id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101001.8 Rolnummer: 2009/AB/52050 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2012-05-02 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-01 13:45 Fiche 1 Artikel 16 van de Ioonbeschermingswet verhindert niet dat de echtgenoot het loon ingevolge een lastgeving ontvangt, omdat de verwijzing in art. 16 betrekking heeft op de echtgenoot van uitbaters van kantines en de met hen samenwonende personen, in wiens gelegenheden de loonuitbetaling niet mag plaats vinden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Bescherming van het loon - Wet 12 april 1965, art. 16 - Verbod betaling loon Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 16 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 12-04-1965 - 5,2° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: III.H art. 16 eveneens gerangschikt onder III. art.5, 2° Fiche 2 De verplichting om een kwitantie van de loonuitbetaling aan de werknemer ter ondertekening voor te leggen doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever om overeenkomstig de gewone bewijsregels bewijs te leveren van de contante betaling. De betaling van het bon kan met aile middelen van recht en onder meer op basis van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, bewezen worden UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming Vrije woorden: Bescherming van het loon 5, 2° Betaling van hand tot hand kwitantie Bewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 5,2° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet - 12-04-1965 - 16 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Nota: III.H art.5,2° eveneens gerangschikt onder III.H art. 16 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 OKTOBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: BELECTRON NV, met zetel te 1570 GALMAARDEN, Tollembeekstraat 24, appellante, vertegenwoordigd door mr. VAN ROEYEN Wim, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat
- Tegen: V. P. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. CAMBIER Johan, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Voorburg
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het tussenarrest van dit Hof dd. 26 maart 2010; - de conclusies na tussenarrest voor de appellante, neergelegd ter griffie op 28 mei 2010, - de conclusie na tussenarrest voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 28 juni 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 september 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * VOORGAANDEN Het hof kan verwijzen naar het tussenarrest van 26 maart 2010 en naar de beschrijving van de feiten en rechtspleging. In dit tussenarrest werd reeds vastgesteld dat de vordering van de heer V. P. sterk verbonden was met zijn familiale situatie, omdat alle partijen ervoor gekozen hebben om de familiale verhoudingen en de tewerkstelling nauw met mekaar te verweven. De heer V. P. werkte immers in de elektrogroothandel NV Belectron, waarvan zijn schoonouders de zaakvoerders zijn en hij woonde boven de winkel, terwijl zijn schoonouders ook op hetzelfde terrein woonden. Sinds 4 februari 2000 werd hij bovendien aangesteld als bestuurder van de vennootschap. De echtelijke moeilijkheden van de heer V. P. hadden dan ook hun onmiddellijke weerslag op zijn werksituatie. In het tussenarrest werden partijen uitgenodigd om een aantal stukken voor te leggen, die meer duidelijkheid konden geven over de onderlinge relatie, zodat de incidenten, die tot het ontslag om dringende reden aanleiding gaven, zo juist mogelijk konden worden geëvalueerd. Partijen hebben deze stukken voorgebracht en hebben hierover tegenspraak gevoerd. VERDERE BEOORDELING De dringende reden
- Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58). Deze termijn neemt slechts een aanvang, nadat degene die de bevoegdheid heeft om tot ontslag over te gaan, van de feiten kennis heeft gekregen. (Cass. 24 juni 1996, R.Cass. 1997,35; Cass. 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848). Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn (art. 35, 4de lid arbeidsovereen-komstenwet). Bij diverse of herhaalde tekortkomingen beschikt de werkgever vanaf het laatste gepleegde feit over drie werkdagen om de werknemer te ontslaan. Dit laatste feit en de foutieve aard ervan moeten dan wel bewezen worden. Wanneer het arbeidsgerecht de tijdigheid van het ontslag om dringende redenen moet beoordelen, dient het alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van het feit niet meer dan drie werkdagen bestond en doet het daarbij nog geen uitspraak over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan (cfr. Cassatie, 19 maart 2001, JTT 2001,249).
- Anders dan de NV Belectron voorhoudt, betwist de heer V. P. wel de tijdigheid van het ontslag. In de ontslagbrief wordt verwezen naar de incidenten van 14 en 15 mei
- Daarnaast wordt verwezen naar voorgaanden in verband met de moeilijke samenwerkingsverhoudingen en de weerslag hiervan op het werk. Het ontslag werd betekend op 15 mei 2007 en de redenen werden gepreciseerd op 16 mei 2007, telkens door middel van aangetekende brieven. De tijdigheid van het ontslag , gebaseerd op feiten van 14 en 15 mei 2007, kan dan ook niet worden betwist.
- Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn: - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).
- De eerste rechter situeerde de feiten van 14 mei 2007 in het kader van de huwelijksmoeilijkheden, maar stelde vast dat uit de verklaring van de heer R. B. (schoonvader en werkgever) volgt dat de heer V. P. snel tot redelijkheid kwam en dat uit de verdere behandeling van de huwelijksmoeilijkheden voor de vrederechter blijkt dat er geen verwijzing meer is geweest naar dit incident, wat erop wijst dat de feiten niet zo dramatisch waren als ze in de ontslagbrief werden voorgesteld. De eerste rechter meende dan ook dat niet blijkt dat de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk was geworden. Na kennisname van de bijkomend meegedeelde stukken, kan het hof zich aansluiten bij deze beoordeling door de eerste rechter, die hier als herhaald kan worden beschouwd. In het zonder gevolg gerangschikte strafdossier in verband met de incidenten van 14 mei 2007 werden zowel de werkgever (B. R.), als de heer V. P. en zijn echtgenote (B. G.) verhoord. Hun versies van de feiten liggen derhalve voor, zodat een bijkomende persoonlijke verschijning overbodig is. In zijn verklaring betwist de heer V. P. de bedreigingen en zegt onder meer: Ik werkte indertijd in het bedrijf van mijn ex schoonvader, het betreft een elektrozaak. Ik had altijd een cuttermes bij mij om allerlei zaken te kunnen openen. Ik heb echter niemand bedreigd. Alles is te wijten aan de echtscheiding en de moeilijkheden die daarmee gepaard gaan. ... er zijn nooit bedreigingen geuit. Alles kadert in een moeilijke echtscheidingzaak. Een bewijs van daadwerkelijke bedreigingen in de zin zoals beschreven in de ontslagbrief kan uit de overige verklaringen in het zonder gevolg gerangschikt strafdossier niet worden afgeleid, daar rekening moet gehouden worden met de gespannen zenuwen in de onderlinge verhoudingen. Er was immers juist voordien een politietussenkomst geweest zonder dat een proces-verbaal werd opgemaakt en bovendien had mevrouw B. reeds op 10 mei 2007 een verzoekschrift echtelijke moeilijkheden neergelegd bij de vrederechter te Herne. In een dergelijke sfeer en context worden bepaalde handelingen gemakkelijk verkeerd gepercipieerd en geïnterpreteerd. Terecht heeft de eerste rechter erop gewezen dat de heer B. R.dient te erkennen dat de heer V. P. onmiddellijk kalmeerde, nadat hij hem bij zich had geroepen in een andere ruimte, zodat de professionele samenwerking niet onmiddellijk en definitief onmogelijk bleek. Indien de heer V. P. mevrouw B. G. daadwerkelijk fysiek had bedreigd met het cuttermes, dan had dit niet onbesproken kunnen blijven bij de gronden tot echtscheiding, maar uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 9 oktober 2007 volgt dat dit incident bij de echtscheidingsgronden volledig onvermeld werd gelaten, terwijl dit nochtans een manifeste grond tot echtscheiding ware geweest. Het is dan ook duidelijk dat, nadat iedereen tot bedaren en rust was gekomen, de feiten ontdaan werden van hun dramatiek en herleid werden tot hun daadwerkelijke proporties. Er kan dan ook enkel weerhouden worden dat er zich op 15 mei 2007 een zoveelste incident in de huwelijksmoeilijkheden van de heer V. P. had voorgedaan, maar in de gegeven situatie volgt daaruit niet dat er in hoofde van de heer V. P. een zo ernstige tekortkoming was die van die aard was dat ze de professionele samenwerking onmiddellijk onmogelijk maakte. Er is geen bewijs van daadwerkelijke fysieke bedreigingen. Gelet op de verklaringen in het strafdossier, is het overbodig om in deze context nog andere personeelsleden als getuigen te verhoren. Immers, de heer B. R. verklaarde in het proces-verbaal van 15 mei 2007 dat zijn dochter dacht dat hij het op haar gemunt had. Hierop begon ze te roepen waarbij er ander personeel bij haar kwam. Hieruit volgt dus dat