id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 20 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20221220.1 Rolnummer: 2022/KB/22 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-12-21 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-19 02:43 Fiche Bij een vordering ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift spreekt het arbeidshof slechts voorlopige maatregelen uit, bij hoogdringendheid en op grond van de schijn van recht. Op grond van de documenten die aan het hof worden voorgelegd kan aangenomen worden dat appellant internationale bescherming heeft gevraagd. Zijn aanvraag wordt onderzocht. Hij kan dus aanspraak maken op opvang, in principe door Fedasil te verlenen in één van haar opvangstructuren bij toepassing van de wet van 12 januari 2007, hetzij door een OCMW op grond van de wet van 8 juli 1976. De keuze van de wijze van opvang komt toe aan FEDASIL, maar deze is niet discretionair. In geval van verzadiging van haar opvangnetwerk kan FEDASIL ertoe beslissen om geen opvangstructuur aan te wijzen als verplichte plaats van inschrijving, zodat de betrokkene zou kunnen aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening door een OCMW. Thans zijn deze bijzondere omstandigheden klaarblijkelijk aanwezig en kan FEDASIL aan appellant geen opvang verlenen in haar opvangstructuur. Het gaat zelfs zo ver dat het Europees Hof voor de Rechten van de mens zich zeer recent verschillende malen heeft uitgesproken en voorlopige maatregelen heeft opgelegd aan de Belgische Staat in zaken waarin asielzoekers, die reeds een rechterlijke beslissing bekwamen van een Belgische rechtbank die Fedasil tot opvang dwong, maar waarin spijts deze veroordeling nog steeds geen opvang werd verleend (cfr. arresten van het EHRM van 31 oktober 2022, verzoekschrift nr 49255/22, Camara t. België, van 15 november 2022, verzoekschrift nr 48987/22 Msallem en 147 anderen t. België, en van 13 december 2022, Al-Shujaa e.a. t/ België, verzoekschrift 52208/22 en Niazal t/ België, verzoekschrift 55140/22). In huidige zaak kan slechts vastgesteld worden dat Fedasil opnieuw geen opvangplaats heeft toegekend. Zij verleent zelf dus geen materiële opvang, en zij heeft ook geen beslissing genomen op grond van art. 11§3 van de wet van 12 januari 2007 voornoemd. Bij hoogdringendheid, op grond van de schijn van recht van appellant en omdat FEDASIL in gebreke blijft, moet het hof het nodige te doen opdat appellant effectief de opvang zou kunnen genieten waarop hij recht heeft. Daarom zegt het hof voor recht dat huidig arrest voorlopig geldt als niet-toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in de zin van art. 11,§3, laatste alinea, van de wet van 12 januari 2007 indien Fedasil appellant geen verplichte plaats van inschrijving toewijst. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID Vrije woorden: FEDASIL – niet-toewijzing “code 207” – bijzondere omstandigheden – verzadiging opvangnetwerk – arrest geldt als niet-toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-2007 - art. 11, § 3 - 52 ELI link Pub nr 2007002066 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan 2022 / Datum van uitspraak op 20 december 2022 € JGR Rolnummer 2022/KB/22 Beslissing waartegen beroep 22/ 235/K Arbeidshof te Brussel Arrest inzake eenzijdige procedure EENZIJDIGE VERZOEKSCHRIFTEN – opvang asielzoekers definitief kennisgeving per gerechtsbrief (art. 1030 Ger. W.) INZAKE : De heer ZZ, RR , geboren te op , van Palestijnse origine, verzoeker om internationale bescherming; appellant, vertegenwoordigd door meester , kantoor houdende te , , waar keuze van woonplaats wordt gedaan; Het arbeidshof te Brussel spreekt het volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel, gegeven op 8 december 2022, (Rolnummer Eenzijdige Verzoekschriften 22/234/K) - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 15 december 2022., - de voorgelegde stukken. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING 1. De heer ZZ is afkomstig uit Palestina. Hij stelt dat hij België is binnengekomen op 18 november 2022. Hij diende op 25 november 2022 een verzoek om internationale bescherming in. Zijn aanvraag wordt nog onderzocht. Hij zet uiteen dat hij die dag niet de mogelijkheid kreeg om bij de dienst Dispatching van Fedasil langs te gaan om een opvangplaats toegewezen te krijgen. Er werd hem mondeling meegedeeld dat dit niet mogelijk was en dat hij verzocht werd om te vertrekken. Appellant ging de dagen daarna nog enkele keren langs bij het Klein Kasteeltje om te horen of er intussen wel een opvangplaats beschikbaar was aangezien hij geen alternatieve plaats heeft om te verblijven. Hij verblijft sinds 25.11.2022 tot heden op straat. Op 01.12.2022 consulteerde hij een advocaat, die Fedasil diezelfde dag per e-mail in gebreke stelde om een opvangplaats toe te kennen, als volgt: “lk wordt vandaag geconsulteerd door de