← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101001.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101001.7 Rolnummer: 2009/AB/52197 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2012-04-27 Raadplegingen: 156 - laatst gezien 2026-07-01 13:45 Fiche 1 Wanneer de salary split niet wordt geformaliseerd via verschillende arbeidsovereenkomsten en er dus één globale overeenkomst werd behouden, moet voor de berekening van de opzeggingsvergoeding rekening worden gehouden met het totale overeengekomen bezoldigingspakket en dient men zich niet te beperken tot enkel die bezoldiging die zou gerelateerd zijn aan de Belgische prestaties. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten Algemene regelingen Wet 3 juli 1978 Opzeggingsvergoeding salary split Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 Opdat arbeid als huisarbeid in de zin van art. 119.1 van de arbeidsovereenkomstenwet kan worden beschouwd mag de werknemer niet onder het toezicht of de rechtstreekse controle van de werkgever staan, wat inhoudt dat de huisarbeid een structurele arbeidsvoorwaarde moet zijn. Wanneer de werknemer in het kader van de mobiliteitsproblematiek de faciliteit krijgt om bepaalde taken thuis te verrichten zonder dat de werkgever daaraan rechten wil verbinden, dan is dit geen definitieve en structurele oplossing en dus geen huisarbeid. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Huisarbeiders Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten Huisarbeiders VVet 3 juli 1978 art. 119 Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 119 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 OKTOBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: L. M., appellante, vertegenwoordigd door mr. CARLIER Piet, advocaat te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel

  1. Tegen: DHL EXPRESS BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1740 TERNAT, Essenstraat, 26, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DERDE Inge, advocaat te 1831 DIEGEM, Berkenlaan 8a. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 6 februari 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 7083/07). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 juni 2009; - de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 30 november 2009 en de syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 29 maart 2010, - de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 21 september 2009 en 27 januari 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 september 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  2. Mevrouw L. M. kwam op 3 september 2001 in dienst van de N.V. Van Gend & Loos (thans DHL Express Belgium) als commercieel directeur. Ze ondertekende haar arbeidsovereenkomst op 10 oktober 2001; in artikel 11 werd vermeld: Daar de onderneming van de werkgever bestaat uit meerdere uitbatingszetels, zal de werknemer aanvaarden in een andere uitbatingszetel tewerkgesteld te worden voor zover deze binnen een redelijke afstand (+/-35 km vogelvlucht) van de huidige ligt. Vanaf 1 april 2003 wordt mevrouw L. bevorderd tot Manager Key Account Management Benelux. Bij brieven van 23 december 2003 en 24 februari 2004 worden de salarisvoorwaarden aan deze nieuwe functie aangepast. Op 28 oktober 2004 en 2 mei 2006 volgde nogmaals een aanpassing van deze voorwaarden, waaronder het bonussysteem. Later klom ze op tot de functie van Director Marketing & Communications Benelux. Ingevolge deze functies werd zij achtereenvolgens tewerkgesteld te Moerdijk bij Rotterdam, Driebergen, Hoofddorp bij Schiphol en Amersfoort. Mevrouw L. bevestigt dat in het licht van artikel 11 van haar arbeidsovereenkomst door de werkgever compensatieregelingen werden uitgewerkt op het vlak van de tewerkstelling in het buitenland.
  3. Dit laatste kwam ook aan de orde bij haar laatste mutatie naar Amersfoort. Omdat partijen hierover uiteindelijk geen bevredigende oplossing vonden, startte de werkgever onderhandelingen over een passende ontslagregeling. In het kader daarvan werd op 27 november 2006 door de HR Director voorgesteld dat het dienstverband zou eindigen op 31 december 2006, dat er een bedrag van euro 200.000 bruto ‘all inn' zou worden voorzien dat zo fiscaal vriendelijk mogelijk zou worden uitbetaald (verder uit te werken) en dat de communicatie inzake de overdracht en beëindiging zou worden afgesproken. Op 7 december 2006 stelde mevrouw L. over de uitwerking van dit voorstel verdere vragen en uit haar e-mail blijkt dat er geen eenduidige overeenstemming was over het bedrag van euro 200.000, meer bepaald over de vraag of hierin ook de eindejaarspremie en het vakantiegeld einde dienst begrepen waren. Uit de verdere e-mail-correspondentie blijkt dat partijen hierover discussie zijn blijven voeren. Deze discussie geraakte niet opgelost en bij aangetekend schrijven van 31 december 2006 heeft de NV DHL Express Belgium (hierna afgekort tot DHL) de arbeidsovereenkomst van mevrouw L. onmiddellijk beëindigd met de aankondiging dat een volledige eindafrekening zou worden overgemaakt en dat zij op grond van de CAO 82 NAR en de sector-CAO van 18 februari 2003 recht had op een outplacementbegeleiding, die ze binnen de twee maanden schriftelijk diende aan te vragen. Na deze beëindiging werden de volgende bedragen betaald: - een opzeggingsvergoeding van 8 maanden of euro 83.859 - de bonus 2006 of euro 41.042 - eindejaarspremie 2006 of euro 8.145 - vertrekvakantiegeld of euro 16.223 Er volgde nog verdere onderhandeling over de ontslagregeling, maar bij brief van 8 mei 2007 van de raadsman van mevrouw L. liet deze aan DHL weten dat er tot dagvaarding zou worden overgegaan.
