← België

ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220104.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220104.1 Rolnummer: 2020/AB/312 en 2020/AB/320 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-06-19 13:02 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Wetten - Toepassing in tijd BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Arbeidsongeschiktheid - Blijvende invaliditeit STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Algemeen (discriminatie - racisme - xenofobie) STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Centrum gelijke kansen STRAFRECHT - DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE - Andere (discriminatie - racisme - xenofobie) SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Uitkeringsverzekering - Invaliditeitsuitkering Vrije woorden: - Werking van de wet in de tijd - Discriminatie - Genderwet - voorwaarden toekenning groepsverzekering invaliditeitsrente. Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan 2022/ Datum van uitspraak op 4 januari 2022 € JGR Rolnummer 2020/AB/312 2020/AB/320 Beslissing waartegen beroep 18/462/A Arbeidshof te Brussel derde kamer Arrest Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 2 ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk arrest definitief A.R 2020/AB/312 1. X1, RRN, c/o, wonende te, appellante, vertegenwoordigd door, gevolmachtigde, met kantoor te tegen 1. Y1 NV, ON, met maatschappelijke zetel te, Eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te 2. VERZEKERING NV, ON, met maatschappelijke zetel te, Tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaten te 3. IGVM, ON 0873.091.753, met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Ernest Blérotstraat 1, Derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te A.R 2020/AB/320 1. IGVM, ON 0873.091.753, met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Ernest Blérotstraat 1, appellante, vertegenwoordigd door, advocaat te tegen 1. Y1 NV, ON, met maatschappelijke zetel te, Eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 3 2. VERZEKERING NV, ON, met maatschappelijke zetel te, Tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaten te mede inzake X1, RRN, c/o, wonende te, Vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door mevrouw, gevolmachtigde, met kantoor te Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel het volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel op 05 maart 2020, 2e kamer (A.R. 18/462/A) - het verzoekschriften tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 5 mei 2020 en 6 mei 2020, - de conclusies voor de appellanten, - de conclusies voor de geïntimeerden, - de conclusies voor de vrijwillig tussenkomende partij, - het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, - de replieken op het schriftelijk advies, - de voorgelegde stukken. De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet op de openbare zitting van 12 oktober 2021, waarna de debatten werden gesloten, schriftelijk advies werd neergelegd door het Openbaar Ministerie, na replieken van partijen de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op 4 januari 2022. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 4 I. FEITEN 1.- Mevrouw X1 trad op 1 juli 1971 in dienst van een rechtsvoorganger van Y1 nv als bediende. 2.- In 1986 sloot de werkgever een overeenkomst met de VERZEKERING (thans VERZEKERING) voor het aanbieden van een aantal collectieve verzekeringen. Een van deze collectieve verzekeringen kende aan de werknemers een invaliditeitsrente toe na 90 dagen ziekte, en bepaalde dat deze invaliditeitsrente betaald zou worden tot de leeftijd van 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen. Op 12 juli 2002 sloot de werkgever met VERZEKERING (rechtsvoorganger van VERZEKERING) met W (rechtsvoorganger van Y1) een aangepaste overeenkomst voor de toekenning van een invaliditeitsrente, van toepassing vanaf 1 juli 2002. In deze overeenkomst werd weliswaar bepaald dat het einde van de prestaties voor zowel mannen als vrouwen werd bepaald op 65 jaar, maar in de bijlage nr. 1 van deze overeenkomst werd uitdrukkelijk overeengekomen dat voor de aangeslotenen die op 1 juli 2002 invalide waren, de vorige overeenkomst van toepassing bleef. 3.- Op 13 november 1996 wordt mevrouw X1 ziek. Y1 betaalt haar het gewaarborgd maandloon en na het aflopen van de conventionele carensperiode van 90 dagen werd de invaliditeitsrente uitgekeerd door VERZEKERING, tot 14 april 2015, datum waarop mevrouw X1 de leeftijd van 60 jaar bereikte. 