← België

ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190401.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190401.7 Rolnummer: 2016/AB/1214 en 2016/Ab/1223 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-08-13 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-06-28 07:52 Fiche De werkgever, zijn lasthebber of aangestelde die het aan de werknemer op gezette tijden verschuldigd loon niet of onvolledig betaalt, begaat een misdrijf krachtens de artikelen 9 van 42,1° van de Loonbeschermingswet (sinds 1 juli 2011 op grond van artikel 162, 1° van het Sociaal Strafwetboek). De niet naleving van algemeen verbindend verklaarde cao's wordt ook strafrechtelijk gesanctioneerd door artikel 56 eerste lid, 1° van de C.A.O. wet van 5 december 1968 (sinds 1 juli 2015 door artikel 189 van het Sociaal Strafwetboek). De strafvordering verjaart bij wanbedrijven pas na 5 jaar (artikel 21 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering) . Artikel 26 VTWSV is van toepassing op elke burgerlijke rechtsvordering die tot een veroordeling strekt en die steunt op feiten die het bestaan van een misdrijf doen blijken, zelfs wanneer die feiten eveneens een contractuele tekortkoming uitmaken en het voorwerp van de vordering in de uitvoering van de contractuele verbintenis bestaat. .- De burgerlijke rechter, die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen. Hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden, nagaan. - Het stilzwijgen van de artikelen 9 en 42 Loonbeschermingswet, artikel 56, eerste lid, 1°, CAO-wet met betrekking tot de schuldvorm van de in deze bepalingen strafbaar gestelde handelingen brengt mee dat de schuld aan deze misdrijven onder meer kan bestaan in onachtzaamheid. - Het bestaan van dit morele bestanddeel kan worden afgeleid uit het louter materiële gepleegde feit en de vaststelling dat dit feit kan worden toegerekend aan de beklaagde, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer overmacht, onoverwinnelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond wordt aangetoond, minstens niet ongeloofwaardig is. Goede trouw kan een rechtvaardigingsgrond opleveren wanneer hij voortvloeit uit onoverkomelijke dwaling. Dwaling kan, in bepaalde omstandigheden, door de rechter als onoverkomelijk worden beschouwd, op voorwaarde dat hij uit die omstandigheden kan afleiden dat de persoon die zich in die omstandigheden bevond, gehandeld heeft zoals elke redelijke en voorzichtige persoon dat zou hebben gedaan. Het blijkt dat de VME, zoals overigens gebruikelijk is wanneer beroep wordt gedaan op een professionele syndicus, aan de syndicus opdracht heeft gegeven om een conciërge aan te werven, het gezag als werkgever over haar uit te oefenen en het loon te betalen. De arbeidsovereenkomst werd ondertekend door de syndicus, als lasthebber van de VME. De concierge beweert dat het haar verboden werd om rechtstreeks contact op te nemen met de vereniging van mede- eigenaars en dat zij steeds werd doorverwezen naar de syndicus. De syndicus stond in voor de betaling van het loon en deed beroep op een sociaal secretariaat. Bij de aanstelling van een nieuwe syndicus heeft deze noodzakelijkerwijze het volledige dossier betreffende de tewerkstelling van de concierge ontvangen. Artikel 577-8 §2, 9° van het Burgerlijk wetboek (in de versie zoals van toepassing in die periode) bepaalde immers dat de syndicus alle documenten aangaande het gebouw in mede-eigendom, de boekhouding en de activa die hij beheerde , moet overdragen aan zijn opvolger. De VME , die rechtspersoonlijkheid heeft, was weliswaar de werkgever, maar de situatie is zeer specifiek bij een vereniging van mede-eigenaars. Het betreft in dit geval een vereniging van 59 eigenaars van appartementen in een groot flatgebouw. Doorheen de jaren verdwijnen er eigenaars en komen er nieuwe bij (ingevolge overdracht van de eigendom van een appartement). De VME heeft, zoals zij wettelijk verplicht was (artikel 577-4 §1, 4° en artikel 577-8§1 van het Burgerlijk wetboek, in de versie zoals van toepassing in die periode) , een syndicus benoemd. Zij heeft ervoor