id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101217.8 Rolnummer: 2009/AB/052744 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2011-01-10 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-01 14:22 Fiches 1 - 2 In zoverre artikel 43 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs een regeling voor een beroepsmatig rijverbod inhoudt, stelt artikel 30 van de wegverkeerswet de werkgever niet strafbaar en kan hij dus niet de dader zijn van een zodanige inbreuk, zodat bij gebreke aan constitutief element van het misdrijf de verjaringstermijn van art. 26 V.T. W. Sv. t.a.v. de werkgever niet kan ingeroepen worden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 - Verval - art. 38-49 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFRECHT - KB bertreffende het rijbewijs - Professioneel rijbewijs - Werkgever niet strafbaar. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - 30 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Koninklijk Besluit - 23-03-1998 - 43 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Nota: Gerangschikt onder I C (W. 16/03/1968, art. 30 - KB 23/03/1998, art. 43). Eveneens gerangschikt onder I D art. 26 VT. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Verjaring Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Constitutief element misdrijf niet bewezen - Geen delictuele verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Nota: Gerangschikt onder I D art. 26 Voorbereidende titel van het Wetboek van Strafvordering. Eveneens gerangschikt onder I C (W. 16/03/1968, art. 30 - KB 23/03/1998, art. 43). Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 DECEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: F.L. , wonende te [xxx], appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. DOBBELAERE Willem, advocaat te 9000 GENT, Begijnhoflaan
- Tegen: DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, zijnde op het kabinet van haar Minister-President, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Koolstraat, 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VANOVERBEKE Sabine, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 15 december 2008 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 15637/07). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 december 2009; - de conclusie en syntheseconclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 5 mei 2005 en 16 augustus 2010, - de conclusie en syntheseconclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, respectievelijk op 5 maart 2010 en 22 juni 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 19 november 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- De heer F.L. was sedert 24 oktober 1995 als contractueel personeelslid tewerkgesteld bij de Vlaamse Gemeenschap met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of vervangingsovereenkomsten. Vanaf 1 februari 2004 combineerde hij twee deeltijdse arbeidsovereenkomsten van onbepaalde tijd, met name een halftijdse arbeidsovereenkomst als documentalist en een halftijdse arbeidsovereenkomst als chauffeur. Op 30 januari 2004 werd hij het slachtoffer van een herseninfarct, waardoor hij enkele maanden volledig arbeidsongeschikt was. Op 16 april 2004 verklaarde de arbeidsgeneesheer hem geschikt om het werk te hervatten, zij het dat hij voorlopig geen taken als chauffeur mocht uitoefenen en geen zware lasten mocht tillen. Op 15 juli 2004 kwam hij ter controle bij zijn behandelende geneesheren; in een verslag van prof. Jacques De Reuck en dr. L. Nieuwenhuis van 23 juli 2004 bevestigen deze geneesheren dat zijn werkhervatting goed verloopt en dat zij tevens de rij-ongeschiktheid opheffen. Bij de volgende evaluatie door de arbeidsgeneeskundige dienst wordt de heer F.L. dan volledig geschikt verklaart voor al zijn activiteiten, en dit zonder enige beperking (zie formulier voor gezondheidsbeoordeling van arbeidsgeneesheer dr. De Taeye van 24 september 2004). Op 29 september 2004 vroeg de werkgever aan de heer F.L. een vervoersopdracht uit te voeren. Nadat de behandelende geneesheer hiervan kennis nam, werd de heer F.L. met ingang van 30 september 2004 opnieuw volledig arbeidsongeschikt verklaard. Bij schrijven van 18 januari 2006 van de Vlaamse Gemeenschap werden de arbeidsovereenkomsten van de heer F.L. verbroken met ingang van 1 februari 2006 en met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 9 maanden. De heer F.L. houdt voor dat hij ondertussen onderhandeld heeft om opnieuw geïntegreerd te worden, omdat hij voorhoudt dat de vervoersopdracht van 29 september 2004 in strijd was met het beroepsmatig rijverbod ingevolge artikel 43 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
- Op 30 oktober 2007 dagvaardde de heer F.L. de Vlaamse Gemeenschap ten einde geïntegreerd te worden binnen de administratieve diensten en in betaling van het gederfde nettoloon, eindejaarspremies en vakantiegelden, van de meerkosten en van een morele schadevergoeding, minstens bij gebreke aan de reïntegratie in betaling van al deze posten. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 15 december 2008 werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond en met veroordeling van de heer F.L. tot de gerechtskosten. In essentie weerhield de arbeidsrechtbank dat de Vlaamse Gemeenschap zich schuldig gemaakt had aan een overtreding van de geldende regels in verband met het beroepsmatig rijverbod ingevolge artikel 43 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, maar dat de heer F.L. geen oorzakelijk verband aantoonde tussen dit wanbedrijf en de door hem gevorderde schade. De Vlaamse Gemeenschap maakt melding van de betekening van dit vonnis op 3 november
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 december 2009, tekende de heer F.L. een beperkt hoger beroep aan wat betreft het niet weerhouden van het oorzakelijk verband. Hij paste zijn vordering aan in de zin dat hij zijn reïntegratie niet meer vroeg, doch hij herbecijferde zijn schadevordering tot euro 545.259,58, meer de intresten vanaf 15 december 2008; in ondergeschikte orde vroeg hij de aanstelling van een deskundige; hij vorderde tevens veroordeling tot betaling van de gerechtskosten. De Vlaamse Gemeenschap tekende incidenteel beroep aan, omdat zij van oordeel is dat er geen misdrijf aangetoond is. II. BEOORDELING
- Gelet op de voorgehouden betekening van het bestreden vonnis op 3 november 2009, werd het hoger beroep op 3 december 2009 tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.
