← België

ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101223.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 december 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101223.6 Rolnummer: 2010/AB/524 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2011-02-03 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-01 14:26 Fiches 1 - 2 Het ocmw pleegt een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur door onmiddellijk, zonder verdere verwittiging, het leefloon in te trekken van een leefloonaanvrager, wiens werkbereidheid in het verleden steeds positief geëvalueerd werd, zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn zoekgedrag naar werk, waarbij bij slechts voor halftijdse betrekkingen solliciteerde, aan te passen. Bij gebreke van opmerkingen kon de aanvrager er rechtmatig op vertrouwen dat hij tegemoet kwam aan de verwachtingen van het ocmw. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: SOCIAAL VOORZORG - RECHT OP BESTAANSMINIMUM - Wet van 26 mei

  1. - Leefloon.- Beginselen van behoorlijk bestuur.- Werkbereidheid Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 21 §2 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: X G N art. 21 § 2 eveneens gerangschikt onder I K UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Beginselen van behoorlijk bestuur - Bestuursrecht Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - ALGEMENE BEGINSELEN - PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - Leefloon.- Beginselen van behoorlijk bestuur.- Werkbereidheid Nota: I K eveneens gerangschikt onder X G N art. 21 § 2 Tekst van de beslissing rep.nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 DECEMBER 2010 7e KAMER OCMW - maatschappelijke dienstverlening tegensprekelijk definitief kennisgeving art. 580, 2°, Ger. W. in de zaak: L. C. appellante, vertegenwoordigd door mr. DE STAERCKE Jürgen, advocaat te 9552 BORSBEKE, Pastorijstraat, 30 tegen: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN TERNAT, openbare instelling voor sociale bijstand, met zetel te 1742 SINT-KATHERINA-LOMBEEK, Kappeleveld 8, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. STROOBANTS V. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1 *** * Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 03-05-2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 18663/09). - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 juni 2010; - de conclusies die voor de beide partijen ter griffie werden neergelegd; - het advies van openbaar ministerie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 10 november 2010; - de ter griffie neergelegde repliekconclusies; - de voorgelegde stukken; De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 4 november 2010, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 10 november 2010 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 26 november 2010, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden. *** * I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.
  2. Mevrouw L. , die 51 jaar oud was op het ogenblik van de bestreden beslissing, ontving van het OCMW Ternat een leefloon vanaf de maand oktober
  3. Voorheen had zij gedurende 25 jaar zelfstandig een restaurant uitgebaat, dat echter failliet werd verklaard. Tijdens de eerste jaren dat zij een leefloon genoot heeft zij, in akkoord met het OCMW Ternat, verschillende beroepsopleidingen gevolgd, teneinde haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Mevrouw L. had immers alleen een opleiding hotelschool, maar kon op medische gronden dit werk niet meer aan, zodat ze zich herschoolde voor een bediendenjob. Het haar toekomende leefloon werd telkens verlengd op basis van positieve verslagen van de maatschappelijk assistent, die haar opvolgde.
  4. Bij beslissing van 7 oktober 2009, ter kennis gebracht op 14 oktober 2009, werd echter haar recht op leefloon stopgezet vanaf 1 oktober
  5. Deze stopzetting steunde op volgende motieven: " Gezien het verslag van het sociaal onderzoek door de maatschappelijk werker naar aanleiding van de jaarlijkse herziening van uw dossier waaruit blijkt dat: - u volop solliciteert voor een vaste betrekking, ingeschreven bent bij de VDAB, Actriris en verschillende interimbureaus; - u geen interim arbeid wenst uit te voeren gezien uw leeftijd; - u zich bij uw sollicitaties uitsluitend richt tot advocatenkantoren; - het office team (begeleidingsdienst) meldde dat u een zeer beperkte tewerkstellingskeuze heeft; - u enkel een deeltijdse betrekking in een advocatenkantoor wenst; Gezien het feit dat uw tewerkstellingsvoorwaarden niet realistisch zijn; Gezien U onvoldoende kan aantonen dat u werkwillig bent; Gelet op de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie".
  6. Bij verzoekschrift van 22 december 2009 heeft mevrouw L. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij vonnis van 3 mei 2010, ter kennis gebracht op 11 mei 2010, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel mevrouw L. afgewezen van haar vordering.
  7. Bij verzoekschrift van 3 juni 2010 heeft mevrouw L. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. II. DE ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingesteld binnen de maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis en is aldus tijdig ingesteld. Het beroep is ontvankelijk. III . BEOORDELING.
