id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100909.2 Rolnummer: 2008/AB/50929 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2011-02-10 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-07-02 13:24 Fiche 1 1. De door de Richtlijn 80/987/EG aan de lidstaten opgelegde om de nodige maatregelen te nemen tot garantie van de verplichtingen van de werkgever m.b.t. de aanvullende bedrijfspensioenen, is onvoldoende nauwkeurig omschreven om een rechtstreekse werking te kunnen hebben ten aanzien van particulieren. Zulks sluit echter niet uit dat particulieren uit de Richtlijn een vordering kunnen putten ten aanzien van de Nationale overheid die in gebreke gebleven is om een voldoende uitvoering te geven aan de Richtlijn. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof is een dergelijke aansprakelijkheid mogelijk wanneer voldaan is aan de driedubbele voorwaarde dat (
- a)de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, (
- b)dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, (
- c)dat er een direct causaal verband bestaat tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade. 2. De richtlijn houdt, voor wat betreft de verplichtingen tot bescherming van de rechten van de werknemers inzake aanvullende pensioenen, geen verplichting in voor de lidstaten om zelf de financiering van een stelsel van bescherming bij faillissement te organiseren. Aan de verplichting kan uitvoering gegeven worden door een stelsel van verzekering of pensioenfondsen waarbij het kapitaal, nodig voor de uitkering van de aanvullende vergoedingen, afgezonderd wordt van het kapitaal van de onderneming. De wet van 9 juli 1995 op de controle op de verzekeringsondernemingen houdt in zijn art. 9 een bescherming in die beantwoordt aan de vereisten van de richtlijn. 3. De voorwaarden van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht impliceert een kennelijke en ernstige overschrijding door de lidstaat van de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid. Tot de daartoe in aanmerking te nemen elementen behoren met name de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de omvang van de marge die de geschonden regel de Nationale instanties laat. De richtlijn 80/987/EG laat niet toe te bepalen welk het minimumniveau van bescherming is dat vereist is. 4. Het gezag van gewijsde is niet alleen tegenstelbaar aan de partijen die in het geding betrokken waren, maar ook, onder voorbehoud van de aanwending van het rechtsmiddel van het derdenverzet, aan derden en met name aan het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. De omstandigheid dat de wetgeving op de sluiting van de ondernemingen de openbare orde raakt doet aan deze regel geen afbreuk. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Sluitingsvergoeding Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - Sluiting van ondernemingen. - Gewaarborgde betaling van lonen en vergoedingen - Wet van 30 juni 1967 (thans wet van 26 juni 2002). Uitvoering van de richtlijn 80/987/EG. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Nota: V E. II eveneens gerangschikt onder I A art.1350 Fiche 2 Het gezag van gewijsde is niet alleen tegenstelbaar aan de partijen die in het geding betrokken waren, maar ook, onder voorbehoud van de aanwending van het rechtsmiddel van het derdenverzet, aan derden en met name aan het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. De omstandigheid dat de wetgeving op de sluiting van de ondernemingen de openbare orde raakt doet aan deze regel geen afbreuk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde Vrije woorden: Gerechtelijk Wetboek. Gezag van gewijsde ten aanzien van derden. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1350 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Nota: I A art 1350 eveneens gerangschikt onder V E.II Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 SEPTEMBER 2010 7e KAMER SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - fonds sluiting ondernemingen tegensprekelijk gedeeltelijk definitief en heropening van de debatten kennisgeving artikel 580,2°, Ger. W. in de zaak: FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE SMET Tom, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Sint-Gillislaan 6/8 tegen: 1. D. S. L., eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BUELENS Paul, advocaat te 2800 MECHELEN, J.W. Rosierstraat 28 2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BILLIET A. loco mr. VERBOUWE Stefaan, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270 3. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SWINNEN loco mr. VAN REYBROUCK Marijke, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 523 4. D'IETEREN Alain, advocaat, met kantoor te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, vierde geïntimeerde, 5. VAN BUGGENHOUT Christiaan, advocaat, met kantoor te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106, vijfdegeïntimeerde, 6. VAN DE MIEROP Ilse, advocaat, met kantoor te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106, zesde geïntimeerde, allen in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van SABENA nv en met als raadsman mr. VANDEN ABEELE, advocaat te SINT-LAMBRECHTS-WOLUWE. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 17-03-2008 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 20e kamer (A.R. 68193/03). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 6 mei 2008; - de ter griffie neergelegde conclusies; - het advies van het openbaar ministerie; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 9 augustus 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 8 juli 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. Aan de partijen werd de mogelijkheid geboden om tot uiterlijk 9 augustus 2010 een repliekconclusie op dat advies ter griffie neer te leggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING. 1. De heer D. S. was in dienst van de NV Sabena als steward. Sedert 30 juni 1997 heeft hij, op de leeftijd van 55 jaar zoals hij verplicht was, zijn pensioen opgenomen. Hij vroeg daarbij de toepassing van artikel 33 van een collectieve arbeidsovereenkomst van 29 maart 1984, afgesloten op ondernemingsvlak, waarin voor bepaalde categorieën van het vliegend personeel voorzien werd dat het verworven pensioen zou aangevuld worden met het aantal jaren, dat in aanmerking moest worden genomen om een volle loopbaan te bereiken in de burgerlijke luchtvaart. Deze vraag werd geweigerd door de NV Sabena, omdat zij van oordeel was dat de heer D. S. niet voldeed aan de anciënniteitvoorwaarde om van deze collectieve arbeidsovereenkomst te kunnen genieten. Op 27 februari 1998 dagvaardde de heer D. S. de NV Sabena voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis van 24 februari 2000 werd de NV Sabena, overeenkomstig de vordering van de heer D. S., veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 74.368,06 euro omdat zij haar verplichtingen, voortvloeiend uit de collectieve arbeidsovereenkomst niet nageleefd had. Bij arrest van 12 november 2002 van het arbeidshof te Brussel werd het vonnis van de arbeidsrechtbank bevestigd. De curatoren van het faillissement van de NV Sabena hebben de vordering van de heer D. S., volgend uit het arrest van het arbeidshof, opgenomen in het gewone passief van het faillissement van de vennootschap. Bij overeenkomst van 3 augustus 2001 heeft de NV Sabena haar bestaande verbintenissen inzake het administratief en actuarieel beheer van het pensioenfonds, voortvloeiend uit de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 maart 1984, overgedragen aan de maatschappij Fortis Employee Benefits. Het op dat ogenblik voorziene voorschot voor de uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst werd gestort. De dotatie, die diende gestort te worden op 30 juni 2001, werd niet meer gestort. De NV Sabena werd failliet verklaard op 7 november 2001. 2. Bij dagvaarding van 5 december 2003 heeft de heer D. S. de solidaire veroordeling gevorderd van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie tot betaling van de som van 74.368,06 euro , te vermeerderen met de compensatoire interesten vanaf 1 juli 1997 tot 7 november 2001 en verder met de vergoedende intresten vanaf 7 november 2001 en de gerechtelijke intresten. De vordering ten aanzien van de Belgische Staat steunde op een tekortkoming die de Belgische Staat zou begaan hebben in de tenuitvoerlegging van een Europese Richtlijn inzake de bescherming van de Werknemers bij insolvabiliteit van de Werkgever. De curatoren van de nv Sabena zijn vrijwillig tussengekomen in het geding. 3. Bij vonnis van 17 maart 2008,heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering ten aanzien van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen ontvankelijk en principieel gegrond verklaard, doch de heropening van de debatten bevolen ten einde partijen toe te laten te besluiten over de omvang van de tussenkomst waartoe het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen gehouden was. De vordering ten aanzien van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, werd eveneens ontvankelijk verklaard, maar ongegrond omwille van het feit dat de vordering reeds principieel was toegewezen ten aanzien van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. 