id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100910.8 Rolnummer: 2005/AB/046263 Rechtsgebied: Belastingrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2010-10-19 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-01 13:36 Fiche 1 Ingevolge de circulaire van 8 augustus 1983 RH 624/325.294 kunnen buitenlandse kaderleden genieten van een dubbele fiscaal voordeel: - de vrijstelling van een deel van de bezoldiging dat betrekking heeft op in het buitenland gepresteerde werkzaamheden (de zgn. tax exclusion); - de vrijstelling van belasting in België van de vergoedingen voor de meerkost van buitenlandse kaderleden die als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever worden beschouwd. De doelstellingen van deze circulaire kunnen echter zowel aanleiding geven tot een loonregeling, die uitgaat van een bruto bezoldiging als van een loonregeling die uitgaat van een netto bezoldiging. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - FISCAAL RECHT - Circulaire van 8 augustus 1983 RH 624/325.294 sluit brutobezoldiging niet uit. Wettelijke bepalingen: Varia - 08-08-1983 - RH 624/325.294 Nota: Gerangschikt onder I M (Circ. 8/08/1983 RH 624/325.294). Een andere korte inhoud is gerangschikt onder III H art.
- Fiche 2 Normalerwijze wordt het loon op bruto-basis bepaald en betaald, waarna de werknemer mits verrekening van de op het brutoloon ingehouden bedrijfsvoorheffing zelf zijn belastingen betaalt en eventueel een teruggave ontvangt. De door de werkgever ingehouden afhoudingen op het brutoloon zijn daarbij eigendom van de werknemer. Wanneer de werkgever van dit normale systeem afwijkt, dient dit duidelijk overeengekomen te zijn. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bevestigt niet dat de werkgever de werkgeversbijdragen sociale zekerheid voor haar rekening neemt; ze houdt deze enkel in en stort ze door. Evenmin bevestigt de arbeidsovereenkomst dat de werkgever de fiscale situatie van haar werkneemster ten laste neemt. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Inhouding op loon Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Afhoudingen op bruto-loon. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 23 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: Gerangschikt onder III H art.
- Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I M (Circ. 8/08/1983 RH 624/325.294). Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 SEPTEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: HUNTSMAN EUROPE bvba, met maatschappelijke zetel te 3078 EVERBERG, Everslaan 45, appellante, vertegenwoordigd door mr. VANAVERBEKE Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Graanmarkt,
- Tegen: VDL.C., wonende te [xxx], geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. TIMMERMAN Koenraad, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25 november 2004 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1B kamer (A.R. 3306/02 en 3310/02). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 januari 2005; - het tussenarrest van het hof van 4 december 2009, - de conclusies na tussenarrest voor de appellante, neergelegd ter griffie op 17 maart 2010, - de syntheseconclusie na tussenarrest voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 3 mei 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 25 juni 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. VOORGAANDEN
- Het hof kan verwijzen naar de feiten en rechtspleging, zoals weergegeven in het tussenarrest van 4 december
- Partijen hebben discussie over de vraag hoe tussen hen de ‘lokale belastingen' en de sociale zekerheid moeten worden afgerekend en of mevrouw VdL.C.nog recht heeft op een saldo tax egalisatie. Dit dient te worden opgelost aan de hand van de artikelen 1, 2 en 9 van de arbeidsovereenkomst die partijen afsloten op 6 en 13 mei
