id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101217.9 Rolnummer: 2004/AB/045496 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2011-01-10 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-07-02 07:01 Fiche 1 Een betwisting over een discriminerende behandeling door de overheid heeft een subjectief recht tot voorwerp en behoort op grond van artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Burgerlijke en politieke rechten - art. 144-145 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Subjectief recht. Voorziening in Cassatie op 19 december 2013 Voorziening verworpen bij arrest van 27 mei 2019 Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 144 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art. 144. Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Rome), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Fiches 2 - 6 Als gevolg van de art. 14 en 15 van het KB van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries (BS 8 augustus 1973), zoals van toepassing voor 1 januari 2000, werd voor de periodes van deeltijdse tewerkstelling geen rekening gehouden met de anciënniteit voor tussentijdse salarisverhogingen, omdat dit voorbehouden werd aan personeelsleden met voltijdse prestaties. In vermelde periode was de omzettingstermijn voor de Richtlijn 97/81 inzake deeltijdarbeid nog niet verstreken; niettemin maakt deze verschillende behandeling, bij gebreke aan objectieve rechtvaardiging, een indirecte discriminatie uit van vrouwelijke personeelsleden bij de overheid, die merendeels in deeltijdse tewerkstellingsregelingen waren tewerkgesteld. De anciënniteit voor de tijdvakken van deeltijdse tewerkstelling moet worden aangemerkt in functie van het aantal gepresteerde jaren en niet in functie van de arbeidsduur tijdens deze jaren. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Antidiscriminatie - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10, 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Rome), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11, 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Rome), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Algemeen (discriminatie - racisme - xenofobie) Vrije woorden: ANTIDISCRIMINATIE - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1978 - 118 - 01 ELI link Pub nr 1978080401 Nota: Gerangschikt onder XIII A art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118, IX D 1 (Verdrag van Rome), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - VERDRAG EUROPESE UNIE - Algemeen (Europees recht - Verdrag EU) Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - VERDRAG VAN ROME - EG-verdrag van Lissabon - Antidiscriminatie - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 13-09-1970 - 157 - 01 Link Justel databank 19700913-01 Nota: Gerangschikt onder IX D 1 (Verdrag van Rome), art.
- (art 157 na Verdrag van Lissabon = oud artikel 141 = oud artikel 119) Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 art. 157, IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG - Antidiscriminatie - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 75/117 - 10-02-1975 - - Richtlijn EG/EU - 76/207 - 09-02-1976 - - Nota: Gerangschikt onder IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/207/EG). Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Rome), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Fiches 7 - 11 De verschillende behandeling tussen statutair en contractueel tewerkgestelden bij de overheid op het vlak van het in aanmerking nemen van schaalverhogingen maakt geen indirecte discriminatie uit op basis van het geslacht, ook al zijn vrouwen merendeels in contractuele tewerkstellingsregelingen tewerkgesteld, omwille van de objectieve rechtvaardiging, verbonden aan het feit dat een statutaire tewerkstelling verbonden is met de uitoefening van het openbaar gezag en tevens éénzijdig wijzigbaar is. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GRONDWET - Antidiscriminatie tussen statutair en contractueel tewerkgestelden bij de overheid - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10, 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nota: Gerangschikt onder I J N art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11, 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- UTU-thesaurus: STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Discriminatie - racisme - xenofobie: Internationaal recht - Gelijke behandeling Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - VERDRAG VAN ROME (NA LISSABON) - ANTIDISCRIMINATIE - Tussen statutair en contractueel tewerkgestelden bij de overheid - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1978 - 118 - 01 ELI link Pub nr 1978080401 Nota: Gerangschikt onder XIII A art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118, IX D 1 (Verdrag van Lissabon), art. 157
(2x), IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - VERDRAG VAN ROME - Verdrag van Lissabon - Antidiscriminatie tussen statutair en contractueel tewerkgestelden bij de overheid - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 25-03-1957 - 157 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Nota: Gerangschikt onder IX D 1 (Verdrag van Lissabon), art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon), art. 157, IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - RECHTSHANDELINGEN - Richtlijn Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN - EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP - RICHTLIJNEN VAN DE EEG - Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG - Antidiscriminatie tussen statutair en contractueel tewerkgestelden bij de overheid - Onrechtstreekse discriminatie op basis van geslacht. Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 76/2007 - 09-02-1976 - 01 ELI link Pub nr 1976020901 Richtlijn EG/EU - 75/117 - 10-02-1975 - 01 Link Justel databank 19750210-01 Nota: Gerangschikt onder IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG) . Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon)
(2x), art. 157, IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG), en I A artt. 17 en
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Fiches 12 - 13 De vaststelling van pensioenrechten kan slechts reëel gebeuren ter gelegenheid van de pensionering, zodat een werknemer tijdens de opbouw van zijn loopbaan geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft om een vordering hierover in te stellen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Reeds verkregen en dadelijk belang - Vaststelling pensioenrechten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 17 - 01 Link Justel databank 19671009-01 Nota: Gerangschikt onder I A art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon)
(2x), art. 157, IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A art.
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 18 - 01 Link Justel databank 19671009-01 Nota: Gerangschikt onder I A art.
- Andere korte inhouden zijn gerangschikt onder I J N artt. 10
(2x), 11
(2x), 144, XIII A art. 118
(2x), IX D 1 (Verdrag van Lissabon)
(2x), art. 157, IX D 6 (Richtlijnen 75/117/EG en 76/2007/EG)
(2x), en I A art.