deze personeelsleden slechts nadien bij haar kwamen en dus afwezig waren bij het eigenlijke incident. Mevrouw B. G. zelf maakt geen melding van de aanwezigheid van ander personeel bij het incident. Zonder enige precisering van feitelijke omstandigheden doet appellante wat betreft de feiten die binnen de drie werkdagen te situeren zijn, overigens slechts een getuigenaanbod voor gewelddaden en afwezigheid, waarbij zij opnieuw de bedreigingen onvermeld laat. In de ontslagbrief wordt er voor 14 en 15 mei 2007 geen melding gemaakt van gewelddaden, ook niet ten aanzien van mevrouw R.; de afwezigheid op 15 mei wordt niet ontkend. De eerste rechter oordeelde verder dat, wanneer de heer V. P. op 15 mei 2007 meende een recuperatiedag te mogen nemen, dit niet om een ernstige tekortkoming kan gaan. De afwezigheid van de heer V. P. kon misschien zelfs bijdragen tot wat afkoeling en mogelijk tot herstel van de onderlinge sereniteit. De overige in de ontslagbrief ingeroepen feiten situeren zich bijna uitsluitend in de context van de huwelijksmoeilijkheden en zij doen dus geen afbreuk aan de hierboven staande beoordeling. Terecht wees de eerste rechter er op dat wanneer het bewijs niet geleverd is van het laatst gepleegde feit dat zich binnen de drie werkdagen situeert, de andere feiten niet meer in aanmerking komen voor het ontslag wegens dringende reden, daar ze langer dan drie werkdagen bekend waren (zie bv. Arbh. Brussel 14 april 1974, Med. VBO, 1977, 454). De bijkomende elementen die door partijen worden ingeroepen, kunnen aan bovenstaande beoordeling geen afbreuk doen. De dringende reden werden dan ook terecht niet weerhouden door de eerste rechter. De opzeggingsvergoeding en pro rata eindejaarspremie
- Daar de dringende reden niet aanvaard wordt, heeft de heer V. P. op grond van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet recht op een opzeggingsvergoeding, die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. Wanneer de schuldenaar door zijn fout zijn verbintenis niet meer kan uitvoeren, moet hij niet in gebreke worden gesteld (Cass. 9 februari 1922, Pas. 1922, I, 155; Cass. 29 november 1984, Arr. Cass. 1984-85, nr. 203; Cass. 17 januari 1992, Arr. Cass. 1991-92, nr. 253). Gelet op artikel 39 bovenvermeld en artikel 11 van de loonbeschermingswet kon de heer V. P. zijn vordering stellen zonder voorafgaande ingebrekenstelling. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereen-komstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen ( Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153). De eerste rechter heeft ook hier aan de bovenvermelde elementen een aanvaardbare evaluatie gegeven en wees er terecht op dat rekening houdend met onder meer het bescheiden loon en de commerciële functie een termijn van 18 maanden voldoende is om een gelijkaardige betrekking te kunnen vinden. De rechter dient slechts rekening te houden met de feiten die bestonden op het tijdstip van het ontslag, in zoverre deze feiten de door de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige en passende betrekking te vinden, beïnvloeden. (Cass. 6 november 1989, JTT 1989, 482, met noot; Cass. 3 februari 2003, JTT 2003, 262). Aangezien de opzeggingstermijn moet worden vastgesteld op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag, kunnen de feiten die zich na deze datum hebben voorgedaan niet in aanmerking worden genomen, zoals bijvoorbeeld de nieuwe aanwerving door een andere werkgever. De verwijzing door partijen naar de nieuwe tewerkstelling van de heer V. P. is dan ook irrelevant.
- Aangezien het ontslag om dringende reden niet aanvaard wordt, heeft de eerste rechter bij toepassing van de CAO van 4 juli 2002 (KB 1 oktober 2003, BS 8 december 2003, zoals gewijzigd door CAO 18 mei 2004 - PC 201) tevens terecht de pro rata eindejaarspremie toegekend, becijferd volgens de berekening van appellante.
