id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101126.7 Rolnummer: 2009/AB/052307 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-12-02 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-01 14:10 Fiches 1 - 2 De gelijkwaardigheid tussen de pensioenstelsels van de gemeenschapsuniversiteiten en het pensioen en aanvullend pensioen van de vrije universiteiten, is een subsidievoorwaarde van de subsidiërende overheid en een beleidsnorm, die er niet aan in de weg staat dat er punctuele verschillen blijven bestaan, daar de gelijkwaardigheid globaal moet worden beoordeeld. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Andere Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ARBEID IN OVERHEIDSSECTOR OF ONDERWIJS. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 12-06-1991 - 136,§1,3° - 41 ELI link Pub nr 1991035841 Nota: Gerangschikt onder II S (Universiteitsdecreet 12/06/1991, art. 136 § 1, 3°). Eveneens gerangschikt onder II R (CAO 28/03/2006). Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder XIII art. 3 en XIII art. 12 §§ 1 en
- UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - AANVULLENDE PENSIOENEN. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 28-03-2006 Nota: Gerangschikt onder II R (CAO 28/03/2006). Eveneens gerangschikt onder II S (Universiteitsdecreet 12/06/1991, art. 136 § 1, 3°). Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder XIII art. 3 en XIII art. 12 §§ 1 en
- Fiche 3 Wanneer voor de toepassing van een bepaling uit een aanvullende pensioentoezegging een interpretatie dient te geschieden, dient men die toepassing te nemen die een discriminatie op grond van de burgerlijke staat uitsluit. Bij mogelijke verschillen tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden, dient men de voorkeur te geven aan die interpretatie die het verschil uitsluit, wat het geval is wanneer men het reële wettelijke pensioen in aanmerking neemt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Andere (discriminatie - racisme - xenofobie) Vrije woorden: ANTIDISCRIMINATIE - Op grond van burgerlijke staat. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-05-2007 - 3 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Nota: Gerangschikt onder XIII art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II S (Universiteitsdecreet 12/06/1991, art. 136 § 1, 3°), II R (CAO 28/03/2006) en XIII art. 12 §§ 1 en
- Fiche 4 Een onderscheid op basis van de verschillende levensverwachting tussen de geslachten vormt geen verboden discriminatie tussen mannen en vrouwen, zodat verschillende sterftetafels en actualisatieregels volgens het geslacht mogelijk zijn. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Andere (discriminatie - racisme - xenofobie) Vrije woorden: ANTIDISCRIMINATIE - Op grond van geslacht. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-05-2007 - 12,§1 - § 2 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Nota: Gerangschikt onder XIII art. 12 §§ 1 en
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder II S (Universiteitsdecreet 12/06/1991, art. 136 § 1, 3°), II R (CAO 28/03/2006) en XIII art.
- Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 NOVEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: A.L. , wonende te [xxx], appellant, vertegenwoordigd door mr. DECRAEMERE en mr. MAES Kris, advocaten te 3001 HEVERLEE, Philipssite 5, (Ubicenter). Tegen: KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, vertegenwoordigd door haar Raad van Bestuur, met zetel te 3000 LEUVEN, Oude Markt 13, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. WILLEMYNS Philip, advocaat te 3000 LEUVEN, Leopold I straat
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 9 april 2009 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 08/300/A). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 juli 2009; - de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 8 januari 2010 en de syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 29 april
- - de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 november 2009 en de syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 15 maart 2010; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie ontvangen ter griffie op 22 september 2010; - de repliekbesluiten van de appellant ontvangen ter griffie op 22 oktober 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 september 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak voor schriftelijk advies werd meegedeeld aan het openbaar ministerie tegen 24 september 2010, waarop appellant heeft gerepliceerd, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- De heer A.L. was ingevolge een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd als bediende (ATP) tewerkgesteld op de afdeling boekhouding van de Katholieke Universiteit Leuven (hierna afgekort als KUL) van 5 mei 1969 tot 30 juni 2007, waarna hij op 60 -jarige leeftijd op pensioen ging met ingang van 1 juli
- Op 2 juli 2007 ondertekende de heer A.L. het vereffeningsdocument van de groepsverzekering voor het ATP-personeel, maar hij voegde er handgeschreven aan toe :
- Onder voorbehoud van juiste berekening extralegale rente, evenals correcte berekening van de omzetting van rente naar kapitaal.
