id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101220.2 Rolnummer: 2010/AB/00145 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2011-01-10 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 14:23 Fiche 1 Na een herroeping van de collectieve schuldenregeling herwinnen de schuldeisers hun positie die zij hadden voor de start van de procedure. Dit houdt in dat de gelden die de schuldbemiddelaar nog onder zich houdt, behoren tot het vermogen van de schuldenaar en dat zij, na aftrek van de boedelschulden, waaronder deze van de procedure, in principe aan hem moeten worden teruggegeven, voor zover er geen ander wettelijk beletsel is, zoals een overdracht, een voorrecht of een andere zakelijke zekerheid. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Schuldbemiddelaar Vrije woorden: SCHULDOVERLAST - Gevolg herroeping op verdeling gelden in bezit schuldbemiddelaar. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1675/15,§3 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI art. 1675/15, § 3 Ger.W. Een andere korte inhoud is geranschikt onder XVI. Gepubliceerd in S.R.K. 2011, 198 Fiche 2 Belastingschulden in verband met inkomsten verworven na de toelaatbaarverklaring moeten als onvrijwillige boedelschulden worden beschouwd, omdat ze betrekking hebben op het nadien verworven inkomen, dat dienstig is geweest voor het uitvoeren van het aanzuiveringplan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Gerechtelijke aanzuivering Vrije woorden: SCHULDOVERLAST - Boedelschuld. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - - - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Nota: Gerangschikt onder XVI. Een andere korte inhoud is gerangschikt onder XVI art. 1675/15, § 3 Ger.W. Gepubliceerd in S.R.K. 2011, 198 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 DECEMBER
- 11de KAMER Collectieve schuldenregeling - vorderingen collectieve schuldenregeling Definitief Op tegenspraak t.a.v. appellante partij en de schuldbemiddelaar en bij verstek t.a.v. de schuldenaars en de andere schuldeisers In de zaak : DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, ADMINISTRATIE TER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de ONTVANGER DER DIRECTE BELASTINGEN TIENEN, wiens burelen gevestigd zijn te 3300 Tienen, Goossensvest, 11, Appellant, vertegenwoordigd door Mter A. Herreman loco Mter Ph. Declercq, advocaat te 1050 Brussel; Tegen :
- De Heer P. D., wonende te 3300 Tienen, Bosschelstraat, 35,
- Mevrouw V. A., wonende te 3300 Tienen, Bosschelstraat, 35, Schuldenaars, niet verschijnend noch vertegenwoordigd ter zitting; EN (...) Schuldeisers, niet verschijnend noch vertegenwoordigd ter zitting; Mede inzake : De Heer W. VAN BETSBRUGGE, advocaat, met kantoor gevestigd te 3300 Tienen, Vierde Lansierslaan, 70, Schuldbemiddelaar, verschijnend in persoon; Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Leuven, uitgesproken op tegenspraak t.a.v. de schuldbemiddelaar en bij verstek t.a.v. de schuldenaars en schuldeisers op 13 januari 2010, 6de kamer (A.R. nr. 08/2309/B). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 15 februari 2010; - de besluiten en synthesebesluiten neergelegd ter griffie door de schuldbemiddelaar, respectievelijk op 14 mei 2010 en 15 oktober 2010; - de besluiten neergelegd ter griffie voor appellante partij op 15 september 2010; - de voorgelegde stukken; Gehoord de aanwezige partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 15 november 2010, waarna de debatten gesloten werden, de zaak in beraad genomen werd en voor uitspraak werd vastgesteld op heden. x x x I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.
- Op 5 januari 2006 legden de heer D. P. en mevrouw V. A. een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling neer bij de beslagrechter te Leuven, die bij beschikking van 28 maart 2006 deze vraag toelaatbaar verklaarde en advocaat Willem Van Betsbrugge als schuldbemiddelaar aanstelde. Op 25 april 2006 deed de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen aangifte van schuldvordering voor diverse belastingschulden van de schuldenaars ter waarde van euro 910,15 (hoofdsom euro 706,52). De door de schuldbemiddelaar opgestelde minnelijke aanzuiveringregeling van 7 november 2006 werd gehomologeerd bij beschikking van 11 april
- Op 4 maart 2008 deed de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen een aanvullende aangifte van schuldvordering voor de personenbelasting 2007 ten bedrage van euro 328,43 ( kohierartikel 779709159).
