← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101015.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101015.10 Rolnummer: 2006/AB/48148 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2012-04-27 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 13:52 Fiche Wanneer een bankdirecteur geen ordentelijke kwijting van de dag van de overhandiging kan voorleggen i.v.m. belangrijke bedragen, die hij bij een bejaarde kiant thuis heeft opgehaald, begaat hij een ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, zodat hij terecht om dringende reden werd ontslagen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten Algemene regelingen Wet 3 juli 1978 art. 35 Ontslag dringende reden Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 OKTOBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: P. J., appellant, vertegenwoordigd door mr BELLO Sarah Rose loco mr. VAN EECKHAUT Piet, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei

  1. Tegen: FORTIS BANK NV, met vennootschapszetel te 1000 BRUSSEL, Warandeberg 3, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SIMON Maarten, advocaat te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan
  2. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 20 oktober 2005 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 12e kamer (A.R. 66.453/03 ). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 januari 2006; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 25 maart 2010, - de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 3 juli 2007 en 21 mei 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 17 september 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  3. De heer J. P. kwam op 16 november 1971 als statutaire bediende in dienst van de toenmalige ASLK-bank. In het kader van de wet van 17 juni 1991 wordt zijn statutaire dienstverband met ingang van 1 mei 1994 omgezet naar een arbeids-overeenkomst voor bedienden, die de heer P. op 31 maart 1994 ondertekende en waarin voorzien werd in het behoud van de opgebouwde anciënniteit. Nadien werd ASLK Bank overgenomen door Fortis Bank. Sinds 1987 werkte de heer P. als kantoordirecteur van het agentschap te Drogenbos.
  4. Bij aangetekende brief van 30 oktober 2002 wordt de heer P. met dringende reden ontslagen. Deze werden omschreven als volgt: Ik verwijs naar het onderhoud van 29 oktober 2002, tijdens hetwelk ik uw argumenten heb aanhoord met betrekking tot het auditverslag nr. 2002.0928, dat u op 28 oktober 2002 ontvangen hebt, en dit in aanwezigheid van de heer W. C., syndicale afgevaardigde. Ik deel u hierbij mijn beslissing mee u te ontslaan om dringende redenen, dit met onmiddellijke uitwerking. De feiten die de dringende redenen vormen zijn de volgende:
  5. U hebt voor 2 klanten, een 84 -jarige weduwe en haar inwonende gehandicapte dochter van 50 jaar, hierna beiden "de klant" genoemd, verschillende spaarbons afgerekend, waarvoor u het terugbetalingsborderel hetzij laattijdig, hetzij helemaal niet heeft laten ondertekenen door de betrokken klant, meer bepaald: • de afrekening van 3 spaarbons ASLK op 07/07/2000, ten belope van 352.946 BEF, 294.122 BEF en nogmaals 352.946 BEF. De terugbetalingsborderellen werden niet door de klant ondertekend. • afrekening van 2 spaarbons ASLK op 12/03/2001, ten belope van 553.065 BEF en 497.759 BEF. De terugbetalingsborderellen werden niet door de klant ondertekend. • de afrekening van 3 spaarbons ASLK op 12/06/2002 voor een totaal bedrag van 41.967,23 euro. Het terugbetalingsborderel werd pas ondertekend nà 17/07/02, zijnde het ogenblik waarop de centrale diensten u - op vraag van FBIS - gevraagd hebben hen dit document ondertekend terug te bezorgen. Wij hebben vastgesteld dat u slechts een gedeelte van de opbrengst van de voormelde spaarbons hebt herbelegd. Voor bepaalde bedragen, namelijk 294.122 BEF - zie afrekening spaarbons op 07/07/2000 - en 553.065 BEF - zie afrekening spaarbons op12/03/2001 - beschikt u over geen enkel stuk waarmee u kunt aantonen dat u ze aan de klant overhandigd hebt, op rekening van de klant gestort hebt of herbelegd hebt. Deze ernstige nalatigheid vormt op zich een dringende reden die elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
  6. Bovendien zijn wij van oordeel, op grond van een geheel van samenhangende feiten, dat u zichzelf verrijkt hebt met deze bedragen en dat u dezelfde intentie had voor een deel van de opbrengst van de afrekeningen op 12/06/2002 en 15/07/2002, hierbij aldus misbruik makend van uw functie als kantoorhouder en van de vertrouwensrelatie die u hebt opgebouwd met een 84 -jarige weduwe en haar inwonende gehandicapte dochter. ... (hierna wordt het nazicht van de afrekeningen van 7 juli 2000, 12 maart 2001 en 12 juni 2002 - 15 juli 2002 omstandig omschreven). Daarbij vestig ik er uw aandacht op dat, niet alleen het geheel van alle feiten samengenomen, maar ook elk van die feiten op zichzelf beschouwd, een dringende reden vormt die ons vertrouwen in u als kantoordirecteur dermate hebben geschonden dat zij elke professionele samenwerking tussen u en de Fortis Bank onmiddellijk en definitief onmogelijk maken.