  4. Aldus werd op 11 mei 2007 dagvaarding uitgebracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde mevrouw L.: - een aanvullende ontslagvergoeding van euro 116.141 provisioneel, ondergeschikt euro 110.153,88 (13 maanden) - een bonus 2006 van euro 42.912 provisioneel - een eindejaarspremie 2006 van euro 113,20 provisioneel - vakantiegeld op de bonussen vanaf 2003 van euro 21.000 provisioneel - een vergoeding voor thuiswerk/telewerk van het euro 9.909,84 provisioneel - een vergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 49.549,20 provisioneel - feestdagenloon van euro 393,25 provisioneel - vergoeding inzake outplacement van euro 1 provisioneel - een vergoeding voor bijkomende vorderingen van euro 1 provisioneel te vermeerderen met de wettelijke, minstens de vergoedende intresten op bruto en met gerechtelijke intresten, tevens vroeg ze afgifte van de sociale documenten met voorbehoud voor een dwangsom, alsook betaling van de gerechtskosten.
  5. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 6 februari 2009 werd deze vordering als volgt ontvankelijk en gegrond verklaard; DHL werd veroordeeld tot betaling van: - een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 43.396,72 - het saldo eindejaarspremie 2006 van euro 113,20 provisioneel te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op bruto De werkgever werd tevens veroordeeld tot afgifte van een aangepaste loonfiche en fiscale fiche. Het kantonnement werd toegestaan en DHL werd veroordeeld tot de gerechtskosten.
  6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 4 juni 2009, tekende mevrouw L. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering in de mate dat deze niet werd toegekend. DHL tekende incidenteel beroep aan in de mate dat de vordering wel werd toegekend. II. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. De opzeggingsvergoeding
  7. Mevrouw L. houdt voor dat zij na haar ontslag een overeenkomst had met DHL over de opzeggingsvergoeding en zij verwijst hiervoor naar de e-mail van HR Director W. van 27 november 2006 inhoudende het aanbod van euro 200.000 bruto ‘ all in'. Uit de weergave in I. (Feiten en rechtspleging) 2 volgt echter dat dit enkel een onderhandelingsvoorstel was en dat het aanbod niet gevolgd werd door een aanvaarding, daar mevrouw L. over de inhoud van dit voorstel verdere discussie is blijven voeren en er dus geen definitieve wilsovereenstemming/akkoord tot stand is gekomen. Immers, uit de e-mail van mevrouw L. van 14 december 2006 blijkt dat er nog besprekingen waren en dat de HR Director er nog steeds van uitging dat we dit in onderling overleg kunnen klaren. Hij zou op maandag een definitief voorstel doen dat in de lijn zou liggen van haar verwachtingspatroon. Gelet op het verlof van appellante, kwam de raadsman van mevrouw L. per 21 december 2006 tussen om de onderhandelingen over te nemen, en uit zijn schrijven van 28 december 2006 blijkt evenzeer dat er nog geen wilsovereenstemming was, omdat hij het aanbod van DHL beschreef als het door u geformuleerde voorstel; en zijn brief volgens hem juist tot doel had om over de onduidelijkheden klaarheid te scheppen omdat in functie daarvan ook de overeenkomst moet worden opgesteld. Er was dus nog geen duidelijke overeenkomst.