4.- Met aangetekende brief van 2 juni 2017 stelde de vakorganisatie van mevrouw X1 Y1 in gebreke tot betaling van de premies voor de groepsverzekering voor haar aan VERZEKERING, en behield zij zich het recht voor om de hierdoor opgelopen schade (gederfde invaliditeitsrente vanaf 14 april 2015) op te vorderen, waarbij werd geargumenteerd dat door de betaling van de groepsverzekeringspremies voor mevrouw X1 op 14 april 2015 stop te zetten, Y1 de verzekeringsovereenkomst niet correct heeft toegepast en het discriminatieverbod in de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen (hierna aangeduid als de Genderwet) werd geschonden. Met aangetekende brief van 30 juni 2017 betwistte Y1 deze vorderingen. Zij stelde zich volledig van haar verplichtingen te hebben gekweten door de betaling van het gewaarborgd Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 5 maandloon en van een pensioenpremie gedurende de eerste 90 dagen van de arbeidsongeschiktheid (tot 12 februari 1997). Zij wees er verder op dat vanaf het einde van de carensperiode de vennootschap volledig bevrijd was van elke verplichting onder deze invaliditeits-verzekeringsovereenkomst. Tenslotte betwistte zij zich schuldig gemaakt te hebben aan discriminatie op grond van het geslacht. 5.- Met aangetekende brief van 6 juni 2017 kaartte het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (hierna: IGVM) de mogelijke discriminatie aan bij VERZEKERING. Met aangetekende brief van 21 juni 2017 betwistte VERZEKERING mevrouw X1 gediscrimineerd te hebben, waarbij zij zich hoofdzakelijk steunde op het argument dat de Genderwet niet van toepassing is op schadegevallen die zich hebben voorgedaan vóór zijn inwerkingtreding. II. RECHTSPLEGING De vordering van mevrouw X1 6.- Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel op 28 maart 2018, stelde mevrouw X1 een vordering in tegen zowel Y1 als VERZEKERING. Zij vorderde in hoofdorde de veroordeling tot betaling: - door Y1 aan VERZEKERING van de achterstallige premies sinds 14 april 2015 voor haar groepsverzekering; - door VERZEKERING aan haarzelf van de achterstallige aanvullende invaliditeitsuitkeringen sinds 14 april 2015 tot op datum van neerlegging van het verzoekschrift begroot op 36.032,85 euro, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. Zij vorderde in ondergeschikte orde de veroordeling van Y1 tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de gederfde inkomsten sinds 14 april 2015 tot op datum van neerlegging van het verzoekschrift begroot op 36.032,85 euro, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 6 Verder vorderde zij dat alle bedragen vermeerderd zouden worden met de wettelijke intrest en de verwijls- minstens de vergoedende intrest vanaf een niet nader bepaalde datum. Tevens vorderde zij de veroordeling van verwerende partij(

  1. en)tot de kosten van het geding; tenslotte vorderde zij de voorlopige uitvoerbaarheid van het tussen te komen vonnis zonder enige beperking. 7.- In de loop van de procedure wijzigde zij haar vordering als volgt. Zij vorderde in hoofdorde de veroordeling van VERZEKERING tot betaling van de achterstallige aanvullende invaliditeitsuitkeringen sinds 14 april 2015 begroot op 48.386,97 euro, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. Zij vorderde in ondergeschikte orde de veroordeling van Y1 tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de gederfde inkomsten sinds 14 april 2015 tot op datum van neerlegging van het verzoekschrift begroot op 48.386,97 euro, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding. De vordering van VERZEKERING 8.- In de mate dat zij veroordeeld zou worden tot betaling van een achterstallige invaliditeitsrente of enige andere schadevergoeding aan mevrouw X1, vorderde VERZEKERING de veroordeling van Y1 tot betaling van een equivalent bedrag als waartoe zij zou worden veroordeeld, hetzij in de vorm van een bijkomende eenmalige premie, hetzij in de vorm van een schadevergoeding, hetzij in welke passende vorm ook, zowel in hoofdsom, intrest en kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. De vordering van het IGVM 8bis.- Het IGVM vordert de veroordeling van Y1 en VERZEKERING tot betaling van 1,00 euro provisioneel schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het B.W. wegens schending van de Genderwet. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 7 9.