- In artikel 1 van deze arbeidsovereenkomst werd aan mevrouw VdL.C.een jaarlijks basissalaris van 1.400.000 frank toegekend betaalbaar in 12 maandelijkse termijnen, aangevuld met een 13e maand en vakantiegeld. Bovendien ontving ze ingevolge artikel 2 een ALLES- INCLUSIEVE TOELAGE: Ter compensatie van de hogere kost verbonden aan het feit dat u als expatriate buiten het thuisland moet wonen, zal u een alles- inclusieve toelage ontvangen van 30% van uw netto salaris equivalent van dat van een lokale Belgische resident op het moment van uw aanwerving. Deze toelage zal niet verhoogd worden in de toekomst als gevolg van een verhoging van uw salaris. Artikel 9 vervolgt onder de titel BELASTINGEN: Het is duidelijk dat uw totale compensatie zoals vermeld in paragraaf 2 hierboven, een nettoresultaat voorstelt. De Maatschappij is verantwoordelijk voor lokale belastingen en sociale zekerheid. U gaat er dan ook mee akkoord dat uw brutosalaris zoals aangegeven bij de Belgische fiscale autoriteiten ieder jaar kan vermeerderen of verminderen afhankelijk van de maatregelen die de Belgische overheid inzake belastingstabellen en premies en belastingconcessies toepasbaar op niet residentiële personen kan nemen. De Maatschappij is niet verantwoordelijk voor bijkomende belastingen voortvloeiend uit bijkomende inkomsten van andere bronnen of het feit dat uw echtgenote ook inkomsten heeft. Het hof heeft bij het tussenarrest van 4 december 2009 de debatten heropend om hen toe te laten hun standpunten te verduidelijken over: - de bruto/netto basis van hun loonafspraak - de becijfering - de bedoeling van de alles inclusieve toelage en de vraag of er nog bijkomende kosten vergoed werden - de vraag wat bedoeld werd met het verantwoordelijk zijn van de maatschappij voor lokale belastingen en sociale zekerheid. Gelet op de onduidelijkheid van de afspraken, dient het hof de ingeroepen artikelen te interpreteren volgens de regels van de artikelen 1156-1164 B.W..
- Overeenkomstig de vraag van het hof heeft mevrouw VdL.C.de aanslagbiljetten voor de inkomstenjaren 1998, 1999 en 2000 voorgelegd, samen met haar volmacht aan Deloitte & Touch, de belastingsaangifte, het overzicht van de werkdagen gepresteerd in het buitenland voor de jaren 1999 en 2000 en tevens het attest voorgeschreven door de circulaire CI. RH 624/325.
- Appellante legde de individuele rekeningen 1998, 1999 en 2000 voor, samen met de toelichtende berekeningen van Deloitte & Touch en een schrijven van 9 maart 2010 van de heer Jan Pattyn van Deloitte omtrent de bruto-netto verloning en de belastingsaangifte. Partijen handhaven daarbij hun standpunten. II. BEOORDELING Bruto of netto?
- De standpunten van partijen klemmen rond de vraag of de verloning van mevrouw Van VdL.C.uitgaat van een afspraak op brutobasis dan wel op nettobasis. Appellante legt met verwijzing naar de brief van Deloitte van 9 maart 2010 uit dat mevrouw VdL.C.enkel bezoldigd werd op een nettobasis, waarbij de netto bezoldiging werd bepaald aan de hand van een bruto basissalaris dat voor een gelijkaardige functie aan een Belgische werknemer zou worden betaald. Om het netto te bepalen, werd er vanuit dit bruto een nettosalaris bepaald alsof de werknemer in kwestie een Belgische rijksinwoner is en aldus volledig onderworpen is aan de Belgische sociale zekerheid en inkomstenbelasting. Het aldus verkregen netto werd gegarandeerd aan de werknemer. Rekening houdend met het feit dat de betrokken werknemer vanuit het buitenland werd aangeworven, werd er bovenop het "Belgische" nettosalaris een bijkomende netto vergoeding toegekend ten belope van 30% van het initieel bekomen nettosalaris. Deze 30% is forfaitair en contractueel bepaald en was van toepassing voor alle werknemers die vanuit het buitenland werden aangeworven door Huntsman Europe bvba. Het aldus bekomen nettosalaris werd dan opgebruteerd in de payroll van betrokkene en dit rekening houdend met de specifieke voordelen die van toepassing waren in het licht van het statuut van buitenlands kaderlid (CI. RH 624/325.294). Mevrouw VdL.C.daarentegen meent dat er een afspraak is gemaakt op basis van een bruto benadering en dat de inhouding van de bedrijfsvoorheffing en van de sociale zekerheid op haar brutoloon weliswaar gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de werkgever, maar wel op het brutoloon dat haar toebehoort, zodat de werkgever deze inhoudingen niet in zijn voordeel mag verrekenen.
