id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 11 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220111.2 Rolnummer: 2020/AB/672 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-08-12 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-06-14 00:10 Fiche Vermits mevrouw Y niet aantoont dat zij de werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap vooraleer deze de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigde, heeft de periode tijdens dewelke zij van de ontslagbescherming voorzien in artikel 40 eerste lid van de Arbeidswet geen aanvang genomen en dient haar vordering tot betaling van de forfaitaire vergoeding, bedoeld in artikel 40 derde lid van de Arbeidswet te worden afgewezen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Moederschapsbescherming - Algemeen SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Moederschapsbescherming - Ontslagbescherming Vrije woorden: ontslagbescherming bij zwangerschap - aanvang van de bescherming - bewijs Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan 2022/ Datum van uitspraak op 11 januari 2022 € JGR Rolnummer 2020/AB/672 Beslissing waartegen beroep 20/20836/A Arbeidshof te Brussel derde kamer Arrest Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 2 ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk arrest definitief X1 NV, ON, met maatschappelijke zetel te, , appellant, vertegenwoordigd door mr., advocaat te tegen Y1, RRN wonende te, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw, , gevolmachtigde, met kantoor te Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel het volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Brussel op 06 oktober 2020, eerste kamer (A.R. 20/20836/A) - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 19 november 2020, - de conclusies voor de appellante, - de conclusies voor de geïntimeerde, - de voorgelegde stukken. De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet op de openbare zitting van 14 december 2021, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 3 I. FEITEN 1.- Mevrouw Y1 trad op 20 augustus 2018 in dienst van de nv X1 (hierna genoemd: de nv) als bediende met als functie commercieel assistente. De voorwaarden van tewerkstelling werden vastgelegd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 25 juni
- 2.- Mevrouw Y1 was arbeidsongeschikt van 18 november 2019 tot 18 december
- 3.- Met aangetekende brief van 19 december 2019, verzonden om 10.34 uur, beëindigde de nv de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Met e-mail van dezelfde datum, verzonden om 10.36 uur, maakte mevrouw Y1 melding van een gesprek dat zij op dezelfde dag had met de afgevaardigd-bestuurder van de nv, waarvan zij volgende weergave deed (vertaling): “Na mijn terugkeer uit arbeidsongeschiktheid die liep van 18 november 2019 tot 18 december 2019, hebt u mij mondeling mijn ontslag gegeven omwille van een reorganisatie ten gevolge van mijn afwezigheid. […] Zoals ik u heb medegedeeld, ben ik zwanger en hebt u mij ongelukkig genoeg niet de tijd gelaten u mijn attest van zwangerschap te bezorgen.” Hierop gaf de afgevaardigd-bestuurder van de nv met e-mail van dezelfde dag, verzonden om 13.57 uur, zijn weergave op hetzelfde gesprek (vertaling): “Deze morgen, rond 9.30 uur, hebben wij u mondeling onze beslissing tot beëindiging betekend. In geen geval is onze beslissing het gevolg van uw afwezigheid maar een reorganisatie van de dienst. Bovendien hebt u ons op geen enkel moment van deze vergadering die uitgelopen is op een beëindiging van uw arbeidsovereenkomst op de hoogte gebracht van uw zwangerschap.” Met e-mail van dezelfde datum, verzonden om 12.36 uur, maakte mevrouw Y1 aan de nv een medisch attest over waarin werd bevestigd dat zij zwanger was, met vermoedelijke bevallingsdatum op 22 augustus
- Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 4 4.- Op het werkloosheidsbewijs C4 van 29 januari 2020 werd als juiste oorzaak van de werkloosheid vermeld: ‘reorganisatie en vermindering van personeel’. 5.- Met aangetekende en gewone brief van 21 februari 2020 vorderde de vakorganisatie van mevrouw Y1 betaling van 19.397,56 euro forfaitaire vergoeding gelijk aan zes maanden bruto loon wegens schending van de ontslagbescherming als zwangere werkneemster. Een antwoord van de nv wordt niet bijgebracht. II. RECHTSPLEGING 6.- Met verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd op de griffie van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel op 11 juni 2020, vorderde mevrouw Y1 betaling door de nv van een forfaitaire vergoeding van 19.397,56 euro, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de datum van eisbaarheid, de gerechtelijke intrest en de kosten. 7.- Met vonnis van 6 oktober 2020, gewezen op verstek ten aanzien van de nv, verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond. Zij veroordeelde de nv tot betaling van een forfaitaire vergoeding van 19.397,56 euro, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de datum van eisbaarheid, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding, begroot op 20,00 euro bijdrage Fonds juridische tweedelijnsbijstand. 8.- Partijen bevestigen dat dit vonnis niet werd betekend. 9.- Met verzoekschrift hoger beroep, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 19 november 2020, tekende de nv hoger beroep aan tegen het vonnis dat op 6 oktober 2020 werd uitgesproken door de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel. Zij vorderde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en mevrouw Y1 te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 5 III. TOELAATBAARHEID VAN HET HOGER BEROEP 11.- Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het toelaatbaar is. IV. BEOORDELING 12.- Artikel 40 van de Arbeidswet bepaalt: “De werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te stellen aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik dat hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na het einde van de postnatale rustperiode, behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling. De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn. Op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis. Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, zal de werkgever aan de werkneemster een forfaitaire vergoeding betalen welke gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen aan de werkneemster verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.” 13.- Artikel 40 eerste lid van de Arbeidswet omschrijft het aanvangstijdstip van de bescherming als het ogenblik waarop de werkgever werd ingelicht omtrent de zwangerschap. Tot op het ogenblik dat de werkgever wordt ingelicht over de zwangerschap van zijn werkneemster, geniet deze laatste niet van de bescherming van voornoemd artikel. De bewijslast ten aanzien van het ogenblik van kennisgeving van de zwangerschap rust op de zwangere werkneemster. (vgl. Arbh. Brussel, 23 februari 2005, Soc. Kron. 2005, 341, noot J. Jacqmain) 14.- Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 6 Indien mevrouw Y1 bijgevolg betaling vordert van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 40 derde lid van de Arbeidswet, dient zij aan te tonen dat zij de werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap vooraleer deze is overgegaan tot ontslag. Naar het oordeel van het arbeidshof levert zij dit bewijs niet. Aan de hand van de bijgebrachte documenten kan enkel als vaststaand en bewezen worden aanvaard: - dat de nv de brief waarmee zij de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd, heeft verzonden op 19 december 2019 te 10.34 uur. Zijdelings kan hierbij worden opgemerkt dat de nv wel voorhoudt doch nalaat te bewijzen dat zij reeds voorafgaand aan de verzending van de ontslagbrief tegenover mevrouw Y1 de wil had uitgedrukt de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dit blijkt niet uit de inhoud van haar e-mail van 19 december 2019, verzonden om 13.57 uur, vermits dit een eenzijdige weergave is van de inhoud van een gesprek dat partijen rond 09.30 uur hadden, weergave die wordt tegengesproken door de versie van mevrouw Y1 van hetzelfde gesprek. Evenmin blijkt dit uit de e-mail die de nv op 17 december 2019 verzond aan haar sociaal secretariaat waaruit een voornemen, doch niet meer dan dat, blijkt om over te gaan tot ontslag van mevrouw Y
