/1 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 verwijst specifiek naar de geldende procedures voor het indienen van een verzoek tot formele psychosociale interventie {...} voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Art.
impliceert een bijzondere ontslagprocedure vastgelegd bij wet, die leidt tot het kenbaar maken van de ontslagmotieven in geval van betwisting hiervan. Hierdoor geldt de uitsluitingsbepaling van art. 2 §3 van de cao 109, waardoor de bepalingen van de art. 3 tot 5 van deze cao geen toepassing vinden. Ten overvloede kan er op gewezen worden dat art. 9 van de cao 109 verder bepaalt dat de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag niet cumuleerbaar is met enige andere vergoeding die verschuldigd is door de werkgever naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van een opzeggingsvergoeding, een niet-concurrentievergoeding, een uitwinningsvergoeding of een aanvullende vergoeding die bovenop de sociale uitkeringen wordt betaald. Op basis van dit art. 9 vraagt de werknemer overigens niet de eigenlijke bescherming van de cao 109 tegen kennelijk onredelijk ontslag. In het verslag bij de cao worden het recht om de ontslagreden te kennen en de bescherming tegen het kennelijk onredelijk ontslag zelf beschreven als twee krachtlijnen van een regelgeving binnen een internationale en Europese context waarbij verschillende juridische instrumenten betrekking hebben op het recht van een werknemer om de redenen van zijn ontslag te kennen en op het recht op bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag. De 2 krachtlijnen van de cao 109 moeten dan ook in hun onderling verband worden bekeken, terwijl hier enkel het kenbaar maken van de reden wordt gevraagd zonder dat verder nog een beroep wordt gedaan op de bescherming van de cao 109. - Uit art 32 tredecies van de welzijnswet vloeit voort dat de werkgever moet bewijzen dat het ontslag vreemd is aan het door de werknemer neergelegde formele interventieverzoek. Het feit of de klacht al dan niet gegrond is, is irrelevant in verband met het recht op beschermingsvergoeding, zij het dat geen klacht met misbruik van recht mag worden neergelegd. Voor de gegrondheid van de pestklacht geldt immers art. 32decies van de welzijnswet. Ontslag na formeel interventieverzoek De wetgever heeft de werknemer ook willen beschermen, tijdens de duur van het onderzoek van de klachten, tegen maatregelen die zouden zijn gebaseerd op de feiten die in de klacht worden vermeld en aldus de aangeklaagde feiten zouden verlengen. Een te restrictieve benadering van de beschermingsregeling kan niet worden weerhouden. In die zin moet de rechter wel nagaan of de nadelige maatregel verband houdt met de grieven, vermeld in het neergelegde verzoek tot formele interventie. De bewijslast voor het ontbreken van dit verband rust op de werkgever (art.
Om aan de door de wet opgelegde bewijslast te voldoen, moet de werkgever 1) het bestaan van objectieve feiten bewijzen die aantonen dat het ontslag werd gegeven om redenen die vreemd zijn aan het formele interventieverzoek 2) de echtheid van deze redenen; 3) het oorzakelijk verband tussen deze vreemde redenen en het ontslag. In het interventieverzoek van de werknemer worden feiten vermeld die alle verband hielden met de tussenkomsten van een bestuurder die door de werknemer als belagend werden ervaren. Aangezien het arbeidshof zich niet dient en wil uitspreken over de grond van het conflict, maar aangezien de Algemene Directie Welzijn, Gezondheid en Gezin dit conflict duidt vanuit o.m. onduidelijke communicatielijnen tussen personeel en raad van bestuur en het wantrouwen tussen de leden van de raad van bestuur, wordt geen rekening gehouden met de subjectieve inkleuringen die hierover tussen partijen en betrokkenen worden aangebracht. Het is overbodig om deze verklaringen te zien bevestigen door een getuigenverhoor. De externe preventiedienst heeft omwille van het ontslag geen eindverslag en dus ook geen maatregelen in de zin van art. 32septies van de welzijnswet voorgesteld. De werkgever had op deze maatregelen kunnen wachten, omdat de uitvoering ervan op grond van art.
De door APTL genomen ontslagbeslissing kan enkel aanvaard worden wanneer ze vreemd is aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van pesterijen., wat de vennootschap niet afdoende aantoont. Derhalve heeft de werknemer op grond van art. art.
, 2° van de welzijnswet recht op de forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden loon. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Andere SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32 Collectieve arbeidsovereenkomst met nummer - 109 - 04-08-1996 - 32 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190312.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.