← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101029.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101029.3 Rolnummer: 2009/AB/052515 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-11-09 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-01 13:59 Fiche 1 Het vakantiegeld kan niet in het loon worden begrepen. De werkgever en de werknemer kunnen geen overeenkomst sluiten waarbij een bonus berekend werd inclusief het vakantiegeld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Vakantiegeld Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE - KB van 30/03/1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 38bis - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: Gerangschikt onder Gec.W. 28/06/1971 (KB 30/03/1967, artt. 38bis en 39). Een andere korte inhoud is gerangschikt onder I D (voorafg title wetboek Strafvord.)art. 5bis. Fiche 2 Bij een burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf dient de eiser met betrekking tot de door hem weerhouden aflopende misdrijven het voorwerp en de feitelijke oorzaak van zijn vordering te preciseren en af te bakenen. Gelet op de bewijslast, die op hem rust, zal hij het bewijs van de misdrijven aantonen om zijn delictuele vordering te gronden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Algemeen (voorafgaande titel Sv.) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING . Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Nota: Gerangschikt onder I D (voorafg. title Wetboek strafvordering) art. 5bis. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder VII G (Gec.W. 28/06/1971) - KB 30/03/1967, artt. 38bis en

  1. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 OKTOBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: R. J., appellant, vertegenwoordigd door mr. DE VREESE Jurgen loco mr. HOFKENS Jan, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C b
  2. Tegen:
  3. ANHEUSER-BUSCH INBEV NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Grote Markt 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. GIELEN Annelies, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Generaal Lemanstraat,
  4. ANHEUSER-BUSCH INBEV NV, met exploitatiezetel te 3000 LEUVEN, Brouwerijplein 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. GIELEN Annelies, advocaat te 2600 ANTWERPEN, Generaal Lemanstraat,
  5. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 20 juli 2009 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 08/1816). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 september 2009; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 2 maart 2010, - de conclusie voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 29 december 2009 en de syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 2 juni 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 1 oktober 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
  6. De heer R. J. en de NV Interbrew Belgium, later omgevormd tot NV InBev en nog later tot Anheuser-Busch InBev NV (hierna afgekort tot InBev) sloten een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor de heer R. met ingang van 1 februari 1998 in dienst kwam als bediende. Met ingang van 1 september 2003 werd hij bevorderd in een directeursfunctie, met name tot Director Global Packaging & Sales Equipement Department. In november 2007 vond er een reorganisatie plaats waardoor de directiefunctie van de heer R. werd opgesplitst, wat tot onderlinge besprekingen aanleiding gaf. Bij aangetekende brief van 30 april 2008 werd de arbeidsovereenkomst van de heer R. door InBev beëindigd met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 9 maanden, wat overeenkwam met euro 158.077,
  7. In een aangetekende brief van de raadsman van de heer R. aan de NV InBev van 2 juli 2008 gaf deze zijn aanmerkingen op de reorganisatie en vroeg hij betaling van een opzeggingsvergoeding van 17 maanden op basis van een jaarloon van euro 244.865,68, samen met een vertrekpremie van euro 19.000 netto, achterstallige vakantiegelden op bonussen voor de ganse periode van tewerkstelling of euro 58.000,54, outplacement, een pro rata bonus 2007, behoud van de aandelenopties en een financiële compensatie voor het vervroegd inleveren van de bedrijfswagen. Bij schrijven van InBev van 29 augustus 2008 werden deze aanspraken afgewezen, met uitzondering van de aandelenopties in de mate dat dit voorzien was door het toepasselijke plan.
  8. Partijen kwamen aldus niet tot overeenstemming, zodat de heer R. zijn werkgever op 3 oktober 2008 dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Leuven; hij vorderde na aanpassing van zijn eis in conclusies: - een saldo opzeggingsvergoeding op basis van 16 maanden of euro 160.040,21 - een vertrekpremie van euro 19.000 netto - vakantiegeld op bonussen of euro 58.000,54 - een pro rata bonus 2008 of euro 1 provisioneel en het vakantiegeld hierop of euro 1 provisioneel vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten - overlegging van de verzekeringscontracten aanvullend pensioen en hospitalisatie - betaling van de werkgeversbijdragen in de hospitalisatieverzekering voor de periode van de opzeggingsvergoeding - afgifte van de sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom - betaling van de gerechtskosten.
  9. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 20 juli 2009 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard ten belope van een saldo opzeggingsvergoeding van de euro 46.740 provisioneel (op basis van 11 maanden), onder voorbehoud van de patronale bijdragen pensioenfonds, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten; de zaak werd in voortzetting gesteld wat betreft de verrekening van de patronale bijdragen pensioenfonds en de beslissing over de gerechtskosten werd aangehouden.