- Het hof stelt vast dat Deloitte een gangbaar fiscaal systeem beschrijft en de voor mevrouw VdL.C.toepasselijke berekeningen voorlegt, zoals deze gebruikelijk zijn bij buitenlandse kaderleden, die kunnen genieten van het dubbele fiscaal voordeel dat besloten ligt in de circulaire van 8 augustus 1983 RH 624/325.294 en dat bestaat uit: - de vrijstelling van een deel van de bezoldiging dat betrekking heeft op in het buitenland gepresteerde werkzaamheden (de zgn. tax exclusion) - de vrijstelling van belasting in België van de vergoedingen voor de meerkosten van buitenlandse kaderleden die als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever worden beschouwd. (A. De Reymaeker en W. Van Linden, Vergoedingen toegekend aan buitenlandse kaderleden: een stand van zaken, Or. 2001, 1 - 17). De doelstellingen van deze circulaire kunnen echter zowel aanleiding geven tot een loonregeling, die uitgaat van een bruto bezoldiging als van een loonregeling die uitgaat van een netto bezoldiging (Rekenhof, Het bijzonder belastingstelsel voor buitenlandse kaderleden, Brussel, 2003, 14-15). Alhoewel appellante in haar voorstelling uitgaat van een netto systeem en van daaruit aanspraak maakt op belastingteruggaven alsook op de teruggave van de belastingen die het gevolg zijn van de werkzaamheden van de echtgenoot van mevrouw Van Der Linden, moet eerst aan de hand van de contractuele afspraken worden nagegaan of deze netto benadering tussen partijen was bedongen. Terecht benadrukt appellante immers dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen de fiscale behandeling en de contractuele afspraken.
- Beide partijen aanvaarden dat het basissalaris, zoals omschreven in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst, een brutosalaris is en dat dit zo is overeengekomen. Maar daarbovenop voorziet artikel 2 in de betaling van een alles inclusieve toelage van 30% van het nettosalaris equivalent van een locale Belgische resident op het moment van zijn aanwerving. Deze forfaitaire toelage wordt niet verhoogd samen met de verhoging van het salaris. Uit artikel 2 volgt ook dat deze toelage wordt toegekend ter compensatie voor de hogere kost verbonden aan het feit dat zij als expatriate buiten haar thuisland moet wonen. De netto basis van deze alles inclusieve toelage wordt met zoveel woorden bevestigd in artikel 9 van de overeenkomst.
- Partijen zoeken in dit artikel 9 een rechtsgrond voor hun standpunten; dit artikel geeft echter enkel een beschrijving van de belastingsituatie in België ten behoeve van een werkneemster, die België niet als thuisland heeft. In dit artikel wordt immers gesteld dat de maatschappij verantwoordelijk is voor lokale belastingen en sociale zekerheid. In België worden de afhoudingen van de werknemersbijdragen sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing door de werkgever verricht op het brutoloon van de werknemer en deze inhoudingen worden doorgestort aan de respectievelijke instanties. In die zin is de werkgever hiervoor verantwoordelijk. Artikel 9 van de arbeidsovereenkomst bevestigt echter niet dat de werkgever deze inhoudingen ten laste neemt.
- Het hof heeft in het tussenarrest partijen o.m. uitgenodigd om hun standpunt te verduidelijken waarom in artikel 9 ook naar de sociale zekerheid verwezen wordt. Appellante antwoordt hierop dat zowel de RSZ-bijdragen als de bedrijfsvoorheffing zoals die uit de individuele rekeningen naar voor komen aan de RSZ, resp. de Staat werden afgedragen (stuk 23) (zie 6.2.