- Met vonnis van 5 maart 2020 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering van mevrouw X1 ontvankelijk doch ongegrond. Zij veroordeelde haar tot de kosten van het geding, begroot op 20,00 euro bijdrage Fonds juridische tweedelijnsbijstand, 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding voor Y1 en 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding voor VERZEKERING. Ook de vorderingen van VERZEKERING en het IGVM werden ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en het IGMV werd veroordeeld tot de rechtsplegingsvergoeding, niet begroot. 10.- Voornoemd vonnis werd volgens opgave door partijen op verzoek van VERZEKERING op 8 april 2020 betekend. 11.- Met verzoekschrift hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 mei 2020, tekende mevrouw Van Haeren hoger beroep aan tegen het vonnis dat op 5 maart 2020 werd gewezen door de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel. Zij herhaalde haar vordering zoals laatst gesteld voor de arbeidsrechtbank, maar begrootte de gevorderde vergoedingen op 61.770,60 euro. 12.- Met verzoekschrift hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof op 6 mei 2020, tekende ook het IGVM hoger beroep aan tegen het reeds bestreden vonnis. Ook het IGVM herhaalde de in eerste aanleg gestelde vorderingen. III. TOELAATBAARHEID VAN HET HOGER BEROEP 13.- De hogere beroepen werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze toelaatbaar zijn. IV. BEOORDELING 1. De vordering van mevrouw X1 gericht tegen VERZEKERING nv 14.- In beginsel geldt dat een wet of een wetswijziging onmiddellijke werking heeft. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 8 Onmiddellijke werking van een norm betekent dat deze norm met uitsluiting van de oude regeling, onmiddellijk van toepassing wordt op feiten die zich voordoen na de inwerkingtreding van de nieuwe regel, en ook de latere gevolgen beheerst van de onder de vroegere wet ontstane toestanden, voor zover de nieuwe wet geen afbreuk doet aan reeds verworven rechten. (vgl. Cass. 12 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 181) In de regel is een nieuwe wet met toepassing van artikel 2 van het oud B.W. onmiddellijk van toepassing niet enkel op de gevolgen vanaf haar inwerkingtreding, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. (vgl. Cass. 24 april 2008, C.06.353.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11; Cass. 12 april 2010, R.C.J.B. 2011, 453, noot N. Gallus en J.L.M.B. 2010, 1501, noot J. Brouwers; Cass. 27 september 2018, C.16.0346.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.2) 15.- Voor lopende overeenkomsten geldt een uitzondering op het beginsel van de onmiddellijke werking van een nieuwe wet of een wetswijziging: inzake lopende overeenkomsten blijft in principe de oude wet van toepassing; deze regel houdt in dat voor contracten de eerbiedigende werking van de nieuwe wet geldt. De wet die op een overeenkomst van toepassing is op het moment van de totstandkoming ervan, blijft ook na de uitvaardiging van de nieuwe wet van toepassing; aldus worden de rechtmatige belangen van de contracterende partijen beschermd. (vgl. S. Lierman en B. Weyts, Het overgangsrecht en de inwerkingtreding van wettelijke regels, in het bijzonder met betrekking tot het verzekeringsrecht, T.P.R. 2005, 53, nr. 7, met aldaar aangehaalde rechtsleer en rechtspraak) 16.- Maar ook de regel van de eerbiedigende werking van de nieuwe wet inzake overeenkomsten heeft geen absolute werking: de nieuwe wet is toch van toepassing op lopende overeenkomsten wanneer de nieuwe wet dat uitdrukkelijk voorschrijft of wanneer de nieuwe wet van openbare orde is. (vgl. S. Lierman en B. Weyts, o.c., T.P.R. 2005, 54, nr. 8, met aldaar aangehaalde rechtsleer en rechtspraak) De oude wet blijft bijgevolg van toepassing tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of zijn toepassing voorschrijft op lopende overeenkomsten. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 9 (vgl. Cass. 14 februari 2002, Arr. Cass. 2002, nr. 108) 17.- Artikel 19 van de Genderwet verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van de beschermde criteria, en verstaat onder discriminatie: directe en indirecte discriminatie, opdracht tot discrimineren, intimidatie en seksuele intimidatie. Artikel 12 § 1 van de Genderwet bepaalt dat in de artikel 6 § 1, 4° bedoelde materies en onverminderd § 2 van dit artikel en de artikelen 16, 17 en 18, een direct onderscheid op grond van geslacht een directe discriminatie vormt. Artikel 6 § 1, 4° van de Genderwet bepaalt dat de wet van toepassing is met betrekking tot de aanvullende regelingen van sociale zekerheid. Uit deze bepalingen volgt dat een ongelijke behandeling op grond van geslacht in aanvullende regelingen van sociale zekerheid een verboden directe discriminatie is. 18.