- De wettelijke en gerechtelijke intresten op de opzeggingsvergoeding dienen te worden aangerekend op de brutobedragen, gelet op artikel 10 van de loonbeschermingswet van 10 april 1965, zoals gewijzigd door artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen en de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005, zoals bekrachtigd door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen, aangezien het ontslag dateert van 15 mei 2007, zijnde na 1 juli
- Het Grondwettelijk Hof bevestigde in antwoord op een prejudiciële vraag van het Arbeidshof Gent van 12 juni 2009 in haar arrest 26/2010 van 17 maart 2010 dat het gewijzigde artikel 10 van de loonbeschermingswet geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhield. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn dan ook beiden ongegrond. Achterstallig loon, eindejaarspremies en vakantiegeld voor gans de periode van tewerkstelling.
- De heer V. P. houdt voor dat hij gedurende gans de periode van tewerkstelling geen frank of euro zou ontvangen hebben als loon, eindejaarspremie of vakantiegeld. Hij heeft hieromtrent ook klacht neergelegd bij de arbeidsauditeur te Brussel en na tussenarrest heeft appellante het zonder gevolg gerangschikte strafdossier voorgelegd. Omwille van huidige procedure heeft de heer V. P. deze klachten ingetrokken, waarna de arbeidsauditeur het dossier zonder gevolg heeft gerangschikt. Hierbij verklaarde de heer V. P. eerlijkheidshalve: Gezien het feit dat het mij vooral te doen is om de opzegvergoeding wil ik u hierbij vragen het strafrechtelijke van de zaak achterwege te laten. Aldus geeft hij zelf reeds aan dat zijn bewering als zou hij nooit uitbetaald zijn geweest, tot wenkbrauwengefrons aanleiding moet geven, temeer daar hij in de N.V. bestuurder was en de rekeningen heeft goedgekeurd waarin de effectieve uitbetaling van zijn wedde werd vermeld. De onjuistheid van de bewering van de heer V. P. als zou hij niet uitbetaald zijn, kan afgeleid worden uit zijn verklaring in een ander zonder gevolg gerangschikt strafdossier m.b.t. zijn huwelijksperikelen, waarin hij zegt dat hij deze op een beschaafde manier wil oplossen, maar beweert dat zijn echtgenote de zaak hard zal spelen. B. G. zou gedreigd hebben de wedde van V. P. niet uit te zullen betalen. (PV 000404/07 van 28 januari 2007 PZ Pajottenland bijblad 2). Deze dreiging kan enkel begrepen worden in de zin dat tot dan toe zijn wedde wel werd uitbetaald. In zijn besluiten voor de Vrederechter van 4 juni 2007 zegt hij: Dat concluant (V. P. ) thans over geen inkomen beschikt,...(4 juni 2007 is een datum na zijn ontslag; daarvoor beschikte hij dus klaarblijkelijk wel over zijn inkomen) En verder Eiseres (B. ) heeft vanaf februari 2007 tot en met mei 2007 alle lonen van concluant ontvangen. Dit alles kan niet anders begrepen worden dan dat zijn lonen wel degelijk door de werkgever werden uitbetaald.
- In het geseponeerde auditoraatsdossier legt de heer B. R. uit dat hij de lonen van de personeelsleden per overschrijving uitbetaalde, met uitzondering van deze van zijn dochter en schoonzoon; Mijn vrouw betaalde hen beiden uit met geld uit de kas. Ik overhandig u een kopie van het loon van de maand maart 2006 als voorbeeld. Hij zegt ook: Voor wat betreft de betalingsbewijzen van het loon van de heer Marcel V. P. moet ik eerlijk bekennen dat ik die niet kan voorleggen, evenals de betalingsbewijzen van mijn dochter B. G. (zijn ex-vrouw).
- De heer V. P. leest in deze verklaring een schending van artikel 16 van de loonbeschermingswet volgens welke zijn loonbetaling niet aan zijn echtgenote zou mogen gebeuren. De heer B. R. heeft dit echter niet verklaard; hij zegt enkel dat zijn echtgenote (= de echtgenote van B. R. ) hen beiden (V. P. en B. G. ) met geld uit de kas heeft uitbetaald; hij zegt dus geenszins dat het loon van V. P. aan diens echtgenote werd uitbetaald want het loon werd aan hen beiden uitbetaald. Bovendien verhindert volgens bepaalde rechtspraak artikel 16 geenszins dat het loon aan de echtgeno(o)t(e) wordt uitbetaald, mits er daartoe een lastgeving is. (zie Luik 18 december 2001, JTT 2002, 338 dat zich steunt op de parlementaire voorbereiding van de loonbeschermingswet, waaruit volgt dat niets verhindert dat de echtgenoot het loon ontvangt, omdat art. 16 betrekking heeft op de echtgenoot van uitbaters van kantines en de met hen samenwonende personen (Parl. St. Senaat 1964-65, 115, p. 68; zie ook M. Jamoulle, Le contrat de travail, II, 1986, nr. 90; Arbh. Luik, 26 oktober 1999, Soc. Kron. 2000, 391; Arbrb. Brugge 15 december 1995, R.W. 1997-98, 720).