  10. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 september 2009, tekende de heer R. hoger beroep aan en vroeg dat zijn initiële vordering gegrond zou worden verklaard ten belope van: - een saldo opzeggingsvergoeding op basis van 16 maanden of euro 160.040,21, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten op bruto - vakantiegeld op bonussen of euro 58.000,54, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten op netto vanaf 2 juli
  11. Tevens vroeg hij: - de veroordeling van de werkgever tot mededeling van de actuariële berekeningsmethode en tot afgifte van het uittredingsformulier in verband met het aanvullend pensioen; - de veroordeling tot betaling van de werkgeversbijdragen in de hospitalisatieverzekering voor de periode van de opzeggingstermijn - afgifte van de sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom - veroordeling tot betaling van de gerechtskosten; in ondergeschikte orde vroeg hij wat betreft de aanvullende opzeggingsvergoeding betaling van euro 177.683,21 bruto. Ter zitting van 1 oktober 2010 preciseerde de heer R. dat zijn vordering aanvullende opzeggingsvergoeding gesteld werd ten provisionele titel en dat hij zijn vordering achterstallig vakantiegeld ex delicto stelde. De NV InBev tekende bij beroepsbesluiten van 29 december 2009 incidenteel beroep aan wat betreft de opname van de patronale bijdrage van de groepsverzekering in het bruto jaarloon voor de berekening van de opzeggingstermijn en wat betreft de begroting van de opzeggingstermijn op 11 maanden. Zij vroeg derhalve dat de oorspronkelijke vorderingen van de heer R. volledig ongegrond zouden worden verklaard en in ondergeschikte orde dat de opzeggings-termijn zou worden beperkt tot 11 maanden, waardoor de aanvullende opzeggings-vergoeding euro 35.128,42 bruto bedroeg; ze merkte tevens op dat de intresten op het vakantiegeld slechts konden worden aangerekend op de nettobedragen vanaf de datum van dagvaarding. II. BEOORDELING. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep. De opzeggingsvergoeding
  12. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).
  13. Partijen hebben discussie over de samenstelling van het basisloon en over de begroting van de opzeggingsvergoeding. Wat betreft het basisloon, worden de onderdelen bonus, werkgeversbijdrage pensioenfonds, drankenkaart en representatiekosten en vakantiegeld op bonus betwist. Bonus en vakantiegeld hierop
  14. Het variabel loon moet op een reële wijze worden becijferd als onderdeel van het lopend loon, dit is het loon waarop de werknemer aanspraak heeft op grond van de arbeidsovereenkomst waardoor hij gebonden is op de dag van het ontslag. (Cass., 16 november 1992, R.W. 1992 -93, 991). Bij de vaststelling van het lopend loon voor de berekening van de opzeggings-vergoeding is artikel 131 niet van toepassing, zodat er voor de rechter geen verplichting is om het loon van de twaalf laatste maanden in aanmerking te nemen (Cass. 24 oktober 2005, JTT 2006, 183). Maar dit neemt niet weg dat de rechter bij de reële becijfering van het lopend loon de twaalf laatste maanden als referentieperiode kan nemen, wanneer hij vaststelt dat dit het best overeenkomt met de reële waardering. (noot D. Votquenne bij Cass. 24 oktober 2005, De opname van het variabel loon in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding, JTT 2006, 185). De heer R. licht toe dat de bonusregeling voor de prestaties van het jaar 2006 werd aangepast en verzet zich om die reden tegen de becijfering van zijn werkgever die een gemiddelde berekende over de prestatiejaren 2005 -2006 -
  15. Uit de stukken kan inderdaad worden afgeleid dat er voor de prestaties van het jaar 2005 (bonus 2006) een bonus was van euro 35.043,72, terwijl er voor de prestaties van het jaar 2006 en 2007 respectievelijk een bonus was van euro 117.800,75 (bonus 2007) en euro 94.856,96 (bonus 2008). Tevens wordt de aangepaste bonusregeling sinds 2006 voorgebracht (stuk 32 R.). In die omstandigheden kan voor de vaststelling van het basisloon de door InBev berekende bonus 2008 ten bedrage van euro 94.856,96, (zoals deze blijkt uit stuk 21 van de heer R.) vermeerderd met het vakantiegeld hierop a rato van 15,34%, hetzij euro 14.551,06 als referentie worden genomen. Werkgeversbijdrage pensioen
  16. InBev meent dat er geen werkgeversbijdrage in het basisloon voor de opzeggingsvergoeding kan worden opgenomen, omdat het pensioenfonds gefinancierd wordt door een totale bijdrage, zodat er geen geïndividualiseerde jaarlijkse storting gebeurt voor de heer R.. De heer R. daarentegen wijst op de bepalingen van artikel 28 van het pensioenreglement 2003 en leidt hieruit af dat er wel een individualiseerbare bijdrage kan becijferd worden, mits de werkgever de actuariële berekeningsmethode voorbrengt.