  8. Bij gebrek aan overeenkomst, moet de opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet door de rechter worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). Partijen hebben discussie over het basisloon, meer bepaald over het precieze bedrag van de bonus, de onkostenvergoeding, de waardering van het privégebruik van de firmawagen, de GSM en de laptop. - De eerste rechter heeft de bonus begroot op euro 41.042 en mevrouw L. gedraagt zich thans wat betreft deze becijfering naar de wijsheid van het hof. De begroting door de eerste rechter kan inderdaad worden aanvaard op basis van de voorliggende gegevens. Partijen hebben in verband met de functie en prestaties van mevrouw L. één arbeidsovereenkomst afgesloten, die in artikel 4 een loonregeling uitwerkt, in het kader waarvan de bonusregeling werd ingepast. Dit brengt met zich mee dat de weerslag van de bonus op de opzeggingsvergoeding dan ook moet beoordeeld worden vanuit één arbeidsovereenkomst, zodat de oplossing van het geschil niet moet bezien worden vanuit het bestaan van meerdere arbeidsovereenkomsten. (Zie hierover C. Engels, Enkele arbeidsrechtelijke aspecten aangaande de salary split, JTT 2000, 288). Wanneer de salary split niet wordt geformaliseerd via verschillende arbeidsovereenkomsten en er dus één globale overeenkomst werd behouden, moet voor de berekening van de opzeggings-vergoeding rekening worden gehouden met het totale overeengekomen bezoldigingspakket en dient men zich niet te beperken tot enkel die bezoldiging die zou gerelateerd zijn aan de Belgische prestaties. (A. Ceuterick en T. Baart, Toepasselijk recht in geval van salary split, Or. 2005, 128). Ter zitting kon bovendien weinig relevante opheldering worden gegeven of mevrouw L., die een gedeelte van haar loon via Luxemburg ontving, aldaar wel werkte. Het is niet omdat ze omwille van de Benelux-activiteiten van DHL prestaties leverde, die op Luxemburg betrekking konden hebben, dat ze aldaar tewerkgesteld was. Terecht heeft de eerste rechter deze bonus dan ook opgenomen in het basisloon voor de opzeggingsvergoeding. - Er wordt niet betwist dat mevrouw L. kon beschikken over een bedrijfswagen type BMW 525 D; ongeacht de in aanmerking genomen fiscale waardering en afrekening kan de reële waarde van het voordeel van het privaat gebruik van een dergelijke wagen worden aanvaard op euro 500/maand. - Het privaat gebruik van GSM, telefoon en laptop werd door de eerste rechter billijk geraamd op euro 50/maand. - Gelet op de kaderfunctie van mevrouw L. en haar wisselende arbeidsplaatsen kan aangenomen worden dat ze regelmatig onkosten had ten behoeve van haar werkgever, die op forfaitaire wijze werden afgerekend, omdat niet steeds bewijsmiddelen konden worden bijgehouden. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst worden deze onkosten gepreciseerd als parkingkosten, telefoon, dranken edm verbonden aan de verplaatsingen voor beroepsdoeleinden. Een bedrag van euro 327/maand is gelet op haar functie aanneembaar en maakt geen verdoken loon uit. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de eerste rechter, die hier als herhaald kan worden beschouwd. Het in aanmerking te nemen basisloon kan dan ook worden bepaald op: Loon 8.258,20 x 13,92 114.954,14 Bonus 41.042,00 Hospitalisatieverzekering 500,00 Groepsverzekering 8.458,68 Bedrijfswagen 500 x 12 6.000,00 GSM, laptop, telefoon 50 x 12 600,00 Totaal 171.554,82 Mevrouw L. had derhalve op het ogenblik van het ontslag de leeftijd van 45 jaar; haar anciënniteit bedroeg 5 jaar en 4 maanden; ze had de functie van Director Marketing & Communications Benelux en zij had een jaarloon van euro 171.554,
  9. Rekening houdend met de gegevens eigen aan de zaak kan haar kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op 11 maanden. Zij had derhalve recht op een opzeggingsvergoeding van 11 x euro 171.554,82 / 12 = euro 157.258,58 onder aftrok van het reeds betaalde bedrag van euro 83.859 = euro 73.399,58 In die mate is het hoger beroep wat dit onderdeel betreft gegrond. De bonus 2006
  10. Onder randnummer 3 werd reeds vastgesteld dat de bonus 2006 correct vastgesteld werd op euro 41.042,00 en dat er geen gegevens worden aangebracht voor een andere becijfering. Mevrouw L. gedraagt zich op dit punt overigens naar de wijsheid van het hof. Het hoger beroep is wat dit punt betreft ongegrond. De vakantiegelden op de bonussen vanaf 2003