4. Bij verzoekschrift van 6 mei 2008 heeft het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. Bij besluiten heeft de heer D. S. incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis in zoverre het zijn vordering afwees ten aanzien van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. De heer D. S. vroeg verder dat het hof het bedrag van de tussenkomst, waartoe het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen gehouden was, te bepalen op de som van 22.310,42 euro , vermeerderd met de gerechtelijke intresten. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het vonnis is niet bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, noch is het betekend. Het is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. III. BEOORDELING. Voorafgaandelijk : de vraag tot heropening van de debatten. In navolging van het advies van het openbaar ministerie vragen sommige partijen de heropening van de debatten ten einde tegenspraak te kunnen voeren over de vraag of de heer D. S. in feite wel over een pensioenaanspraak ten aanzien van zijn Werkgever beschikte. Om de redenen die verder uiteengezet worden bij de bespreking van de verschillende vorderingen, is dit niet noodzakelijk om tot een oplossing van het geding te komen. Ten overvloede wijst het hof erop dat de aanspraak van de heer D. S. volgt uit een vonnis en een arrest, die in kracht van gewijsde gegaan zijn en dat het gezag van gewijsde, verbonden aan deze uitspraken, niet alleen tegenstelbaar is aan de partijen, die in het geding betrokken waren maar ook, onder voorbehoud van de aanwending van het rechtsmiddel van het derdenverzet, aan derden, in casu het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. De cassatierechtspraak en de meerderheid van de rechtsleer zijn in die zin gevestigd. In zijn studie " Het gezag van rechtelijk gewijsde" (Kluwer 2001), vat P. Taelman de rechtspraak van het Hof van Cassatie (o.m. Cass. 28.04.1989, Arr. Cass.1988-89, 1013, met concl. Proc. Gen. Krings) en van de rechtsleer samen. Hij schrijft (p.200-201): "In tegenstelling tot de rechtspraak van vóór 1966 kan er thans niet meer aan getwijfeld worden dat gerechtelijke beslissingen principieel ook jegens derden Werkzaam zijn. ... Dit impliceert dat de t.a.v. de partij in het geding ingeroepen (eerder gewezen) gerechtelijke uitspraak, waaraan die partijen vreemd is, dwingend of voldoende bewijs oplevert. De rechter (die het tweede geding moet beslechten) is verplicht de inhoud van het aangewende bewijsmiddel - een eerder (door hemzelf of een ander magistraat gewezen) beslissing - als waar aan te nemen onder voorbehoud van de mogelijkheid in hoofde van de derde om het tegenbewijs te leveren. ... Bedoeld tegenbewijs zal de derde echter pas kunnen leveren als hij tegen de ingeroepen uitspraak het rechtsmiddel van derdenverzet (..) heeft aangewend." De omstandigheid dat de reglementering met betrekking tot het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen de openbare orde raakt, doet aan deze regel geen afbreuk. Behoudens de mogelijkheid van één van de partijen om derdenverzet aan te tekenen, komt het niet aan het hof toe om een vroegere uitspraak van het hof in vraag te stellen. Het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen heeft overigens nooit de vordering van de heer D. S. betwist. HET HOOFDBEROEP. 1. In zijn verzoekschrift in hoger beroep voert het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, zoals voor de eerste rechter aan, dat de vordering van de heer D. S. niet gegrond is omdat de arbeidsovereenkomst beëindigd werd buiten de termijn van 18 maanden, voorzien door art. 4 van de wet van 30 juni 1967 tot uitbreiding van de bevoegdheden van het Fonds voor Sluiting van ondernemingen. Verder voert het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen aan dat de schadevergoeding, waarop de heer D. S. aanspraak kan maken, geen vergoeding of voordeel is, verschuldigd krachtens de wet of de collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 juni 1967. In de synthesebesluiten, neergelegd voor het hof, komt het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen niet meer terug op de exceptie, gesteund op artikel 4 van de wet van 30 juni 1967, zonder nochtans uitdrukkelijk van deze exceptie afstand te doen. 2. De bepalingen van de wet van 30 juni 1967 tot uitbreiding van de bevoegdheden van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen raken de openbare orde. Het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen is belast met de uitkering van vergoedingen op basis van de fondsen die hem door de Gemeenschap ter beschikking zijn gesteld en kan daar niet vrij over beschikken. Het Fonds kan niet, bij de toekenning van uitkeringen, de wettelijke bepalingen terzijde schuiven. Het hof dient dan ook ambtshalve te onderzoeken of de door heer D. S. gevorderde vergoeding kan toegekend worden, rekening houdend met de bepaling van artikel 4 van de wet van 30 juni 1967. De partijen hebben daarover tegenspraak gevoerd vermits de heer D. S., ten overvloede, daarover zijn standpunt in synthesebesluiten heeft weergegeven. 3. Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van ondernemingen ontslagen Werknemers dient het Fonds, wanneer de Werkgever bij sluiting van een onderneming zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn Werknemers niet nakomt, aan deze Werknemers de lonen, verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten en de vergoedingen en voordelen, verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten, binnen bepaalde grenzen te betalen. Overeenkomstig artikel 4 van dezelfde wet, zoals van toepassing op het ogenblik van de sluiting van de onderneming en het ontstaan van de betwisting, zijn de bepalingen van artikel 2 van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen in de loop van de 12 maanden die aan de sluiting van de onderneming voorafgaan. Deze termijn van 12 maanden wordt voor bedienden op 18 maanden gebracht. Overeenkomstig artikel 4, 3e al., 2° van de wet is de termijn van 18 maanden niet van toepassing op de ontslagen Werknemers die genieten van de vergoeding, bedoeld in een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, die de toekenning regelt van een aanvullende vergoeding voor sommige oudere Werknemers, indien zij worden ontslagen, of ook in een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in een paritair orgaan, of die op een onderneming van toepassing is, en die in soortgelijke voordelen voorziet als degene die bedoeld worden in de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad. 4. De arbeidsovereenkomst van de heer D. S. is beëindigd op 30 juni 1997. De sluiting van de onderneming situeert zich op 7 november 2001. De heer D. S. kan dan ook, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4, 3e al., 2° van de wet geen aanspraak maken op een tussenkomst van het fonds. De vordering waarvoor de heer D. S. de tussenkomst vraagt van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen is een schadevergoeding, zoals toegekend door de arbeidsrechtbank en door het arbeidshof, voor het feit dat de NV Sabena de verplichtingen volgend uit de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 maart 1984 niet is nagekomen. Een dergelijke schadevergoeding valt niet onder het toepassingsgebied van art. 4, 3e, al. 2 van de wet. Ook indien men zou aannemen dat het feitelijk voorwerp van de vordering de pensioenrechten waren, toegekend door de nv Sabena, dan nog zou de vordering niet onder het toepassingsgebied van art. 4, 3°, al. 2 vallen. Het gaat immers niet om een overeenkomst die soortgelijke voordelen biedt als deze die afgesloten is in de Nationale Arbeidsraad, met name de C.A.O. nr. 17 van 19 september 1974 en die voorziet in een aanvullende vergoeding op de Werkloosheidsuitkeringen, in afwachting van het verkrijgen van het wettelijke pensioen. Het voordeel, toegekend door de C.A.O. van 19 september 1984, bestaat in een bijpassing op de pensioenbijdragen met het oog op het bekomen van een volledig wettelijk pensioen. 5. De heer D. S. verwijst, zoals de eerste rechter, naar een beslissing van het beheerscomité van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen van 25 mei 1989 waarbij, overeenkomstig het advies nr. 916 van de Nationale Arbeidsraad, beslist wordt dan kan afgeweken worden (of afgeweken wordt) van de termijn van 12 maanden of 18 maanden, voorzien in art. 4, al. 1 van de wet, wanneer de Werknemer, vóór het faillissement, een gerechtelijke procedure bij de arbeidsrechtbank heeft ingeleid tegen de gewezen Werkgever en de Werknemer, ingevolge de lange duur van deze procedure, slechts een definitief vonnis kan bekomen op het ogenblik dat de onderneming reeds failliet werd verklaard. Het betreft het hier echter een administratieve praktijk, die strijdig is met een wettelijke dwingende bepaling zoals die bestond op het ogenblik van het ontstaan van de betwisting. De Werknemer kan uit deze praktijk geen subjectief recht putten dat door een vordering voor de arbeidsrechtbank zou kunnen bekrachtigd worden. (Arbeidshof Brussel, 7e kamer, 24.06.2010, A.R. 2008/AB/51480 S. t Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, dat Arbrb. Brussel 13.10.2008 bevestigt en 17.12.2009 A.R.2008/AB/51500, dat Arbrb. 20.10.2008 bevestigd. 