- Op 27 oktober 2009 legde de schuldbemiddelaar bij de arbeidsrechtbank te Leuven een verzoek tot herroeping neer. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 13 januari 2010 werd de beschikking van toelaatbaarheid van 28 maart 2006 herroepen op grond van artikel 1675/15 §1, 2° Ger. W., waarbij de staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar werd begroot en uitvoerbaar verklaard voor euro 1.385,
- Tevens zegde de arbeidsrechtbank dat de gelden, die alsdan beschikbaar waren op de rubriekrekening van de schuldbemiddelaar, na aftrek van de staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar toekwamen aan de schuldeisers, opgenomen in de collectieve schuldenregeling, en onder hen dienden te worden verdeeld op grond van de overeengekomen minnelijke aanzuiveringregeling. De arbeidsrechtbank overwoog daarbij dat het gedeelte van het vermogen van de schuldenaar dat werd afgezonderd voor de in de collectieve schuldenregeling betrokken schuldeisers, aan dit doel verbonden bleef. Van dit vonnis werd bij gerechtsbrief van 14 januari 2010 kennis gegeven aan de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen.
- Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 15 februari 2010, tekende de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen hoger beroep aan tegen dit vonnis wat betreft de beslissing tot verdeling van de resterende gelden op de rubriekrekening en zij vroeg dat bij de verdeling onder de schuldeisers rekening zou worden gehouden met de wettige redenen van voorrang, waaronder het voorrecht van de schatkist op grond van de art. 422 en 423 WIB 92 en dat rekening zou worden gehouden met het uitvoerend derdenbeslag van de ontvanger te Leuven en dat er hoe dan ook pas tot verdeling kon worden overgegaan na aftrek van de boedelschulden, waaronder de belastingschulden waarvan het belastbaar feit dateert van na de beschikking van toelaatbaarheid van 28 maart 2006; in ondergeschikte orde, vroeg zij dat dit laatste ook zou gelden, indien het hof toch zou oordelen dat de schuldbemiddelaar het saldo diende te verdelen op grond van de overeengekomen minnelijke aanzuiveringregeling.
- De schuldbemiddelaar liet kennen dat hij ingevolge het vonnis van de eerste rechter reeds op 22 januari 2010 tot verdeling van de gelden van de rubriekrekening was overgegaan en dat hij derhalve geen gevolg had kunnen geven aan het fiscale derdenbeslag van 10 februari 2010; hij vroeg aldus dat het vonnis zou worden bevestigd en dat zou worden gezegd voor recht dat de vordering van de fiscus ongegrond was minstens niet meer uitvoerbaar, zodat de pondspondsgewijze verdeling, zoals uitgevoerd, moest worden bevestigd; ondergeschikt, dat zou worden gezegd voor recht dat enkel rekening kon worden gehouden met de vordering van de fiscus in de regeling, zijnde het saldo van euro 280,70 en dat zou worden gezegd voor recht dat de som van de gereserveerde gelden diende te worden herleid tot euro 350, rekening houdend met de zesmaandelijkse betaling, die voorzien was en minstens dat de som van de gereserveerde gelden beperkt was tot euro 1.283,
- BEOORDELING.
- Het hoger beroep van de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen van 15 februari 2010 werd tijdig ingesteld gelet op de kennisgeving van het vonnis op 14 januari 2010, 14 februari een zondag zijnde, en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.