- Een voorziening in cassatie werd ingesteld door de geïntimeerde partij op 26/12/
- Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 DECEMBER 2010 3 e KAMER ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk definitief In de zaak: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Ambtenarenzaken, met burelen gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 51, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE BOCK Jean-François en mr. MOENS Joy, advocaten te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
- Tegen: M.K. , wonende te [xxx], geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. VAN SCHANDEVIJL Carolien loco mr. VAN EECKHOUTTE Willy, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Driekoningenstraat
- *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 8 december 2003 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 2e kamer (A.R. 92.273/99). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 21 mei 2004; - de conclusies en syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 28 november 2006, 2 april 2010 en 9 april 2010, - de conclusie en syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 20 maart 2006, 20 juli 2009 en 20 juli 2010; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie ontvangen ter griffie op 28 oktober 2010; - de repliekbesluiten van de geïntimeerde en de appellant ontvangen ter griffie op 19 november 2010; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 15 oktober 2010, waarna de debatten werden gesloten, de zaak voor schriftelijk advies werd meegedeeld aan het openbaar ministerie tegen 29 oktober 2010, waarop de partijen hebben gerepliceerd, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. *** * I. FEITEN EN RECHTSPLEGING
- Mevrouw M.K. kwam op 2 augustus 1977 als werknemer in dienst van de RVA in de functie van instructeur talen. Zij werkte tot 30 november 1984 voltijds en zij nam tijdens de maand december 1984 verlof zonder wedde. Van 1 januari 1985 tot 30 september 1986 werkte ze halftijds. Van 1 oktober 1986 tot 31 december 1986 werkte ze opnieuw gedurende 3 maanden voltijds om dan verder van 1 januari 1987 tot 30 april 1988 deeltijds (50%) te werken. Van 1 mei 1988 tot 31 oktober 1989 was ze voltijds hoofdinstructeur. Tussen 1 november 1989 en 31 augustus 1993 werd mevrouw M.K. als contractueel personeelslid tewerkgesteld door de Service public Wallon de l'emploi et de la formation professionelle in de functie van instructeur talen, doch ze nam loopbaanonderbreking. Tussen 1 september 1993 en 31 december 1994 was zij als contractueel personeelslid tewerkgesteld bij de VDAB, opnieuw in de functie van instructeur talen. Zij was werkloos tussen 1 januari 1995 en 18 september
- Op 19 september 1995 werd ze als contractueel personeelslid aangeworven door het Ministerie van Ambtenarenzaken van de Belgische Staat, bij het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid (OFO) in de functie van instructeur talen. Zij werkte halftijds tot en met 31 december 1997 en deeltijds (2/3) van 1 januari 1998 tot en met 30 september
- Op 1 oktober 1999 werd zij bij hetzelfde ministerie benoemd als stagiair ambtenaar, waarna ze op 1 oktober 2000 in vast verband benoemd werd. Van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2004 was zij manager op niveau N2; sinds 1 juni 2004 is zij attaché niveau 1/A.
- Op 14 november 1995 schreef mevrouw M.K. een brief aan de Minister van Arbeid en Gelijke kansenbeleid met de vraag om bij de toekenning van de tussentijdse loonsverhogingen de tijdvakken van deeltijdse arbeid in aanmerking te nemen. Op 6 maart 1996 antwoordde deze minister, na advies van de Minister van Ambtenarenzaken, dat op grond van artikel 14 van het KB van 29 juni 1973 alleen voltijdse prestaties in aanmerking komen voor de toekenning van de tussentijdse loonsverhogingen. Op grond van artikel 15 worden enkel de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt, als volledig beschouwd. (Deze briefwisseling wordt in extenso aangehaald in de besluiten van partijen, maar wordt niet voorgebracht in de stukken).
- Op 5 februari 1999 dagvaardde mevrouw M.K. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Ambtenarenzaken, en na aanpassing van haar vordering in besluiten, vraagt zij: Ten aanzien van de nadelige behandeling als deeltijds personeelslid: - vast te stellen dat de nadelige behandeling discriminerend is en daardoor strijdig is met: • artikel 10 en 11 van de Grondwet • het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, vastgelegd in artikel 119 van het EG- Verdrag, de EG- Richtlijn 75/117, de EG- Richtlijn 76/207 en de Wet van 7 mei 1999 - te bevelen dat de tijdvakken tijdens welke zij sinds 1 januari 1985 deeltijds werkzaam was, voor de berekening van de anciënniteit, als tijdvakken met volledige prestaties worden aangemerkt; Ten aanzien van de nadelige behandeling als contractueel personeelslid - vast te stellen dat de nadelige behandeling discriminerend is en daardoor strijdig is met: • artikel 10 en 11 van de Grondwet • het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, vastgelegd in artikel 119 van het EG- Verdrag, de EG- Richtlijn 75/117, de EG- Richtlijn 76/207 en de Wet van 7 mei 1999 - te bevelen dat voor de tijdvakken tijdens welke zij sinds 2 augustus 1977 als contractueel bij de overheid in dienst is geweest, zij als statutair tewerkgesteld personeelslid wordt aangemerkt, inbegrepen voor de graad, niveau- en dienstanciënniteit, alsook voor de vaststelling van de pensioenrechten; De Belgische Staat te veroordelen tot bijpassing van de achterstallen (voorlopig begroot op euro 1 provisioneel) die zich inmiddels opgestapeld hebben door de discriminatoire behandeling, bedragen te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten.
- Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 8 december 2003 werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 mei 2004, tekende de Belgische Staat hoger beroep aan en vroeg dat het arbeidshof zich zonder rechtsmacht zou verklaren en alleszins de hoofdvordering onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren. II. BEOORDELING.
- Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Gebrek aan rechtsmacht
- De Belgische Staat roept in dat het werkelijk voorwerp van de vordering behoort tot het objectief contentieux, zodat de vordering van mevrouw M.K. niet steunt op een subjectief recht. De gewone rechter mag zich niet in de plaats stellen van de overheid en hij mag niet op algemene en op abstracte wijze de regelgeving toetsen op haar wettigheid.
- Bij toepassing van artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Artikel 145 voegt hieraan toe dat de geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. De verdeling van de bevoegdheden tussen de gewone rechter en de Raad van State wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreeks voorwerp van het geschil. Opdat een partij zich ten aanzien van de administratieve overheid zou kunnen beroepen op een subjectief recht waarop de bevoegdheid van de burgerlijke hoven en rechtbanken is gegrond, is het noodzakelijk dat de bevoegdheid van deze overheid volledig gebonden is (art. 144 G.W.) (Cass. 16 januari 2006, JT 2006, 391). De Raad van State is bevoegd wanneer het recht op het voordeel afhangt van een voorafgaande en discretionaire beslissing van de administratie (conclusie Openbaar Ministerie 2.1 bij Cass. 11 juni 2010, C. 09.0336.F, www.juridat.be). De Raad van State is niet bevoegd om kennis te nemen van een betwisting om een bepaald voordeel toe te kennen, wanneer de verzoeker betoogt dat hij voldoet aan de voorwaarden om dat voordeel te verkrijgen en aldus een geschil opwerpt dat een subjectief recht tot het verkrijgen van dit voordeel als werkelijk voorwerp heeft (zie zelfde conclusie).