  8. Mevrouw L. voert in eerste middel aan dat de bestreden beslissing van het OCMW Ternat een schending inhoudt van het artikel 21, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur. In eerste onderdeel van het middel stelt mevrouw L. dat de beslissing steunt op onjuiste motieven. In het tweede onderdeel wordt de miskenning van de motiveringsplicht afgeleid uit het feit dat de bestreden beslissing niet aangeeft waarom het advies van de maatschappelijk assistent, die een verlenging van de toekenning van het leefloon had aangevoerd, niet werd gevolgd. In een tweede middel voert mevrouw L. de schending aan van het verbod op retroactiviteit van bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing het leefloon intrekt vanaf 1 oktober 2009 door een beslissing van 7 oktober
  9. Het OCMW Ternat vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij verwijst naar de motieven van de bestreden beslissing en van het vonnis van de eerste rechter. Zij haalt aan dat mevrouw L. voor de eerste rechter uitdrukkelijk bevestigd heeft dat zij enkel op zoek was naar een deeltijdse betrekking.
  10. Overeenkomstig artikel 21 § 1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie dient elke beslissing met individuele strekking, die rechtsgevolgen heeft ten aanzien van het recht van de betrokken persoon op maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon, met redenen worden omkleed. Deze motivering moet afdoende zijn en moet zowel betrekking hebben op de juridische als op de feitelijke elementen, die aan de beslissing ten gronde liggen. De bepaling van artikel 21 § 1 van de wet van 26 mei 2002 is een herneming van de bepalingen van de wet van 29 april 1991 op de formele motivering van de bestuurshandelingen. De bestreden beslissing beantwoordt aan de vereiste van een formele motivering. Er wordt immers voldoende duidelijk aangeduid op grond van welke feitelijke elementen het OCMW Ternat van oordeel was dat mevrouw L. niet langer voldeed aan de voorwaarde van werkbereidheid zoals die gesteld werd door de wet van 26 mei
  11. De omstandigheid dat de ingeroepen redenen inhoudelijk betwistbaar zijn, heeft niet tot gevolg dat de beslissing niet voldoende gemotiveerd is in de zin van de geciteerde bepalingen. Overigens zou een tekortkoming in de motiveringverplichting er op zichzelf niet toe leiden dat mevrouw L. het voordeel zou verwerven dat haar door de bestreden beslissing geweigerd werd. De vaststelling door de rechter van de nietigheid van de beslissing van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wegens niet naleving van de formele motiveringsplicht doet echter niet af aan zijn bevoegdheid uitspraak te doen over de rechten die voor de aanvrager voortvloeien uit de wettelijke bepalingen inzake bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening: de rechter mag het recht op bestaansminimum of maatschappelijke dienstverlening slechts erkennen indien hij oordeelt dat de aanvrager aan alle wettelijke vereisten voldoet om daarop recht te hebben (Cass.27.06.2005, http:// jure.juridat.just. fgov.be/?lang=nl). De rechter moet zich aldus, na de beslissing vernietigd te hebben, in de plaats stellen van Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn en zelf uitspraak doen over het recht op maatschappelijk welzijn.
  12. Overeenkomstig artikel 19 van de wet van 26 mei 2002 verricht het centrum, met het oog op de toekenning van de maatschappelijke integratie of met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande, een sociaal onderzoek, waarvoor het beroep dient te doen op maatschappelijke werkers, volgens de kwalificatievoorwaarden bepaald door de Koning. Geen enkele bepaling van de wet voorziet echter in een verplicht "advies" van de maatschappelijk werker dat door het centrum in zijn beoordeling zou dienen beantwoord te worden. Overigens vergist mevrouw L. zich wanneer zij ervan uitgaat dat de maatschappelijk assistent voorgesteld zou hebben om het leefloon te verlengen. Het document waarop mevrouw L. zich steunt is het verslag van een gesprek tussen de maatschappelijk werker en haarzelf, en dat door haar mee ondertekend werd. Het eigenlijk sociaal verslag, dat stuk 5 uitmaakt van het dossier van het OCMW Ternat en dat opgesteld werd op 24 september 2009, stelt voor het leefloon stop te zetten.