  7. Bij aangetekend schrijven van de raadsman van de heer P. van 21 november 2002 worden deze dringende redenen betwist, maar wordt toch voorgesteld nog een minnelijke oplossing te betrachten. Na een poging hiertoe, antwoordde Fortis Bank op 30 april 2003 dat zij het niet opportuun achtte om nog in te gaan op de vraag tot minnelijke regeling, waarvoor zij nooit vragende partij was geweest.
  8. Op 28 oktober 2003 dagvaardde de heer P. de NV Fortis Bank en hij vorderde na aanpassing van de bedragen in conclusies: - een opzeggingsvergoeding van 33 maanden of euro 183.650,03 - achterstallig loon van euro 1 provisioneel - een schadevergoeding wegens schending van het specifieke ontslagwaarborg van euro 288.119,81 - een schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag van een vakbonds-afgevaardigde van euro 72.669,15, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op netto en met de gerechtskosten. Tevens vorderde hij de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.
  9. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 20 oktober 2005 werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van de heer P. tot de gerechtskosten.
  10. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 4 januari 2006 tekende de heer P. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering, waarbij hij in ondergeschikte orde het getuigenverhoor vroeg van mevrouw A. H.. II. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De dringende reden. De tijdigheid en de drie werkdagentermijn.
  11. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept. Artikel 35, laatste lid, voegt hieraan toe dat de partij die een dringende reden inroept, het bewijs moet leveren dat zij deze termijn geëerbiedigd heeft. De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58). Deze termijn neemt slechts een aanvang, nadat degene die de bevoegdheid heeft om tot ontslag over te gaan, van de feiten kennis heeft gekregen (Cass. 24 juni 1996, R.Cass. 1997,35; Cass. 7 december 1998, R.W. 1999-2000, 848). Een arrest waarin werd beslist dat een dringende reden laattijdig ter kennis werd gebracht, omdat de ontslagbevoegde partij de mogelijkheid had de verweten feiten eerder te kennen dan drie dagen voor het ontslag, werd door het Hof van Cassatie verbroken (Cass. 28 februari 1994, JTT 1994, 286; Cass. 14 mei 2001, JTT 2001, 390). De vereiste dat het bedrijf zo wordt ingericht dat de tot ontslag bevoegde persoon tijdig kennis krijgt van het als zwaarwichtig bedoelde feit, schendt eveneens artikel 35 derde lid van de arbeidsovereenkomstenwet (Cass. 13 mei 1991, JTT 1991, 324; Cass. 7 december 1998, JTT 1999, 149). Ontslag om een dringende reden mag niet meer zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept; uit die regel volgt niet dat het onderzoek dat de werkgever beveelt om over het aangevoerde feit voldoende zekerheid voor zijn overtuiging te verkrijgen, onverwijld moet worden aangevat en snel moet worden gevoerd (Cass. 17 januari 2005 Arr.Cass. 2005, 114; JLMB 2005, 1264; JTT 2005, 137; Pas. 2005, 124; RW 2006-07, 1237; Soc.Kron. 2005 207). Het Hof van Cassatie erkent dat het horen van de betrokkene relevant kan zijn (Cass. 14 oktober 1996, JTT 1996, 500; Cass. 5 november 1990, JTT 1991, 155); het horen van de werknemer wordt in deze rechtspraak verbonden met de vraag of de werkgever voldoende zekerheid en kennis heeft over de dringende reden en laat de drie werkdagentermijn slechts aanvangen na een eventueel verhoor. Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn (art. 35, 4de lid arbeidsovereen-komstenwet). Wanneer het arbeidsgerecht de tijdigheid van het ontslag om dringende redenen moet beoordelen, dient het alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van het feit niet meer dan drie werkdagen bestond en doet het daarbij nog geen uitspraak over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan (cfr. Cassatie, 19 maart 2001, JTT 2001,249).