- Tevens voorbehoud voor aftrek gezinspensioen in plaats van reëel alleenstaanden pensioen ( discriminatie wetgeving) Op 4 juli 2007 werd hem een meer gedetailleerde berekening overgemaakt. Bij schrijven van de raadsman van de heer A.L. van 14 november 2007 werden zijn bezwaren tegen het buitenwettelijk pensioen verder toegelicht in de zin dat bij de berekening voor het wettelijk pensioen het gezinspensioen in rekening werd gebracht en in de zin dat gebruik gemaakt werd van verouderde sterftetabellen, waardoor hem een te laag kapitaal werd uitgekeerd.
- Na een herinneringschrijven van 7 januari 2008, dagvaardde de heer A.L. de KUL op 1 februari 2008 voor de arbeidsrechtbank te Leuven en hij vroeg: - dat zou worden bevolen dat de KUL een gedetailleerde en éénduidige berekening zou verschaffen van het buitenwettelijk pensioen en dat bij gebreke hieraan een deskundige zou worden aangesteld voor deze berekening; - dat de KUL zou worden veroordeeld tot rechtzetting van het bedrag van het buitenwettelijk pensioen volgens de bevindingen van de deskundige - dat de KUL zou worden veroordeeld tot betaling van euro 1 provisioneel ten titel van gederfd kapitaal voor te weinig ontvangen buitenwettelijk pensioen, meer de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten. In een tussenvonnis van 8 januari 2009 heropende de arbeidsrechtbank de debatten, omdat de zaak verplicht mededeelbaar was aan het Openbaar Ministerie. In het eindvonnis van 9 april 2009 werd de vordering ontvankelijk, doch niet gegrond verklaard met veroordeling van de heer A.L. tot de gerechtskosten.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 7 juli 2009, tekende de heer A.L. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering; tevens vroeg hij dat hij zou worden toegelaten door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen aan te tonen dat het berekende aanvullend pensioen geen gelijkwaardig statuut opleverde met het pensioensysteem van de rijksuniversiteiten en een mathematisch ongelijkwaardig en concreet minder resultaat geeft. II. BEOORDELING.
- Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. De draagwijdte van de gelijkwaardigheid in artikel 136 §1, 3° van het universiteitsdecreet van 12 juni 1991
- Artikel 136 §1, 3° van het universiteitsdecreet van 12 juni 1991 (BS 4 juli 1991, err. BS 3 oktober 1991) (hierna aangeduid als universiteitsdecreet) voorziet in de toekenning door de Vlaamse Gemeenschap van een toelage aan de vrije universiteiten voor de uitgaven die voortvloeien uit de wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen en - lasten, met inbegrip van de door de instellingen te financieren aanvullende pensioenen, om een gelijkwaardig statuut te verzekeren als voor de universiteiten, vermeld in artikel 3, 2°, a, 4° a), en 5° (bedoeld wordt: de gemeenschapsuniversiteiten). De heer A.L. leidt uit deze bepaling af dat de KUL op het gebied van aanvullende pensioenen diende te voorzien in een gelijkwaardig statuut als de pensioenregeling van de gemeenschapsuniversiteiten. De oude regeling i.v.m. het statuut en de gelijkwaardigheid
- Artikel 202, 25° van het universiteitsdecreet heeft de wet van 27 juli 1971 op de financiering van de universiteiten grotendeels opgeheven, waaronder het artikel 41 van deze wet. Dit voorheen geldend artikel 41 luidde: Bij beslissing van hun Raad van Beheer stellen de door de Staat gesubsidieerde inrichtingen, voor hun personeel, een statuut vast dat gelijkwaardig is aan het statuut vastgesteld door de wetten en reglementen voor het personeel van de universitaire inrichtingen van de Staat. In het cassatiearrest van 11 oktober 1982 (RW 1982-83, kol. 1625 ev. met conclusie Openbaar Ministerie) werd geoordeeld dat het verplicht op te stellen statuut kon afwijken van de dwingende bepalingen van de algemene arbeidsovereenkomsten-wet, in zoverre nodig om de wettelijk vereiste gelijkwaardigheid te bereiken en dat de individuele personeelsleden ten aanzien van hun rechtstoestand een beroep konden doen op voormeld artikel