- De Genderwet is in werking getreden op 9 juni 2007 en bevat geen overgangsbepalingen. Aan de orde is dan de vraag of de Genderwet vanaf zijn inwerkingtreding van toepassing is op bestaande verzekeringsovereenkomsten, waarbij de hiervoor beschreven principes van het overgangsrecht moeten worden toegepast. In beginsel geldt voor lopende overeenkomsten de regel van de eerbiedigende werking, zodat de wet die gold op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst, op de overeenkomst van toepassing blijft na de uitvaardiging van de nieuwe wet. Wanneer echter de nieuwe wet de openbare orde raakt of van dwingend recht is, wordt van het principe van de eerbiedigende werking afgeweken en geldt het principe van de onmiddellijke werking. (vgl. in verband met de analoge problemen bij de invoering van de Antidiscriminatiewet: S. Lierman en B. Weyts, o.c., T.P.R. 2005, 94, nr. 69, met aldaar aangehaalde rechtsleer en rechtspraak) 19.- In een arrest van 16 september 2013 bevestigde het Hof van Cassatie: - dat een nieuwe wet in de regel niet enkel wordt toegepast op situaties die ontstaan vanaf zijn inwerkingtreding, maar ook op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de werking van de vroegere wet ontstaan zijn die zich onder de nieuwe wet Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 10 voordoen of voortduren, voor zover er geen afbreuk wordt gedaan aan reeds definitief vastgestelde rechten; - dat bij overeenkomsten de oude wet toepasselijk blijft, behalve als de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is, of als hij uitdrukkelijk bepaalt van toepassing te zijn op lopende overeenkomsten; - dat de Genderwet in de regel het onderscheid op grond van geslacht verbiedt met betrekking tot de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties in de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid; - dat de bepalingen van de Genderwet van openbare orde zijn; - dat het recht op (aanvullende) uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid dat volgt uit een groepsverzekeringsovereenkomst, een gevolg kan zijn van deze overeenkomst dat voortduurt onder de gelding van de Genderwet. (Cass. 16 september 2013, Arr. Cass. 2013, nr. 449) 20.- In voorliggende betwisting sluit het arbeidshof zich aan bij het oordeel van het Hof van Cassatie in voornoemd arrest en stelt het vast dat het recht van mevrouw X1 op aanvullende uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid op basis van de groepsverzekeringsovereenkomst die in 1986 werd gesloten tussen een rechtsvoorganger van VERZEKERING nv en een rechtsvoorganger van Y1 nv, een gevolg is van deze groepsverzekeringsovereenkomst dat voortduurt onder de gelding van de Genderwet. Het is dan ook ten onrechte dat VERZEKERING argumenteert dat de toepassing van de Genderwet afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. 21.- Vermits de bepalingen van deze wet van openbare orde zijn, is de Genderwet onmiddellijk van toepassing op de lopende overeenkomsten, zodat het discriminatieverbod dat in deze wet wordt voorzien en het onderscheid op grond van geslacht verbiedt met betrekking tot de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties in de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, onmiddellijk van toepassing is op de lopende overeenkomst. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 11 22.- Het staat niet ter discussie dat de toepasselijke groepsverzekering een discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties in de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid vormt, vermits de aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen enkel op grond van het geslacht van mevrouw X1 stopgezet worden op 60-jarige leeftijd, terwijl de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van mannelijke deelnemers aan de groepsverzekering slechts stopgezet worden op 65-jarige leeftijd. Dergelijke discriminatie is met toepassing van de onder randnummer 17 aangeduide bepalingen van de Genderwet verboden. 23.