 herzag de arbeidsrechtbank de minnelijke aanzuiveringregeling overeenkomstig het ontwerp van de schuldbemiddelaar met dien verstande dat: - vanaf de datum van het vonnis een bedrag van euro 250/maand zou worden ingehouden op het inkomen, waarvan euro 50/maand diende te worden gereserveerd - de schuldeisers ontvingen onmiddellijk hun respectievelijk aandeel van het te verdelen bedrag van euro 6.400 - de duur van de aanzuiveringregeling werd ingekort met 6 maanden om te eindigen op 1 juni 2014 de staat van de erelonen en kosten van de schuldbemiddelaar werd begroot en uitvoerbaar verklaard; met het oog op het onderzoek van de schuldvorderingen van Centea en de Bank van Breda werd de minnelijke fase voor een periode van 3 maand heropend voor het opmaken van een nieuwe minnelijke aanzuiveringregeling. Dit vonnis werd bij gerechtsbrief van 19 december 2008 ter kennis gebracht aan het adres van de heer V.D., (. ...te k...), maar de gerechtsbrief werd teruggezonden naar de griffie met de melding ontvangen briefwisseling niet meer op het aangeduide adres.
  18. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 4 november 2009, tekende de heer V.D. een beperkt hoger beroep aan tegen dit vonnis en hij vroeg dat de derde minnelijke aanzuiveringregeling zou worden herzien in de zin dat:
  19. vanaf de datum van het tussen te komen arrest een bedrag van euro 150 per maand wordt ingehouden;
  20. de duur van de aanzuiveringsregeling wordt ingekort met een periode van 41 maanden / in ondergeschikte orde, met een periode van 64 maanden;
  21. het bedrag van euro 10.600 (dat verzoeker ontving van het Fonds voor sluiting van ondernemingen naar aanleiding van het faillissement van zijn werkgever) als volgt door de schuldbemiddelaar moet worden verdeeld: - euro 1.634,74 voor het OCMW van Lommel als terugbetaling van de door haar uitbetaalde voorschotten; - euro 903,10 voor de RVA; - euro 800 als reserve voor de schuldbemiddelaar ter dekking van eventuele uitvoeringskosten en de niet ingehouden maandelijkse aanzuivering in mei 2007 of deze voortvloeiend uit een tijdelijke onmogelijkheid tot inhouding in de toekomst; - euro 1.500 als directe uitbetaling aan de schuldeisers en - euro 4.100 als vervroegde uitbetaling aan de schuldeisers. In zijn beroepsconclusie van 15 april 2010 herformuleert de heer V.D. zijn vordering in de zin dat: - voor de periode van 17 december 2008 tot en met 28 februari 2010 de schuldbemiddelaar slechts euro 150 per maand aan inkomsten wordt ingehouden, - bijgevolg opdracht zou gegeven worden aan de schuldbemiddelaar om het te veel ingehoudene van euro 1.500 (15 maanden aan euro 100) terug te betalen - vanaf maart 2010 de schuldbemiddelaar slechts euro 100 per maand aan inkomsten kon afhouden - bijgevolg opdracht zou gegeven worden aan de schuldbemiddelaar om het ondertussen te veel ingehoudene terug te betalen - de duur van de aanzuiveringregeling in te korten met een periode van 41 maanden, in ondergeschikte orde met een periode van 64 maanden - het van het Fonds voor sluiting van ondernemingen ontvangen bedrag van euro 10.600 als volgt te verdelen euro 1.634,74 aan het OCMW te Lommel euro 903,10 aan de RVA euro 800 als reserve voor de schuldbemiddelaar euro 1.500 als directe uitbetaling aan de schuldeisers euro 4.100 als vervroegde uitbetaling aan de schuldeisers het saldo aan hemzelf Voor zoveel als nodig, vraagt hij dat de schuldbemiddelaar zijn vierde ontwerp van minnelijke aanzuiveringregeling zou wijzigen, herzien en aanpassen in het licht van het bovenstaande. II. BEOORDELING Ontvankelijkheid
  22. De heer V.D. houdt voor dat hij het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 17 december 2008 niet ontvangen heeft en dat dit te wijten is aan een manifeste fout van De Post, die voor hem overmacht uitmaakt, waardoor de termijn van hoger beroep in zijn hoofde nooit is beginnen lopen.