- In de conclusie van het Openbaar Ministerie wordt dit als volgt toegelicht: Het gebeurt wel dat de wet een voorwaarde stelt om een bepaald voordeel te kunnen genieten - bijvoorbeeld een subsidie -, en dat diezelfde voorwaarde niet geldt voor de toepassing van andere regelingen. Maar als die voorwaarde erin bestaat een bepaalde handeling te stellen, moeten aan die handeling toch alle rechtsgevolgen worden verbonden die ze uiteraard heeft. Bestaat die handeling, zoals ten deze, in het uitvaardigen van een regeling, dan moet die regeling ook worden toegepast, d.w.z. de dat de rechtssubjecten die eronder vallen, respectievelijk aanspraak hebben op de rechten en gehouden zijn tot nakoming van de verplichtingen die uit de regeling voortvloeien. Betreft het een personeelsstatuut, dan kunnen de personeelsleden hun aanspraken doen gelden tegenover degene die hen in dienst heeft en moet deze laatste de verplichtingen nakomen en de regels toepassen die zijzelf heeft uitgevaardigd. Artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 legt de universiteit dus ongetwijfeld een dwingende verplichting op. In deze conclusie wordt dan verder uitgelegd dat het door de universiteiten op te stellen statuut juist omwille van de bepaling van dit artikel 41 kon afwijken van de dwingende bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet (zie in dezelfde zin Cass. 13 mei 1991, JTT 1991, 314; Cass. 7 september 1992, JTT 1992, 452; Cass. 30 november 1992, JTT 1993, 61, noot). In de zaak die geleid heeft tot het cassatiearrest van 11 oktober 1982, had de vrije universitaire instelling nagelaten een statuut in de zin van artikel 41 op te stellen. In een later arrest preciseerde het Hof van Cassatie dat artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 niet vereist dat het statuut van het personeel van de vrije door de Staat gesubsidieerde universitaire instellingen en het statuut van het personeel van de universitaire instellingen van de Staat identiek zijn; dat het, gelet op de verschillen in feite en in rechte tussen die instellingen, aan de door de Staat gesubsidieerde universitaire instelling een eigen beoordelingsmarge laat. (eigen onderlijning) (Cass. 25 februari 1991 Arr.Cass. 1990-91, 687; Bull. 1991, 611; Pas. 1991, I, 611; RW 1991-92 , 327; Soc.Kron. 1991, 221; TORB 1991-92, 59, noot J.D.G.)
- De gelijkwaardigheid tussen de vrije universiteiten en de rijksuniversiteiten, die in artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 als richtsnoer voor het uit te werken statuut werd vooropgesteld, werd tevens uitvoerig besproken in de rechtsleer. Zo wees prof. L.P. Suetens er op dat in de memorie van toelichting over artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 werd gesteld:" deze bepaling heeft tot doel in de mate van het mogelijke, het statuut van het personeel van de inrichtingen eenvormig te maken" (Parl. Doc. Kamer, 1043 ( 1970 -1971), Nr. 1, p. 22) (L.P. Suetens, Gelijkwaardigheid tussen de vrije universiteit en rijksuniversiteit in Het juridisch statuut van het academisch en wetenschappelijk personeel, Acco, 1982, 35 ). Met verwijzing naar het advies van de Raad van State concludeerde deze auteur dat gelijkwaardigheid niet gelijk staat met ‘ gelijkheid' (idem. p. 38). Uit het door de auteur geciteerde advies kan afgeleid worden dat de wetgever bij het opleggen van de verplichting om een statuut uit te werken op basis van gelijkwaardigheid voor ogen had dat de onafhankelijkheid van de vrije instellingen slechts kon worden beperkt in de mate van het strikt noodzakelijke. De gelijkwaardigheid werd geconditioneerd door obstakels in feite en in rechte, aldus de Raad van State. In dezelfde bundel schreef prof. R. Blanpain: Art. 41 laat de wijze waarop de Universiteit deze rechtspositie van haar personeel naar de gelijkwaardigheid toe zal bepalen vrij. Als privé rechtspersoon heeft de Universiteit, rekening houdende met de bepalingen vervat in artikel 51 van de wet van 5 december 1981 (lees 1968) betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, daartoe twee fundamentele mogelijkheden: ofwel het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten met één of meer representatieve vakorganisaties, ofwel het rechtstreeks wijzigen van de individuele arbeidsovereenkomst tussen Universiteit een personeelslid . Het is de eerste weg die de KU Leuven voor het wetenschappelijk personeel gekozen heeft (idem, p. 24). Het universiteitsdecreet en de gelijkwaardigheid enkel nog als subsidievoorwaarde