  11. Mevrouw L. houdt terecht voor dat de bonus variabel loon is, zodat hij in aanmerking komt voor de berekening van het vakantiegeld. Op grond van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst van 3-9/9/2001 werd in verband met de uitbetaling van het loon en de incentive een zgn. split-payroll opgezet, zodat 80% via België en 20% via Luxemburg werd betaald. De samenstelling en het bedrag van loon en bonus evolueerde met de bevorderingen van mevrouw L. en met de implementatie van het Deutsche Post-bonussysteem, maar geen van de partijen geeft aan hoe dan verder concreet de uitbetaling in overeenstemming met bovenvermeld artikel 4 gesplitst werd. Het hof heeft als enige aanknopingspunt dat op de individuele rekeningen onder code 1034 een bedrag vermeld wordt als ‘bruto via Luxemburg'. In welke mate het vakantiegeld foutief zou zijn afgerekend, kan uit dit schaars gegeven niet worden afgeleid en het wordt door mevrouw L. ook niet verduidelijkt. Als eisende partij heeft ze de bewijslast van haar vordering en moet ze aantonen op welke achterstal ze nog aanspraak maakt en recht heeft. Ze brengt geen controleerbare gegevens en/of berekeningen aan, zodat haar vordering terecht ongegrond werd verklaard. Eindejaarspremie 2006
  12. DHL erkent ook in haar beroepsbesluiten dat er nog een saldo verschuldigd is van euro 113,20, zodat het hoger beroep op dit punt ongegrond is. Feestdagenloon 1 januari 2007
  13. Ingevolge artikel 14 van het K.B. van 18 april 1974 tot de uitvoering van de feestdagenwet blijft de werkgever gehouden tot het loon voor de feestdagen die vallen in de periode van 30 dagen die volgt op het einde van de arbeidsovereenkomst of van de verrichting van de arbeid. Deze verplichting houdt op zodra de werknemer begint te arbeiden voor een nieuwe werkgever. Gelet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 31 december 2006, kan aanvaard worden dat mevrouw L. op 1 januari 2007 niet is kunnen beginnen arbeiden voor een nieuwe werkgever. Ze maakt dan ook terecht aanspraak op het niet betwiste bedrag van euro 393,
  14. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. Vergoeding thuiswerk/telewerk
  15. Mevrouw L. houdt voor dat ze de mogelijkheid had om thuis te werken en ze vordert op grond van artikel 196.6 van de arbeidsovereenkomstenwet betaling van de vergoeding voor kosten. Artikel 119.1 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft huisarbeid als de tewerkstelling van huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan. Deze bepaling sluit aan bij de omschrijving van artikel 1 van het Verdrag nr. 177 van de Internationale Arbeidsorganisatie en houdt in dat de huisarbeid een structurele arbeidsvoorwaarde moet zijn ( L. Smets en N. Thoelen, Thuiswerk en telewerk: nog ver van huis, Or. 2006, 85). Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan. Mevrouw L. werd op 3 september 2001 aangeworven als Commercieel Directeur en klom op in de hiërarchie van het bedrijf. Op grond van artikel 11 van haar arbeidsovereenkomst was haar toegezegd dat haar tewerkstellingsplaats veranderbaar was binnen een redelijke afstand (ongeveer 35 km. vogelvlucht). Gelet op haar bevorderingen was een grotere mobiliteit nodig en uit de stukken volgt dat er tussen partijen een aangepaste salaris en bonusregeling werd uitgewerkt, maar dat ook rond de arbeidsplaats naar oplossingen werd gezocht. In de e-mail van 24 november 2003 wordt er in afwachting van definitieve afspraken rond de locatie hotelaccommodatie aangeboden. In de brief van 4 december 2003 van DHL aan mevrouw L. werd gesproken over tijdelijke maatregelen in het kader van de mobiliteitsproblematiek, evenwel met de precisering Aan deze eventuele maatregelen kunnen geen rechten worden ontleend. Ook uit de e-mail van mevrouw L. van 6 september 2006 volgt dat er een discussie bestond over het sociale aspect van haar functie. Uiteindelijk is hiervoor geen structurele oplossing gevonden en hebben beide partijen gekozen voor een oplossing in de richting van een ontslagregeling. Wanneer mevrouw L. in het kader van de mobiliteitsproblematiek de faciliteit had gekregen om bepaalde taken thuis te verrichten, dan was dit geen definitieve en structurele oplossing; integendeel uit de brief van 4 december 2003 blijkt duidelijk dat DHL aan dergelijke maatregelen geen rechten wou verbinden. In het kader van haar belangrijke kaderfunctie bleef mevrouw L. op een zelfde wijze onder het toezicht en de rechtstreekse controle van haar werkgever staan, of ze nu deze functie vanuit het kantoor dan wel van bij haar thuis uitoefende. De faciliteit om bepaalde arbeidstaken thuis te verrichten was in de gegeven omstandigheden geen structurele arbeidsvoorwaarde, zodat Titel VI van de arbeidsovereenkomstenwet niet van toepassing is, daar het toezicht en de rechtstreekse controle van de werkgever identiek was met de functie-uitoefening vanuit het kantoor. De omstandigheid of er nu ja dan neen een zekere periodiciteit in het werkschema van mevrouw L. zat, doet daaraan geen afbreuk en het getuigenaanbod over dit punt is dan ook niet ter zake dienend. De vorderingen op grond van artikel 196.6 van de arbeidsovereenkomstenwet is ongegrond en hetzelfde geldt voor het hoger beroep betreffende dit onderdeel. Vergoeding outplacement