- van haar beroepsconclusie na tussenarrest). In artikel 9 wordt bepaald dat de maatschappij verantwoordelijk is voor de lokale belastingen en de sociale zekerheid, zodat de toepassing voor beide onderdelen op eenzelfde wijze dient te gebeuren. Omdat artikel 9 van de arbeidsovereenkomst een parallel legt tussen de verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid en de locale belastingen, kan met dit laatste dus enkel de bedrijfsvoorheffing bedoeld zijn. Uit het artikel kan niet afgeleid worden dat appellante ook verantwoordelijk is voor de betaling van de personenbelasting, zoals Huntsman voorhoudt. Dat mevrouw VdL.C.een nettoloon ontvangt is hiermee uiteraard niet in tegenstrijd en de verwijzing van appellante naar de individuele rekeningen en de zgn. reconciliatie van Deloitte bevestigen deze netto-betaling.
- Uit de reconciliatie van Deloitte kan afgeleid worden dat de belastingberekening van mevrouw VdL.C.telkens resulteerde in een teruggave. Deloitte stelt dat deze teruggaven aan Huntsman toekomen, aangezien mevrouw VdL.C.het netto-inkomen waarop ze recht had, ontvangen had (voetnoot 4 stuk 21 Huntsman), maar deze conclusie vindt geen steun in de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bevestigt niet dat Huntsman de fiscale situatie van haar werkneemster ten laste neemt. Evenmin neemt Huntsman de werknemersbijdragen sociale zekerheid voor haar rekening. Ze houdt deze enkel in en stort ze door. Normalerwijze wordt het loon op bruto-basis bepaald en betaald, waarna de werknemer mits verrekening van de op het brutoloon ingehouden bedrijfsvoorheffing zelf zijn belastingen betaalt en eventueel een teruggave ontvangt. De door de werkgever ingehouden afhoudingen op het brutoloon zijn daarbij eigendom van de werknemer. Wanneer de werkgever van dit normale systeem afwijkt, dient dit duidelijk overeengekomen te zijn, wat hier niet het geval is. Een dergelijke overeenkomst , gebaseerd op een ondubbelzinnige wilsovereenstemming, kan niet afgeleid worden uit de omstandigheid dat Deloitte de belastingaangifte van mevrouw VdL.C.voorbereidde en deze door haar liet ondertekenen, waarbij blijkbaar het rekeningnummer van Huntsman op het aangifteformulier werd ingevuld voor mogelijke teruggaven.
- De verduidelijking in artikel 9 dat het brutosalaris ieder jaar kon vermeerderen of verminderen afhankelijk van de maatregelen die de Belgische overheid inzake belastingstabellen, premies en belastingsconcessies toepasbaar op niet residentiële personen kon nemen, was nuttig, omdat anders dan het gewone brutosalaris de alles inclusieve toelage op nettobasis werd vastgesteld. Deze alles inclusieve toelage werd toegekend ter compensatie voor de hogere kost verbonden aan het feit dat een expatriate buiten zijn thuisland moet wonen. Deze toelage is forfaitair en niet gekoppeld aan de stijging van het gewone brutosalaris. Ook de circulaire van 8 augustus 1983 RH 624/325.294 beoogt een belastingvoordeel voor de vergoedingen van de meerkosten van buitenlandse kaderleden die als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever worden beschouwd. De wettelijkheid van deze circulaire is wel eens gecontesteerd (Rekenhof, Het bijzonder belastingstelsel voor buitenlandse kaderleden, Brussel, 2003, 5) en het is dan ook verstandig van appellante om mevrouw VdL.C.erop te wijzen dat ingevolge de toepassing en de mogelijke aanpassingen van de fiscale regels het brutosalaris kon fluctueren, indien men de alles inclusieve toelage op nettobasis toekende. Hierdoor garandeert Huntsman ook dat mevrouw VdL.C.alleszins op de compensatie via de alles inclusieve toelage kon blijven rekenen en dat deze regeling niet afhankelijk was van fiscale wijzigingen. Maar hierdoor wordt aan appellante niet het recht verleend om een belastings-teruggave, die normaal aan de werkneemster toekomt, naar zichzelf af te leiden.
- Tenslotte informeert appellante mevrouw VdL.C.over het feit dat haar fiscale verantwoordelijkheid om de bedrijfsvoorheffing in te houden en door te storten, enkel gerelateerd is aan de eigen bedrijfsinkomsten van mevrouw VdL.C.en dat deze verantwoordelijkheid geen verband kan houden met bijkomende belastingen voortvloeiend uit bijkomende inkomsten van andere bronnen (dan de tewerkstelling van mevrouw Van Der Linden) of het feit dat haar echtgenoot ook inkomsten heeft.