- Zoals in randnummer 3 reeds aangegeven, werd artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 opgeheven door het universiteitsdecreet van 12 juni
- Uit de algemene uitgangspunten, zoals ze geschetst worden in de memorie van toelichting van dit decreet kan afgeleid worden dat de decreetgever de autonomie van de universiteiten verder heeft willen vergroten en de overheidsbemoeienis tot een strikt minimum heeft willen beperken (Parl. St. Vl. R. 502 (1990-1991), nr. 1, p. 46). De gelijkwaardigheid, die in artikel 41 van de wet van 27 juli 1971 nog werd opgelegd als richtsnoer voor een verplicht uit te werken statuut, komt in artikel 136 §1, 3° van het universiteitsdecreet van 12 juni 1991 dan ook enkel nog naar voor als subsidievoorwaarde voor een bijkomend krediet dat aan de vrije universiteiten wordt toegekend voor de betaling van de patronale sociale zekerheidsbijdragen en de financiering van de aanvullende pensioenen. Enerzijds heeft de decreetgever dus de autonomie van de vrije Universiteit instellingen willen vergroten, maar anderzijds heeft hij ook specifieke instrumenten opgenomen voor een zorgvuldige controle en verantwoording ten aanzien van de Vlaamse overheid; deze hielden onder meer in dat een transparante begroting diende te worden opgesteld en dat er een procedure werd uitgewerkt voor begrotingswijzigingen op verzoek van de overheid met in het uiterste geval de mogelijkheid om bepaalde uitkeringen in te houden (Parl. St. Vl. R. 502 (1990-1991), nr. 1, p. 54) (zie de artikelen 161 en 165 van het decreet). Het universiteitsdecreet legt aan de instellingen dus niet meer de verplichting op om een statuut i.v.m. de gelijkwaardigheid uit te werken; overigens regelt het decreet zelf een aantal kernpunten van de rechtspositieregeling van het personeel, dat geldt voor alle universiteiten (zie voor het administratief en technisch personeel: hoofdstuk V, art. 107 tot 121bis) (zie hierover meer uitgebreid noot onder Cass. 25 februari 1991, J.D.G., Over de rechtspositie van het administratief en technisch personeel van de vrije universiteiten: nog ‘gelijkwaardig' aan deze van publiekrechtelijke instellingen, TORB 1991-92, p. 64-66, nr. 7-10). Het Openbaar Ministerie dient dan ook te worden bijgetreden in zijn advies van 22 september 2010, waar het stelt: indien de decreetgever bovendien wellicht het doel mocht bepalen waarvoor de toelagen zullen aangewend worden, kan men hier als enig gevolg aan verbinden dat het in de eerste plaats aan de schuldenaar van die toelagen zelf toekomt uit te maken of die doelstelling werd verwezenlijkt en desnoods de nodige initiatieven te nemen naar de universiteiten toe opdat door deze laatste zou kunnen geremedieerd worden aan een toestand die hem in dat opzicht onbevredigend zou voorkomen. Bovendien wordt in dit advies terecht opgemerkt dat men uit artikel 136 §1, 3° niet kan opmaken dat de decreetgever geen enkele invullingruimte open liet voor de vrije universiteiten. Het is zelfs integendeel zo dat de decreetgever een ruimere autonomie voor de vrije Universiteit instellingen voorstond dan deze die besloten lag in de vroegere financieringswet van 27 juli
- Bovendien liet men ook reeds in deze laatste, maar thans opgeheven, regeling nog een belangrijke invullingruimte aan de universiteit, daar de gelijkwaardigheid slechts in de mate van het mogelijke diende te worden gerealiseerd en daar ze geconditioneerd werd door hinderpalen in feite en in rechte (zie randnummer 4). Toepassing