  12. Fortis Bank heeft in artikel 20 van haar arbeidsreglement waarborgen ingeschreven en ze heeft de procedure bepaald bij tekortkomingen. Deze waarborgen betreffen de handelwijze van de auditdienst (FBIS genaamd) en een evaluatieprocedure van de vastgestelde feiten met het oog op de oriëntering van het dossier door een college van directiekaderleden. In artikel 20.3 wordt bepaald dat wanneer de voorzitter van dit college als oriëntatie een dringende reden vooropstelt, hij onverwijld de hiërarchie en het personeelslid uitnodigt voor een onderhoud, waarbij de betrokkenen worden bijgestaan door een syndicaal vertegenwoordiger; het personeelslid ontvangt daarbij het dossier, met name de schriftelijk vastgestelde feiten en de directe bewijsstukken. Als na de onderhouden de voorzitter van het college de dringende reden aanhoudt, deelt hij dit aansluitend op het laatste onderhoud mee aan het personeelslid en bezorgt hij het dossier aan de gedelegeerd bestuurder die door het directiecomité gemandateerd is om de beslissingsbevoegdheid over de dringende reden uit te oefenen ( artikel 20.3.2). Alvorens de gedelegeerd bestuurder de beslissing tot ontslag om dringende reden neemt, hoort hij nogmaals het personeelslid, waarbij deze zich kan laten bijstaan door een syndicaal vertegenwoordiger van zijn keuze.
  13. Ingevolge deze door de ondernemingsraad goedgekeurde procedure, werd de heer P. na het onderzoek van FBIS op 28 oktober 2002 uitgenodigd door de voorzitter van het college, de heer D., waarbij hij het auditverslag nr. 2002.0928 ontving (stuk 7.3 van Fortis Bank). Op die datum werd het dossier overgemaakt aan de heer C., gedelegeerd bestuurder en de tot ontslag bevoegde persoon, die op 29 oktober 2002 een bijkomend onderhoud had met de heer P., zoals voorgeschreven door het arbeidsreglement en die vervolgens op 30 oktober 2002 tot ontslag om dringende reden besliste en de gemotiveerde ontslagbrief verzond. Ongeacht het feit dat er tijdens het onderzoek door de auditdienst een beperkte schorsing van de arbeidsovereenkomst plaatsvond, waarna de arbeidsovereenkomst werd voortgezet, nam de tot ontslag bevoegde persoon slechts kennis van de totaliteit van de feiten op 28 oktober 2002 en besliste hij binnen de drie werkdagen, hetzij op 30 oktober 2002, tot ontslag om dringende redenen, na de heer P. tussentijds nog te hebben gehoord. Aldus bewijst de NV Fortis Bank dat het ontslag binnen de drie werkdagentermijn werd gegeven. De grond van de dringende reden.
  14. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt. Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn: - er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer, - die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, - en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief (zie W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 04-05, nr. 5249). Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren. Benevens het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder A.H. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41). Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).