- - dat mevrouw Y1 op 19 december 2019 om 10.36 uur aan de afgevaardigd-bestuurder van de nv een e-mail heeft gestuurd waarin zij de inhoud van een gesprek weergaf dat op dezelfde had plaatsgehad rond 09.30 uur, en waarbij zij voorhoudt dat zij de nv op de hoogte had gebracht van haar zwangerschap. Wat uit deze e-mail enkel als vaststaand kan worden afgeleid is dat de nv door deze e-mail op 19 december 2019 om 10.36 uur op de hoogte werd gebracht van de zwangerschap van mevrouw Y1, dit is twee minuten na een ander vaststaand feit, met name de aanbieding op het postkantoor van de aangetekende brief van de nv waarmee deze aan mevrouw Y1 kenbaar maakte de arbeidsovereenkomst te beëindigen met onmiddellijke ingang. - dat mevrouw Y1 een medisch attest waaruit blijkt dat zij zwanger was, op 19 december 2019 met e-mail, verzonden om 12.36 uur heeft overgemaakt aan de nv. 15.- Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 7 Aan de orde is dan de vraag of mevrouw Y1 aantoont dat zij tijdens het gesprek dat zij op 19 december 2019 rond 09.30 uur had met de afgevaardigd-bestuurder van de nv, deze op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap. Zij levert dit bewijs niet. Met e-mail van 19 december 2019, verzonden om 10.36 uur, maakte mevrouw Y1 melding van een gesprek dat zij op dezelfde dag had met de afgevaardigd-bestuurder van de nv, waarvan zij volgende weergave deed (vertaling): “Na mijn terugkeer uit arbeidsongeschiktheid die liep van 18 november 2019 tot 18 december 2019, hebt u mij mondeling mijn ontslag gegeven omwille van een reorganisatie ten gevolge van mijn afwezigheid. […] Zoals ik u heb medegedeeld, ben ik zwanger en hebt u mij ongelukkig genoeg niet de tijd gelaten u mijn attest van zwangerschap te bezorgen.” De weergave van de inhoud van het gesprek door mevrouw Y1 wordt echter bijna onmiddellijk tegengesproken door de afgevaardigd-bestuurder van de nv met e-mail van dezelfde dag, verzonden om 13.57 uur (vertaling): “Deze morgen, rond 9.30 uur, hebben wij u mondeling onze beslissing tot beëindiging betekend. In geen geval is onze beslissing het gevolg van uw afwezigheid waar van een reorganisatie van de dienst. Bovendien hebt u ons op geen enkel moment van deze vergadering die uitgelopen is op een beëindiging van uw arbeidsovereenkomst op de hoogte gebracht van uw zwangerschap.” Hierbij moet dan nog worden opgemerkt dat uit de weergave van het gesprek door mevrouw Y1 niet blijkt dat zij eerst de werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap, en de werkgever pas daarna zijn mondelinge beslissing heeft kenbaar gemaakt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. 16.- Vermits mevrouw Y1 niet aantoont dat zij de werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar zwangerschap vooraleer deze de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigde, heeft de periode tijdens dewelke zij van de ontslagbescherming voorzien in artikel 40 eerste lid van de Arbeidswet geen aanvang genomen en dient haar vordering tot betaling van de forfaitaire vergoeding, bedoeld in artikel 40 derde lid van de Arbeidswet te worden afgewezen. Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 8 17.- Nu het arbeidshof heeft geoordeeld dat mevrouw Y1 op het ogenblik van het ontslag niet beschermd was, dient niet te worden onderzocht of de nv het bewijs levert van een ontslagreden die vreemd is aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben: Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond; Doet het bestreden vonnis teniet behalve in de mate dat dit de vordering van mevrouw Y1 ontvankelijk verklaarde; Opnieuw recht doende, verklaart de vordering van mevrouw Y1 ongegrond; Verwijst haar in de kosten van het hoger beroep, in hoofde van de nv X1 vereffend op 1.430,00 euro rechtsplegingsvergoeding; Legt de bijdrage van 22,00 euro voor het Fonds juridische tweedelijnsbijstand ten laste van mevrouw Y
- Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit : Arbeidshof te Brussel – 2020/AB/672 – p. 9 , kamervoorzitter, , plv raadsheer in sociale zaken, werkgever, , raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, Bijgestaan door, griffier De heer, plv raadsheer in sociale zaken, als werkgever, en mevrouw, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, die bij de debatten aanwezig waren en aan de beraadslaging hebben deelgenomen, verkeren in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door , kamervoorzitter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 januari 2022 door: , kamervoorzitter, , griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220111.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div