- De heer A.L. brengt geen argumenten aan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de KUL een inbreuk zou gemaakt hebben op dwingende bepalingen van de voor hem geldende rechtspositieregeling. Indien de KUL niet zou voldaan hebben aan de subsidievoorwaarde in verband met de gelijkwaardigheid van de (aanvullende) pensioenregeling, dan voorziet het decreet in specifieke controlemechanismen met als uiterste sanctie de gedeeltelijke inhouding van de toelagen door de overheid. De heer A.L. toont niet aan dat de Vlaamse overheid gebruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheid krachtens artikel 165 van het decreet en dat ze t.a.v. de KUL bezwaren zou hebben geformuleerd in verband met het ontbreken van gelijkwaardigheid of dat de regeringscommissaris hierover opmerkingen zou hebben geformuleerd, die zouden geleid hebben tot een wijziging van de regeling i.v.m. het aanvullend pensioen. Er kan dan ook van uitgegaan worden dat de subsidiërende overheid ermee instemde dat de voorwaarden voor het bijkomend krediet i.v.m. de gelijkwaardigheid van de (aanvullende) pensioenregeling vervuld waren. In de noot onder Cass. 25 februari 1991 wordt bovendien uitdrukkelijk benadrukt dat de gelijkwaardigheid in het universiteitsdecreet slechts als beleidsnorm gold en dat dit ook als zodanig in de memorie van toelichting werd aangeduid (zie J.D.G., a.w., TORB 1991-92, p. 65, nr. 9, voetnoot 10). De invulling van het begrip gelijkwaardigheid
- Het hof kan instemmen met de omschrijving door de heer A.L. van het begrip gelijkwaardigheid in de zin van gelijk in waarde. Maar er dient hierbij evenzeer te worden opgemerkt dat het begrip gelijkwaardigheid niet gelijk staat met ‘ gelijkheid' (zie randnummer 5 en de verwijzing naar LP Suetens). Dit wordt ook nog eens uitdrukkelijk bevestigd in het commissieverslag: Een gelijkwaardig geldelijk statuut is daarenboven niet hetzelfde als een gelijk statuut (Parl. St. Vl. R. 502 ( 1990-1991), nr 7, p. 123) Zie in dezelfde zin Cass.25 februari 1991 (vgl. randnummer 3). Bovendien moet men bij het toetsen van de gelijkwaardigheid het volledige stelsel vergelijken, wat niet uitsluit dat er concrete en punctuele verschillen blijven bestaan. (zie uitdrukkelijk in die zin: noot onder Cass. 25 februari 1991, J.D.G., a.w., TORB 1991-92, p. 63, nr. 3: De gelijkwaardigheid moet dus globaal beoordeeld worden, en niet als identiteit in alle onderdelen). Wat betreft de vergelijking van de pensioenstelsels van de gemeenschapsuniversiteiten en de vrije universiteiten, dient het overheidspensioen van de eersten te worden vergeleken met het wettelijk pensioen plus de groepsverzekering van de tweeden. Ook dit blijkt uit het commissieverslag: Dit aanvullend pensioen, gevoegd bij het privé pensioen is gelijk aan het pensioen ten laste van de staat waar het vast benoemd administratief en technisch personeel van de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen recht op heeft (Parl. St. Vl. R. 502 (1990-1991), nr 7, p. 122). Men vertekent dan ook de vergelijking, wanneer men elementen van het overheidspensioen enkel gaat vergelijken met elementen van de groepsverzekering of wanneer men elementen van het aanvullend pensioen gaat afwegen met het overheidspensioen. Voor de vrije universiteiten moeten het wettelijk pensioen en het aanvullend pensioen als één pakket worden afgewogen t.a.v. het overheidspensioen van de gemeenschapsuniversiteiten. Ten onrechte vergelijkt de heer A.L. dan ook punctuele verschillen, zoals het gebruik van te oude sterftetafels in de groepsverzekering met de pensioenopbouw bij de overheid of zoals het pensioencomplement in het overheidspensioen, dat ontbreekt in de groepsverzekering. Een dergelijke methode leidt niet tot een adequate beoordeling van de gelijkwaardigheid, waarvoor een globale vergelijking nodig is. Toepassing via de CAO
