← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101206.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101206.4 Rolnummer: 2007/AB/50086W Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-01-27 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-01 14:15 Fiche Wanneer het fiscaal bestuur niet over inkomstengegevens beschikt en het sociaal verzekeringsfonds niet kan overgaan tot de regularisatie van de voorlopige bijdragen op grond van deze inkomstengegevens, dan blijven de minimale bijdragen van beginnend zelfstandige definitief verworven. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Bijdragen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN -SOCIAAL STATUUT - sociale bijdragen - Begin van bezigheid - regularisatie - inkomsten die niet gekend zijn - verschuldigde bijdragen Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 38 - 27-07-1967 - 13 ter - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Nota: VIII A K.B. nr. 38 van 27/07/1967, art. 13ter Tekst van de beslissing rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ───────── ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 DECEMBER

  1. 9e KAMER bijdragen socialezekerheidsstatuut zelfstandigen tegenspraak definitief In de zaak : D. K., appellante, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester I. Cuypers, advocaat te Antwerpen, tegen : MULTIPEN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2800 Mechelen, Van Benedenlaan 32, geïntimeerde, ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door meester De Corte loco meester P. Muylaert, advocaat te Brussel. * * * * Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Het arbeidshof neemt kennis van de volgende procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de veertiende kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 22 januari 1996; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 14 januari 1999; -het verzoek tot herinschrijving van de zaak op de algemene rol overeenkomstig artikel 730, § 2, a), Ger. W., - de conclusies voor de beide partijen, - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 7 juni 2010 waarbij de heropening der debatten werd bevolen; - de besluiten na tussenarrest neergelegd ter griffie op 5 augustus 2010 door appellante partij; - het schriftelijk advies van de heer Advocaat-generaal J.J. André neergelegd ter griffie op 14 oktober 2010, waarop partijen niet repliceerden; - de voorgelegde stukken; De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2010, waarbij de zaak ab ovo werd herpleit. De debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 14 oktober 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De termijn om een repliekconclusie ter griffie neer te leggen verstreek op 8 november 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. * * *
  2. Het hof verwijst naar het tussenarrest van 7 juni 2010, waarin een overzicht werd gegeven van de feiten en rechtspleging en waarin reeds werd vastgesteld dat : - mevrouw D. van 1981 tot 1990 en in 1993 en 1996 inkomsten als zelfstandige genoot, daar zij in die periodes belast werd op haar zelfstandige inkomsten en zij derhalve voldeed aan de voorwaarden voor onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen, alleszins voor de periode waarvoor thans bijdragen worden gevorderd, met name van het derde kwartaal 1988 tot en met het vierde kwartaal 1993; - er voor die periode geen verjaring kon worden ingeroepen; - er voor de periode van haar tewerkstelling als bediende tussen 1 april 1988 en 31 maart 1999, minimumbijdragen in bijberoep werden aangerekend - de intresten voor de periode van 1 maart 1999 tot 30 juni 2007 niet konden worden aangerekend wegens het stilliggen van de procedure; - de vordering van de VZW Multipen niet tergend en roekeloos was. De debatten werden heropend teneinde de VZW Multipen in de gelegenheid te stellen om de definitieve bedrijfsinkomsten van de onderscheidende refertejaren als berekeningsbasis voor de gevorderde bijdragen voor te brengen en op basis daarvan haar vordering m.b.t. de aangerekende bijdragen te verduidelijken.
  3. De VZW Multipen liet als antwoord aan het hof weten dat de fiscus voor de jaren 1991 en 1992 niet over gegevens beschikt, zodat deze ook niet kunnen worden overgemaakt. Aldus is het voordien voorgelegde stuk 10 het enige overzicht van de inkomsten van mevrouw D. als zelfstandige, zoals bekend bij de fiscus. Multipen is gebonden door deze inkomstengegevens. Aangezien de inkomsten voor de jaren 1991 -92 niet gekend zijn, was Multipen genoodzaakt voorlopige bijdragen aan te rekenen volgens het stelsel van een beginnende zelfstandige. Aangezien thans blijkt dat de fiscus niet over concrete inkomstengegevens beschikt, zijn deze minimale bijdragen van beginnend zelfstandige definitief verworven. Mevrouw D. leidt hieruit af dat er geen bewijs van inkomsten is, zodat de vordering van Multipen moet worden afgewezen.
  4. Nadat het hof de partijen hierover verder heeft gehoord in het kader van de heropening der debatten, heeft het Openbaar Ministerie een nauwkeurig nazicht gedaan van de gevorderde bijdragen en het hof kan zich hierbij aansluiten.
  5. Voor het 3e en 4e kwartaal 1988 en het 1e kwartaal 1989 was mevrouw D. zelfstandige in bijberoep, omdat ze in die periode als bediende in dienst was van de N.V. Valemi. Zij was ook bestuurder van deze vennootschap. Er is begin van bezigheid in de zin van artikel 38 van het KB van 19 december 1967 en van artikel 13 bis §1 van het KB 38, waardoor mevrouw D. de minimumbijdrage voor een bijberoep verschuldigd is, zolang er geen normaal refertejaar bestaat.