- Artikel 20 van de Genderwet bepaalt dat de bepalingen die strijdig zijn met deze wet en de bedingen die bepalen dat één of meer contracterende partijen bij voorbaat afzien van de rechten die door deze wet gewaarborgd worden, nietig zijn. In de mate dat de bepalingen van de litigieuze groepsverzekeringsovereenkomst aan mevrouw X1 slechts een recht op aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toekent tot de leeftijd van 60 jaar, terwijl de mannelijke deelnemers aan dezelfde groepsverzekering een recht op aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toekennen tot de leeftijd van 65 jaar, zijn deze bepalingen nietig. De vordering van mevrouw X1 tot betaling van 61.770,60 euro aanvullende uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, bedrag dat cijfermatig niet ter discussie staat, dient als gegrond te worden toegewezen. 24.- Ten onrechte beroept VERZEKERING zich op het vertrouwensbeginsel. Het arbeidshof ziet niet in hoe het optreden van de overheid door de invoering van de Genderwet enige rechtmatige verwachting van VERZEKERING heeft gefnuikt, des te meer nu vastgesteld wordt dat de invoering van de Genderwet, die van openbare orde is, en als doel heeft de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, minstens discriminatie te vermijden, een hoger doel beoogt dan de loutere vaststelling van contractuele bepalingen. Op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof dient niet te worden ingegaan. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 12 25.- Alle andere door VERZEKERING opgeworpen middelen worden door het arbeidshof als niet relevant voor de beoordeling van de betwisting tussen partijen opgeworpen. 2. De in ondergeschikte orde door mevrouw X1 tegen Y1 nv gestelde vordering 26.- Mevrouw X1 vordert in ondergeschikte orde de veroordeling van Y1 tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de gederfde inkomsten sinds 14 april 2015. Vermits het arbeidshof de vordering die mevrouw X1 in hoofdorde heeft gesteld tegen VERZEKERING gegrond heeft verklaard, wordt haar in ondergeschikte orde gestelde vordering tegen Y1 zonder voorwerp. 3. De vordering van VERZEKERING nv tegen Y1 nv 27.- In de mate dat zij veroordeeld zou worden tot betaling van een achterstallige invaliditeitsrente of enige andere schadevergoeding aan mevrouw X1, vorderde VERZEKERING de veroordeling van Y1 tot betaling van een equivalent bedrag als waartoe zij zou worden veroordeeld, hetzij in de vorm van een bijkomende eenmalige premie, hetzij in de vorm van een schadevergoeding, hetzij in welke passende vorm ook, zowel in hoofdsom, intrest en kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Deze vordering is dus klaarblijkelijk gesteund op hetzij de contractuele, hetzij de buitencontractuele aansprakelijkheid van Y1. 28.- Wat de contractuele aansprakelijkheid van Y1 betreft, dient verwezen te worden naar de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst zelf. Terecht merkt Y1 op dat in geval van arbeidsongeschiktheid van een werknemer, zij na de carensperiode van 90 dagen vrijgesteld is van het verder betalen van de premies. In het bijzonder wat de invaliditeitsrente betreft, bepaalt artikel 4 van de verzekeringsovereenkomst uitdrukkelijk dat ‘lopende de betaling van de invaliditeitsrente de Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 13 vennootschap en de verzekerde vrijgesteld zijn van de premie van de verzekering invaliditeitsrente, pro rata de economische invaliditeitsgraad’. VERZEKERING beroept zich niet op enige clausule in de verzekeringsovereenkomst die haar het contractuele recht zou geven de premievrijstelling in te trekken in bepaalde omstandigheden, zoals een ingrijpen van de wetgever. In die omstandigheden dient haar vordering tot bekomen van een contractuele schadevergoeding als ongegrond te worden afgewezen. 29.- Wat de buitencontractuele aansprakelijkheid betreft, geldt dat degene die schade heeft geleden door de fout van een derde, het bewijs moet leveren van deze fout, van het bestaan en de omvang van de door hem geleden schade, en het oorzakelijk verband tussen fout en schade. Naar het oordeel van het arbeidshof levert VERZEKERING, op wie ter zake de bewijslast rust, niet het bewijs van enige fout in hoofde van Y1. Ook haar vordering tot bekomen van een buitencontractuele schadevergoeding dient bijgevolg als ongegrond te worden afgewezen. 30.