- De KUL wijst erop dat zij voor de toelagen van artikel 136 §1, 3° van het universiteitsdecreet voldaan heeft aan de voorwaarde dat zij door middel van een aanvullende regeling heeft voorzien in een gelijkwaardig pensioenstatuut, doordat zij op 28 maart 2006 een CAO voor het ATP heeft afgesloten, die in zijn hoofdstuk 16 onder de hoofding Pensioenen een regeling heeft uitgewerkt voor een aangepaste groepsverzekering, zoals nader toegelicht in de bijlage van deze CAO. Onder punt 1 van deze bijlage wordt het doel van deze groepsverzekering toegelicht als volgt: De groepsverzekering heeft als doel door een aanvullende pensioenvoorziening boven het RSZ pensioen, een gelijkwaardig statuut te verzekeren als voor het personeel van de gemeenschapsuniversiteiten. Alhoewel dus de verplichting om een statuut in verband met de gelijkwaardigheid uit te werken in het universiteitsdecreet weggevallen is, heeft de KUL door deze CAO met haar sociale partners een gelijkwaardige regeling genegotieerd en uitgewerkt. Een dergelijke werkwijze staat borg voor een afweging van een juist begrepen gelijkwaardigheid in de zin zoals hierboven geschetst. Zij heeft het voordeel dat de werknemersgroep bij deze afweging betrokken wordt. Wanneer er na een dergelijke afweging dan nog punctuele verschillen overblijven of er zich in een concreet geval nog cijfermatige verschillen voordoen, doet dit niets af aan het vervuld zijn van de subsidievoorwaarde in verband met de gelijkwaardigheid, waarvoor een globale vergelijking nodig is. Het is dan ook niet ter zake dienend om op grond van artikel 915 ev Ger. W. een getuigenverhoor toe te staan om dergelijke gebeurlijke verschillen te illustreren. Evenmin ter zake dienend zijn de voorbereidende nota's, die aan de CAO voorafgegaan zijn, omdat mag aangenomen worden dat de sociale partners juist hebben willen verhelpen aan de bezwaren, die in deze nota m.b.t. de voorgaande regeling werden naar voren gebracht. Dit wordt overigens geïllustreerd door het feit dat de subsidiërende overheid geen bezwaren heeft geuit tegen de nieuwe regeling die in de CAO werd uitgewerkt (zie hierover randnummers 5 en 6). De CAO van 28 maart 2006 en haar bijlage i.v.m. de groepsverzekering ATP
- Wanneer de KUL voor het voldoen aan een subsidievoorwaarde, een CAO afsluit, dan moeten aan die handeling alle rechtsgevolgen worden verbonden die ze heeft. Bestaat die handeling in het uitvaardigen van een regeling dan moet die regeling ook worden toegepast, wat meebrengt dat de rechtssubjecten die eronder vallen, aanspraak kunnen maken op de rechten die eruit voortvloeien (vgl. hierboven randnummer 3). De heer A.L. kan zijn subjectieve rechten aangaande zijn aanvullend pensioen dan ook slechts putten uit de pensioentoezegging van de KUL, zoals ze voortvloeit uit de CAO van 28 maart
- Deze CAO geeft de invulling van de subsidievoorwaarde van de gelijkwaardigheid, die voor het overige ter controle staat aan de subsidiërende overheid. Omwille van artikel 9 en 51 van de CAO-wet van 5 december 1968 moet deze CAO tevens voldoen aan de hogere rechtsbronnen, zoals de discriminatiewetgeving. Welk wettelijk pensioen? Gezinspensioen of pensioen als alleenstaande
- In zijn advies van de 22 september 2010 wijst het Openbaar Ministerie erop dat in de voorgelegde bijlage 3, sub 3 van de CAO van 28 maart 2006 aangegeven ( wordt) dat de factor WP1 die in mindering wordt gebracht, het reëel wettelijk rustpensioen is dat opgebouwd werd tijdens de aanneembare jaren voor K. U. Leuven tot de pensioendatum, waarna echter onmiddellijk ter precisering wordt vermeld "(gezinspensioen voor gehuwden en alleenstaandenpensioen voor ongehuwden)" Meteen kan hier vastgesteld worden dat het pensioen voor gehuwden nochtans niet steeds een gezinspensioen is. Dergelijke zinsnede met haar parenthesis, die blijkbaar terugslaat op wat voorafgaat, is derhalve niet eenduidig (eigen onderlijning). De heer A.L. roept immers juist in dat zijn reëel pensioen geen gezinspensioen is, maar wel een pensioen als alleenstaande, zodat hij door de aftrek van het hoger gezinspensioen slechts aanspraak kan maken op een lagere kapitaaluitkering ingevolge de groepsverzekering van KUL. Volgens artikel 82 van de CAO van 28 maart 2006 worden de principes van de groepsverzekering beschreven in bijlage 1 (lees 3), die integrerend deel uitmaakt van de CAO. In zijn advies van 22 september 2010 leest het Openbaar Ministerie de verwijzing naar het reëel wettelijk rustpensioen in punt 3 van deze bijlage samen met het onderdeel 3.2.1.