- De vordering van de heer F.L. werd meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst ingesteld, zodat er geen betwisting bestaat dat ze verjaard is op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. De heer F.L. beroept zich op een burgerlijke vordering ex delicto zodat zijn vordering in schadevergoeding volgens hem ingevolge artikel 26 VT W. Sv. niet verjaard is, omdat zij gestoeld is op de strafrechterlijke inbreuk van de werkgever ingevolge artikel 30 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie op het wegverkeer en artikel 43 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. Om een burgerlijke vordering te kunnen instellen, dient de heer F.L. derhalve alle constitutieve elementen van het door hem ingeroepen misdrijf aan te tonen. De Vlaamse Gemeenschap betwist de aanwezigheid van een misdrijf in haren hoofde. Het hof zal eerst dit onderdeel onderzoeken, dat wordt ingeroepen in het kader van het incidenteel beroep.
- Art. 30 §1 van de Wegverkeerswet stelt strafbaar met een geldboete van euro 200 tot euro 2000 hij die, 1° een motorvoertuig bestuurt zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs; 2° ... 3° een valse verklaring heeft afgelegd om de afgifte van een rijbewijs of van een als zodanig geldend bewijs te bekomen; in dit geval wordt het verkregen document in beslag genomen en de verbeurdverklaring ervan wordt uitgesproken in geval van veroordeling; 4° een motorvoertuig bestuurt terwijl hij lijdt aan een van de lichaamsgebreken of aandoeningen, door de Koning bepaald overeenkomstig artikel 23, § 1, 3°, of indien hij niet voldaan heeft aan het geneeskundig onderzoek, door de Koning opgelegd in de gevallen die Hij bepaalt.
- Terecht wijst de Vlaamse Gemeenschap erop dat aldus enkel de bestuurder strafbaar wordt gesteld, zodat de strafbaarstelling enkel kan slaan op de heer F.L.. In artikel 30 van de wegverkeerswet wordt de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber niet strafbaar gesteld. In zoverre ingevolge artikel 43 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs een beroepsmatig rijverbod voor de heer F.L. zou gegolden hebben, kan deze zich dan ook niet op artikel 30 van de wegverkeerswet steunen om een strafrechtelijke inbreuk lastens zijn werkgever te doen gelden. Ingevolge deze wetsbepaling kan de werkgever niet de dader zijn van een dergelijke inbreuk, daar de strafbaarstelling niet op hem slaat.
- Ten onrechte heeft de eerste rechter zich hierbij willen steunen op artikel 1384 BW. Deze bepaling regelt de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade die men veroorzaakt door zijn eigen daad en voor de schade die veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, waaronder deze van de meesters voor de aangestelden, die schade veroorzaakt hebben in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben. Deze bepaling in verband met de burgerlijke aansprakelijkheid heeft echter niets te maken met de aanduiding in de strafwet van de strafbaar gestelde personen.
- Hieruit volgt dat één van de constitutieve elementen van het ingeroepen misdrijf in hoofde van de werkgever niet aanwezig is, zodat de heer F.L., ondanks alle moeilijkheden die zijn ziektetoestand hebben meegebracht, zich niet op het ingeroepen beroepsmatig rijverbod kan steunen om een burgerlijke vordering ex delicto lastens zijn werkgever te stellen. Hij kan zich dan ook evenmin beroepen op de verjaringstermijn van artikel 26 V.T. W. Sv. Het incidenteel beroep dat gesteund is op de verjaring van de vordering, is dan ook gegrond.
- Het is daardoor overbodig om de andere constitutieve elementen van het misdrijf verder te onderzoeken, daar het materieel element van het misdrijf in hoofde van de werkgever niet kan bestaan. Ook het verder onderzoek van het hoofdberoep in verband met de beoordeling van het mogelijk causaal verband wordt hierdoor overbodig, zodat het hoofdberoep zonder voorwerp moet worden verklaard. Het vonnis van de eerste rechter kan worden bevestigd, doch wel op andere gronden, met name de verjaring van de vordering ingevolge het niet bewezen zijn van het materieel element van het door de heer F.L. ingeroepen misdrijf. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, verklaart het incidenteel beroep gegrond en hierdoor het hoger beroep zonder voorwerp; Bevestigt het bestreden vonnis op andere gronden, met name de verjaring van de vordering ingevolge het niet bewezen zijn van het materieel element van het door de heer F.L. ingeroepen misdrijf. Veroordeelt de heer F.L. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de Vlaamse Gemeenschap begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep minimumbedrag euro
- Aldus gewezen door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: Lieven LENAERTS, raadsheer, Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Lucrèce REYBROECK, Andre LEURS. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 17 december 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101217.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div