  15. Wanneer een kantoordirecteur bejaarde en/of gehandicapte klanten bij hen thuis bezoekt om hun financiële zaken te regelen, dient hij dit te doen met de nodige voorzichtigheid en met de noodzakelijke deontologische en professionele correctheid, waarbij hij zeker bij belangrijke financiële verrichtingen onmiddellijk de nodige kwijtingen en bewijsstukken laat aftekenen teneinde de vertrouwensrelatie met de klant te vrijwaren en niet te beschadigen.
  16. In verband met de herbeleggingen van 12 juni 2002 en 15 juli 2002, was er telkens een overschot van (2 x) euro 1.000 en mevrouw A. H. is in haar verklaringen niet eenduidig of, hoe en wanneer deze overschotten door de heer P. werden afgerekend. De heer P. verklaarde aanvankelijk dat hij het overschot van euro 1.000 van 12 juni 2002 op diezelfde dag aan de klant had afgegeven, terwijl hij nadien aangaf dat hij dit bedrag in een omslag in zijn bureau bewaarde om het op een latere datum aan mevrouw H. over te maken, nadat hij vernomen had dat er een onderzoek gaande was. Tijdens het onderzoek wijzigde hij zijn verklaringen omtrent zijn handelwijze en de chronologie. De handelwijze van de heer P., zoals nadien door hemzelf toegegeven, getuigt niet van de correcte deontologische en professionele handelwijze, die van een goede en voorzichtige bankdirecteur in dergelijke omstandigheden mag worden verwacht om de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen hemzelf en de bank enerzijds en de klant anderzijds te vrijwaren. Mits een onmiddellijke afrekening tegen kwijting had de verwarring bij de klant kunnen vermeden worden.
  17. Op 12 maart 2001 verviel een spaarbon van mevrouw H. ten bedrage van 553.065 frank. Deze gelden werden niet herbelegd en werden evenmin gestort op een rekening. De heer P. houdt voor dat hij deze gelden in contanten overhandigd heeft aan mevrouw H., doch deze heeft dit telkens ontkend. Er is geen kwijting van 12 maart
  18. In een geschreven verklaring van 2 september 2002 bevestigde mevrouw H. uitdrukkelijk dat ze nooit geld in contanten van de spaarbon van 500.000 fr. had ontvangen. Wel heeft de heer P. hangende het onderzoek van de FBIS op 28 september 2002 een verklaring laten ondertekenen, waarin mevrouw H. bevestigt dat zij deze som ontvangen heeft maar niet weet hoe ze het bedrag heeft aangewend en waarin zij bevestigt dat zij het volste vertrouwen behoudt in J. P.. Wanneer mevrouw H. met deze verklaring geconfronteerd werd, stelde zij dat de heer P. bij haar thuis gekomen was en een blad voorlas waarin stond dat zij content was van J. P.. Ze ontkende echter ten stelligste dat er bij de voorlezing melding was gemaakt van enig bedrag en zij hield opnieuw met stelligheid vol dat ze de som van 553.065 frank niet had ontvangen. Na kennisname van deze feiten legde mevrouw H. strafklacht neer tegen de heer P., waarbij ze verklaarde: ... ik heb het formulier enkel ondertekend omdat ik tevreden was over P., niet omdat ik geld zou hebben ontvangen. Het is zo dat ik maar één oog heb en slecht zie.... Tijdens het daaropvolgend strafonderzoek blijft de heer P. volhouden dat hij het bedrag van 553.065 frank aan mevrouw de H. overhandigd heeft, maar hij geeft ook toe dat hij slechts achteraf de betwiste verklaring heeft laten ondertekenen om een bewijs te bekomen dat zij de som zou ontvangen hebben (Zie zijn stuk 22 Pro Justitia politie Sint Pieters Leeuw 104044/03 van 22 oktober 2003). Het is onaanvaardbaar dat de heer P. voor een dergelijk belangrijk bedrag geen ordentelijke kwijting van de dag van overhandiging kan voorleggen.