- van het groepsverzekeringsreglement, waarin aangegeven wordt dat voor een gehuwde aangeslotene het gezinspensioen wordt in aanmerking genomen. Niettemin wordt in 3.2.1.
- van het groepsverzekeringsreglement WRP1 evenzeer gedefinieerd als gelijk... aan het wettelijk rustpensioen zoals bepaald door de Rijksdienst voor Pensioenen... wat toch eerder een verwijzing is naar het reëel toegekende pensioen. Dit groepsverzekeringsreglement van KBC werd echter opgemaakt op 25 april 2007 en maakt (anders dan de bijlage) met de pensioentoezegging geen deel uit van de CAO. Het groepsverzekeringsreglement diende dan ook uitvoering te geven aan wat in de pensioentoezegging van de CAO was vastgelegd, zodat dit reglement in overeenstemming diende te zijn met de pensioentoezegging en niet omgekeerd. Op grond van artikel 5 §1 van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen (BS 15 mei 2003, err. BS 26 mei 2003) behoort de beslissing tot invoering van een pensioentoezegging tot de uitsluitende bevoegdheid van de inrichter/werkgever. Ingevolge artikel 3 §1,2° van deze wet is een pensioentoezegging immers de toezegging van een aanvullend pensioen door een inrichter aan een of meerdere werknemers en/of hun rechthebbenden. Ingevolge artikel 5 §3 van deze wet wordt de uitvoering van een pensioentoezegging toevertrouwd aan een pensioeninstelling. Dit bevestigt de vaststelling dat het reglement van de groepsverzekering moet gespiegeld worden aan de beslissing tot invoering van de pensioentoezegging en niet omgekeerd. Gelet op het feit dat in de pensioentoezegging van de CAO voor het in mindering te brengen rustpensioen verwezen wordt naar het reëel wettelijk pensioen, maakt de heer A.L. dan ook terecht aanspraak op aftrok van het reële alleenstaandenpensioen. Discriminatie... ... op basis van de burgerlijke staat?
- De parenthesis, waarin voor de gehuwden verwezen wordt naar het gezinspensioen en voor de ongehuwden naar het alleenstaandenpensioen, houdt geen rekening met de pensioensituatie binnen nieuwe gezinsvormen en zoals het Auditoraat-generaal in zijn advies van 22 september 2010 aangeeft, komt een dergelijke veralgemening op gespannen voet te staan met het discriminatieverbod, gelet op de erkenning van de wettelijk samenwonenden door de wet van 23 november
- Artikel 3 van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (BS 30 mei 2007 en 5 juni 2007) vermeldt de burgerlijke staat als verboden discriminatiecriterium. De wetgever zelf heeft n.a.v. een recente wijziging van de arbeidsongevallenwet erkend dat de toestand van de wettelijk samenwonenden en de gehuwden vergelijkbaar was. Nu deze wetswijziging dateert van 11 mei 2007 en de groepsverzekeringspolis van KBC opgesteld werd op 25 april 2007, kan men moeilijk verantwoorden dat men enkel oog heeft gehad voor de traditionele samenlevingsvormen ; evenmin kan men een verantwoording zoeken in het feit dat het hier slechts om een heel beperkte groep werknemers zou gaan. Het verdient dan ook aanbeveling om de onduidelijkheid in de bijlage bij de CAO wat betreft het in mindering te brengen pensioen in die zin te interpreteren dat de opsomming in de parenthesis exemplatief en dus niet limitatief is, omdat in de tekst zelf uitdrukkelijk verwezen wordt naar het reëel wettelijk rustpensioen. De andere lezing gaat immers uit van een aftrok van een geschat wettelijk rustpensioen, wat voorkwam in oudere formules . Door het in aanmerking nemen van het reëel wettelijk rustpensioen wordt een discriminatie op grond van de burgerlijke staat uitgesloten rekening houdend met de vrijwaringsclausule in artikel 11 van de antidiscriminatiewet van 10 mei 2007, waardoor een onderscheid dat opgelegd door of krachtens een wet geen aanleiding kan geven tot vaststelling van enige vorm van discriminatie. De reëel wettelijke pensioenen worden uiteraard vastgelegd door of krachtens een wet. De heer A.L. kan derhalve enkel aanspraak maken op een bedrag aanvullend pensioen in kapitaal dat berekend wordt rekening houdend met zijn reëel wettelijk pensioen. In zoverre is zijn hoger beroep gedeeltelijk gegrond. Discriminatie op grond van het geslacht?