gekozen om een professionele syndicus aan te duiden. Deze vraagt daarvoor een vergoeding als professionele verstrekker van diensten. De syndicus was vanuit haar activiteit ongetwijfeld op de hoogte van de specifieke regels inzake de tewerkstelling van een conciërge. In de arbeidsovereenkomst werd bovendien uitdrukkelijk verwezen naar het PC 332. Nergens blijkt uit dat de syndicus naar aanleiding van de jaarlijkse algemene vergaderingen van de mede-eigenaars of op enig ander ogenblik de VME, of de nieuwe mede-eigenaars naar aanleiding van een eigendomsoverdracht , heeft ingelicht over de concrete loonafspraken met de concierge of over het feit dat de arbeidsovereenkomst en het loon niet in overeenstemming waren met de cao-bepalingen. Waar de concierge voor het vast uurrooster van 31 uren een loon ontving dat -met inbegrip van het voordeel in natura- nagenoeg overeenstemde met het minimumloon, was er voor de VME ook geen reden om spontaan te twijfelen aan de correctheid van het loon. De VME kreeg evenmin kennis van de loonstaten die het sociaal secretariaat aan de concierge zond. De syndicus beheerde het 'werkkapitaal , dat dient voor het betalen van de periodieke uitgaven , waaronder de uitgaven voor de huisbewaarder' (vgl. artikel 577-11§2,2° van het Burgerlijk wetboek ). Hij diende daarvan rekenschap te geven aan de algemene vergadering. De VME mocht erop vertrouwen dat de syndicus de concierge tewerkstelde en het loon betaalde in overeenstemming met de toepasselijke cao's. Uit dit alles blijkt dat de VME heeft gehandeld zoals ieder bedachtzaam en voorzichtig werkgever in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld, zodat het moreel element van het misdrijf niet wordt bewezen in hoofde van de VME. De syndicus heeft daarentegen wel, als lasthebber, het misdrijf gepleegd. Het materieel bestanddeel is bewezen (er werd minder loon betaald dan het loon dat verschuldigd was op basis van de algemeen verbindend verklaarde cao's). Het moreel element is eveneens bewezen in haren hoofde . Het kan worden afgeleid uit het louter materiële gepleegde feit en de vaststelling dat dit feit kan worden toegerekend aan de syndicus als lasthebber van de werkgever. Zoals vermeld, kon zij vanuit haar beroepskennis en ervaring niet anders dan op de hoogte zijn van de toepasselijke regels. Indien zij had gehandeld als een normaal zorgvuldige syndicus-lasthebber, had zij de overtreding gemakkelijk kunnen vermijden. Minstens had zij daarover informatie moeten inwinnen. Het feit dat zij voor de sociale documenten en voor de betaling van het loon beroep deed op een sociaal secretariaat, neemt niet weg dat zij zeer onachtzaam is geweest en niet heeft gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig syndicus-lasthebber van een vereniging van mede-ëigenaars zou hebben gehandeld. De concierge kan bijgevolg haar vordering tot betaling van loon als herstel in natura van de door het misdrijf 'niet-betaling van het verschuldigde loon' veroorzaakte schade instellen tegen de syndicus. In dit geval handelde syndicus met eenzelfde opzet door jarenlang op constante en systematische wijze, volgens hetzelfde principe en met dezelfde bedoeling, aan mevrouw de concierge elke maand een loon te betalen, dat lager was dan het baremaloon volgens de cao's. Het betrof dus een voortgezet misdrijf. Het laatste feit dateert van minder dan vijf jaar voor de dagvaarding. De vordering was dus niet verjaard op het ogenblik van de dagvaarding. Anderzijds is de syndicus pas strafrechtelijk aansprakelijk vanaf zijn aanstelling zodat de vordering dient beperkt te worden tot de loonachterstal vanaf die datum. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Andere SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Rechtsvordering tot betaling Vrije woorden: Loonbeschermingswet art 9 en 42,1° , art 162,1°en 189 sociaal strafwetboek Verjaring art 21en 26 voorafgaande titel wetboek strafvordering Strafrechtelijke aansprakelijkheid : Mede-eigendom - syndicus Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190401.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.