  19. Een vergelijkbare situatie doet zich voor in verband met de omzetting van de kasbon van 7 juli 2000 ter waarde van 294.122 frank. Ook hier verklaart de heer P. dat hij dit bedrag in cash aan mevrouw H. heeft uitbetaald, zonder dat hij een kwijting van de datum van uitbetaling kan voortbrengen. Mevrouw H. verklaart dat zij dit bedrag nooit in geld heeft ontvangen en dat daarentegen alles langs de rekeningen moest lopen. Het is onaanvaardbaar dat de heer P. voor een dergelijk belangrijk bedrag andermaal geen ordentelijke kwijting van de dag van overhandiging kan voorleggen.
  20. Omwille van het ontbreken van bewijzen van uitbetaling van de bedragen van 553.065 frank en 294.122 frank heeft Fortis Bank een regeling getroffen met mevrouw H. voor slot van alle rekening, waarbij deze bedragen vooralsnog aan haar werden terugbetaald. Ongeacht het feit dat er geen materieel bewijs is dat de heer P. zich zelf deze bedragen heeft toegeëigend, heeft hij zich door zijn deontologisch en professioneel foute handelwijze schuldig gemaakt aan een ernstige tekortkoming die de verdere samenwerking tussen de werkgever en hemzelf onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte. Terecht weerhield de eerste rechter dat, zelfs indien de heer P. het geld wel had uitbetaald, hij alleszins dermate slordig en onprofessioneel gehandeld had dat hij elke zekerheid omtrent de betaling onmogelijk heeft gemaakt. De eerste rechter heeft de dringende reden dan ook terecht weerhouden en het hof beschouwt de pertinente motivering van de eerste rechter hier als zijnde herhaald. Het hoger beroep is dan ook ongegrond.
  21. De grieven van de heer P. tegen het vonnis van de eerste rechter kunnen aan deze beoordeling geen afbreuk doen. Anders dan door hem voorgesteld, zijn de dringende reden bewezen en bestaan ze geenszins uit onzekere vermoedens. Immers de hierboven besproken kernelementen worden door hem niet betwist, zodat ze vaststaan en bewezen zijn. De heer P. erkent immers dat voor elk van de drie onderdelen hij bij de transacties geen kwijtingen liet ondertekenen voor de gelden, waarvan hij voorhoudt dat hij ze aan mevrouw H. zou hebben overhandigd. Wat betreft de belangrijke bedragen van 553.065 frank en 294.122 frank is mevrouw H. bovendien zeer uitdrukkelijk dat ze deze niet heeft ontvangen en de poging van de heer P. om post factum toch een bewijsstuk van haar te ontfutselen, werd onmiddellijk gevolgd door een strafklacht van mevrouw H., die nochtans voordien telkens gesteld had dat zij vertrouwen had in de heer P.. Ook de wijzigende versies van de heer P. rond de overschotten van 2 x euro 1000 staan vast. Het staat vast dat de heer P. hier geen open kaart speelt daar hij eerst voorhoudt dat hij het overschot van euro 1000 van 12 juni 2002 onmiddellijk aan de klant overhandigd heeft, terwijl hij nadien toegeeft dat hij dit bedrag in een briefomslag in zijn schuif bewaard heeft om het later met de tweede betaling van euro 1000 te overhandigen, waar dit slechts gebeurde toen hij reeds kennis had van het aan gang zijnde onderzoek. Het niet laten aftekenen van kwijtingen voor nochtans belangrijke bedragen maakt de controle van de geldbewegingen totaal onmogelijk en dit is voor een ervaren kantoordirecteur onaanvaardbaar. De handelwijze van de heer P. heeft het vertrouwen van de klant in de bankinstelling alsmede in hemzelf gekelderd en Fortis Bank heeft door het ontbreken van bewijsstukken de bedragen van 553.065 frank en 294.122 frank aan mevrouw H. moeten uitkeren. Al deze feiten staan vast en worden door de heer P. bevestigd. Aangezien de weerhouden feiten door de erkenning van de heer P. voldoende bewezen zijn, is het overbodig om mevrouw H. op haar hoge leeftijd nog als getuige te horen. Het getuigenaanbod is dan ook niet ter zake dienend. Ten onrechte wil de heer P. de zwaarwichtigheid van zijn handelwijze in vraag stellen. Zijn verwijzing naar vroegere gelijkaardige handelwijzen doet daaraan geen afbreuk; de noodzaak om correct te handelen is in zijn functie evident en dient ook zonder geschreven instructie voor hem duidelijk te zijn.
