W. legde de heer R. op 13 augustus 2009 bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel een verzoek neer om te worden bevrijd van deze verbintenis. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 1 december 2009 werd het verzoek gegrond verklaard en werd de heer R. bevrijd van zijn verbintenis als medecontractant van de schuldeiser Citibank. Van dit vonnis werd bij gerechtsbrief van 8 december 2009 kennis gegeven aan Citibank, die de gerechtsbrief ontving op 9 december
W. bepaalt : Onverminderd de toepassing van artikel 1287 van het Burgerlijk Wetboek en behalve ingeval van het organiseren van bedrieglijk onvermogen, kunnen natuurlijke personen die kosteloos een persoonlijke zekerheid hebben gesteld ten behoeve van de verzoeker, volledig of gedeeltelijk van hun verbintenis worden bevrijd indien de rechter vaststelt dat hun verbintenis onevenredig is met hun inkomsten en met hun vermogen. Deze bepaling werd ingevoegd bij artikel 19 van de Wet van 13 december 2005 ( B.S. 21 december 2005). In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat de formulering "persoonlijke zekerheid" eveneens de medeschuldenaars beoogt zoals bedoeld in artikel 1216 B.W.. De nieuwe regeling is geïnspireerd door degene die voorkomt in de recente wijziging van de faillissementswet ( hiermee wordt artikel 80 lid 3 Faill.W. bedoeld, zoals ingevoegd door de wet van 20 juni 2005). In het Kamercommissieverslag bevestigde de bevoegde minister dat voor de formulering van artikel 1675/
W. rekening gehouden werd met het arrest van het Arbitragehof 114/04 van 30 juni 2004 in verband met de kosteloosheid van de persoonlijke zekerheid. In dit arrest interpreteerde het hof het begrip kosteloos als het ontbreken van enig voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de borg kan genieten dankzij de borgstelling ( ov. B.5.4.). In het cassatiearrest van 26 juni 2008 (JLMB 2009, 720 noot CAVENAILE, T; Pas. 2008, 1682; Rev.prat.soc. 2008, 84, concl. VAN INGELGEM, A., noot DERIJCKE, W; RW 2008-09 (weergave), 45 ) wordt uitgelegd dat de kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling bij de toepassing van art. 80 Faill.W. 1997 verwijst naar het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten dankzij de zekerheidstelling. Of de zekerheidsteller al dan niet een concrete tegenprestatie heeft bedongen voor het aangaan van de zekerheidsstelling, is niet determinerend. Gelet op het feit dat in de Memorie van Toelichting bij de wet van 13 december 2005 uitdrukkelijk werd gesteld dat de nieuwe regeling van artikel 1675/
Ger. W. geïnspireerd werd door de wijzigingen in de faillissementswet, verdient het aanbeveling dat het begrip ‘ kosteloos' in beide wetten op een zelfde wijze wordt geïnterpreteerd ( M. Vanmeenen, Kosteloze borgtocht : ( een) nieuwe zekerheid (?), TBH 2008, 845, nr. 25). 3. De overeenkomst van lening op afbetaling tussen Citibank en mevrouw P. H. en de heer F. R. van 19 december 2007 leidde tot volgende afrekening van het krediet: de afsluiting van Citi Visa ten bedrage van euro 4.957,17, de terugbetaling van het krediet bij Citibank ter waarde van euro 21.667,69 de betaling van een verzekeringspremie op naam van P. H. ten bedrage van euro 1.333,19 de betaling van een verzekeringspremie op naam van F. R. ten bedrage van euro 1.240,19 vervolgens werd een saldo uitbetaald van euro 1.301,76 Dit komt samen overeen met het geleende bedrag van euro 30.500,00 Gelet op het feit dat de lening op afbetaling mede gediend heeft voor de betaling van een persoonlijke verzekeringspremie van de heer F. R., kan door hem niet voorgehouden worden dat de zekerheidstelling kosteloos was in de zin dat elk economisch voordeel ontbrak, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks. Tevens vormden mevrouw H. en haar zoon R. een gemeenschappelijke huishouding; het is dus niet uitgesloten dat de lening dienstig was om gezamenlijke lasten te financieren. Alleszins toont de heer R. niet aan dat hij op die wijze geen onrechtstreeks voordeel uit de lening bekwam. Aldus voldoet de heer R. niet aan de voorwaarde van artikel 1675/
W. in verband met de kosteloosheid. In die omstandigheden is het hoger beroep van Citibank gegrond. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24, Recht doende op tegenspraak ten aanzien van Citibank, de heer R., en de schuldbemiddelaar en op verstek t.o.v. de schuldeisers; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, Verklaart het verzoek van de heer R. om bevrijd te worden van zijn verbintenis als medecontractant van Citibank, ontvankelijk doch ongegrond. Aldus gewezen door de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 11e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 december 2010 door de Heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier L. HERREGODTS, L. LENAERTS. XVI. Schuldoverlast Ger. W. art. 1675/16bis Bevrijding kosteloze persoonlijke zekerheid De bevrijding van een kosteloze persoonlijke zekerheid in de zin van art. 1675/16bis Ger. W. kan ook toegepast worden ten voordele van een medeschuldenaar. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling verwijst naar het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten dankzij de zekerheidstelling. Of de zekerheidsteller al dan niet een concrete tegenprestatie heeft bedongen voor het aangaan van de zekerheidsstelling, is niet determinerend. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101220.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.