id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20191018.10 Rolnummer: 2019/AB/404 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-02-17 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-06-28 06:39 Fiche - Wanneer een lasthebber van de werkgever in zijn naam en voor zijn rekening de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de werknemer schriftelijk beëindigt, heeft de werknemer het recht de overlegging van een volmacht te eisen teneinde zich van het bestaan van de lastgeving te vergewissen maar hij is daartoe niet gehouden. Wanneer hij dit niet doet en niet meer komt werken, aldus handelend alsof er wel degelijk een ontslag is geweest, is het gevolg daarvan dat hij het bestaan van de lastgeving achteraf, tenzij binnen redelijk korte termijn, niet meer kan ontkennen wanneer noch de lastgever, noch de lasthebber zelf dienaangaande enige betwisting opperen. Een werkgever kan krachtens art. 1998 BW het mandaat van een onbevoegde persoon bekrachtigen, wat hier gebeurde door het afwijzen van het verzoek tot re-integratie. Een bekrachtiging heeft terugwerkende kracht op voorwaarde dat de rechten van derden daardoor niet worden geschaad wat hier niet het geval is en ook niet wordt voorgehouden. Wat de vordering tot staking en tot het nemen van maatregelen betreft, is de rechtspraak het eens dat, indien de feiten zich onmogelijk kunnen herhalen, wanneer de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, de vordering tot staking zonder voorwerp is. De vordering tot staking kan immers niet afwijken van het beginsel dat een partij er niet toe kan gedwongen worden door een arbeidsovereenkomst gebonden te blijven. Dit geldt evenzeer m.b.t. een verbreking zonder opzegging, waarbij een opzeggingsvergoeding wordt betaald. Een vordering tot staking van een definitieve en onherroepelijke rechtshandeling is dus in principe zonder voorwerp. Een ontslagen werknemer kan na zijn ontslag geen beroep doen op art. 32decies als derde. Niet alle personen andere dan de werknemers of de ermee gelijkgestelden, bedoeld in art. 2 §2 van de welzijnswet, zijn bedoeld in art. 32bis, doch enkel deze die in contact komen met de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Door zijn onherroepelijk ontslag is het contact met de andere werknemers bij de uitvoering van hun werk verbroken en is de ex-werknemer dus niet te vergelijken met personen waarover in de parlementaire voorbereiding gesproken werd, te weten, personen die op de werkvloer aanwezig waren en daardoor in contact komen met de werknemers bij de uitvoering van hun werk. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Maatregelen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Arbeidsrechtbank SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Andere wijzen van beëindiging Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32decies, § 2 en § 3 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2019:ARR.20191018.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.