- Op grond van artikel 12 §1 van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (BS 30 mei 2007 en 5 juni 2007) (hierna aangeduid als genderwet) vormt een directe onderscheid op grond van geslacht een directe discriminatie. Artikel 12 §2 voegt hier echter onmiddellijk aan toe dat in afwijking hiervan verschillen gegrond op de respectieve levensverwachting en van mannen en vrouwen toegelaten zijn. Men beoogt hiermee het gebruik van haar geslacht verschillende sterftetafels en actualisatieregels, voor de omzetting van renten in kapitalen, kapitalen in de rente en voor de bepaling van overdrachtwaarden... (L. Sommerijns, Discriminatie in aanvullende WAP- pensioenstelsels, TSR 2009, 234, nr.134). Ten onrechte ziet de heer A.L. dan ook een discriminatie in de verschillende sterftetafels voor mannen en vrouwen. In randnummer 7 werd bovendien uitgelegd waarom deze sterftetafels evenmin een afbreuk doen aan de evaluatie van de gelijkwaardigheid tussen vrije universiteiten en de gemeenschapsuniversiteiten. Besluit
- Bij wijze van besluit kan dan ook worden vastgesteld dat de heer A.L. zich voor de toekenning van zijn aanvullend pensioen enkel kan baseren op de CAO van 28 maart 2006 en zijn bijlage in verband met de groepsverzekering ATP, met dien verstande dat voor de aftrok van het wettelijk rustpensioen zijn reëel wettelijk rustpensioen moet in aanmerking genomen worden. Deze CAO geeft vorm aan de gelijkwaardigheid van de pensioenstelsels tussen de gemeenschapsuniversiteiten en de KUL, wat bij toepassing van artikel 136 §1, 3° van het universiteitsdecreet als subsidievoorwaarde gold voor de Vlaamse overheid. Er wordt niet aangetoond dat deze overheid bij de controle van deze voorwaarde onregelmatigheden zou hebben vastgesteld. Het beroep van de heer A.L. is dan ook slechts gegrond in zoverre bij de berekening van zijn aanvullend pensioenkapitaal uitgegaan werd van een gezinspensioen, terwijl niet betwist wordt dat hij reëel een pensioen als alleenstaande genoot. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het gedeeltelijk eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal JJ André, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 22 september 2010, waarop gerepliceerd werd door de heer A.L. op 22 oktober 2010; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond, Zegt voor recht dat de heer A.L. aanspraak kan maken op een bedrag aanvullend pensioen in kapitaal dat berekend wordt rekening houdend met zijn reëel wettelijk pensioen, Beveelt de KUL om een aangepaste berekening te maken rekening houdend met het reëel wettelijk pensioen van de heer A.L. en veroordeelt haar tot betaling van euro 1 provisioneel ten titel van gederfd kapitaal, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf de datum van vereffening van het verzekeringscontract en met gerechtelijke intresten. Veroordeelt de KUL tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de heer A.L. begroot op Dagvaarding euro 143,49 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 1.200,00 totaal euro 2.543,49 En voor zover als nodig aan de zijde van de KUL begroot op euro 2.
- Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, Lieven LENAERTS, raadsheer, Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Lucrèce REYBROECK, Daniël HEYVAERT. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 26 november 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101126.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div