  16. In de ontslagbrief van 31 december 2006 werd outplacement aan mevrouw L. aangeboden en indien zij daarvan gebruik wenste te maken diende zij DHL hiervan binnen de twee maanden schriftelijk op de hoogte te brengen. Een dergelijk verzoek ligt niet voor, zodat de eerste rechter terecht dit onderdeel ongegrond heeft verklaard. Vergoeding wegens andere vorderingen
  17. Mevrouw L. gedraagt zich op dit punt naar de wijsheid. Haar vordering is niet gepreciseerd en te vaag, zodat ze door de eerste rechter terecht werd afgewezen. Rechtsmisbruik
  18. Zoals van elk recht kan ook van het ontslagrecht misbruik worden gemaakt. Anders dan voor werklieden, voor wie artikel 63 van de arbeidsovereenkomstwet geldt, bestaat voor bedienden geen vergelijkbare uitdrukkelijke wetsbepaling, maar dit verhindert niet dat het misbruik van ontslagrecht kan worden ingeroepen, wanneer er een kennelijk misbruik is waarbij de regel van artikel 1134,3de lid van het Burgerlijk Wetboek ernstig wordt geschonden; op basis van deze bepaling moeten overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd (cfr. Cassatie, 19 september 1983, R.W. 1983-1984, 1480). Rechtsmisbruik in verband met het ontslag vloeit dan ook voort uit de uitoefening van dit recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van het ontslagrecht door een voorzichtig en bedachtzaam werkgever (Cassatie, 12 december 2005, JTT 2006, 155). De opzeggingsvergoeding heeft bovendien een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade (Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410). Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69).
  19. Mevrouw L. heeft voorafgaandelijk aan het ontslag van 31 december 2006 uitvoerige onderhandelingen gevoerd rond de mogelijke ontslagregeling. Uiteindelijk werd voor deze laatste optie gekozen omdat partijen niet tot een bevredigende overeenstemming konden komen over de arbeidsvoorwaarden. Ook over het aanbod van de werkgever over de ontslagregeling bereikte men geen bevredigende overeenstemming. Aldus heeft DHL geen misbruik van ontslagrecht gemaakt door op 31 december 2006 een formele ontslagbeslissing te nemen. Deze ontslagbeslissing was geen sanctie, maar het gevolg van het niet bereiken van overeenstemming tussen partijen. De aan mevrouw L. toegekende opzeggingsvergoeding dekt de volledige schade die uit het ontslag voortspruit, zowel de materiële als de morele. Sociale documenten
  20. Mevrouw L. heeft recht op de afgifte van de aangepaste wettelijke en sociale documenten in verband met de bedragen die haar zijn toegekend. Er is geen reden om de veroordeling te laten plaatsvinden onder verbeurte van een dwangsom, daar nergens uit blijkt dat DHL op dit punt vroeger ooit nalatig zou zijn geweest. Intresten
  21. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum). Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd. Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende bedragen dienen berekend te worden op de brutobedragen, daar het ontslag dateert van 31 december 2006, zijnde na 1 juli
  22. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond, Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, Veroordeelt DHL Express Belgium tot betaling aan mevrouw L. van - een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 73.399,58 - een saldo eindejaarspremie 2006 van euro 113,20 - feestdagenloon van euro 393,25 te vermeerderen met wettelijke intrest vanaf 31 december 2006 en de gerechtelijke intresten veroordeelt DHL Express Belgium tot afgifte van de aangepaste loonfiche, individuele rekening en fiscale fiche voor de hierboven vermelde bedragen. Wijst al het meergevorderde af. Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen en legt hiervan 1/3 ten laste van DHL Express Belgium en 2/3 te laste van mevrouw L., deze aan de zijde van DHL Express Belgium begroot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.000 totaal euro 10.000 en aan de zijde van mevrouw L. op: - dagvaarding euro 139,56 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000,00 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.000,00 totaal euro 10.139,56 Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Georges JACOBS, Andre LEURS. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 1 oktober 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101001.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.