  13. Het hof dient echter ten gronde te onderzoeken, zoals ook gevraagd wordt door het middel, of de beslissing om geen verder leefloon toe te kennen vanaf 1 oktober 2009, een voldoende feitelijke grondslag heeft en genomen werd met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur. Overeenkomstig artikel 3,5° van de wet van 26 mei 2002 dient de persoon die van een leefloon wenst te genieten werkbereid te zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is. Deze verplichting houdt principieel in dat de leefloonaanvrager geen beperkingen kan stellen ten aanzien van de mogelijke tewerkstelling, en bijvoorbeeld niet een interim-arbeid kan weigeren of zijn werkbereidheid beperken tot een deeltijdse tewerkstelling. Tegenover de verplichtingen van de leefloonaanvrager staat echter de verplichting van het OCMW om op eigen beweging de belanghebbende persoon alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn aanvraag of het behoud van zijn rechten. Het is verder de essentiële taak van het openbaar Centrum om iedere steunaanvrager, of dit nu in het kader is van de gewone maatschappelijke hulp dan wel in het kader van een aanvraag om leefloon, te begeleiden met het oog op een wederinschakeling in het maatschappelijk bestel. De wetgever heeft met de wet van 26 mei 2002 zowel de aanvrager als het OCMW willen responsabiliseren. Dit impliceert dat zowel de aanvrager als het OCMW actief moeten zoeken naar werk voor de betrokkene (D. ADRIAENS, Praktisch handboek voor OCMW-recht, Brugge, Die Keure, 2003, 351). Artikel 11 §1 van de wet van 26 mei 2002 voorziet in de mogelijkheid om de toekenning en het behoud van het leefloon afhankelijk te maken van de ondertekening van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Overeenkomstig artikel 11, al. 1 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie vermeldt een dergelijk contract de afspraken van de partijen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de engagementen van het centrum, van de aanvrager en eventueel van één of meerdere tussenkomende derden. Overeenkomstig artikel 11 alinea 3 wordt in het contract bepaald op welke wijze het geïndividualiseerd project geëvalueerd wordt. Overeenkomstig artikel 12 draagt het centrum er zorg voor dat de noodzakelijke voorwaarden tot uitvoering van een geïndividualiseerd project op maatschappelijke integratie vervuld zijn. Het blijkt niet uit het dossier dat een dergelijk geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie werd opgesteld waarbij de verplichtingen, die beide partijen op zich namen, gepreciseerd werden. Wel blijkt uit het neergelegde dossier en met name uit de neergelegde sociale verslagen dat tot het jaar 2008 de inspanningen van mevrouw L. om werk te vinden steeds positief geëvalueerd werden.
  14. In zijn advies heeft het Openbaar Ministerie een grondige analyse gewijd aan de inspanningen die door mevrouw L. geleverd werden om na het faillissement van haar restaurant, waarin zij 25 jaar werkte, zich te herscholen en op zoek te gaan naar een nieuwe betrekking. Het Openbaar Ministerie onderlijnt daarbij volgende elementen die het hof overneemt: "Uit het stukkenbundel dat mevrouw L. voorlegt kan opgemaakt worden dat zij tussen 2004 en 2008, spijts haar leeftijd, aanzienlijk wat inspanningen deed om zich bij te scholen en hiertoe verschillende opleidingen volgde (opleiding administratief bediende in 2004, Europees computer rijbewijs in 2005, English for Business in 2006, MS Office in het Nederlands in 2006, initiatie boekhouding steeds in 2006, opleiding Nederlands voor anderstaligen voor administratieve beroepen in 2007 en een opleiding bediende in boekhouding en sociale wetgeving in 2008). Mevrouw L. begaf zich in diezelfde periode naar de werkwinkel in Liedekerke voor een arbeidstrajectbegeleiding (vgl. het verslag van de maatschappelijke werker van het OCMW Ternat van 14 november 2006, 11 oktober 2007 en 2 oktober 2008). Op 24 november 2005 sloot zij een trajectovereenkomst af met de VDAB. Zij was bovendien ingeschreven bij ACTIRIS en bij verschillende interimbedrijven als kandidaat voor volgende betrekkingen: onthaal, administratief medewerker, personeelsbeheer, receptioniste. Mevrouw L. solliciteerde aanvankelijk ook voor arbeidsbetrekkingen die aangeboden werden via jobsites zoals Stepstone, Job Days of Vlan, terwijl het OCMW Ternat haar doorverwees naar Office Team. Mevrouw L. solliciteerde aanvankelijk in de meest uiteenlopende sectoren en voor diverse betrekkingen. Verschillende stukken getuigen hiervan. Alhoewel menig stuk niet toe laat uit te maken voor welke betrekking of bij welke werkgever mevrouw L. precies solliciteerde, bevat het bundel hiernaast toch tal van sollicitatiebewijzen voor een waaier van betrekkingen, aldus een sollicitatie als verkoopster in de papiersector van 25 november 2005, een sollicitatie van 2 december 2005 als "hôtesse d'accueil" en