- Zo oordeelde de Raad van State dat wanneer zij in een geschil betreffende de vaststelling van de wedde van een personeelslid, de juiste betekenis van een reglementering dient te achterhalen, dit nog niet impliceert dat zij een discretionaire appreciatiebevoegdheid van de overheid beoordeelt. Een dergelijke appreciatiebevoegdheid impliceert immers voor de overheid de mogelijkheid van keuze tussen verschillende oplossingen, terwijl voor de toepassing van het statuut slechts één interpretatie de juiste kan zijn, ook al is er betwisting mogelijk over de vraag welke de juiste interpretatie is. Een betwisting in verband met de correcte vaststelling van de wedde heeft in die omstandigheden een geschil tot voorwerp over de omvang van een subjectief recht op deze wedde van het betrokken personeelslid, zodat bij toepassing van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet de gewone rechter bevoegd is om van een dergelijk geschil kennis te nemen (R.v. St., nr. 30.496, 28 juni 1988, RW 1989 - 90, 259, noot Lambrechts W.; vgl. R.v.St., nr 135.759, 5 oktober 2004). Ook het Hof van Cassatie besliste dat een vordering tot geldelijke schadevergoeding wegens de onrechtmatige krenking van een subjectief recht steeds een burgerlijk recht tot voorwerp heeft, ongeacht de aard van de rechten waarop een inbreuk werd gepleegd (Cass. 16 december 1965, Pas. 1966, I, 513 met conclusie Openbaar Ministerie; Cass. 23 april 1971, Arr. Cass. 1971, p. 786, met conclusie Openbaar Ministerie; Cass. 30 oktober 1986, Arr. Cass. 1986, 299). Elke onrechtmatige bestuurshandeling is constitutief voor een fout die de aansprakelijkheid van de overheid in het gedrang kan brengen, zodat de rechtzoekende, zonder voorafgaandelijk annulatieberoep bij de Raad van State, op grond hiervan bij de gewone rechter kan aanvoeren dat het bestuur zijn subjectief recht heeft geschonden (C. Berx, G.W. art. 144, De rechterlijke macht, Publ. Recht Artikelsgewijze commentaar, nr. 12).
- Mevrouw M.K. beroept zich op een discriminatoire behandeling en daardoor op een onwettelijke handeling van de overheid, waarvan zij het herstel vraagt door de veroordeling van de Belgische Staat tot de bijpassing van de achterstallen, te vermeerderen met intresten. Dergelijke betwisting heeft een subjectief recht tot voorwerp (vgl. P. Humblet, Gelijke behandeling Man/vrouw na twintig jaar Richtlijn 76/207 in Sociaal recht: niets dan uitdagingen,1996, p. 180, nr. 272) en behoort op grond van artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. (vgl. J. Jacqmain, Droit social de la fonction publique I, Brussel, 2010, p. 54 (vn. 144). Hierbij beoordeelt de gewone rechter niet op algemene en op abstracte wijze de regelgeving, evenmin stelt hij zich bij het wettigheidonderzoek van de overheidshandeling in de plaats van de overheid. Ten onrechte roept de Belgische Staat dan ook het ontbreken van rechtsmacht in en op dit punt is het hoger beroep ongegrond. Discriminatie tussen deeltijds en voltijds tewerkgestelden.
- Als gevolg van de art. 14 en 15 van het KB van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries (BS 8 augustus 1973), zoals van toepassing op het ogenblik van de indienstneming van mevrouw M.K., werd voor de periodes van deeltijdse tewerkstelling geen rekening gehouden met haar anciënniteit voor tussentijdse salarisverhogingen, omdat dit voorbehouden werd aan personeelsleden met voltijdse prestaties. Artikel 15 van het KB beschouwt als volstrekte prestatie een uurrooster van een volledige, normale beroepsloopbaan. Mevrouw M.K. roept de wettigheid van deze bepalingen in.
- Artikel 1, 5° van het KB van 27 maart 2001 houdende wijziging van diverse geldelijke bepalingen heeft artikel 14 van het KB van 29 juni 1973 aangevuld als volgt: §
- In afwijking van de §§ 1 en 2 komen de diensten die het personeelslid deeltijds gepresteerd heeft vanaf 1 januari 2000, in een in deze paragrafen bedoelde dienst, in aanmerking voor de tussentijdse verhogingen, naar verhouding tot de werkelijk geleverde prestaties. Voor de statutaire personeelsleden was een gelijkaardige bepaling i.v.m. voltijdse prestaties opgenomen in de artikelen 64 e.v. het KB van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel. Bij KB van 28 januari 2002 houdende diverse maatregelen tot omzetting van het akkoord over de Europese Ruimte en van de Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door UNICE, het CEEP en de EVV gesloten Raamovereenkomst inzake deeltijdse arbeid, (B. S. 13 februari 2002) werden de woorden als titularis van een ambt met voltijdse prestaties uit de voormelde bepalingen van het KB van 2 oktober 1937 weggelaten. Als gevolg van artikel 3 van het KB van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de ministeries (BS 21 februari 1991) worden voor deze personeelsleden de voor het Rijk of voor een andere openbare dienst verrichtte diensten met volledige prestaties in aanmerking genomen voor het toekennen van de tussentijdse verhogingen overeenkomstig de voor het vast benoemd personeel van de Rijksbesturen geldende regels. Ook dit KB werd gewijzigd ter uitvoering van de Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door UNICE, het CEEP en de EVV gesloten Raamovereenkomst inzake deeltijdse arbeid, en wel bij KB van 27 oktober 2000 (BS 24 november 2000) in de zin dat alle deeltijdse diensten die vanaf 1 januari 2000 door contractuele personeelsleden werden verstrekt, werden meegeteld voor de verhoging een weddenschaal, in verhouding tot de verrichte prestaties. Volgens een persbericht van het Ministerie van Ambtenarenzaken van 20 juni 2000 beoogde deze aanpassing de Belgische regeling in overeenstemming te brengen met de Europese richtlijnen, waardoor de discriminaties tussen voltijdse en deeltijdse werknemers werden weggewerkt. Deze aanpassingen kunnen echter geen weerslag hebben op huidig geschil, omdat ze slechts van toepassing zijn op de diensten die vanaf 1 januari 2000 worden verstrekt, terwijl de dagvaarding in deze zaak dateert van 5 februari 1999 en mevrouw M.K. haar vordering hangende de procedure niet voor de volgende periode heeft uitgebreid op grond van artikel 807 Ger. W. Niettemin geven deze aanpassingen aan dat de voorgaande regeling op gespannen voet stond met het verbod op discriminatie tussen voltijdse en deeltijdse werknemers, zoals uitgedrukt door de Richtlijn 97/
- Deze richtlijn voorzag in een omzettingstermijn tot 20 januari
- Een richtlijn kan slechts rechtstreekse werking krijgen wanneer de omzettingstermijn is verstreken. Zolang dit niet het geval is blijven de lidstaten vrij (H.v. J. 5 april 1979, 148/78 Ratti, ov. 43; H.v.J. 3 december 1992, C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91, ov. 11-13).