  23. Uit de door de heer V.D. voorgelegde stukken blijkt dat de postdiensten te K. het bestreden vonnis naar de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven hebben teruggezonden, omdat voordien de briefwisseling diende te worden doorgezonden naar een postbus van de heer V.D. te Antwerpen, maar dat na het einde van deze doorzending de briefwisseling niet meer op het adres van zijn moeder te K. kon worden aangeboden, omdat de naam op de deurbel was verwijderd. De heer V.D. toont echter aan dat de doorzending naar de postbus te A. slechts gebeurde toen hij nog woonachtig was te L., omdat hij in die periode hoofdzakelijk werkte vanuit Antwerpen. Hieraan kwam echter een einde op 25 oktober 2008 en op dat ogenblik heeft hij ook het doorzenden vanuit L. naar deze postbus beëindigd. Voordien in 2007 was de heer V.D. verhuisd naar K. (...), maar vanuit dit adres heeft de heer V.D. nooit een doorzending van zijn briefwisseling naar zijn postbus gevraagd en hij toont aan dat alle officiële brieven die naar dit adres verzonden werden ook regelmatig te K. besteld werden (zonder doorzending naar de postbus te A.). Door de foutieve terugzending van het bestreden vonnis naar de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven staat het vast dat de heer V.D. de kennisgeving bij gerechtsbrief nooit ontvangen heeft en dit gebeurde door omstandigheden buiten zijn wil, die overmacht uitmaken. De heer V.D. kon immers deze omstandigheden niet voorzien, noch voorkomen. ( Cass. 8 april 2009, P.08.1907F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090408.3, www.juridat.be; Cass. 8 november 2006, Pas 2006, 545). Door het ontbreken van een geldige kennisgeving, is het hoger beroep tijdig. De schuldbemiddelaar gedraagt zich wat betreft dit onderdeel naar de wijsheid van het hof. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm en in zoverre het hoger beroep gericht is tegen het bestreden vonnis is het ontvankelijk.
  24. Op het ogenblik van zijn bezwaar (17 augustus 2008) tegen het derde minnelijke aanzuiveringplan van de schuldbemiddelaar (2 juli 2008) was de heer V.D. als bediende (medewerker commerciële buitendienst) werkzaam bij de NV Walleyn Graphics. Klaarblijkelijk wijzigde zijn situatie na het bestreden vonnis van 17 december 2008, want hij brengt onder zijn stukken 17 en 26 loonbrieven voor van maart 2009 tot en met februari 2010, waaruit kan afgeleid worden dat hij als handelsvertegenwoordiger tewerkgesteld was bij de NV Media Express. Zijn argumentatie omtrent de forfaitair terugbetaalde kosten eigen aan de werkgever, baseert hij overigens op deze tewerkstellingssituatie. Bovendien legt de heer V.D. in zijn beroepsconclusie uit dat hij sedert 4 februari 2010 werkloos is en hij vraagt in deze beroepsconclusie dat de inhoudingen op zijn inkomen telkens zouden aangepast worden aan zijn verschillende situaties, rekening houdend met het feit dat zijn werkloosheidsuitkering als alleenstaande nog zou dalen. Aldus vraagt de heer V.D. aan het arbeidshof dat zij een ruimere beslissing zou nemen dan wat aan de orde was bij de beoordeling voor de eerste rechter. De heer V.D. gaat in zijn vorderingen in beroep veel verder dan wat hij beoogde met zijn bezwaar tegen het derde minnelijke aanzuiveringplan. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep is een dergelijke aanpassing van het voorwerp van zijn vordering in een gewone beroepsprocedure mogelijk, mits daarbij toepassing gemaakt wordt van artikel 807 Ger. W. ( Cass. 4 maart 1988, Arr. Cass. 1987-88, 874) Bij betwistingen rond collectieve schuldenregeling dient men echter rekening te houden met artikel 1675/14 §2 Ger. W., dat bepaalt: De zaak blijft ingeschreven op de rol van de arbeidsrechtbank, ook ingeval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling. Aldus bekomt de arbeidsrechtbank een blijvende saisine, (S. De Coster, Artikelsgewijze Commentaar Ger. W. art. 167514 - 8, nr. 7), die de devolutieve gevolgen van het hoger beroep beperkt. (Arb.h Gent, 20 