- Artikel 1675/7 § 4 Ger. W. bepaalt: De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid houden dus op te lopen door het vonnis van 13 januari 2010, waarbij de beschikking van toelaatbaarheid werd herroepen. Op grond van artikel 1675/7 § 1 en 2 Ger. W. deed de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers met als gevolg de opschorting van de intresten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker. De gevolgen van de overdrachten van schuldvordering werden geschorst tot aan de herroeping, evenals de gevolgen van de zakelijke zekerheden en voorrechten en alle middelen van tenuitvoerlegging. Aan deze opschorting kwam dus een einde door de herroeping. In het gehomologeerd minnelijk aanzuiveringplan wordt niet voorzien dat de sommen die van het inkomen van de schuldenaar worden afgehouden onmiddellijk verworven zijn door de schuldeisers of dat de gelden die op de rubriekrekening worden bewaard, bij het einde van de collectieve schuldenregeling aan de schuldeisers toekomen, indien hun schuld op dat ogenblik niet volledig is terugbetaald. In dat geval had de som die op het ogenblik van de herroeping op de rubriekrekening voorhanden was, kunnen worden verdeeld onder de schuldeisers volgens de verdelingsregels vervat in de aanzuiveringregeling ( zie B. Wylleman en E. Van Acker, Praktische gids voor schuldbemiddelaars, nr. 425 (vn.358) en 426 in fine). Ten onrechte beroept de schuldbemiddelaar zich thans op de verdeling ten voordele van de schuldeisers, die voor de beslissing tot herroeping mogelijk had kunnen plaatsvinden; uit de aanzuiveringregeling blijkt immers niet en er kan ook niet worden uit afgeleid dat de afgehouden gelden reeds verworven waren voor de schuldeisers. Overigens heeft de schuldbemiddelaar zelf geen verdeling gedaan omwille van de redenen van herroeping die hij aan de schuldbemiddelingsrechter ter kennis had gebracht. Bij gebreke aan een bepaling dat de gelden onmiddellijk verworven zijn voor de schuldeisers, kan de afzondering van de gelden op de rubriekrekening voor de in de collectieve schuldenregeling betrokken schuldeisers maar aan dit doel verbonden blijven zolang de collectieve schuldenregeling bestaat en hieraan is een einde gekomen door de herroeping.
- Hieruit vloeit enerzijds voort dat de bescherming van artikel 1675/7 wegvalt, met inbegrip van de opschorting van de overdrachten van schuldvordering en de gevolgen van de zakelijke zekerheden en voorrechten en anderzijds dat het minnelijk aanzuiveringplan niet meer dienstig is voor de verdere verdeling van de beschikbare gelden. De schuldeisers kunnen uit het plan dan ook geen voordelen meer putten en kunnen zich er niet meer op steunen voor de verdeling van de beschikbare gelden.
- Artikel 1675/15 §3 Ger. W. bepaalt immers: In geval van herroeping herwinnen de schuldeisers individueel het recht een vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvordering. De schuldeisers herwinnen dan ook hun positie die zij hadden voor de start van de procedure ( E. Dirix, Overzicht van rechtspraak, Beslag en Collectieve Schuldenregeling, T.P.R. 2002, 1323, nr. 197). Dit houdt in dat de gelden die de schuldbemiddelaar nog onder zich houdt, behoren tot het vermogen van de schuldenaar en dat zij, na aftrek van de boedelschulden, waaronder deze van de procedure, in principe aan hem moeten worden teruggegeven, voor zover er geen ander wettelijk beletsel is, zoals een overdracht, een voorrecht of een andere zakelijke zekerheid. (E. Dirix, nr. 198)
- De schuldbemiddelaar legde uit dat hij op 22 januari 2010 reeds tot uitbetaling is overgegaan overeenkomstig het bestreden vonnis en dat hij alsdan beschikte over euro 2.763,85, wat op 26 januari 2010 nog aangevuld werd met een bedrag van euro
- Het hoger beroep van appellant heeft geen betrekking op de beslissing tot herroeping en op de begroting van de staat van de schuldbemiddelaar, die door de eerste rechter uitvoerbaar werd verklaard ten belope van euro 1.385,
- De schuldbemiddelaar dient in verband met de beroepsprocedure een aanvullende staat van ereloon en onkosten in ten bedrage van - verplaatsingsonkosten 100 x euro 0,20 euro 20,00 - vacatie euro 75,22 totaal euro 95,22 Deze staat kan worden goedgekeurd en uitvoerbaar verklaard. Deze kosten van de procedure zijn boedelschulden en bevoorrecht (art. 19,1° Hyp.W.).
