id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190702.2 Rolnummer: 2018/AB/307 Rechtsgebied: Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-08-14 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-06-28 06:30 Fiche - Op grond van het in kracht van gewijsde gegaan tussenvonnis, staat vast dat de uitzendarbeidswet oneigenlijk werd toegepast, daar de tewerkstelling van de werknemer geen betrekking had op artistieke prestaties in de zin van art. 1 §6 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers (BS 20 augustus 1987, zoals gewijzigd - hierna aangeduid als uitzendarbeidswet). Aldus werd art. 21 van die wet geschonden en worden op grond van art. 20 de gebruiker en de uitzendkracht beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. - Hieraan kan toegevoegd worden dat de uitzendarbeidswet ook op andere punten niet werd nageleefd, daar er geen ondertekende arbeidsovereenkomst met het (beweerde) uitzendkantoor voorligt, noch een overeenkomst tussen het uitzendbureau en de gebruiker. Men kan zich afvragen hoe overeenkomsten of bestelbons met een opdrachtgever uitzendarbeid omvatten, maar alleszins was het volgens de uitleg van partijen de bedoeling om uitzendarbeid tot stand te brengen; de regels hiervoor werden dus niet gevolgd. De sanctie van art. 31 §2 en §3 van de uitzendarbeidswet houdt in dat de arbeidsovereenkomst bij verboden terbeschikkingstelling nietig is en waardoor de gebruiker en de werknemer eveneens beschouwd worden als verbonden met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid. - Op grond van art. 11bis van de arbeidsovereenkomstenwet moet de arbeidsovereenkomst gesloten voor deeltijdse arbeid voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer de uitvoering van zijn overeenkomst aanvangt. Dit geschrift moet de overeengekomen deeltijdse arbeidsregeling en werkrooster vermelden. Aan deze voorwaarde is voldaan nu de jaarlijkse lescontracten en de bijhorende jaarlijkse vaste lesroosters; zowel het aantal lesuren als het aantal lesweken worden in de overeenkomsten vast bepaald (zie randnummers 31 en 32 hierboven). - De wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer die in de deeltijdse arbeidsovereenkomst is overeengekomen, mag niet lager liggen dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers die in de onderneming tot dezelfde categorie behoren (art. 11bis, 5de arbeidsovereenkomstenwet). Wanneer de overeenkomst prestaties vastlegt die lager liggen dan de grenzen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, is het loon nochtans verschuldigd op basis van deze minimumgrenzen (art. 11bis, 9de arbeidsovereenkomstenwet). Een niet overeengekomen schorsing van de arbeidsovereenkomst waarmee de werknemer niet heeft ingestemd kan niet eenzijdig door de werkgever worden opgelegd zonder tekort te schieten in de overeengekomen tewerkstellingsverplichting. - Wanneer de werknemer geen prestaties heeft geleverd, heeft hij geen recht op loon, maar kan hij wel schadevergoeding vragen voor deze contractuele tekortkoming. Hij kan deze niet vorderen op delictuele basis, wel kan de schadevergoeding bij wijze van herstel in natura worden toegekend, omdat de fout, de schade en het oorzakelijk verband vaststaan en niet kunen worden betwist.. De werknemer die veroordeling vraagt tot betaling van een brutobedrag, vordert een schadeherstel bij wijze van herstel in natura; dergelijk herstel is de normale wijze van vergoeding van schade. Wanneer het slachtoffer dergelijk herstel vordert, is de rechter verplicht dit te bevelen, op voorwaarde dat dergelijk herstel mogelijk is en geen rechtsmisbruik uitmaakt. - Het toenmalige Arbitragehof oordeelde in het arrest 45/99 van 20 april 1999 dat door, ter berekening van de opzeggingstermijn, voor de deeltijdse werknemers hetzelfde bedrag van jaarloon in aanmerking te nemen als voor de voltijdse werknemers en aldus dat bedrag als enig element te nemen op basis waarvan een werknemer in de categorie van de ‘hogere bedienden' of in die van de ‘lagere bedienden' wordt ingedeeld, de wetgever een criterium gebruikt dat, met betrekking tot de deeltijdse werknemers, niet pertinent is ten opzichte van het doel dat hij nastreeft, waardoor deze