- Mevrouw M.K. situeert daarom de rechtsgronden voor de discriminatie als gevolg van haar deeltijdse tewerkstelling in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de Wet gelijke behandeling man vrouw van 7 mei 1999, artikel 119 EG verdrag en de richtlijnen 75/117 en 76/
- Artikel 10 en 11 van de Grondwet bevatten het gelijkheid- en niet discriminatiebeginsel.
- De Wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen verscheen in het Belgisch Staatsblad van 19 juni 1999 (ed. 1); zij bevat geen specifieke datum van inwerkingtreding en de bepalingen ervan golden als gevolg van artikel 2 BW enkel voor het toekomende; ze hadden geen terugwerkende kracht, zodat ze niet van toepassing waren op de datum van de dagvaarding (5 februari 1999). Mevrouw M.K. riep deze wet in omdat zij in een discriminatieverbod voorzag bij indirecte discriminatie, waarvan deze wet in artikel 4, derde lid ook een definitie geeft.
- Voor de Wet van 7 mei 1999 was het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden bepaald in de artikelen 116 tot en met 153 van de Wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering. Deze bepalingen zijn dus wel van toepassing op dit geschil. Artikel 118 van deze wet bepaalt dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van het geslacht, hetzij direct, hetzij indirect... Hieruit vloeit voort dat het beginsel van de indirecte discriminatie ook al in de vroegere wet ingesloten was. Artikel 116 van deze wet kadert het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen uitdrukkelijk in het toenmalige artikel 6 (thans artikel 10) van de Grondwet. Op grond van artikel 127 van deze wet moet de gelijke behandeling op het vlak van de arbeidsvoorwaarden gewaarborgd zijn, waarbij het verboden is de voorwaarden criteria of redenen op discriminerende wijze volgens het geslacht van de werknemer vast te stellen of toe te passen. Artikel 128 van de wet preciseert dat onder arbeidsvoorwaarden verstaan wordt ... het loon en de bescherming ervan. De Wet van 4 augustus 1978 was nodig om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen 75/117 en 76/207 in verband met het gelijk loon (vgl. J. Jacqmain, Gelijke arbeidsvoorwaarden voor mannelijke en vrouwelijke werknemers in België. Tenuitvoerlegging van richtlijn 76/207 in het Belgisch recht, Arbeidsblad 1990, 587 en 589; P. Humblet, Gelijke behandeling Man/vrouw na twintig jaar Richtlijn 76/207 in Sociaal recht: niets dan uitdagingen,1996, 181, nr.272). Een wettelijke regeling leidt tot een algemeen toepassingsgebied, zodat zij ook van toepassing is op de publieke sector; de CAO 25 NAR van 15 oktober 1975 in verband met de gelijkheid man vrouw geldt immers niet voor de overheidssector (J. Jacqmain, a.w., 589; vgl. C. Vanlaere, De praktische toepassing van de vernieuwde wetgeving inzake gelijke behandeling can mannen en vrouwen, Or. 2000, 114; L. Markey en J. Roland, La voie de l'égalité hommes-femmes dans la fonction publique in Une terre de droit du travail : les services publics, Brussel, 2005, 125-126).
- De Wet van 4 augustus 1978, anders dan de latere Wet van 7 mei 1999, geeft geen onmiddellijke definitie van het begrip indirecte discriminatie. Toch kan dit beginsel ook voor deze wet worden omschreven als een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze die een wezenlijk groter gedeelte van de leden van een geslacht beïnvloedt, tenzij die bepaling of handelwijze passend en noodzakelijk is en kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die geen verband houden met het geslacht van de betrokken. Deze definitie gaat immers terug tot de rechtspraak van het Hof van Justitie en beoogt verkapte discriminaties uit te sluiten en in dat geval een vermoeden van discriminatie in te stellen, waardoor de bewijslast wordt omgekeerd (F. Herbert, Indirecte discriminatie in Arbeidsblad 1990, 659 - 685; P. Humblet, Gelijke behandeling Man/vrouw na twintig jaar Richtlijn 76/207, a.w., 190 - 191, nr. 290-291).
- Hieruit moge blijken dat het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel van de Grondwet, zoals uitgewerkt door het interne recht, nauw verbonden is met het Europese recht, meer bepaald het vroegere artikel 119 van het EG verdrag (thans artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie - Verdrag van Lissabon) en de EG richtlijnen 75/117 en 76/2007 i.v.m. de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers en het verbod op indirecte discriminatie. De draagwijdte hiervan werd grondig geanalyseerd in de conclusie van het Openbaar Ministerie, die het hof overneemt en waarbij het zich aansluit: "In artikel 119 van het Verdrag van Rome van 1957 is anderzijds het beginsel ingeschreven van de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid . Dit beginsel vormt een integrerend deel van de instelling en werking van de gemeenschappelijke markt waarvan de toepassing dient gewaarborgd te worden door gepaste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen door de Lid-Staten. Hiernaast is in het Verdrag vastgelegd dat het Europees Parlement en de Raad maatregelen zullen nemen om de toepassing te waarborgen van het beginsel van ... gelijke kansen van de mannen en vrouwen in de werkgelegenheid en beroep. De Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, had tot doel de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers nader tot elkaar te brengen en de wettelijke basisvoorschriften te versterken via normen strekkende tot het vergemakkelijken van de concrete toepassing van het gelijkheidsbeginsel . In deze Richtlijn is uitdrukkelijk bepaald dat het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers inhoudt dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend, ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning . De richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden beoogde anderzijds de tenuitvoerlegging in de lidstaten van dit beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen . De gelijkheid van mannen en vrouwen is een fundamenteel beginsel krachtens artikel 2 en artikel 3, lid 2, van het EG-Verdrag , alsmede krachtens de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Voormelde Verdragsbepalingen schrijven voor dat gelijkheid van mannen en vrouwen een "taak" is en een "doel" van de Gemeenschap en zij leggen de positieve verplichting op deze gelijkheid bij elk optreden te "bevorderen". Zulks werd later meermaals bevestigd en ondermeer in de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep waar men kan lezen dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen vast verankerd is in tal van bepalingen van de Gemeenschapswetgeving, in het bijzonder in Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 en dat de gemeenschap er bij de uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling naar streeft, overeenkomstig artikel 3, lid 2 van het Verdrag, ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, met name omdat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie. De rechtstreekse inroepbaarheid tegen de Lid-Staten van de in artikel 119 van het Verdrag opgenomen regel over de gelijke beloning van mannen en vrouwen lijdt geen twijfel. Zij werd voor het eerst bevestigd door het Hof van Justitie in het arrest Defrenne II van 8 april 1976 en in verschillende latere arresten . Het beginsel heeft overigens zowel horizontale als verticale rechtstreekse werking . Richtlijnbepalingen kunnen daarentegen in beginsel slechts tegenover Lid-Staten worden ingeroepen doch zulks verhindert niet dat de overheid zich niet ten nadele van de burger op een niet - of onjuist omgezette richtlijnbepaling zou kunnen beroepen. Wanneer dus de bepalingen van een Richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig lijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, kunnen de particulieren zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de Richtlijn in overeenstemming is, en ook wanneer die bepalingen rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden . Het Hof van Justitie liet ook verstaan dat wanneer iemand zich tegenover de staat op een richtlijn kan beroepen, hij dit kan doen onverschillig de hoedanigheid waarin de staat handelt, als werkgever of als overheid . In verband met artikel 5, lid 1, van de Richtlijn 76/207, betreffende het verbod van discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden , stelde het Hof o.m. vast, dat die bepaling voldoende nauwkeurig is om door een particulier tegen de Staat te kunnen worden ingeroepen en door de nationale rechter te kunnen worden toegepast, teneinde de toepassing van nationale bepalingen die niet met dit artikel stroken te verhinderen . Het belang van voormeld fundamenteel beginsel van Gemeenschapsrecht wat meer specifiek de overheid betreft treedt nogmaals duidelijk naar voren in het Koninklijk Besluit van 27 februari 1990 houdende maatregelen tot bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in de overheidsdiensten dat elke overheidsdienst de verplichting oplegt een gelijke kansenplan op te maken dat maatregelen dient te bevatten tot verbetering van de nadelige gevolgen die voor vrouwen voortvloeien uit traditionele maatschappelijke toestanden en gedragingen, en maatregelen tot bevordering van hun aanwezigheid in- en hun deelneming aan het beroepsleven op alle hiërarchische niveaus. Deze maatregelen kunnen o.m. bestaan uit zgn. positieve acties op de gebieden bedoeld in artikel 116, eerste lid van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering die tot doel hebben feitelijke ongelijkheden die de kansen van de vrouwen nadelig beïnvloeden, op te heffen. ... Het Hof van Justitie oordeelde in dat verband op 27 juni 1990 in de zaak Kowalska (zaak C-33/89), dat artikel 119 van het Verdrag van Rome aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst voor de nationale overheidsdienst op grond waarvan de werkgevers deeltijdwerknemers mogen uitsluiten van de toekenning van een tijdelijke vergoeding bij beëindiging van de arbeidsverhouding, indien een aanzienlijk kleiner aantal mannen dan vrouwen in deeltijd werkzaam zijn, tenzij de werkgever aantoont dat de betrokken bepaling haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers verzet zich derhalve tegen de toepassing van bepalingen die aan de hand van geslachtsneutrale criteria verschillen in behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers handhaven, indien deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben ."
- De omkering van de bewijslast, die besloten ligt in het beginsel van de indirecte discriminatie, (P. Humblet, Bewijs(last) en geslachtsdiscriminatie, RW 1991-92, 485 e.v.), houdt in dat de gediscrimineerde voldoende elementen moet aandragen om de discriminatie aannemelijk te maken ondanks de ogenschijnlijk neutrale bepaling. Mevrouw M.K. verwijst hierbij terecht naar het overzicht van de personeelssterkte in de overheidssector met een indeling van het personeel naar activiteitspercentage en geslacht (toestand 30 juni 1985) (haar stuk II.6). Hieruit kan afgeleid worden dat het personeel in de ministeries, tewerkgesteld met voltijdse prestaties uit 21.293 mannen (73%) bestaat, tegenover 8.053 vrouwen (27%). Het personeel tewerkgesteld met deeltijdse prestaties bestaat uit 450 mannen (16%) tegenover 2.404 vrouwen (84%). Deze cijfers tonen onbetwistbaar aan dat het grootste gedeelte van de vrouwelijke personeelsleden bij de overheid in een deeltijds kader tewerkgesteld is, en dit ongeacht hun statutaire, dan wel contractuele rechtspositie. Het onderscheid voltijds/deeltijds spoort volgens deze cijfers samen met het verschil man/vrouw. Terecht wijst het Openbaar Ministerie erop dat bovenaangehaalde cijfers bevestigd worden door andere bronnen, zoals de nota uitgaande van de overheid zelf: Gelijkheid mannen en vrouwen: structurele beleidsvorming zijn noodzakelijk, zoals aangehaald door L. Markey en J. Roland, a.w., p.