- Terecht wijst de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen erop dat ook de belastingschulden in verband met de inkomsten verworven na de toelaatbaar- verklaring als onvrijwillige boedelschulden moeten worden beschouwd, omdat ze betrekking hebben op het nadien verworven inkomen, dat dienstig is geweest voor het uitvoeren van het aanzuiveringplan. De fiscus beschikt hierbij over een algemeen voorrecht op grond van de art. 422 en 423 WIB92 (rang na art. 19,5° Hyp. W). Ook deze boedelschuld dient te worden betaald voor dat enig bedrag aan de schuldenaar kan worden teruggegeven. Appellant heeft zodoende een boedelschuld van in totaal euro 2.324,06, zijnde meer dan het verschil tussen het resterende bedrag op de rubriekrekening en de staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar. De schuldbemiddelaar had derhalve geen gelden meer ter beschikking om te verdelen onder de schuldenaars en/of de schuldeisers, die voordien in de collectieve schuldenregeling betrokken waren en hun recht van vordering herwonnen.
- Ten onrechte beroept de schuldbemiddelaar zich op het bestreden vonnis om voor te houden dat een andere regeling dan deze die hij heeft toegepast op 22 januari 2010 de facto niet meer uitvoerbaar is. Weliswaar was dit vonnis voorlopig uitvoerbaar, maar het was nog niet in kracht van gewijsde en dus niet definitief, zodat de uitvoering geschiedt op eigen risico. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24, Recht doende op tegenspraak t.o.v de FOD Financiën - Ontvangkantoor Tienen en de schuldbemiddelaar en bij verstek t.o.v. de schuldenaars en de overige schuldeisers, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk ge¬grond. Doet het vonnis van de eerste rechter teniet wat betreft de verdeling van de op de rubriekrekening beschikbare gelden en hierover opnieuw recht sprekend, Zegt voor recht dat de op de rubriekrekening beschikbare gelden in eerste instantie dienen te worden aangewend voor de vereffening van de boedelschulden in volgende orde : - de vereffening van de staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar ten bedrage van euro 1.385,15, aangevuld met euro 95,22, zijnde samen euro 1.480,37 - de belastingschulden met betrekking tot de inkomsten verworven na de beschikking van toelaatbaarheid van 28 maart 2006; stelt vast dat er na uitkering van deze boedelschulden geen bedragen meer beschikbaar zijn. Keurt de bijkomende staat van de erelonen en kosten van de schuldbemiddelaar ten bedrage van euro 95,22 goed en beveelt de tenuitvoerlegging ervan. Wijst al het meergevorderde af. Stelt vast dat aan deze procedure geen gerechtskosten verbonden zijn. Aldus gewezen door de 11de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door : De Heer L. LENAERTS, Raadsheer, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, L. LENAERTS. Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 11e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 december 2010 door de Heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier L. HERREGODTS, L. LENAERTS. XVI. Schuldoverlast Ger. W. art. 1675/15 §3 Ger. W. Gevolg herroeping op verdeling gelden in bezit schuldbemiddelaar Na een herroeping van de collectieve schuldenregeling herwinnen de schuldeisers hun positie die zij hadden voor de start van de procedure. Dit houdt in dat de gelden die de schuldbemiddelaar nog onder zich houdt, behoren tot het vermogen van de schuldenaar en dat zij, na aftrek van de boedelschulden, waaronder deze van de procedure, in principe aan hem moeten worden teruggegeven, voor zover er geen ander wettelijk beletsel is, zoals een overdracht, een voorrecht of een andere zakelijke zekerheid. XVI. Schuldoverlast Boedelschuld Belastingschulden in verband met inkomsten verworven na de toelaatbaar- verklaring moeten als onvrijwillige boedelschulden worden beschouwd, omdat ze betrekking hebben op het nadien verworven inkomen, dat dienstig is geweest voor het uitvoeren van het aanzuiveringplan. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101220.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div