bepalingen niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (B.6 en B.7 van dit arrest). Aldus dient de rechter het jaarloon van een deeltijds tewerkgestelde werknemer om te zetten naar een fictief voltijds jaarloon voor de berekening van de opzeggingstermijn, maar de berekening van de aanvullende opzeggingsvergoeding zal steeds moeten gebeuren op basis van het werkelijk deeltijdloon. - Het voormalige art. 42 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers stelde o.m. strafbaar de werkgever die zich schuldig maakte aan een overtreding van art. 9 van de loonbeschermingswet (m.b.t. betaling van het loon op gezette tijdstippen) en art. 11 van diezelfde wet (m.b.t. betaling van het loon wanneer de dienstbetrekking een einde neemt). Het Hof van Cassatie oordeelde in verschillende arresten dat een opzeggingsvergoeding hoewel dit loon is in de zin van art. 2 van de loonbeschermingswet, niet wordt bedoeld in art. 9 en 11 van deze wet en dus niet onder de toepassing valt van art. 42 ervan. Art. 42 van de loonbeschermingswet werd opgeheven door art. 109 van de wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek Uit de parlementaire voorbereiding van het SSW kan worden afgeleid dat de wetgever enkel de bedoeling had de strafbepaling van art. 42 van de loonbeschermingswet over te nemen, zodat het niet betalen van een opzeggingsvergoeding ook na het invoeren van het SSW geen misdrijf is, omdat de opeisbaarheid ervan wordt geregeld door art. 39 arbeidsovereenkomstenwet en niet door art. 11 van de loonbeschermingswet Moreel element van het misdrijf Uit de loutere vaststelling dat de beklaagde slecht of verkeerd werd geadviseerd, zelfs door een daartoe geschikte persoon, kan op zichzelf niet wettig worden afgeleid dat er sprake is van een onoverkomelijke dwaling. De loutere vaststelling dat degene die zich op een onoverkomelijke dwaling beroept, slecht werd ingelicht, laat staan dat hij onwetend is bij gebrek aan betwisting, is dan ook onvoldoende. Ten onrechte verwijst de werkgever dan ook naar de afhankelijkheid van het uitzendkantoor en/of sociaal secretariaat. Bovendien blijkt uit de discussie dat iedereen goed wist dat men in juridisch betwistbaar vaarwater opereerde; men zat onder het minimumloon en zocht naar een oplossing via zelfstandigentewerkstelling met risico op schijnzelfstandigheid. Voordien had men zich al verkeerdelijk op uitzendarbeid gesteund voor artistieke prestaties zonder dat deze geleverd werden. Strafrechtelijke aansprakelijkheid Met aangestelden of lasthebbers wordt bedoeld: de personen die in opdracht deelnemen aan de leidende functie in de onderneming en die bekleed zijn met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken. De strafrechtelijke aansprakelijkheid binnen een vzw berust op de natuurlijke personen, organen of aangestelden door wier toedoen zij is opgetreden. Het orgaan van een rechtspersoon is overigens verplicht te zorgen voor de naleving van de wetsbepalingen waarvan de overtreding een misdrijf oplevert . Bovendien heeft het begrip ‘werkgever' in het strafrecht een autonome betekenis die ruimer is dan het werkgeversbegrip in het arbeidsovereenkomstenrecht; geoordeeld moet worden op basis van de feitelijke context. Zo werd reeds geoordeeld dat de persoon die zich gedraagt als werkgever (bv. doordat hij instaat voor de aanwerving, de betaling en het ontslag van het personeel) en door het personeel als zodanig wordt beschouwd, ook strafrechtelijk dient te worden aangemerkt als de werkgever aan wie het misdrijf kan worden toegerekend UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Deeltijdse arbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Rechtsvordering tot betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Strafbepalingen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Sociaal strafrecht: moreel element van het misdrijf - strafrechtelijke aansprakelijkheid Wettelijke bepalingen: Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - 42 en 109 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet - 24-07-1987 - 1, § 6, 20, 21, 31§2 en 3 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20190702.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.