6. Het hoger beroep is dan ook gegrond zodanig dat de heer D. S. dient afgewezen te worden van zijn vordering ten aanzien van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP VAN DE HEER D. S. 1. De heer D. S. betwist het vonnis van de eerste rechter in zoverre deze oordeelde dat de vordering tegen de Belgische Staat zonder voorwerp was geworden ingevolge de veroordeling uitgesproken tegen het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. Hij stelt dat door de (principiële) veroordeling van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen hij slechts voor een beperkt gedeelte van zijn vordering genoegdoening kan bekomen, vermits de tussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen in ieder geval beperkt is tot een bedrag van 22.310,42 euro , terwijl zijn totale vordering, intresten inbegrepen, betrekking heeft op het bedrag van 97.059,49 euro . Volgens de heer D. S. is de Belgische Staat verplicht hem schadeloosstelling te verlenen ten belope van het bedrag dat hij niet kan recupereren ten aanzien van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen en ten aanzien van het faillissement van de NV Sabena omdat de Belgische Staat in gebreke gebleven is correct uitvoering te geven aan de Richtlijn 80/987 van de Europese Unie van 20 oktober 1980 ‘betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van Werknemers bij insolventie van de Werkgever'. 2. De Belgische Staat, bij monde van de minister van Justitie, betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Hij wijst erop dat de vordering, waarop de heer D. S. zich steunt, een schadeloosstelling is, die toegekend werd door het arbeidshof te Brussel en die buiten het toepassingsgebied valt van de Richtlijn van 20 oktober 1980. Aldus zou de heer D. S. geen belang hebben in zijn vordering. De Belgische Staat betwist verder ten gronde dat hij in gebreke zou gebleven zijn bij de omzetting van de Richtlijn. Hij wijst erop dat artikel 8 van de Richtlijn aan de lidstaten een zeer ruime bevoegdheid laat om de meest passende wijze te bepalen om in het kader van de nationale wetgeving de doelstelling van artikel 8 van de Richtlijn te verwezenlijken. Artikel 8 houdt, volgens de Belgische Staat? niet de verplichting in om een waarborgfonds te creëren dat borg staat in het geval de Werkgever zijn verplichtingen inzake aanvullend pensioen niet nakomt. Het laat toe de doelstellingen van de Richtlijnen op een andere manier te verwezenlijken, hetgeen gebeurd zou zijn door verschillende wettelijke bepalingen die tot gevolg hebben dat de fondsen, noodzakelijk voor het uitkeren van de aanvullende pensioenrechten, van het patrimonium van de Werkgever afgescheiden worden, hetzij door het afsluiten van een verzekering bij een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij, hetzij door het onderbrengen van het patrimonium in een afzonderlijk pensioenfonds met een aparte rechtspersoonlijkheid, onder de controle van de Controledienst voor Verzekeringen. De Belgische Staat verwijst hierbij naar het verslag van de Europese Commissie die, na onderzoek, tot de bevinding kwam dat de Belgische wetgeving conform was met de Europese Richtlijn. De Belgische staat stelt ook dat, gelet op de vage en ruime omschrijving van de doelstelling van de Richtlijn er zeker geen sprake kan zijn van een gekwalificeerde schending van de Richtlijn, die zijn aansprakelijkheid met zich zou kunnen meebrengen. 3. Zelfs indien de heer D. S. uiteindelijk voor de arbeidsrechtbank niet de uitvoering heeft gevorderd van de aanvullende pensioentoezegging die hem door zijn Werkgever werd toegekend, maar enkel een vervangende schadevergoeding, dan nog blijft hij een voldoende belang behouden in de vordering die hij gesteld heeft. Indien, zoals hij voorhoudt, de Belgische Staat te kort zou gekomen zijn in de uitvoering van de Richtlijn, dan kan hij daardoor een schade geleden hebben omdat, indien in zijn optiek de Belgische Staat volledige uitvoering gegeven had aan de Richtlijn, hij i.p.v. de vervangende schadeloosstelling, het rechtstreekse voordeel van de pensioentoezegging had kunnen opeisen. De vordering van de heer D. S. is dan ook ontvankelijk. 4. Artikel 8 van de Richtlijn 80/987/EEG bepaalt het volgende: "De Lidstaten vergewissen zich ervan dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de Werknemers en die van de personen die de onderneming of vestiging van de Werkgever op de datum van het intreden van de insolventie van de Werkgever reeds hebben verlaten, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van voor één of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid. " De door de Richtlijn ingevoerde verplichting is onvoldoende nauwkeurig omschreven om een rechtstreekse Werking te kunnen hebben ten aanzien van particulieren. Zulks sluit echter niet uit dat particulieren uit de Richtlijn een vordering kunnen putten ten aanzien van de nationale overheid die in gebreke gebleven is om een voldoende uitvoering te geven aan de Richtlijn. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof is een dergelijke aansprakelijkheid mogelijk wanneer voldaan is aan de driedubbele voorwaarde dat (