  6. Van het 2e kwartaal 1989 tot en met het 4e kwartaal 1989 wordt mevrouw D. opnieuw zelfstandige in hoofdberoep en verlaat zij dus de categorie van onderworpene in bijberoep. Bij toepassing van artikel 38 §1, 3° van het KB van 19 december 1967 is er begin van bezigheid wanneer zich een gebeurtenis voordoet die voor gevolg heeft dat de zelfstandige de categorie onderworpenen bedoeld in artikel 35 ( bijberoep) verlaat. Multipen vordert regularisatiebijdragen, waarbij zij terecht rekening houdt met de zelfstandige bedrijfsinkomsten van het eerste volledig kalenderjaar van onderwerping, zijnde 1990, en dit bij toepassing van artikel 13 ter §2, 1° van het KB 38, waarin bepaald wordt : De voorlopige bijdragen met betrekking tot het eerste kalenderjaar dat vier kwartalen onderwerping bevat en deze met betrekking tot de kwartalen die er desgevallend aan voorafgaan, worden geregulariseerd op basis van de bedrijfsinkomsten van dat eerste kalenderjaar onderwerping. Op deze bedrijfsinkomsten wordt het bijdrage percentage toegepast dat van toepassing was tijdens de te regulariseren periode.
  7. Voor het jaar 1990 worden de regularisatiebijdragen ook berekend op de inkomsten van dat jaar.
  8. Voor de jaren 1991 en 1992 kan verwezen worden naar wat in randnummer 2 werd gezegd. De arbeidsovereenkomst van mevrouw D. als bediende van de N.V. Valemi kwam ten einde op 31 maart
  9. Mevrouw D. toont niet aan dat zij buiten deze periode als bediende tewerkgesteld zou geweest zijn. Zij was tijdens deze jaren wel bestuurder van de N.V. Valemi; ze nam uit dit bestuurdersmandaat slechts ontslag op 6 januari
  10. Na haar aansluiting als zelfstandige op 19 december 1986 met melding dat zij een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefende sedert 1 juli 1983 heeft zij in 1991 en 1992 nooit een stopzetting van haar zelfstandige activiteit gemeld. Evenmin was haar mandaat kosteloos. Alleszins weerlegt ze het wettelijk vermoeden niet dat de uitoefening van een vennootschapsmandaat de uitoefening is van een bedrijvigheid die de verzekeringsplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen meebrengt. Zij werd in het verleden vergoed als bedrijfsleider en artikel 16 van de statuten voorziet de mogelijkheid van toekenning van vergoedingen aan de bestuurders. Zij is dan ook bijdrageplichtig. Het effectief genot van inkomsten maakt geen vereiste uit om als zelfstandige te worden beschouwd, daar het winstoogmerk volstaat, zodat ook bij ontstentenis van inkomsten tot verzekeringsplicht dient te worden besloten ( G. van Limberghen, A. Van Regenmortel e.a, Sociaal statuut der zelfstandigen Overzicht van rechtspraak ( 1996 -2005) T.S.R. 2006, 248; Cass. 23 april 1975, T.S.R. 1976, 23; Cass 2 juni 1980, JTT 1982,76; Cass. 26 januari 1987, JTT 1987, 254). Mevrouw D. was in 1991 en 1992 bestuurder van de N.V. Valemi en oefende dus een afzonderlijk zelfstandig beroep uit, waardoor het irrelevant is of zij in die periode ook als echtgenoot - helper of meewerkende echtgenoot kan worden beschouwd. Door het ontbreken van gekende inkomsten voor deze jaren, was een regularisatie niet mogelijk, doch dit neemt niet weg dat alleszins de voorlopige bijdragen verschuldigd zijn.
  11. Voor het jaar 1993 golden de inkomsten van het jaar 1990 als referte-inkomen en de bijdragen hierop werden correct berekend.
  12. Rekening houdend met wat in het tussenarrest reeds werd beslist, kan dan ook besloten worden dat de vordering in hoofdsom, zoals door Multipen herleid tot euro 3.983,43 gegrond is, met dien verstande dat de gerechtelijke intresten niet verschuldigd zijn voor de periode van 1 maart 1999 tot 30 juni
  13. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J.J. André van 14 oktober 2010, waarop partijen niet hebben gerepliceerd. Recht sprekend op tegenspraak; Het tussenarrest van 7 juni 2010 verder uitwerkend; Verklaart het hoger beroep slechts gedeeltelijk gegrond; Hervormt het bestreden vonnis, rekening houdend met de herleiding van de vordering wegens gedeeltelijke kwijtschelding door het RSVZ en wegens de inmiddels gedane betalingen en veroordeelt mevrouw D. dienvolgens tot betaling aan de VZW Multipen van een bedrag van euro 3.983,43, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, behalve voor de periode tussen 1 maart 1999 en 30 juni 2007; Bevestigt het bestreden vonnis wat betreft de solidariteit met de N.V. Valemi, de machtiging tot afbetaling en de veroordeling tot de gerechtskosten in eerste aanleg. Wijst voor zover als nodig al het meergevorderde af. Veroordeelt mevrouw D. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze beperkt tot het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, gelet op de financiële draagkracht van mevrouw D. , door Multipen begroot op euro 650, doch door het hof herleid tot euro 375 en door mevrouw D. niet begroot. Aldus gewezen door de negende kamer van het arbeidshof en ondertekend door : B. Ceulemans, eerste voorzitter; L. Lenaerts, raadsheer, A. Van Assche, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, L. Herregodts, griffier, B. Ceulemans, L. Lenaerts, L. Herregodts, A. Van Assche. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de negende kamer van het arbeidshof te Brussel op 6 december 2010 door : De griffier, De Eerste Voorzitter, L. Herregodts, B. Ceulemans. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.