  17. Het pensioenplan 2003 heeft tot doel aan de aangesloten werknemers of aan hun begunstigden voordelen toe te kennen bij pensionering, bij overlijden of bij invaliditeit. Hoofdstuk VII regelt de betaling van de bijdragen hiervoor. In artikel 27 wordt voorzien in de betaling van een persoonlijke bijdrage door de werknemer. Maandelijks wordt 1/12 van deze persoonlijke bijdrage ingehouden op het loon van de actieve aangeslotene. Artikel 28 regelt de dotatie door de vennootschap en bepaalt: De vennootschap bepaalt het ontbrekende bedrag van het totale bijdrage die nodig is om de voordelen van het Plan te kunnen betalen. Daarom draagt de Vennootschap ieder jaar het bedrag bij dat door de actuaris van het pensioenfonds is bepaald en dat nodig is om een gezond beheer van het plan en de financiële stabiliteit van het Pensioenfonds te waarborgen. Dit bedrag volgt uit de bij de Commissie voor Bank-, Financie- en Assurantiewezen neergelegde actuariële parameters. De persoonlijke bijdrage is alleszins geïndividualiseerd en de dotatie door de vennootschap is een aanvulling voor het ontbrekende bedrag. Het feit dat het ontbrekende bedrag wordt betaald via een totale bijdrage, sluit niet uit dat mogelijk via de actuariële berekening de werkgeversbijdrage kan worden geïndividualiseerd. De heer R. kan aldus worden bijgetreden in zijn vraag om op grond van artikel 877 Ger. W. de actuariële berekeningsmethode mee te delen teneinde hem toe te laten om de op hem betrekking hebbende werkgeversbijdrage in het aanvullend pensioen te berekenen. Het incidenteel beroep van InBev is op dit punt dan ook ongegrond. - Drankenkaart en representatievergoeding
  18. InBev legt uit dat de leden van het directiekader een drankenkaart ter waarde van euro 375 ontvangen in het kader van de kwaliteitscontrole van de producten van de brouwerij. Tevens ontvangen zij een representatievergoeding van euro
  19. InBev beschouwt deze onkosten als kosten eigen aan de werkgever, terwijl de heer R. meent dat het om een verdoken loon gaat.
  20. Gelet op de directeursfunctie van de heer R. als Director Global Packaging & Sales Equipement Department is het aannemelijk dat hij betrokken was bij het nazicht van de kwaliteit van het product en dat hij representatiekosten had die op forfaitaire wijze werden vergoed. Immers het bewijs van de werkelijke kosten kon op praktische bezwaren stuiten, doordat men hiervoor een uitgebreide administratie betreffende kleine bedragen diende bij te houden. Rekening houdend met het loon van de heer R. zijn de gehanteerde bedragen niet kennelijk overdreven en wordt er derhalve niet aangetoond dat deze posten een verdoken looncomponent zouden inhouden. Terecht heeft de eerste rechter deze dan ook niet weerhouden voor de bepaling van het basisloon van de opzeggingsvergoeding. Anciënniteitspremie
  21. InBev brengt in de begroting van het jaarloon een anciënniteitpremie ter waarde van euro 1.768,59 in rekening, terwijl de heer R. een bedrag van euro 1.995,56 vooropstelt. Uit de loonfiche van maart 2008 kan afgeleid worden dat de anciënniteitpremie euro 1.995,56 bedraagt. Recapitulatie jaarloon Basisloon 8623,87 x 13,975 120.518,58 Variabel loon - bonus 94.856,96 Vakantiegeld op bonus 14.551,06 Bedrijfswagen 400 x 12 4.800,00 Maaltijdcheques 4,88 x 229 1.117,52 Anciënniteitspremie 1.995,56 Werkgeversbijdrage pensioenfonds p.m. Totaal euro 237.839,68 Begroting opzeggingstermijn
  22. Rekening houdend met de anciënniteit van 10 jaar en 3 maanden, de leeftijd van 35 jaar en 9 maanden (° 13 juli 1972), de directeursfunctie en het jaarloon van euro 237.839,68 provisioneel kan de kans voor de heer R. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op de duur van 14 maanden. De door de heer R. ingeroepen omstandigheden eigen aan de zaak doen daaraan geen afbreuk en de voorgaanden aan het ontslag hebben geen wezenlijke weerslag op zijn mogelijkheden om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden. Hij kan dan ook aanspraak maken op een provisionele opzeggingsvergoeding van euro 237.839,68/12 x14 = euro 277.479,62, waarop het reeds ontvangen bedrag van euro 158.077,88 in mindering moet worden gebracht, zodat hij recht heeft op een provisionele aanvullende vergoeding van euro 119.401,
