id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200602.10 Rolnummer: 2019/AB/398 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-09-21 Raadplegingen: 404 - laatst gezien 2026-06-28 08:05 Fiche De kwalificatie van de arbeidsrelatie De vraag of de door partijen gekozen arbeidsrelatie van zelfstandige samenwerking als werkend vennoot kan geherkwalificeerd worden naar een arbeidsrelatie als werknemer moet worden beoordeeld vanuit titel XIII of de art. 328 tot 343 van de arbeidsrelatiewet. Specifieke criteria wegens werken in onroerende staat Art. 337/2 §3 van de arbeidsrelatiewet kende aan de Koning de bevoegdheid toe het bij art 337/2 voor de bouwsector ingestelde vermoeden op basis van specifieke criteria, deze criteria te vervangen, wat gebeurde met art. 2 van het KB van 7 juni 2013 wat betreft de aard van de arbeidsrelaties die bestaan in het kader van de uitoefening van sommige onroerende werkzaamheden. De werken in onroerende staat zijn vermeld in artikel 20, §2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (art. 337/1 en 337/2 Arbeidsrelatieswet). Artikel 20, §2 van koninklijk besluit nr. 1 verwijst naar artikel 19, §2 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Uit de administratieve richtlijnen van de FOD Financiën blijkt dat voormeld artikel 19, §2 enkel betrekking heeft op materieel werk in onroerende staat en niet op de uitvoering van intellectueel werk. Vrijheid organisatie arbeidstijd Wat de vrijheid van organisatie van de arbeidstijd betreft, voorziet de overeenkomst tussen partijen in een minimale tijdsbesteding van 45 u/week en een maximale vakantieregeling van 20 dagen/jaar; hieraan wordt toegevoegd dat de werkende vennoot volledig vrij bepaalt hoe en wanneer hij zich ten dienste stelt van de opdrachtgever. Er werden geen argumenten aangebracht die deze vrijheid tegenspreken. Voor de organisatie van de werktijd verwijst de memorie van toelichting bij de arbeidsrelatieswet uitdrukkelijk naar de vrije organisatie van de tijdsbesteding, zoals die volgt uit de vrijheid om zich niet te moeten schikken naar een precieze en dwingende werktijdregeling; dit kan tegengesproken worden door het feit de verlof- en vakantiedagen niet vrij te kunnen bepalen, de verplichting zijn afwezigheden te verantwoorden, te prikken, te verwittigen in geval van afwezigheid, enz. De memorie vervolgt zeer specifiek: Evenzo geldt voor de partij die als ondernemer in een aannemingsovereenkomst wordt gekwalificeerd, die inderdaad over een bepaalde graad van vrijheid met betrekking tot de organisatie en de praktische uitvoering van het werk beschikt, maar die rekenschap over haar tijdsgebruik moet afleggen aan de opdrachtgever, als dusdanig geen band van ondergeschiktheid (Parl. St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 216) Van een zodanige dwingende tijdsregeling wordt geen bewijs aangebracht. Het ontbreken van vrijheid in de organisatie van het werk moet immers volgen uit het geven van precieze onderrichtingen, zoals volgt uit de Memorie van Toelichting bij de arbeidsrelatieswet : De precieze omschrijving van de taken die door de medecontractant vervuld dienen te worden evenals het bestaan van precieze onderrichtingen en van beslissingen van een hiërarchische meerdere zijn aanwijzingen voor het bestaan van een band van ondergeschiktheid. In de mate waarin de zelfstandige evenwel een resultaatverplichting op zich neemt, kunnen de algemene onderrichtingen, verplichtingen en richtlijnen verenigbaar zijn met een aannemingsovereenkomst indien zij het gevolg zijn van de aard van de uitgeoefende activiteit of indien zij noodzakelijk zijn met het oog op de verwezenlijking van een vastgesteld resultaat. In deze omstandigheden zijn praktijken zoals, bijvoorbeeld, de verplichting tot het opstellen van verslagen of het invullen van timesheets niet automatisch kenmerkend voor een band van ondergeschiktheid (Parl. St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 217). In de Memorie van Toelichting bij de arbeidsrelatieswet wordt de nadruk gelegd op het hiërarchisch karakter van de controle en wordt bij wijze van voorbeeld verwezen naar de mogelijkheid van tuchtsancties (Parl.St. Kamer, 2006-07, 51 2773/1, 217-218) Controle wordt in de wet beperkt tot hiërarchische controle, dit wil zeggen controle die steunt op een rang, een positie. Komt aldus alleen in aanmerking, controle die is ingegeven door het feit dat men als ‘meerdere' het recht daartoe heeft. Bestaat tussen de contractpartijen geen hiërarchisch verband, dan is per definitie geen hiërarchische controle mogelijk. Ook mag men de vergissing niet begaan uit het bestaan van controle een hiërarchisch verband af te leiden. De auteurs W. VAN EECKHOUTTE en G. DEMAESENEIRE (a.w. , p .110, nr. 60) omschrijven dit verder pertinent als volgt: Controle wordt in de wet beperkt tot hiërarchische controle, dit wil zeggen controle die steunt op een rang, een positie. Komt aldus alleen in aanmerking, controle die is ingegeven door het feit dat men als ‘meerdere' het recht daartoe heeft. Bestaat tussen de contractpartijen geen hiërarchisch verband, dan is per definitie geen hiërarchische controle mogelijk. Ook mag men de vergissing niet begaan uit het bestaan van controle een hiërarchisch verband af te leiden. L. ELIAERTS (a.w., p. 100, nr. 41 in fine) wijst erop dat het organiek gezag, geput uit het vennootschapscontract niet gelijk te stellen is met het contractueel werkgeversgezag, geput uit de arbeidsovereenkomst. Dit brengt met zich mee dat instructies en richtlijnen van de zaakvoerder aan de werkend vennoot of concrete verplichtingen van deze laatste i.v.m. de uitbating van de onderneming van de vennootschap, ook wanneer ze betrekking hebben op de organisatie van de arbeidstijd of van het werk, op zich niet in de weg staan aan een zelfstandige arbeidsrelatie. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Aard arbeidsrelatie Vrije woorden: Kwalificatie arbeidsrelatie: zelfstandige samenwerking als werkend vennoot of arbeidsrelatie als werknemer Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2006 - 337/1 en 337/2, § 3 Koninklijk Besluit - 07-06-2013 - 2 Tekst van de beslissing <> PDF document ECLI:BE:CTBRL:2020:ARR.20200602.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.