id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101203.4 Rolnummer: 2009/AB/052517 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2011-01-05 Raadplegingen: 258 - laatst gezien 2026-07-02 00:44 Fiches 1 - 2 De statutaire personeelsleden zijn in beginsel niet vergelijkbaar met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden. Het K.B. van 13/08/1990, art. 10 kon derhalve i.v.m. het weddecomplement in een verschillende regeling voorzien voor beide categorieën. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Gelijkheidsbeginsel - Statutaire en contractuele personeelsleden. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art. 10. Eveneens gerangschikt onder I J N art. 11. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art. 11. Eveneens gerangschikt onder I J N art. 10. Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 DECEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12-14, appellante, vertegenwoordigd door mr. VAN CAILLIE Benoît, advocaat te 1200 BRUSSEL, de Broquevillelaan, 116/2. Tegen: J.V. , c/o M. HENDRICKX Karel, Synd. Afgev. ABVV, 2018 ANTWERPEN, Ommeganckstraat 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevr. CALLEBAUT J., gevolmachtigde. *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 28 februari 2001 door de arbeidsrechtbank te Antwerpen, 3e kamer (A.R. 311.269 ). - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 20 april 2006 door het arbeidshof te Antwerpen, 2e kamer (A.R. 2010308). - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 20 april 2009 door het hof van cassatie, (A.R. nr S.08.0015.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.1). - de dagvaarding na cassatie ten verzoeke van de heer J.V., ontvangen ter griffie van dit hof op 18 september 2009 en betekend op 10 september 2009 door gerechtsdeurwaarder Wim Van Walleghem, plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder in vervanging van Meester Patrick Jespers, aan de Belgische Staat; - de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 19 maart 2010 en de aanvullende - en syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 23 juli 2010, - de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 17 december 2009, de syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 20 mei 2010 en de laatste syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 24 september 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 5 november 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING 1. De heer J.V. dagvaardde op 16 maart 1999 zijn werkgever, de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen teneinde aanpassing van zijn loon, vakantiegeld en eindejaarspremie te bekomen voor de periode van 2 januari 1996 tot 31 maart 1998 op basis van de weddeschaal 10B i.p.v. 10A. Bij vonnis van 28 februari 2001 werd deze vordering door de arbeidsrechtbank te Antwerpen toegekend. 2. De Belgische Staat tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 30 april 2001. De heer J.V. legde in graad van hoger beroep op 20 maart 2002 en 13 november 2003 beroepsconclusies neer, waarbij hij op grond van artikel 807 Ger. W. zijn vordering uitbreidde in betaling van: - bijkomend achterstallig loon van 2 januari 1996 tot 31 maart 1998 ten bedrage van euro 3.796,27 - bijkomende aanpassing vakantiegeld 1996 van euro 16,51 - bijkomende aanpassing vakantiegeld 1997 van euro 16,83 - bijkomende aanpassing vakantiegeld 1998 van euro 17,20 - bijkomende aanpassing eindejaarspremie 1996 van euro 42,12 - bijkomende aanpassing van eindejaarspremie 1997 van euro 42,96 - achterstallige vormings- en herstructureringspremies van euro 5.875,08 meer de wettelijke, minstens vergoedende intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten. Bij arrest van 20 april 2006 bevestigde het arbeidshof te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter, mits aanpassing van de bedragen, omdat de weddeschaal 10B slechts kon toegekend worden vanaf 1 februari 1996. Wat betreft de vordering op grond van artikel 807 Ger. W. wees het arbeidshof de heer J.V. af, omdat deze deels ongegrond was, deels niet toelaatbaar was wegens de verjaring op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. Wat betreft de aanvankelijke vordering, kende het arbeidshof de gevraagde weddeschaal toe op basis van artikel 8 van de arbeidsovereenkomst van 2 januari 1992. Het arbeidshof erkende dat de heer J.V. als contractueel personeelslid geen graadanciënniteit kon verwerven. Deze is immers voorbehouden voor de statutaire personeelsleden. Op die basis voldoet hij dan ook niet aan de voorwaarden van het KB van 13 augustus 1990, maar hij kon toch aanspraak maken op de verhoogde weddeschaal omdat in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst een parallel gemaakt wordt met de vastbenoemde ambtenaren. 3. Bij voorziening in cassatie van 1 februari 2008 tekende de heer J.V. cassatieberoep aan in verband met de beslissing van het arbeidshof Antwerpen over de uitgebreide vordering. Bij cassatiearrest van 20 april 2009 werd het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 20 april 2006 vernietigd, in zoverre dat de vordering van de heer J.V., in zoverre uitgebreid, niet toelaatbaar verklaart wegens verjaring; de kosten werden aangehouden en de aldus beperkte zaak werd verwezen naar het arbeidshof te Brussel. In essentie besliste het Hof dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels; het enkele feit dat de partijen de toepassing van een bepaalde wettelijke bepaling niet hebben aangevoerd, betekent niet dat zij die mogelijkheid bij conclusie hebben uitgesloten. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die strekt tot veroordeling op grond van feiten waaruit het bestaan van een misdrijf blijkt, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming uitmaken en de vordering de uitvoering van de contractuele verbintenis beoogt; de rechter die de vordering verjaard verklaard op grond van artikel 15 van de A.O.W., dat geen bijzondere afwijkende wetsbepaling is in de zin van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dient de toepassing van de verjaring bepaald in dat artikel te onderzoeken. (Cass. 20 april 2009, JTT 2009, 427 en RW 2009-10, 876 met conclusie O.M.) 4. Dit cassatiearrest werd op 10 september 2009 betekend met dagvaarding om te verschijnen voor het arbeidshof te Brussel. II. BEOORDELING 1. Het hoger beroep na cassatie werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Verjaring ingevolge artikel 15 arbeidsovereenkomstenwet. 2. De heer J.V. handhaaft zijn standpunt m.b.t. de toepassing van de contractuele verjaringstermijnen ingevolge artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet voor de uitbreiding van zijn vordering en hij houdt voor dat deze uitgebreide vordering ook virtueel begrepen was in de oorspronkelijke dagvaarding van 16 maart 1999. De oorspronkelijke vordering had betrekking op de toepassing van de weddeschaal 10B en de eruit voortvloeiende loonaanpassing, de aanpassing van vakantiegeld en eindejaarspremie ingevolge o.m. artikel 8 van de arbeidsovereenkomst. De op grond van artikel 807 Ger. W. uitgebreide vordering, zoals geformuleerd in de beroepsbesluiten van 20 maart 2002 en 13 november 2003, had betrekking op vergoedingen en toelagen, die in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk werden uitgesloten voor de contractuele personeelsleden, maar waarbij de heer J.V. de wettigheid van deze bepaling betwist. De uitgebreide vordering was dus niet virtueel begrepen in de dagvaarding, zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 2244 B.W. (Cass. 7 mei 2001, RW 2001-02, 992) In de overweging 3 van het cassatiearrest van 20 april 2009 wordt overigens aangegeven dat de heer J.V. zijn vordering ingevolge art. 807 Ger. W. bijkomend stelde. In die omstandigheden is het uitgangspunt van de verjaringstermijn niet de datum van de dagvaarding van 16 maart 1999, doch wel de datum van de conclusie, waarin deze nieuwe vordering werd gesteld, zijnde 20 maart 2002. Hieruit vloeit voort dat deze nieuwe vordering verjaard is bij toepassing van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, daar de contractuele tewerkstelling van de heer J.V. beëindigd werd op 31 maart 1998. De verjaringstermijn ingevolge de burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf 3. Zoals aangehaald in het cassatiearrest van 20 april 2009, dient nog wel te worden onderzocht of de nieuwe vordering verjaard is op grond van artikel 26 V.T. W. Sv., waardoor de burgerlijke rechtsvordering voortspruitend uit een misdrijf verjaart door verloop van 5 jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder dat zij kan verjaren voor de strafvordering. De heer J.V. beroept zich hierop thans overigens in ondergeschikte orde. Gelet op het ruime loonbegrip van artikel 2 van de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers (verder aangeduid als loonbeschermingswet), verwijst hij i.v.m. de strafbaarstelling terecht naar de art. 9 en 42 van deze wet. Ook artikel 54 van de gecoördineerde vakantiewetten van 28 juni 1971 voorziet in strafbepalingen voor het niet, niet volledig of niet tijdig betalen van het verschuldigde vakantiegeld. Als vorderende partij heeft de heer J.V. de bewijslast in verband met de misdrijven die hij inroept (Cass. 11 juni 2010, www.juridat.be; Cass. 30 september 2004, A.C., 2004, nr. 445). Hij dient dus het materieel en het moreel element van de door hem ingeroepen misdrijven aan te tonen. 4. Omdat hij achterstallen opvordert voor gans de periode van 2 januari 1996 tot 31 maart 1998 steunt hij zich daarbij blijkbaar op een voortgezet misdrijf. Voor een voorgezet misdrijf is eenheid van opzet vereist. Eenheid van opzet bestaat uit een bepaald doel of een plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen, waardoor ze worden beschouwd als één enkel strafbaar feit, doordat ze voortvloeien uit éénzelfde misdadig opzet (Cassatie, 4 september 1974, JTT 1975,251). Het staat aan de feitenrechter te oordelen of verscheidene misdrijven wegens eenheid van opzet één enkel strafbaar feit uitmaken (Cassatie, 4 december 1989, R.W. 1989-1990, 1192). Het regelmatig en aanhoudend verzuim van een werkgever om loon of vakantiegeld te betalen wordt door de rechtspraak in bepaalde gevallen beschouwd als een voortgezet misdrijf (Arbeidshof Antwerpen, 2 maart 1981, JTT 1982, 34). Gelet op de bewijslast, die op de heer J.V. rust, dient hij ook de elementen aan te brengen waarop een mogelijk voortgezet misdrijf steunt. Het K.B. van 11 februari 1991 5. Alhoewel de vormingspremies, weddencomplementen en herstructureringspremies uitdrukkelijk in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst werden uitgesloten uit de van toepassing zijnde voordelen, meent hij dat deze bepaling dient terzijde geschoven te worden, omdat ze in strijd is met art. 2
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.