  23. Voor zover als nodig, kan worden bevestigd dat de aansluiting van de heer R. bij het Medisch Plan, van toepassing bij InBev, zich uitstrekt tot de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding, wat door InBev niet wordt betwist. De wettelijke en gerechtelijke intresten op dit bedrag dienen te worden aangerekend op de brutobedragen, gelet op artikel 10 van de loonbeschermingswet van 10 april 1965, zoals gewijzigd door artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen en de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005, zoals bekrachtigd door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen. Ook dit wordt door InBev niet betwist. Het hoger beroep is op dit onderdeel gedeeltelijk gegrond en het incidenteel beroep is ongegrond. Achterstallig vakantiegeld op variabel loon
  24. Op grond van artikel 38 bis van het KB van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie (hierna genoemd het vakantiebesluit) wordt het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen niet in aanmerking genomen voor het berekenen van het bedrag van het vakantiegeld. Op grond van artikel 39 van het vakantiebesluit hebben de bedienden wier wedde gedeeltelijk veranderlijk is, wat het geval is bij de uitbetaling van een jaarlijkse variabele bonus, voor dit veranderlijk gedeelte recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die aldus verdiend werden gedurende elk der 12 maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt, voorafgegaan. Reeds in het cassatiearrest van 1 juni 1987 (JTT 1987, 313 met noot C. Wantiez) werd uit deze bepalingen duidelijk afgeleid dat het vakantiegeld niet in het loon kan worden begrepen. De werkgever en de werknemer konden derhalve geen overeenkomst sluiten waarbij een bonus berekend werd inclusief het vakantiegeld (M. Goldfays, Jaarlijkse vakantie 10 jaar rechtspraak (1999 -2009), Or. 2009, 155; J. Hebbelinck en O. Rijckaert, Variabel loon en aandachtspunten van bonussen binnen de onderneming, T.S.R. 2010, 279, nr. 18). Dit standpunt werd herbevestigd in Cass 15 januari 1990, JTT 1990,176 en Cass. 25 oktober 1999, Soc. Kron 2000,
  25. Partijen aanvaarden dit principe. InBev houdt voor dat zij telkens een onderscheid gemaakt heeft tussen de uitbetaling van de bonus en de uitbetaling van het vakantiegeld hierop. Zij verwijst hiervoor naar de loonfiches en illustreert dit met de bonus en het vakantiegeld hierop die uitbetaald werden in
  26. De heer R. daarentegen roept in dat de bonus na berekening opgesplitst werd in een gedeelte bonus en een gedeelte vakantiegeld. Dit houdt alleszins in dat ook bezien vanuit zijn standpunt minstens een gedeelte vakantiegeld aangerekend en vereffend werd. Ter zitting formuleert hij een burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf met betrekking tot achterstallig vakantiegeld en hij lijkt zich hierbij te steunen op de strafbepaling van artikel 54 van de gecoördineerde vakantiewetten van 28 juni 1971, die in artikel 46ter voorzien in een specifieke verjaringstermijn. Omdat hij achterstallen opvordert voor gans de periode van tewerkstelling met name voor 1998 tot 2007 steunt hij zich daarbij blijkbaar op een voortgezet misdrijf. Als vorderende partij heeft de heer R. de bewijslast (Cass. 11 juni 2010, www.juridat.be; Cass. 30 september 2004, A.C., 2004, nr. 445).
  27. Voor een voorgezet misdrijf is eenheid van opzet vereist. Eenheid van opzet bestaat uit een bepaald doel of een plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen, waardoor ze worden beschouwd als één enkel strafbaar feit, doordat ze voortvloeien uit éénzelfde misdadig opzet (Cassatie, 4 september 1974, JTT 1975,251). Het staat aan de feitenrechter te oordelen of verscheidene misdrijven wegens eenheid van opzet één enkel strafbaar feit uitmaken (Cassatie, 4 december 1989, R.W. 1989-1990, 1192). Het regelmatig en aanhoudend verzuim van een werkgever om loon of vakantiegeld te betalen wordt door de rechtspraak in bepaalde gevallen beschouwd als een voortgezet misdrijf (Arbeidshof Antwerpen, 2 maart 1981, JTT 1982, 34).
