← België

ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200303.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200303.5 Rolnummer: 2019/AB/101 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-09-21 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-28 08:35 Fiche Een werknemer kan een arbeidsovereenkomst aangaan met de leden van een vakorganisatie, die de gezagsuitoefening kunnen delegeren aan iemand die als lasthebber in hun naam en voor hun rekening het gezag kan uitoefenen. Wanneer deze ook de bevoegdheid heeft om de werkgever in rechte te vertegenwoordigen, dan kan de feitelijke vereniging in de persoon van deze lasthebber worden gevat. Inzake rechtsvorderingen van feitelijke verenigingen wordt volgens gezaghebbende rechtsleer de voorzitter of de secretaris geacht hiervoor mandaat te hebben bekomen. De regeling van de artikelen 17 en 18 Ger. W. in verband met het belang en de hoedanigheid, geldt ten aanzien van alle partijen. Een vordering kan slechts worden gericht tegen een persoon die de hoedanigheid heeft om ze te beantwoorden. Een rechtsvordering door of tegen verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid is niet ontvankelijk.. Uit artikel 17 Ger. W. volgt dat het belang wordt beoordeeld op het tijdstip van het instellen van de vordering. Geenszins is de vordering sindsdien zonder voorwerp geworden. Betrokkenen zijn de auteurs van het ontslag en worden hierop aangesproken, zodat ze belang en hoedanigheid hebben om zich tegen de aanvechting van hun beslissing en van de uitoefening van hun mandaat te verdedigen. Het feit dat ze deze hoedanigheid niet meer zouden hebben in verband met actuele ontslagen doet daaraan geen afbreuk. In toepassing van art. 10 van de cao 109 heeft de partij die iets aanvoert de bewijslast van wat ze aanvoert. De werkgever bewijst geenszins de ingeroepen insubordinatie er kan zelfs geen tekortkoming bij de werknemer worden gevonden, aangezien hij zeer tijdig verwittigde over zijn omwille van professionele redenen verantwoorde onbeschikbaarheid. Het ontslag werd dan ook niet gegrond op een bewezen ongeschiktheid van de werknemer of op zijn gedrag. Ook de andere ingeroepen motieven worden niet bewezen en berusten grotendeels op veronderstellingen. Het ontslag van een werknemer waarvan wordt erkend dat hij gedurende een meer dan 30jarige tewerkstelling zijn werk inhoudelijk steeds goed heeft gedaan, is kennelijk onredelijk. De vertegenwoordigers van de vakorganisatie dienden terdege te beseffen dat men op zulke manier een medewerker niet ontslaat, hierbij zijn integriteit, bestaansmiddelen en verdere carrièremogelijkheden ernstig discrediterend. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Hoedanigheid GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Willekeurig ontslag SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Ontslag om dringende reden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 17 en 18 Collectieve arbeidsovereenkomst - 10 - 109 Wet - 03-07-1978 - 35 - 109 Link Justel databank 19780703-109 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200303.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.