oktober 2008, inzake K. en N., AR 173/08, niet gepubliceerd, randnummer 4.2.3 met verwijzing naar K Broeckx en B. De Groote, Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing... RW 2004-05, 103, nr. 6). Wanneer tijdens een beroepsprocedure in een zaak van collectieve schuldenregeling de nieuwe vordering wordt gesteld door de schuldenaar, dan dient de nieuwe vordering door de arbeidsrechtbank, die gevat is gebleven, te worden beoordeeld (Arb.h Bergen 20 november 2008 inzake J.en R., AR 2008/4551, niet gepubliceerd en Arbh. Bergen 29 juni 2009 inzake AC en N, AR 21591, niet gepubliceerd). In zoverre derhalve de heer V.D. nieuwe vorderingen stelt in graad van hoger beroep, dient de arbeidsrechtbank te Leuven hiervoor te worden gevat. Overigens heeft de eerste rechter met het oog op het onderzoek van de schuldvorderingen van Centea en Bank van Breda de minnelijke fase heropend teneinde de schuldbemiddelaar de mogelijkheid te geven een aangepast minnelijk aanzuiveringplan op te maken, waarna verder kan worden gehandeld zoals bepaald in artikel 1675/10 §5 dan wel 1675/11 §1 Ger. W. De schuldbemiddelaar heeft in uitvoering hiervan reeds een vierde ontwerp van minnelijke aanzuiveringregeling opgesteld op 28 september 2004, maar juist zoals na het eerste aanzuiveringplan kan, gelet op de nieuwe situatie, een aangepaste aanzuiveringplan ter homologatie worden voorgelegd. Aldus kan rekening gehouden worden met de nieuwe omstandigheden die de heer V.D. thans aanbrengt. Bezwaren van de heer V.D.
  25. De heer V.D. ging niet akkoord met het voorstel van de schuldbemiddelaar om de inhouding op zijn loon te verhogen van euro 100 naar euro 300, waarbij euro 50 zou worden gereserveerd. De eerste rechter is hem gedeeltelijk tegemoetgekomen door de verhoging te beperken tot euro 250, doch de heer V.D. acht deze inhouding nog steeds overdreven, omdat zijn inkomen niet noemenswaardig gestegen is ten aanzien van zijn situatie bij het tweede minnelijke aanzuiveringplan. Meer bepaald stelt hij dat de forfaitaire onkostenvergoeding die hij ontvangt, geen daadwerkelijk inkomen voor hem is, doch wel een terugbetaling van onkosten die hij dient te maken voor zijn werkgever. Hij kan hoogstens vrede nemen met een inhouding van euro
  26. Gelet op zijn voorstel tot een verhoogde onmiddellijke uitbetaling aan de schuldeisers vanuit de betaling van euro 10.600 door het Fonds voor sluiting van ondernemingen, meent hij dat de minnelijke aanzuiveringregeling pro rata dient te worden verkort tot 41 of 64 maanden, zodat hij geen vrede neemt met de verkorting door de eerste rechter ten belope van 6 maanden. Forfaitaire onkostenvergoeding
  27. Het is correct dat de forfaitaire onkostenvergoeding in beginsel een terugbetaling is van door de werknemer gemaakte onkosten, eigen aan de werkgever. Aldus is deze onkostenvergoeding geen loon en geen tegenprestatie van arbeid en draagt zij niet bij tot het levensonderhoud van de werknemer. Niettemin dient steeds te worden nagegaan of het forfait reëel is, daar anders de onkostenvergoeding een verdoken loon uitmaakt. In het kader van een collectieve schuldenregeling dient de financiële situatie zo waarheidsgetrouw mogelijk te worden geëvalueerd en dient te worden nagegaan of het forfait geen overdreven optimalisatie inhoudt. Hiertoe dient de heer V.D. uit te leggen tegenover welke onkosten dit forfait stond. De heer V.D. legt dit uit aan de hand van zijn nieuwe werksituatie bij Media Express, maar aldaar was hij handelsvertegenwoordiger en in een dergelijke functie worden meer kosten ten behoeve van de werkgever gemaakt. In randnummer 3 werd echter uitgelegd dat deze tewerkstellingssituatie voor de behandeling van dit hoger beroep niet relevant is; deze kan eventueel later te berde komen bij de beoordeling van een nieuw minnelijk aanzuiveringplan door de arbeidsrechtbank. Over zijn tewerkstellingsituatie bij de NV Walleyn Graphics is de heer V.D. karig met informatie en ook de eerste rechter heeft reeds opgemerkt dat zij enkel beschikt over de loonfiche van de maand juni