- Zie in dezelfde zin R. Janvier, Contractanten in overheidsdienst, Gent 1997,
- Het Openbaar Ministerie overweegt verder oordeelkundig: "Het lijdt derhalve geen twijfel dat het in de eerste plaats de vrouwen zijn die nadelig getroffen worden door de hoger nader omschreven regeling en dat deze aldus vooral ongunstige gevolgen heeft voor deze categorie van werknemers die oververtegenwoordigd is in de groep van de contractueel en deeltijdse tewerkgestelde werknemers. Het komt aan appellant toe aan te tonen dat, gelet op alle relevante gegevens en rekening houdend met de mogelijkheid dat de doelstellingen van de betrokken bepalingen met andere middelen kunnen worden bereikt, die doelstellingen geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht en, als middel ter bereiking van bepaalde doelstellingen, tot de verwezenlijking ervan kunnen bijdragen . Appellant, op wie terzake de bewijslast rust , toont niet aan dat de gewraakte regeling zou berusten op objectief gerechtvaardigde factoren die geen verband houden met het geslacht noch dat zij zou beantwoorden aan een wettige doelstelling van sociaal beleid die geen verband houdt met discriminatie op grond van geslacht en dat hij redelijkerwijs mocht oordelen dat de gekozen middelen geschikt waren ter bereiking van dat doel . Redelijkerwijs kan men aannemen dat een loonsverhoging in de eerste plaats de ondernemingstrouw en een grotere beroepservaring wil vergoeden die zich dan weerspiegelt in de anciënniteit, doch zulks houdt nog niet in dat men zonder meer zou kunnen stellen dat een grotere beroepservaring enkel in evenredig verband kan staan met de arbeidsduur. De combinatie van de factoren hogere leeftijd en voltijds werk kan gewis ook een negatief impact hebben. Budgettaire overwegingen, alhoewel zij aan de basis kunnen liggen van de socialebeleidskeuze van een Lid-Staat, kunnen eveneens op zichzelf geen doelstelling van dat beleid vormen en discriminatie ten nadele van een der geslachten rechtvaardigen . Tenslotte mag de beoordelingsbevoegdheid waarover de Lid-Staten beschikken inzake het door hen gevoerde sociaal beleid, niet tot gevolg hebben dat de tenuitvoerlegging van een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, zoals dat van de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, van haar inhoud wordt beroofd . De hoger beschreven regeling vormt derhalve ongetwijfeld een indirecte discriminatie . De omstandigheid dat bij de berekening van de anciënniteit iedere periode van deeltijdarbeid buiten beschouwing wordt gelaten, is immers strijdig met Richtlijn 76/207 inzoverre hiervoor geen verklaring bestaat op grond van objectief gerechtvaardigde factoren die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht . Zoals hoger reeds werd vermeld is het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat een nationale wetgeving een indirecte discriminatie inhoudt wanneer zij, hoewel in neutrale bewoordingen gesteld, feitelijk een veel hoger percentage vrouwen dan mannen benadeelt . Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Arbeiterswohlfahrt der Stadt Berlin ev tegen Monika Boetel van 4 juni 1992 kan men slechts vaststellen dat artikel 119 EEG-Verdrag en Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 verhinderen dat een nationale regeling zou toepassing krijgen die voor een veel groter aantal vrouwen dan mannen geldt en die de werknemers die in contractueel dienstverband van de overheid werken, doch deeltijds tewerkgesteld zijn uitsluit van het in aanmerking nemen van hun anciënniteit voor de toekenning van tussentijdse weddeverhogingen."
- Ten onrechte wil appellant deze oordeelkundige analyse in twijfel trekken door te verwijzen naar artikel 23 van de Grondwet, dat hem een ruime beoordelingsbevoegdheid zou geven voor de realisatie van de sociale en economische grondrechten, waarbij de overheid enkel zou gehouden zijn om haar standstill verplichting na te leven. Uiteraard vermag een beroep op artikel 23 van de Grondwet niet het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel terzijde te schuiven, zoals dit volgt uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de Europese rechterlijke en nationale wettelijke bepalingen, die hierboven werden ontleed. Anders dan de Belgische Staat wil voorhouden, is de toepassing van het gelijkheidsbeginsel geen zaak van opportuniteit, maar wel van legaliteit. Ten onrechte werpt de Belgische Staat op dat de verschillende categorieën personen niet vergelijkbaar zouden zijn en dat het behandelingsverschil bovendien gesteund zou zijn op een objectief criterium met een wettig doel, waarbij evenmin het evenredigheidsbeginsel geschonden wordt. De Belgische Staat veronachtzaamt daarbij dat bij een indirecte discriminatie op basis van het geslacht, zoals hierboven omschreven, uitgegaan wordt van een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze, die een wezenlijk groter gedeelte van een geslacht beïnvloedt, indien deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben. Een dergelijke indirecte discriminatie is aangetoond, zoals volgt uit de randnummers 12 tot 15; de objectieve rechtvaardiging voor de indirecte discriminatie ontbreekt..
- Mevrouw M.K. verwijst ook terecht naar de arresten Nimz (H.v.J. 7 februari 1991 C-184/99, JTT 1991, 346) en Hill Stapleton (H.v.J. 17 juni 1988 C-243/95), die duidelijk maken dat de anciënniteit voor de tijdvakken van deeltijdse tewerkstelling moet worden aangemerkt in functie van het aantal gepresteerde jaren en niet in functie van de arbeidsduur tijdens deze jaren. Mevrouw M.K. vermeldt dat zij in dit stadium kan volstaan met de veroordeling te vragen van de Belgische Staat tot betaling van euro 1 provisioneel, voor zover de discriminatie door het hof op dit punt erkend wordt. Zij gaat er vanuit dat de overheid spontaan de nodige berekeningen van de inmiddels opgestapelde achterstallen zal maken, zodat zij haar vordering tot het bovenvermelde beperkt heeft. Het hof is gehouden tot de beoordeling van de vordering, zoals ze door mevrouw M.K. wordt geformuleerd en het is dan ook overbodig om de debatten te heropenen voor verdere becijfering. Het hoger beroep van appellante is wat dit onderdeel betreft ongegrond. Discriminatie tussen contractueel en statutair tewerkgestelden wat betreft de schaalverhogingen.
- Artikel 1 bis, 3° van het KB van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen van de federale overheidsdiensten houdt in dat mevrouw M.K. aanspraak kan maken op de tussentijdse verhogingen voorzien in de weddenschaal die overeenkomt met die welke aan de rijksambtenaren met een zelfde graad of van een zelfde klasse bij hun aanwerving wordt toegekend. In deze regeling is daarbij niet voorzien dat zij ook kan genieten van dezelfde bevorderingsregeling als de rijksambtenaren. Zij kan zich dan ook niet beroepen op de terzake geldende bepalingen van het KB van 2 oktober 1937 zoals dat van toepassing is op de rijksambtenaren.
- Mevrouw M.K. houdt voor dat dit onderscheid, voortvloeiend uit de verschillende regeling voor de statutaire en de contractuele personeelsleden in dienst van de overheid, discriminerend is, in zoverre het niet toekennen van de schaalverhogingen voor haar resulteerde in een lager loon. Zij verwijst dienaangaande naar de indirecte discriminatie, die voortvloeit uit het feit dat er significant meer vrouwen contractueel tewerkgesteld zijn bij de overheid, terwijl de mannen vooral in een statutair dienstverband werken.