  22. Evenmin kan zijn kritiek op de werkwijze van de audit worden gevolgd. De te volgen procedures werden voorafgaandelijk bepaald in artikel 20 van het arbeidsreglement en voor elke ondervraging ondertekende hij een document, waarin zijn rechten werden gepreciseerd. Wanneer de heer P. niet onmiddellijk kon antwoorden en tijd vroeg voor verder nazicht door hemzelf of voor bespreking met zijn advocaat, kreeg hij hiervoor telkens de gelegenheid. Het is begrijpelijk dat de confrontatie tijdens het onderzoek met zijn tekortkomingen op hem indruk kan hebben gemaakt. Uit het verslag van het onderhoud van 14 augustus 2002, p. 2 volgt niettemin dat de heer P. aan de onderzoekers vroeg of hij ‘alle' vragen diende te beantwoorden en dat hij duidelijk maakte dat hij zich niet goed voelde met de ondervraging. Hierop hebben de onderzoekers voorgesteld om te pauzeren, maar de heer P. deelde mee dat dit niet nodig was. Hieruit blijkt dat men tijdens het onderzoek met de persoonlijke situatie van de heer P. rekening heeft gehouden. Zijn verwijt over de intimiderende en agressieve manier van de audit, snijdt dan ook geen hout.
  23. Aangezien de dringende reden bewezen zijn, kan de heer P. geen aanspraak maken op de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding. Hetzelfde geldt voor de schadevergoeding wegens miskenning van de specifieke waarborg van niet ontslag. Op grond van hoofdstuk 2 §2.1 van de CAO van 14 september 2000 kon de onderneming een werknemer ontslaan wegens dringende reden, mits dit gebeurt met inachtneming van de waarborgen en de procedure voorzien in het arbeidsreglement. Hieraan werd ten deze voldaan. Ook kan de heer P. geen aanspraak maken op een schadevergoeding wegens ontslag als vakbondsafgevaardigde. De eerste rechter heeft terecht opgemerkt dat de werkgever voldaan had aan de mededelingsplicht van artikel 21 van de CAO van 6 juli 1978, zoals blijkt uit de e-mail van 30 oktober
  24. Bovendien was de syndicale afvaardiging in de persoon van W. C. betrokken bij de verhoren van de heer P. door de voorzitter van het comité (28 oktober 2002) en door de gedelegeerd bestuurder (29 oktober 2002), zodat de delegatie in kennis was van het voornemen tot ontslag. De forfaitaire vergoeding van artikel 22 van deze CAO is door de werkgever enkel verschuldigd, indien de werkgever een afgevaardigde heeft ontslagen om dringende redenen en de arbeidsrechtbank het ontslag ongegrond heeft verklaard, wat hier dus niet het geval is. Artikel 22 voorziet niet in de sanctie van betaling van een forfaitaire vergoeding bij het niet naleven van de vormvereisten van artikel 21 (vgl. Artikel 22 en de niet naleving van de voorwaarden van artikel 20, waarbij de forfaitaire vergoeding wel verschuldigd is). Ten slotte heeft de eerste rechter terecht opgemerkt dat de heer P. zijn vordering tot betaling van het achterstallig loon of zijn recht op een mogelijke bonus helemaal niet staaft en dat hij zelfs niet vermeldt welke loonbedrag er niet zou zijn betaald. Terecht werd deze vage vordering afgewezen als zijnde ongegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt de heer P. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van Fortis Bank begroot op basisbedrag rechtsplegingsvergoeding euro 15.000, doch door het hof herleid omwille van de beperkte financiële draagkracht van de heer P. tot het minimumbedrag van euro
  25. Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Lucrèce REYBROECK, Andre LEURS. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 15 oktober 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101015.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.