  28. De heer V.D. dient derhalve te worden uitgenodigd om al zijn loonfiches dan wel de individuele rekeningen (die een jaaroverzicht geven) voor te brengen. Hij dient daarbij uit te leggen welke onkosten hij in deze periode voor zijn werkgever maakte in zijn hoedanigheid van bediende, zodat de realiteit van het forfait kan worden geëvalueerd. Enkel dan zal een reëel zicht op zijn inkomenssituatie kunnen worden bekomen. De debatten dienen hiertoe te worden heropend. De vervroegde terugbetaling aan de schuldeisers en de verkorting van de minnelijke aanzuiveringsperiode
  29. De heer V.D. is bereid om een verhoogde terugbetaling te aanvaarden aan de schuldeisers vanuit de gelden die hij bekwam van het Fonds voor sluiting van ondernemingen. In verband met de directe uitbetaling ten bedrage van euro 1.500 stelt hij op pagina 12 van zijn beroepsconclusie: Het bedrag van euro 800 + het bedrag van euro 1.500 = euro 2.300 is een bedrag dat concludent en surplus heeft ontvangen naar aanleiding van het faillissement van zijn werkgever. Dit lijkt erop te wijzen dat de heer V.D. naast de uitbetaling door het Fonds nog een dividend ontvangen heeft in het faillissement. De heer V.D. dient hierover toelichting te geven en hij dient de afrekening van de uitkeringen in het faillissement voor te leggen.
  30. Het uitgangspunt van de drie aanzuiveringplannen is steeds geweest dat de heer V.D. 5% van de schuldvorderingen zou aanzuiveren. De schuldeisers hebben tegen dit uitgangspunt nooit een bezwaar geformuleerd en het tweede plan werd op die basis gehomologeerd. Het Hof verzoekt de schuldbemiddelaar aan te geven in hoeverre, rekening houdend met de gekende schuldvorderingen, deze doelstelling gerealiseerd is door de inhoudingen en doorstortingen, zoals ze tot op heden werden uitgevoerd. Tevens vraagt het de schuldbemiddelaar te willen verduidelijken tot welke situatie men komt, wanneer men - het voorstel van het derde aanzuiveringplan van de schuldbemiddelaar aanneemt - de oplossing van de eerste rechter aanvaardt - het voorstel van de heer V.D. aanneemt en dit rekening houdend met een maandelijkse inhouding van euro 150, euro 250 of euro
  31. Ook op deze punten dienen de debatten te worden heropend, alvorens verder recht te doen over dit onderdeel. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht doende op tegenspraak ten aanzien van appellant en de schuldbemiddelaar en bij verstek ten aanzien van de geïntimeerden schuldeisers; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen wat door de eerste rechter werd beslist; Zegt voor recht dat de overige punten verder dienen behandeld te worden door de arbeidsrechtbank te Leuven, gelet op haar blijvende saisine; Alvorens verder recht te doen, heropent de debatten om de partijen toe te laten te antwoorden op de vragen gesteld in de randnummers 5, 6 en 7 bovenvermeld. Bepaalt hiertoe de hiernavolgende conclusietermijnen: - De partij V.D. zal haar gevraagde stukken en gegevens neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 15 oktober 2010; - De schuldbemiddelaar zal zijn conclusies neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 19 november 2010; - De partij V.D. zal haar antwoordbesluiten neerleggen en overleggen tegen uiterlijk 17 december 2010; Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van de 11de kamer van dit Hof (zaal 0.8) op 7 februari 2011 Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel om 10 uur 00'. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: De Heer L. LENAERTS, raadsheer, Mevrouw K. CUVELIER, griffier. L. LENAERTS, K. CUVELIER. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de elfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 6 september 2010 door L. Lenaerts, raadsheer en K. Cuvelier, griffier. L. LENAERTS, K. CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100906.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090408.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.