- In beginsel zijn de personeelsleden bij de overheid tewerkgesteld op statutaire basis omwille van het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst; voor de federale overheid is dat uitdrukkelijk neergeschreven in artikel 3 van de Wet van 22 juli 1993 houdende enige maatregelen inzake ambtenarenzaken (BS 14 augustus 1993). Artikel 4 van deze wet bepaalt dat in vier uitzonderingsgevallen personeel met arbeidsovereenkomsten kan worden aangeworven, met name 1) om tegemoet te komen aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften, 2) ter vervanging van ambtenaren of contractuele personeelsleden, 3) ter vervulling van bijkomende en specifieke opdrachten, 4) ter invulling van betrekkingen of functies waarvoor een ruime ervaring of een specifieke kennis vereist is. De grondslag voor de statutaire tewerkstelling is verbonden met het openbaar gezag, dat de Staat moet toelaten het algemeen belang te dienen. Hierdoor is de statutaire regeling ook eenzijdig wijzigbaar (A. De Becker, De overheid en haar personeel: juridische grondslagen van de rechtspositie van de ambtenaar, Administratieve Rechtsbibliotheek, Brugge, 2007, p. 595 -596, nr. 862 en p. 493, nr. 722). Een contractueel personeelslid kan in beginsel geen deel van het openbaar gezag uitoefenen (R.v. St. Khemissi, nr. 127.677, 2 februari 2004, Soc. Kron. 2004, 487 met noot Jacqmain). Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest 127/2001 van 16 oktober 2001 dat de statutaire personeelsleden in beginsel niet vergelijkbaar zijn met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden (vgl.Arbitragehof 9/2005 van 19 januari 2005; 17/91 van 4 juli 1991; 82/95 van 14 december 1995; 66/99 van 17 juni 1999). Deze verschillende rechtspositie houdt in dat hun werkvoorwaarden en de betoelaging verschillend kunnen worden geregeld. In de rechtsleer wordt dienaangaande enerzijds aangegeven dat de cijfermatige verhoudingen tussen statutaire en contractuele personeelsleden bij de overheid van die aard zijn dat het uitzonderingskarakter van de contractuele tewerkstelling onder druk komt te staan en dat zodoende bepaalde verschillen tussen statutairen en contractuelen tot spanningen aanleiding kunnen geven (R. Janvier, Over overheden, contractanten & ambtenaren: geen vrijblijvende ‘ ménage à trois', in Contractuele tewerkstelling in de overheid (eds. M. De Vos en I. Plets), Brugge 2005, 1-35); anderzijds zijn voor een mogelijke gelijkschakeling een aantal voorbereidende stappen nodig waarbij een eigen juridisch kader moet worden gecreëerd via ingrijpen van de (grond)wetgever (A. De Becker, a.w., p.620-621, nr. 895 en p. 513, nr. 755).
- Mevrouw M.K. betwist niet dat zij op geldige wijze door middel van een arbeidsovereenkomst bij de overheid tewerkgesteld is geweest. Als instructeur talen, achtereenvolgens tewerkgesteld bij de RVA, de regionale tewerkstellingsdiensten en de federale overheid, kan aangenomen worden dat zij geen taken van openbaar gezag uitoefende. Evenmin heeft zij de beslissing om haar bij arbeidsovereenkomst aan te werven aangevochten wegens het niet voldoen aan de uitzonderingssituaties van artikel 4 van de wet van 22 juli
- Ze legt bovendien uit dat zij slechts na het uitbrengen van de dagvaarding in een statutaire dienstbetrekking tewerkgesteld werd, omdat zij slechts dan in de mogelijkheid was om het vereiste examen af te leggen. De tewerkstelling van mevrouw M.K. in een contractueel dienstverband beantwoordde dan ook aan een reële en een objectieve situatie, die aansluit bij de oogmerken van de contractuele tewerkstelling in overheidsdiensten.
- Ongeacht de rechtspraak van het toenmalige Arbitragehof, hierboven aangehaald in randnummer 20, houdt mevrouw M.K. voor dat niettemin de statutaire en de contractuele personeelsleden als vergelijkbare categorieën kunnen worden beschouwd, omdat het Arbitragehof dit wel aanvaard heeft in zijn arrest van 18 december 1996 (RW 1996-97, 1252) in verband met de vergelijking van de aansprakelijkheidsproblematiek. Mevrouw M.K. gaat er aldus aan voorbij dat in verband met deze aangelegenheid dit hof een uitzondering heeft gemaakt op haar beginselrechtspraak, aangehaald in randnummer 20 (A. De Becker, Kroniek van het Belgische ambtenarengerecht 1999-2008, RW 2008-09, 1162). Immers de aansprakelijkheid van een tewerkgestelde bij de overheid verschilt niet al naar gelang die persoon deel uitmaakt van het openbaar gezag, zodat deze problematiek identiek is voor statutairen en contractuelen. Dit is anders voor het geldelijk statuut, dat verbonden is met de statutaire aanstelling, terwijl de loonvorming in een contractuele tewerkstelling in beginsel op conventionele basis plaatsvindt. De verschillen die hieruit voortvloeien worden uitgelegd door de verschillende rechtspositieregelingen en zijn aldus objectief verantwoord. Dit is in het geval van mevrouw M.K. des te meer zo, daar haar contractueel dienstverband ook volledig beantwoordde aan de doelstellingen van haar rechtspositieregeling. Een tewerkstelling in een contractueel dienstverband leidt niet tot een functionele loopbaan en om die reden is het stelsel van de schaalverhogingen niet van toepassing. Bij een schaalverhoging wordt een hogere salarisschaal toegekend binnen een zelfde rang, zonder wijziging van de graadbenaming. Het is aannemelijk dat deze functionele loopbaan en de bevorderingsregels niet toegepast worden voor de contractuele personeelsleden, omdat precies hun tewerkstelling gebaseerd is op de uitzonderingsbepalingen, die voorzien zijn in artikel 4 van de wet van 22 juli
- Deze uitzonderingen zijn er niet op voorzien dat een contractant gedurende heel zijn arbeidscarrière in dienst van de publieke entiteit blijft, zonder intussen deel te nemen aan een vergelijkende selectie of een aanwervingexamen voor statutaire personeelsleden (A. De Becker, De overheid en haar personeel..., p. 492, nr. 721).