van 8 maart 2006 als "guichetier", een sollicitatie van 30 december 2006 als onthaalbediende en beheer van het economaat. Op 6 november 2008 solliciteerde mevrouw L. nog als administratief medewerkster bij de Foyer Bruxellois, op 21 oktober 2008 bij de Société Centre de Recherche et d'Information Socio-Politiques, op 3 november 2008 als secretaresse bij de CRISP, op 3 november 2008 bij de Mission Locale van Anderlecht voor een functie als boekhouder, op 28 november 2008 bij ISS Belgium en op 23 november 2008 solliciteerde zij voor een betrekking van deeltijdse commercieel assistent. Spijts de talrijke sollicitatiebewijzen die mevrouw L. voorlegt en die wijzen op de pogingen die zij deed om zich opnieuw op de arbeidsmarkt te integreren, slaagde zij er niet in aan een arbeidsbetrekking te geraken. Haar leeftijd was hierbij wellicht een handicap. Mevrouw L. heeft het dan kennelijk over een andere boeg willen gooien en is (vanaf begin 2009 blijkbaar) overwegend gericht beginnen solliciteren bij advocatenkantoren (spontane sollicitaties), zonder zich nog langer te concentreren op vacatures. Bovendien solliciteerde zij enkel voor een deeltijdse betrekking. Deze nieuwe aanpak kende aanvankelijk evenmin succes tot zij er uiteindelijk toch in slaagde vanaf 13 december 2009 deeltijds in dienst te treden van een advocatenkantoor voor 805,63 euro bruto per maand en een maaltijdcheque van 5,58 euro per gepresteerde dag."
  15. Het Openbaar Ministerie heeft eveneens op gedetailleerde wijze onderzocht op welke wijze het OCMW Ternat zich van zijn verplichtingen heeft gekweten. Opnieuw sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van het Openbaar Ministerie waar dit stelt: " Het OCMW Ternat beroept zich op een gebrek aan werkwilligheid in hoofde van mevrouw L. , wat zou blijken uit haar sollicitatiegedrag, om haar het recht op leefloon te ontzeggen vanaf 1 oktober
  16. Nergens kan echter uit opgemaakt worden dat het OCMW Ternat mevrouw L. er ooit op wees dat haar sollicitatiegedrag door het Centrum zou- of kon geïnterpreteerd worden als gebrek aan werkbereidheid en dit een verlies van haar rechten voor gevolg kon hebben. Nergens kan eveneens uit opgemaakt worden dat het OCMW Ternat mevrouw L. in kennis stelde van wat van haar precies werd verwacht op het stuk van de werkbereidheidsvereiste. Niet meer ingaan op vacatures om enkel nog maar systematisch en alleen advocatenkantoren aan te schrijven, was wellicht niet de meest doeltreffende werkwijze om aan werk te geraken . Alleen uitkijken naar deeltijds werk evenmin. Het kwam het OCMW Ternat echter toe mevrouw L. bij te staan en er desgevallend haar aandacht op te vestigen dat zij haar zoekgedrag naar werk anders behoorde te oriënteren. Uit een sociaal verslag van 20 oktober 2005 blijkt dat het OCMW Ternat reeds sedert 2005 wist dat mevrouw L. deeltijds ingeschreven was als werkzoekende. Nochtans kan niet vastgesteld worden dat zij er mevrouw L. toen op gewezen heeft dat zulks kon aanzien worden als een gebrek aan werkbereidheid. Het sociaal verslag vermeldt enkel dat dit gecorrigeerd werd (?) doch hoe deze bijsturing concreet zou uitgewerkt geweest zijn wordt niet vermeld. Het OCMW Ternat laat ook gelden dat zij contact nam met haar begeleidingsdienst die haar zou laten weten hebben dat mevrouw L. een moeilijke klant was, een werkaanbieding zou geweigerd hebben omdat het niet ging om een advocatenbureau en enkel een part-time job wil. De begeleidingsdienst waarover het OCMW Ternat het heeft schijnt het privé bedrijf OFFICE TEAM te zijn. Het OCMW Ternat heeft zich blijkbaar verlaten op dit bedrijf teneinde zich te kwijten van zijn plicht de wederinschakeling van mevrouw L. in het beroepsleven na te streven. Uit de handgeschreven nota die het OCMW Ternat voorlegt en die opgesteld zou zijn na een telefonische onderhoud van 24 september 2009 tussen het OCMW Ternat en een medewerker van OFFICE TEAM, blijkt dat mevrouw L. twee werkaanbiedingen kreeg; waarvan één werd geweigerd door mevrouw L. . Mevrouw L. wijst er dienaangaande nochtans op dat zij de nodige competentie niet had om in te gaan op deze aanbieding die zij om die reden dan ook diende te weigeren. Voor deze betrekking was immers een grondige kennis van het Engels vereist en management capaciteiten op internationaal niveau die mevrouw L. niet bezit. Het OCMW Ternat weerlegt dit niet. Hiernaast kan men slechts vaststellen dat OFFICE TEAM aan mevrouw L. blijkbaar slechts twee werkaanbiedingen overmaakte, wat toch wel vrij karig is en bezwaarlijk kan toegeschreven worden aan het feit dat mevrouw L. enkel solliciteerde naar deeltijdse arbeidsbetrekkingen. Opnieuw is trouwens niet geweten hoe deze dienst zijn opdracht heeft volbracht, noch in hoeverre mevrouw L. op nuttige wijze werd bijgestaan en evenmin of haar op constructieve wijze werd gewezen op haar verplichtingen in haar zoektocht naar werk."