- a)de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (
- b)dat sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, (
- c)dat er een direct causaal verband bestaat tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade. (arrest nr. c-178/94 van 8.10.1996 inzake Dillenkofer t BRD en verder het arrest Robins van 25 januari 2007, zoals verder vermeld (§ 69). 5. In zijn arrest Robins van 25 januari 2007 (arrest c-278/05 Robins t Secretary of State for work and pensions) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie erop gewezen dat de bewoordingen van artikel 8 van de Richtlijn de lidstaten er niet toe verplichten de rechten op uitkeringen, die ingevolge de Richtlijn moeten worden beschermd, zelf te financieren (§ 35). Een lidstaat kan derhalve, in plaats van de financiering door de overheid een verzekeringspolis ten laste van de Werkgever invoeren of een waarborgfonds oprichten waarvan hij de wijze van financieren regelt (§ 37). Verder preciseert het Hof in hetzelfde arrest dat artikel 8 van de Richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd dat hij een verplichting tot waarborging van alle rechten op uitkeringen heeft willen invoeren (§ 44) en dat artikel 8, in zoverre dit enkel in algemene termen voorschrijft dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de betrokken personen te beschermen, de lidstaten voor de vaststelling van het niveau een ruime marge laat die een verplichting tot volledige waarborg, uitsluit (§ 45). Het Hof preciseert ook nog, bij het antwoord op de tweede gestelde vraag, dat noch artikel 8 van de Richtlijn noch enige andere bepaling ervan, elementen bevatten op grond waarvan het minimumniveau, dat vereist is voor de bescherming van de rechten op uitkeringen uit hoofde van aanvullende stelsels van sociale voorzieningen, met nauwkeurigheid kan worden bepaald (§ 55). In een verslag van 15 juni 1995 heeft de Europese Commissie geoordeeld dat de omzetting, zoals die door de Belgische staat gebeurd is van de Richtlijn, beantwoordt aan de voorwaarde gesteld door artikel 8 van de Richtlijn. De Europese Commissie oordeelde (p.50): "België. Volledig onafhankelijk van de regels betreffende de bedrijfssluitingen werden in 1985 enkele bepalingen vastgesteld met betrekking tot de aanvullende particuliere ouderdomsverzekering. In België gaat het voornamelijk om twee vormen: de levensverzekering voor groepen en het bedrijfspensioenfonds. Voor de levensverzekering voor groepen speelt de insolventie van de Werkgever geen rol, die een bedreiging vormt voor de rechten en de rechten in wording. Dit komt doordat de verzekeringsmaatschappij, bij wie de overeenkomst inzake de levensverzekering voor de groep werd afgesloten, niet direct gevolgen ondervindt van de insolventie van de Werkgever. Deze maatschappij is een zelfstandige rechtspersoon in de hoedanigheid van een vennootschap op aandelen, een coöperatieve vennootschap of een onderlinge verzekeringsvereniging. (art. 9, lid 1, wet van 9 juli 1975). Wanneer sprake is van een bedrijfspensioenfonds, dan wordt dit eveneens onderworpen aan het toezichtsrecht voor levensverzekeringen. Dit fonds is derhalve een vereniging zonder winstoogmerk of een onderlinge verzekeringsmaatschappij (art. 9, lid 2, lid 1 wet van 9 juli 1995; de bijzonderheden worden geregeld door het Koninklijk besluit van 14 mei 1985 betreffende de toepassing op de particuliere voorzieningsinstellingen van de wet van 15 mei 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, het Koninklijk besluit van 15 mei 1985 betreffende de activiteiten van particuliere voorzieningsinstellingen en het Koninklijk Besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit). De Belgische wetgeving voldoet derhalve aan de in artikel 8 van de Richtlijn gestelde voorwaarden." 6.1. De Europese Richtlijn heeft tot voorwerp aan de particulieren rechten toe te kennen, zij het dat aan de lidstaten een zeer ruime bevoegdheid wordt gegeven om deze rechten in te vullen en zonder dat uit de Richtlijn de verplichting volgt voor de Staat om een verplichting tot volledige waarborg in te stellen. 