- Op basis van de overzichten van de personeelssterktes in de overheidssector op 1 januari 1997 en 30 juni 1999 toont mevrouw M.K. aan dat er meer vrouwen dan mannen contractueel tewerkgesteld zijn. (Het overzicht van 1 januari 1997 toont wel aan dat dit verschil niet aanwezig is op het niveau 1 en het niveau 2+, zijnde de personeelscategorie waartoe mevrouw M.K. vermoedelijk behoort (buiten haar loopbaanoverzicht worden weinig concrete gegevens voorgebracht)). Op basis van de verschillen voor alle niveaus samen concludeert mevrouw M.K. dat vooral de vrouwen gediscrimineerd zijn, doordat zij als contractuele personeelsleden in een wezenlijk grotere mate geen aanspraak kunnen maken op de schaalverhogingen, ook al is deze regeling een ogenschijnlijk neutrale bepaling. Dit indirect onderscheid kan maar aanvaard worden indien het niet gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die geen verband houden met het geslacht. Het is immers niet zo dat elk indirect onderscheid op basis van het geslacht automatisch een discriminatie impliceert. Men dient dit onderscheid te toetsen aan de objectieve rechtvaardiging (cfr. N. Warnier, Les discriminations directes et indirectes dans le domaine de l'égalité homme-femme et de l'égalité nationaux - non nationaux, Rev. Dr. Intern. Comp. 2007, 266). In de randnummers 20 tot en met 22 werd uitgelegd dat deze objectieve rechtvaardiging in casu aanwezig is. Het systeem van de schaalverhogingen is objectief en houdt geen verband met het geslacht.
- In het arrest Nolte oordeelde het Hof van Justitie dat wanneer de nationale wetgever een regeling uitwerkt, waarbij hij er in redelijkheid van kon uitgaan dat deze noodzakelijk was ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid, dit niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht (H.v.J. 14 december 1995, C- 317/93 inzake Nolte, ov. 36). Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikken de Lid-Staten over een ruime beoordelingsmarge (ov. 33). Ook het Grondwettelijk Hof/Arbitragehof oordeelde dat het aan de bevoegde overheid staat de meest geschikte weg te kiezen teneinde de opdrachten van openbare dienst te verwezenlijken waarmee ze is belast en dat het beginsel van gelijkheid en niet discriminatie niet de verplichting oplegt aan elke persoon die in overheidsdienst werkt een identiek juridisch statuut toe te kennen (AH. 64/2005 dd. 23 maart 2005, ov. B.5.2.; Gr. H. 89/2008 dd. 11 juni 2008, ov. B. 8). Appellante kon aldus voor de statutaire werknemers voorzien in een systeem van schaalanciënniteit omwille van de functionele loopbaan, die volgde uit hun statutaire benoeming, zonder dat dit stelsel van toepassing was op de contractuele personeelsleden, die slechts konden aangeworven worden in de uitzonderingsgevallen voorzien in artikel 4 van de wet van 22 juli
- Dit verschil in behandeling heeft niet tot gevolg dat het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in zijn essentie wordt aangetast. Gelet op het bestaan van deze objectieve rechtvaardiging, kan de indirecte discriminatie niet aangenomen worden en de overige verwijzingen en vergelijkingen van mevrouw M.K. kunnen hieraan geen afbreuk doen, omdat ze betrekking hebben op casussen waarin deze objectieve rechtvaardiging niet aanwezig was. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. Discriminatie tussen contractueel en statutair tewerkgestelden wat betreft de pensioenrechten
- De Belgische Staat houdt voor dat mevrouw M.K. geen belang heeft om een discriminatie in te roepen tussen statutair en contractueel tewerkgestelden wat betreft de opbouw van haar pensioenrechten, omdat zij bij het inleiden van haar vordering nog niet gepensioneerd was. Het Openbaar Ministerie treedt de Belgische Staat hierin bij. Mevrouw M.K. betwist het ontbreken van belang, omdat een overheidspensioen beschouwd wordt als een uitgesteld loon van een ambtenaar.
- Prof. J. Jacqmain wijst er op dat, ongeacht een aantal reële verschillen, diverse budgettaire maatregelen ertoe leiden dat de overheidspensioenen en de werknemerspensioenen de neiging hebben om dichter naar mekaar toe te groeien (J. Jacqmain, Droit social de la fonction publique I, Brussel, 2010, 187, nr. 14.7). De pensioensituatie van mevrouw M.K. kan daardoor slechts reëel worden beoordeeld op het ogenblik van haar pensionering, zodat ze op 5 februari 1999 niet het vereiste actuele belang had om een betwisting voor te brengen m.b.t. de vaststelling van haar pensioenrechten. Het Openbaar Ministerie dient te worden bijgetreden dat haar vordering op dat ogenblik voorbarig was. Zij beschikte niet over een reeds verkregen en dadelijk belang. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een ambtenarenpensioen kan beschouwd worden als een uitgesteld loon. Het Arbitragehof oordeelde in het arrest 45/95 van 15 juni 1995 (ov. B.2.2.) dat ofschoon het rustpensioen van de personeelsleden van de openbare diensten wordt beschouwd als een uitgestelde wedde, het een vervangingsinkomen betreft dat als rustpensioen wordt behandeld. Hieruit vloeit dus voort dat de rechten van mevrouw M.K. op een rustpensioen dan ook slechts kunnen worden beoordeeld op het ogenblik dat zij hierop gerechtigd zal zijn, waarbij dan rekening zal moeten gehouden worden met de alsdan geldende wetgeving en reglementering. Ten overvloede kan hieraan worden toegevoegd dat in de mate mevrouw M.K. verwijst naar het karakter van uitgesteld loon van het pensioen van de ambtenaren, hiervoor dezelfde overwegingen gelden als deze die naar voorgebracht werden in de randnummers 20 tot 24, zodat evenmin een indirecte discriminatie kan worden aanvaard. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J.J. André, ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 28 oktober 2010, waarop werd gerepliceerd door beide partijen; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis wat betreft de beoordeling van de ingeroepen discriminatie als deeltijds personeelslid, zodat de deeltijds gepresteerde tijdvakken voor de anciënniteit als voltijdse tijdvakken moeten worden aangemerkt en wat betreft de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van de dienovereenkomstige achterstallen, begroot op euro 1 provisioneel, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten. Vernietigt het bestreden vonnis voor het overige en hierover opnieuw recht doende, Verklaart de vorderingen van mevrouw M.K., voor zover zij betrekking hebben op de vaststelling van haar pensioenrechten onontvankelijk, minstens ongegrond en verklaart de vordering van mevrouw M.K. betreffende de ingeroepen discriminatie als contractueel personeelslid en haar vraag tot betaling van de dienovereenkomstige achterstallen ontvankelijk, maar ongegrond. Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen en veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van de dagvaardingskosten ten bedrage van euro 55,90 aan mevrouw M.K.; compenseert de rechtsplegingsvergoedingen van beide aanleggen bij gelijke helften. Aldus gewezen door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door: Lieven LENAERTS, raadsheer, Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER, Lucrèce REYBROECK, Andre LEURS. en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 17 december 2010 door: Lieven LENAERTS, raadsheer, bijgestaan door Kelly CUVELIER, griffier. Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101217.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div