← België

ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200204.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200204.8 Rolnummer: 2018/AB/924 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-09-21 Raadplegingen: 302 - laatst gezien 2026-06-28 07:49 Fiche Verjaring Krachtens art. 2246 BW stuit de dagvaarding voor een onbevoegde rechter de verjaring. Die bepaling maakt geen onderscheid naargelang is gedagvaard voor een Belgische dan wel voor een buitenlandse rechter. Een dagvaarding voor een onbevoegde buitenlandse rechter stuit de verjaring, ook wanneer die zicht territoriaal onbevoegd verklaart. De verjaring wordt niet alleen gestuit voor de in de dagvaarding geformuleerde vorderingen maar tevens voor de vorderingen en aanspraken die virtueel in de dagvaarding zijn begrepen. Het is daarbij wel vereist dat de oorzaak en het voorwerp van de vorderingen dezelfde zijn. Indien dit niet het geval is, zal ook de verjaring van de 'virtuele' vordering niet worden gestuit . De omstandigheid dat de eiser zich voor de Franse rechter beriep op een arbeidsverhouding naar Frans recht, is niet bepalend om het voorwerp en de oorzaak van de vorderingen te omlijnen. Het Hof van Cassatie is immers afgestapt van het klassieke concept dat de rechter gehouden is uitspraak te doen op grond van de aangevoerde feiten en met inachtneming van de juridische omschrijving die de partijen daaraan gegeven hebben (Jaarverslag Hof van Cassatie 2005, 90). Zowel het voorwerp als de oorzaak van de vordering worden feitelijk (factueel) ingevuld. Hoedanigheid en belang Een overeenkomst tussen 2 vennootschappen sluit principieel uit dat de prestaties die krachtens die overeenkomst worden geleverd aangemerkt kunnen worden als de uitvoering van een arbeidsovereenkomst, tenzij ingeval er sprake is van een wilsgebrek of veinzing. De eiser betoogt dat de werkelijke wil van de partijen erin bestaat om een rechtstreekse contractuele relatie tot stand te brengen tussen een fysiek persoon en een vennootschap, wat veinzing uitmaakt, zodat hij alleszins de vereiste hoedanigheid en belang heeft om zijn vorderingen te stellen. Handelsvertegenwoordiging Uit art. 4, eerste lid en tweede lid, art. 87 en art. 88 arbeidsovereenkomstenwet alsmede uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 4, tweede lid arbeidsovereenkomstenwet, met het oog op het voorkomen van misbruiken, een vermoeden instelt dat de tussenpersoon die voor een opdrachtgever een activiteit van handelsvertegenwoordiging uitoefent, niet als zelfstandige maar als werknemer is tewerkgesteld. Het vermoeden slaat derhalve op het bestaan van het voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezag. De werknemer moet daarentegen bewijzen dat zijn overeenkomst de handelsvertegenwoordiging als voornaamste voorwerp heeft en kan zich daartoe niet beroepen op het vermoeden ingesteld door art. 4, tweede lid Arbeidsovereenkomstenwet . De werknemer die zich wenst te beroepen op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger dient het bewijs te leveren dat hij de handelingen verricht die eigen zijn aan deze activiteit, namelijk: cliënteel opsporen en bezoeken met het oog op het onderhandelen en het sluiten van zaken (art. 4, eerste lid arbeidsovereenkomstenwet) en dat hij dit doet op bestendige wijze (art. 88 arbeidsovereenkomstenwet). Hoedanigheid: zelfstandige of werknemer Voor de organisatie van de werktijd verwijst de memorie van toelichting bij de arbeidsrelatiewet naar het vrij organiseren van de tijdsbesteding, zoals volgt uit de vrijheid om zich niet te moeten schikken naar een precieze en dwingende werktijdregeling; dit kan tegengesproken worden door het feit de verlof- en vakantiedagen niet vrij te kunnen bepalen, de verplichting zijn afwezigheden te verantwoorden, te prikken, te verwittigen in geval van afwezigheid, enz. De memorie vervolgt zeer specifiek: Evenzo geldt voor de partij die als ondernemer in een aannemingsovereenkomst wordt gekwalificeerd, die inderdaad over een bepaalde graad van vrijheid met betrekking tot de organisatie en de praktische uitvoering van het werk beschikt, maar die rekenschap over haar tijdsgebruik moet afleggen aan de opdrachtgever, als dusdanig geen band van ondergeschiktheid (Parl. St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 216; ) Door het ontbreken van een precieze en dwingende tijdregeling wordt de gekozen kwalificatie als zelfstandige niet tegengesproken. De precieze omschrijving van de taken die door de medecontractant vervuld dienen te worden evenals het bestaan van precieze onderrichtingen en van beslissingen van een hiërarchische meerdere zijn aanwijzingen voor het bestaan van een band van ondergeschiktheid. In de mate waarin de zelfstandige evenwel een resultaatverplichting op zich neemt, kunnen de algemene onderrichtingen, verplichtingen en richtlijnen verenigbaar zijn met een aannemingsovereenkomst indien zij het gevolg zijn van de aard van de uitgeoefende activiteit of indien zij noodzakelijk zijn met het oog op de verwezenlijking van een vastgesteld resultaat. In deze omstandigheden zijn praktijken zoals, bijvoorbeeld, de verplichting tot het opstellen van verslagen of het invullen van timesheets niet automatisch kenmerkend voor een band van ondergeschiktheid. (Memorie van toelichting bij de arbeidsrelatiewet: Parl. St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 217) Een dergelijke precieze taakomschrijving of specifieke onderrichtingen worden niet afdoende aangetoond; de voorgelegde stukken sluiten een werkzaamheid als zelfstandige niet uit. In de memorie van toelichting bij de arbeidsrelatieswet wordt de nadruk gelegd op het hiërarchisch karakter van de controle en wordt bij wijze van voorbeeld verwezen naar de mogelijkheid van tuchtsancties (Parl.St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 217-218). De auteurs W. VAN EECKHOUTTE en G. DEMAESENEIRE (a.w. , p .110, nr. 60) omschrijven dit verder pertinent als volgt: Controle wordt in de wet beperkt tot hiërarchische controle, dit wil zeggen controle die steunt op een rang, een positie. Komt aldus alleen in aanmerking, controle die is ingegeven door het feit dat men als ‘meerdere' het recht daartoe heeft. Bestaat tussen de contractpartijen geen hiërarchisch verband, dan is per definitie geen hiërarchische controle mogelijk. Ook mag men de vergissing niet begaan uit het bestaan van controle een hiërarchisch verband af te leiden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Hoedanigheid GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Verjaring (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Handelsvertegenwoordigers Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4, 87 en 88 Wet - 27-12-2006 - 331 tem 333 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200204.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.