- De verklaring van de heer B. R. in verband met het ontbreken van betalingsbewijzen toont wel aan dat appellante niet voldeed aan artikel 5, tweede lid van de loonbeschermingswet, tenminste niet wat betreft de bedienden - familieleden. De verplichting om een kwitantie van de loonuitbetaling aan de werknemer ter ondertekening voor te leggen doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever om overeenkomstig de gewone bewijsregels bewijs te leveren van de contante betaling (Arbh. Antwerpen 26 april 1999, R.W. 2000-01, 593; Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt) 2 juni 2000, Limb. Rechtsl. 2001, 257; Arbh. Bergen 16 juni 2000, JTT 2000, 318; Arbrb. Antwerpen 10 juni 1998, Soc. Kron 1998, 514). Artikel 5, tweede lid van de loonbeschermingswet stelt immers geen onweerlegbaar vermoeden in van niet-betaling, wanneer geen kwijting werd opgesteld en ondertekend. De betaling van het loon kan met alle middelen van recht en onder meer op basis van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, bewezen worden (Cass. 28 februari 1979, Arr. Cass 1978-79, 771; H. Buyssens, Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht, in Actuele problemen van het arbeidsrecht 4, 201). Feitelijke vermoedens zijn de gevolgen die de rechter onder de door artikel 1349 tot de 1353 van het B.W. bepaalde voorwaarden mag trekken uit een gekend feit in verband met een ongekend feit. Het bestaan van de feiten waarop de rechter steunt, moeten soeverein door hem vastgesteld en de gevolgen die hij eruit afgeleid ten titel van vermoedens worden overgelaten aan zijn wijsheid (zie H. Buyssens, a.w. 230). De rechter kan uit een geheel van gegevens een feitelijk vermoeden afleiden, ook indien die gegevens, afzonderlijk beschouwd, geen voldoende zekerheid bieden (Cass. 7 november 1983, R.W., 1984-85, 1224; Pas., 1984, I, 256; Arr. Cass., 1983-84, 278). Het art. 1353 B.W. eist niet dat er verscheidene vermoedens zouden zijn: één enkel vermoeden is voldoende (Cass. 29 september 1932, Pas., 1932, I, 255). In zaken waarin het bewijs door vermoedens wettig wordt aangenomen, beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij steunt, om het bestaan van een feit aan te nemen (Cass. 12 januari 1950, Pas., 1950, I, 311; Cass., 10 november 1983, Arr. Cass., 1983-84, 296; Pas., 1984, I, 278).
- De feitelijke elementen aangehaald in randnummer 8, maken gewichtige bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit, die een bewijs inhouden dat, anders dan de heer V. P. beweert, wel degelijk zijn loon aan hem werd uitbetaald. Het hof verwijst bijkomend naar de feitelijke elementen die de eerste rechter op het 10e en 11e blad van het bestreden vonnis heeft aangehaald en die hier als herhaald kunnen worden beschouwd. De overige elementen die partijen aanhalen, kunnen hieraan geen afbreuk doen; de argumentatie van de heer V. P. herneemt overigens grotendeels zijn opmerkingen betreffende zijn huwelijksmoeilijkheden, doch dit is in dit kader irrelevant. Terecht heeft de eerste rechter dan ook deze onderdelen afgewezen als zijnde ongegrond en het hoger beroep is op deze punten ongegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Het tussenarrest van 26 maart 2010 verder uitwerkend, Verklaart zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep onge¬grond; Bevestigt het bestreden vonnis; Compenseert de gerechtskosten van het hoger beroep in de zin dat elke partij haar eigen rechtsplegingsvergoeding draagt, deze aan de zijde van beide partijen begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag euro 5.
- Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Erik VAN LAER, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Erik VAN LAER, Hugo ENGELEN. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 1 oktober 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101001.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div