  28. Gelet op de bewijslast, die op de heer R. rust, dient hij de elementen aan te brengen waarop een mogelijk voortgezet misdrijf steunt. Dit betekent dat hij het verbindende doel of plan voor een eenheid van opzet moet aantonen. Dit bewijs ontbreekt. In verband met de opname van de bonus en het vakantiegeld hierop in het basisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding benadrukt de heer R. immers zelf dat er met ingang van 2006 een nieuw bonussysteem werd ingevoerd en hij verwijst hiervoor naar zijn stuk
  29. Aangezien aldus de basis van het bonussysteem alleszins in 2006 veranderd werd in het voordeel van de directeurs, is er geen bewijs van een verbindend plan of doel over de verschillende jaren heen en derhalve kan eenheid van opzet niet worden aanvaard, omdat de misdrijven, die afgeleid kunnen worden uit een wijzigend bonussysteem, niet als een enkel strafbaar feit kunnen worden beschouwd. Rest dan de vraag welke aflopende misdrijven, de heer R. binnen de geldende verjaringstermijn, weerhoudt en hoe hij het bestaan van deze misdrijven bewijst aan de hand van de thans voorgelegde stukken. Sinds het cassatiearrest van 14 april 2005 (J.L.M.B. 2005, 856 met noot; JT 2005, 659 met noot) is het immers duidelijk dat de oorzaak van de vordering gelegen is in het geheel van feiten die de eisende partij inroept teneinde de vordering te onderbouwen, onafhankelijk van de juridische kwalificatie die zij daaraan geeft en ongeacht de toepasselijke wetsbepalingen waarop zij zich beroepen heeft. Dit geldt ook voor de problematiek van de kwalificatie van de vordering in het arbeidsrecht, zoals kan afgeleid worden uit het cassatiearrest van 23 oktober 2006 (JTT 2007, 227 met conclusie Openbaar Ministerie) en nog duidelijker uit de cassatiearresten van 22 april 2007 ( JTT 2007, 289 en JTT 2007, 481). De heer R. dient dus met betrekking tot de door hem weerhouden aflopende misdrijven het voorwerp en de feitelijke oorzaak van zijn vordering te preciseren en af te bakenen. Gelet op de bewijslast, die op hem rust, zal hij het bewijs van misdrijven aantonen om zijn delictuele vordering te gronden. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht sprekend op tegenspraak, Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en reeds in hierna bepaalde mate gegrond; Veroordeelt de NV Anheuser-Bush InBev tot betaling aan de heer R. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van euro 119.401,74 provisioneel, te vermeerderen met wettelijke intresten vanaf 30 april 2008 en de gerechtelijke intresten op bruto; Zegt voor recht dat de aansluiting van de heer R. bij het Medisch Plan, van toepassing bij InBev, zich uitstrekt tot de periode gedekt door de opzeggings-vergoeding, zijnde 14 maanden na 30 april
  30. Veroordeelt de NV Anheuser-Bush InBev op grond van artikel 877 Ger. W. tot afgifte aan de heer R. van de actuariële berekeningsmethode overeenkomstig artikel 28 van het voorzorg plan 2003; zegt dat deze afgifte dient te gebeuren voor 15 december
  31. Heropent de debatten teneinde de heer R. toe te laten een definitieve afrekening op te maken van de opzeggingsvergoeding en teneinde partijen toe te laten verder te antwoorden op wat gesteld is in randnummer
  32. Zegt dat de heer R. dienaangaande een conclusie kan neerleggen uiterlijk op 31 januari
  33. Zegt dat de NV Anheuser-Bush InBev dienaangaande een conclusie kan neerleggen uiterlijk op 15 maart
  34. Zegt dat de heer R. zijn eventuele antwoord- én synthesebesluiten kan neerleggen uiterlijk op 15 april 2011; Zegt dat de NV Anheuser-Bush InBev haar eventuele antwoord- én synthesebesluiten kan neerleggen uiterlijk op 29 april 2011; Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van dit Hof (zaal 0.6), Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel op 10 juni 2011 om 14 uur 15'. Om nadien verder te oordelen als naar recht; Kosten aan te houden. Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Lucrèce REYBROECK, Andre LEURS. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 29 oktober 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101029.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.