6.2. Over de vraag of, in het licht van de vage omschrijving van de bepalingen van de Richtlijn, er sprake kan zijn van een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht bevat het arrest Robins van 25 januari 2007 een aantal overwegingen die zonder meer kunnen overgenomen worden voor de huidige betwisting. Het arrest overweegt onder meer: " De voorwaarden van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht impliceert een kennelijke en ernstige overschrijding door de lidstaat van de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid. Tot de daartoe in aanmerking te nemen elementen behoren met name de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de omvang van de marge die de geschonden regel de nationale instanties laat (§ 70)." " In dit verband zij erop gewezen dat noch de partijen in het hoofdgeding noch de lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, noch de Commissie in staat zijn geweest om nauwkeurig aan te geven welk minimumniveau aan bescherming de Richtlijn naar hun oordeel vereist, indien moet worden aangenomen dat deze geen volledige waarborging verlangt. Zoals in punt. 56 van het onderhavige arrest is vastgesteld, bevat bovendien noch artikel 8 van de Richtlijn, noch enige andere bepaling ervan elementen op grond waarvan het vereiste minimumniveau voor de bescherming van de rechten op uitkeringen nauwkeurig kan worden bepaald (§ 79 en 80)." Het arrest verwijst verder naar het feit dat de Europese Commissie, zoals ook het geval is geweest voor de Belgische wetgeving, geoordeeld had dat de door het Verenigd Koninkrijk vastgestelde voorschriften aan de vereiste van artikel 8 leken te voldoen. Het arbeidshof is, in aansluiting met het arrest Robins, dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Gemeenschapsrecht om de aansprakelijkheid van de Belgische staat in het gedrang te brengen. 6.3. De stelling van de heer D. S. dat naar Belgisch recht de aansprakelijkheid van de Belgische staat ruimer zou zijn dan deze die vastgelegd werd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en dat met name naar Belgisch recht de vereiste van een gekwalificeerde fout niet zou gesteld zijn, kan niet tot een andere oplossing leiden. Naar Belgisch recht kan, zoals de Belgische Staat opmerkt, er sprake zijn van een overheidsaansprakelijkheid wanneer hetzij de staat een wettelijke, reglementaire of supranationale norm schendt die aan de staat een bepaalde gedragingen of een bepaald verbod oplegt of wanneer de staat, bij afwezigheid van een rechtsnorm die een bepaald gedrag of een bepaald verbod oplegt, zich niet gedraagt op een wijze die mag worden verwacht van een normaal zorgvuldige staat, geplaatst in dezelfde omstandigheden. In casu kan de Europese Richtlijn, gelet op haar onduidelijkheid zowel voor wat betreft de te realiseren doelstellingen als de te gebruiken middelen, niet beschouwd worden als een rechtsnorm die een bepaald gedrag of een bepaald verbod oplegt. Evenmin kan geoordeeld worden dat de Belgische Staat zich niet zou gedragen hebben op een wijze die verwacht kan worden van een normaal zorgvuldige staat geplaatst in dezelfde omstandigheden. In dit verband kan verwezen worden naar het verslag van de Europese Commissie die oordeelde dat de Belgische Staat op voldoende wijze uitvoering gegeven had aan de Richtlijn. 6.4. Tenslotte is in ieder geval volgens het hof niet voldoende aangetoond dat er een oorzakelijk verband zou bestaan tussen de eventuele onvoldoende implementering van de Europese Richtlijn in het Belgisch recht en de schade die de heer Desmedt aanvoert. De nv Sabena, die blijkbaar een tijd heeft kunnen genieten van een uitzonderingsbepaling, inzake het onderbrengen van de bedrijfspensioenfondsen in een afzonderlijke entiteit of in een verzekering, heeft bij overeenkomst van 3 augustus 2001haar bestaande verbintenissen inzake het administratief en actuarieel beheer van het pensioenfonds, voortvloeiend uit de collectieve arbeidsovereenkomsten van 29 maart 1984 overgedragen aan de maatschappij Fortis Employee Benefits. Het op dat ogenblik voorziene voorschot voor de uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst werd gestort. Indien de vordering van de heer D. S. ten aanzien van deze verzekeringsmaatschappij niet aanvaard werd is dit omdat de NV Sabena, wellicht omwille van de hangende betwisting, nagelaten heeft de naam van de heer D. S. te vermelden op de lijst van de personen die in aanmerking kwamen voor de aanvullende pensioenverzekering. Het hof stelt daarbij ook vast dat de heer D. S. ook geen vordering ingeleid heeft tegen de maatschappij Fortis Employee Benefits ten einde te bekomen dat hij zou opgenomen worden bij de begunstigden van dit fonds. 7. Het hoger beroep is dan ook ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter dient bevestigd te worden zij het op andere motieven. DE KOSTEN. 1. In de verhouding tussen het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen en de heer D. S. dient voor de veroordeling tot de kosten en voor de begroting van de kosten toepassing gemaakt te worden van art. 