- Tenslotte beroept VERZEKERING zich ten onrechte op de figuur van de verrijking zonder oorzaak. Voor de toepassing van voornoemde rechtsfiguur dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan, waarvan de eerste voorwaarde is dat er een verrijking is van het ene vermogen. (vgl. W. van Gerven m.m.v. S. Covemaeker, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven Voorburg 2006, 289) VERZEKERING toont echter niet, en alleszins niet op afdoende wijze, aan hoe het vermogen van Y1 zou zijn verrijkt. Indien zij zou argumenteren dat de verrijking erin zou bestaan dat Y1 geen verzekeringspremie heeft betaald in verhouding tot de uiteindelijke prestaties (betaling van de invaliditeitsrente tot 65 jaar), kan enkel gewezen worden op de contractuele premievrijstelling na de voorziene carensperiode van 90 dagen. Zelfs indien VERZEKERING wel enige verrijking in hoofde van Y1 zou kunnen aantonen, zal zij stuiten op een tweede geldigheidsvoorwaarde voor de toepassing van de verrijking zonder oorzaak, met name het vereiste dat voor de beweerde verrijking geen geldige juridische oorzaak, zoals een overeenkomst kan worden aangewezen. De verrijking heeft dan wel een Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 14 geldige juridische oorzaak, vermits de premievrijstelling na de carensperiode contractueel werd voorzien. 4. De vordering van het IGVM tegen VERZEKERING en Y1 31.- Het IGVM vordert de veroordeling van Y1 en VERZEKERING tot betaling van 1,00 euro provisioneel schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het B.W. wegens schending van de Genderwet. Wat de buitencontractuele aansprakelijkheid betreft, geldt dat degene die schade heeft geleden door de fout van een derde, het bewijs moet leveren van deze fout, van het bestaan en de omvang van de door hem geleden schade, en het oorzakelijk verband tussen fout en schade. 32.- Wat de fout betreft lijkt niet, en alleszins niet ernstig ter discussie te staan dat deze bestaat in de loutere schending van de Genderwet. Dergelijke schending ligt onbetwist voor. Doch wat het bewijs van het bestaan en de omvang van de geleden schade betreft, faalt het IGVM in de haar opgelegde bewijslast. In tegenstelling tot wat het openbaar ministerie in het advies lijkt te suggereren, volgt uit het bewijs van een fout niet dat schade werd geleden. De vordering van het IGVM dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben: Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 15 Voegt de zaken gekend onder AR 2020/AB/312 en 2020/AB/320 samen onder het AR 2020/AB/312; Gezien het schriftelijk advies van mevrouw , substituut-generaal, neergelegd op de griffie van het arbeidshof op 18 oktober 2021, en de replieken van partijen; Verklaart het hoger beroep van mevrouw X1 toelaatbaar en als volgt gegrond: Doet het bestreden vonnis teniet in de mate dat de vordering van mevrouw X1 ongegrond verklaarde en haar veroordeelde tot de kosten van het geding, en opnieuw recht doende, verklaart haar vordering als volgt gegrond: veroordeelt VERZEKERING nv tot betaling aan mevrouw X1 van 61.770,60 euro aanvullende uitkering wegens arbeidsongeschiktheid (invaliditeitsrente), te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 2 juni 2017 en met de gerechtelijke intrest vanaf 28 maart 2018, deze intrest te berekenen aan de wettelijke intrestvoet; Verklaart de vordering van mevrouw X1 tegen Y1 zonder voorwerp; Verklaart het hoger beroep van het IGVM toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in de overige beschikkingen; Verwijst VERZEKERING nv in de kosten van het geding van mevrouw X1, begroot op twee maal 20,00 euro bijdrage Fonds juridische tweedelijnsbijstand; Verwijst VERZEKERING nv in de kosten van het geding ten voordele van Y1, in hoofde van laatstgenoemde vereffend op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 3.900,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Verwijst het IGVM in de kosten van het geding ten voordele van Y1 nv en VERZEKERING nv, aan de zijde van beide laatstgenoemden vereffend op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 3.900,00 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Legt de bijdrage van 22,00 euro voor het Fonds juridische tweedelijnsbijstand ten laste van VERZEKERING nv. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/312 2020/AB/320 – p. 16 Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit: , kamervoorzitter, plv raadsheer in sociale zaken, werkgever, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door : , griffier. De heer, plv raadsheer in sociale zaken, als werkgever, en de heer, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende die bij de debatten aanwezig waren en aan de beraadslaging hebben deelgenomen, verkeren in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door, kamervoorzitter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 januari 2022 door: , Kamervoorzitter, bijgestaan door , griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220104.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.11 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.