- De bepaling van artikel 9 is wat verwarrend opgesteld. In plaats van de term lokale belastingen had men beter het woord bedrijfsvoorheffing gebruikt. Aan de hand van een vergelijking met de sociale zekerheid kan men echter vaststellen dat men met lokale belastingen de fiscale inhoudingen op het loon bedoeld heeft. De laatste zin van artikel 9 had men logisch ook beter verbonden met de zin over de inhoudingen. Maar wanneer men de bedingen van de overeenkomst uitlegt het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit, dan kan men uit de artikelen 1, 2 en 9 van de overeenkomst niet als gemeen-schappelijke bedoeling afleiden dat partijen een belastingsteruggave aan de werkgever hebben willen doen toekomen (art. 1156 en 1161 B.W.). Indien men aan de overeenkomst een betekenis wil geven, dan volgt uit deze bepalingen dat men is uitgegaan van een brutoloon, aangevuld met een netto inclusieve toelage voor de kosten als expatriate en dat de werkgever de toepasselijke belastingsregelen - zij het niet erg duidelijk - heeft willen expliciteren, zonder dat men op deze regels een afwijking heeft willen bedingen, in de zin dat een belastingteruggave voor de werknemer zou toekomen aan de werkgever. De andere elementen, die appellante aanbrengt, kunnen hieraan geen afbreuk doen en zijn niet verder ter zake dienend.
- Appellante had dan ook geen recht op deze belastingsteruggaven, die toekwamen aan mevrouw Van Der Linden. Hetzelfde geldt voor de inhouding op de opzeggingsvergoeding, die overigens niet in overeenstemming was met artikel 23 van de loonbeschermingswet. De vordering van Huntsman is hierdoor ongegrond en de vordering van mevrouw VdL.C.is gegrond wat betreft de sommen van euro 2.903,73 en euro 7.408,50, te vermeerderen met wettelijke intresten.
- Het bedrag van euro 2.903,73 betreft een saldo opzeggingsvergoeding. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen dienen berekend te worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd voor 1 juli 2005, meer bepaald op 30 november
- Op de terugbetaling van de belastingsteruggaven dienen vergoedende intresten te worden betaald. In die mate is voor deze onderdelen het hoger beroep ongegrond. Tax egalisatie
- Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst houdt in dat mevrouw VdL.C.een alles inclusieve toelage ontvangt ter compensatie voor de hogere kost verbonden aan het feit dat zij als expatriate buiten haar thuisland moet wonen. Deze toelage is op forfaitaire wijze bepaald. De kosten van tax egalisatie zijn in deze forfaitaire en alles inclusieve toelage begrepen. Gelet op de forfaitaire aard van de alles inclusieve toelage, kan mevrouw VdL.C.zich niet steunen op de opgave van kosten ingevolge de circulaire van 8 augustus 1983 RH 624/325.294 om bijkomend de reële kost van de tax egalisatie te vorderen. Haar vordering is op dit punt ongegrond en het hoger beroep van appellante is gegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Veroordeelt de bvba Huntsman Europe tot betaling aan mevrouw VdL.C.van: - een saldo opzeggingsvergoeding van euro 2.903,73, te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 30 november 2001 en de gerechtelijke intresten op netto, - euro 7.408,50 wegens ten onrechte ingehouden belastingsteruggaven, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten, wijst het meergevorderde af; Verklaart de vordering van de bvba Huntsman Europe ontvankelijk doch niet gegrond, Veroordeelt de bvba Huntsman Europe tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van mevrouw VdL.C.begroot op: Dagvaarding euro 95,56 Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 209,71 Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 1.100,00 Totaal euro 1.405,27 en voor zover als nodige aan de zijde van mevrouw VdL.C.begroot op euro 1.309,
- Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Georges JACOBS, Bernadette MUSSCHE. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 10 september 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20100910.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.