  17. Op het ogenblik dat het OCMW Ternat in oktober 2009 vaststelde of oordeelde dat mevrouw L. , door nog uitsluitend te solliciteren voor advocatenkantoren, of door essentieel te solliciteren voor deeltijdse betrekkingen (of nog door een negatieve houding aan te nemen ten aanzien van interim contracten), blijk gaf van een onvoldoende werkbereidheid, had zij mevrouw L. daarop uitdrukkelijk dienen te wijzen en de verdere toekenning van het leefloon kunnen afhankelijk stellen van een aangepast zoekgedrag naar werk. Zulks had kunnen gebeuren in het kader van het opstellen van een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie of nog door het leefloon slechts voor een beperkte periode te verlengen en afhankelijk te stellen van precieze voorwaarden inzake de werkbereidheid. Door onmiddellijk, zonder verdere verwittiging het leefloon in te trekken, heeft het OCMW Ternat een inbreuk gepleegd op de beginselen van behoorlijk bestuur die in casu inhouden dat een leefloonaanvrager, wiens werkbereidheid in het verleden steeds positief geëvalueerd werd, en die er dus rechtmatig op kon vertrouwen dat hij tegemoet kwam aan de verwachtingen van het Openbaar Centrum, in de gelegenheid moest gesteld worden zijn gedrag aan te passen. De omstandigheid dat mevrouw L. voor de eerste rechter verklaard heeft dat zij inderdaad enkel naar een deeltijdse betrekking zocht in het kader van bepaalde financiële problemen die zij had, is niet van aard om aan de bestreden beslissing een voldoende grondslag te geven. Op het ogenblik dat zij vaststelde dat mevrouw L. blijkbaar enkel nog voor deeltijdse betrekkingen solliciteerde had het OCMW Ternat daarover mevrouw L. dienen te interpelleren en er haar op dienen te wijzen dat haar motivering om slechts voor een deeltijdse betrekking te solliciteren, niet verenigbaar was met de vereisten inzake werkbereidheid, zoals die voortvloeit uit de wet van 26 mei
  18. Het vonnis van de eerste rechter dient op deze basis hervormd te worden en de bestreden beslissing dient vernietigd te worden. Vermits mevrouw L. werk gevonden heeft vanaf 13 december 2009 kan het gevorderde leefloon alleen toegekend worden tot 12 december
  19. De gevorderde wettelijke intresten kunnen toegekend worden overeenkomstig art. 23, § 1,van de wet van 26 mei 2002 en de gerechtelijke intresten vanaf de inleiding van het verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean-Jacques André, advocaat-generaal, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis. Vernietigt de bestreden beslissing en veroordeelt het OCMW Ternat tot toekenning aan mevrouw L. van een leefloon voor een alleenstaande voor de periode van 1 oktober 2009 tot 12 december 2009, te verhogen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten. Veroordeelt, overeenkomstig artikel 1017 al.2 van het Gerechtelijk Wetboek, het OCMW Ternat tot de kosten van het hoger beroep, niet begroot in hoofde van mevrouw L. . Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit: Fernand KENIS, raadsheer, Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, bijgestaan door : Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS Ivo VAN DAMME Fernand KENIS en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 23 december 2010 door: Fernand KENIS, raadsheer, bijgestaan door Sven VAN DER HOEVEN, griffier. Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101223.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.