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 4 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. De betwisting tussen het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen en de heer D. S. valt immers binnen het toepassingsgebied van artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen dient dan ook veroordeeld te worden tot de kosten, maar de door de heer D. S. gevorderde kosten dienen herleid te worden. 2. In de verhouding tussen de heer D. S. en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie dient toepassing gemaakt te worden van artikel 2 van het Koninklijk Besluit. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen, vordert een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro voor de arbeidsrechtbank en een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro voor de procedure voor het arbeidshof. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie vordert een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro per aanleg. Overeenkomstig artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 7 van de wet van 21 april 2007 kan de rechter, op verzoek van één van de partijen de rechtsplegingsvergoeding verminderen, zonder de door de Koning bepaalde maximum en minimum bedragen te overschrijden. Daarbij houdt hij onder meer rekening met de financiële draagkracht van de verliezende partij om het bedrag van de vergoeding te verminderen en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Ingevolge de nieuwe wijziging van artikel 1022 door de wet van 22 december 2008 wordt aan de rechter de mogelijkheid geboden ambtshalve partijen te ondervragen over de eventuele toepassing van een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding. Deze bepaling sluit niet uit dat een dergelijke " ondervraging" gebeurt in het kader van een heropening van de debatten, wanneer deze ondervraging niet ter zitting is gebeurd. In deze stelt zich de vraag of de gevorderde rechtsplegingvergoedingen door de Belgische Staat niet buiten verhouding staan tot de financiële draagkracht van de heer D. S., die in de loop van het jaar 1997 in pensioen is gegaan, zonder volledige loopbaan. Verder stelt zich de vraag of het niet kennelijk onredelijk is dat de Belgische Staat, zelfs indien deze vertegenwoordigd is door twee verschillende ministers, tweemaal de rechtsplegingsvergoeding vordert terwijl er bij een eventuele veroordeling de Belgische Staat in elk geval slechts eenmaal tot betaling van de hoofdsom kan gehouden zijn. Een heropening van de debatten dringt zich op. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnisen wijst de heer D. S. af van zijn vordering in zoverre deze gericht is tegen het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. Verklaart het arrest gemeen aan de curatele van het faillissement van de NV SABENA. Veroordeelt overeenkomstig artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen tot de kosten van de procedure begroot op 56,94 euro als één derde van de dagvaardingskosten, 218,64 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 291,50 euro rechtsplegingsvergoeding voor het arbeidshof. Houdt de proceskosten voor het overige aan. Verklaart de incidentele hogere beroepen van de heer D. S. ontvankelijk, doch ongegrond. Heropent de debatten ten einde de heer D. S. toe te laten te overwegen of hij op basis van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek geen vermindering van de rechtsplegingsvergoeding wenst te vragen, en daartoe de nodige elementen aan te brengen, en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen een de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie toe te laten daarover opmerkingen te formuleren. Bepaalt de conclusie termijnen als volgt: Voor de heer D. S.: uiterlijk op donderdag 28 oktober 2010; Voor de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie : uiterlijk op donderdag 23 december 2010. Stelt de zaak vast voor pleidooien ter zitting van 24 februari 2011 om 14u voor een pleitduur van 20 minuten. Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, Fernand KENIS, raadsheer, Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, Werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, Werknemer-arbeider, bijgestaan door : Luc COEN, d.d. griffier - hoofd van dienst. Luc COEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO Christian LAURIERS Fernand KENIS De heer Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door F Kenis, raadsheer, voorzitter en C. Lauriers, raadsheer in sociale zaken, als werkgever. Luc COEN, d.d. griffier - hoofd van dienst en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 september 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Luc COEN, d.d. griffier - hoofd van dienst Luc COEN Fernand KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100909.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.