heer ZZ, RR van Palestijnse nationaliteit, geboren op te , gekend bij Dienst Vreemdelingenzaken onder ov-nummer . Mijn cliënt diende 25.11.2022 een verzoek om internationale bescherming in (zie bijlage). Hij kreeg daarna niet de mogelijkheid om zich naar de dispatching van Fedasil te begeven. Mijn cliënt heeft zich meerdere keren aangemeld in de hoop een opvangplaats toegewezen te krijgen maar hij kreeg nooit toegang tot de Dienst Dispatching, zodat hij zelfs niet eens in het bezit is van een beslissing van uw diensten. Laatste keer werd hem mondeling meegedeeld dat hij een advocaat moest raadplegen. Mijn cliënt heeft momenteel geen opvangplaats en verblijft noodgedwongen op str aat. Dit is kennelijk in strijd met de artikelen 3 en 6 van de Opvangwet, aangezien hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Art. 10 en 11 van de Opvangwet van 12.01.2007 verplichten uw diensten om hem een verplichte plaats van inschrijving toe te kennen. lk stel uw diensten dan ook in gebreke om aan mijn cliënt een opvangplaats toe te wijzen, en mij per kerende te bevestigen dat mijn cliënt zich hiertoe kan aanmelden bij uw diensten. Bij gebreke daaraan zal mijn cliënt genoodzaakt zijn om een opvangplaats af te dwingen via een gerechtelijke procedure.” Deze ingebrekestelling werd niet beantwoord. Appellant verblijft nog steeds op straat. Hij legde een eenzijdig verzoekschrift neer bij de voorzitter van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel om - Fedasil te horen veroordelen hem een opvangplaats toe te kennen, - Bij gebreke daaraan te voldoen binnen de 48 uur na betekening van de tussen te komen beslissing te zeggen voor recht dat het tussen te komen beschikking zal gelden als beslissing tot opheffing of niet toewijzing van de code 207, zodat appellant zich kan aanmelden bij het OCMW van de plaats van zijn inschrijving, en dit tot op het moment waarop Fedasil hem een plaats in het opvangnetwerk aanbiedt; De Voorzitter van de arbeidsrechtbank verklaarde de vordering toelaatbaar en (gedeeltelijk) gegrond en oordeelde als volgt: “De voorzitter veroordeelt FEDASIL tot toekenning van de volledige materiële hulp zoals bepaald in artikel 2, 6° van de Opvangwet aan de verzoeker: • met onmiddellijke ingang • onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag dat de verzoeker niet wordt opgevangen, vanaf de tweede werkdag na de dag waarop deze beschikking wordt betekend • onder voorbehoud van een wijziging in het administratieve verblijfsstatuut van de verzoeker. De voorzitter verleent aan de verzoeker het voordeel van de rechtsbijstand voor de betekening en uitvoering van deze beschikking. Hierbij wordt gerechtsdeurwaarder , met kantoor te ( ), , aangesteld om kosteloos haar ambt te verlenen. Deze beschikking is uitvoerbaar op de minuut.” De voorzitter wees de vordering tot opheffing van de “code 207” af omdat het niet in het belang van de verzoeker zou zijn: de toegekende code is allicht “no show” en garandeert de verzoeker het recht op medische begeleiding lastens Fedasil. De verdere redenering van de verzoeker miskent de aard van de toegekende code en/of berust op een foutieve lezing van art. 57ter, tweede lid van de OCMW-wet van 8 juli 1976. Appellant is het niet eens met deze beslissing en tekende op 15 december 2022 hoger beroep aan. Hij vordert: “Huidige vordering in hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel dd. 08.10.2022, met rolnummer 22/234/K, toelaatbaar en gegrond te verklaren; Bij gevolg de beschikking a quo te hervormen en bijgevolg, gelet op de hoogdringendheid, het Federaal Agentschap voor Opvang van Asielzoekers te veroordelen tot onmiddellijke toekenning van de volledige materiële hulp aan appellant in de zin van art. 2,6° Opvangwet; bij gebreke daaraan te voldoen binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen arrest te zeggen voor recht dat het tussen te komen arrest zal gelden als beslissing tot opheffing of niet toewijzing van de code 207, zodat appellant zich kan aanmelden bij het OCMW van de plaats van zijn inschrijving, en dit tot op het moment waarop Fedasil hem een plaats in het opvangnetwerk aanbiedt; Aan appellant rechtsbijstand toe te kennen voor de huidige procedure en bijgevolg een gerechtsdeurwaarder aan te duiden die de tussen te komen arrest kosteloos zal dienen te betekenen en indien nodig uitvoeren;” DE ONTVANKELIJKHEID Het verzoekschrift in hoger beroep is ingesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en binnen de wettelijke termijn. Het is ontvankelijk. BEOORDELING 1. Overeenkomstig artikel 584, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht en in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. De zaak wordt voor de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, ingeval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift. De zaak is uiterst spoedeisend zodat de vordering bij eenzijdig verzoekschrift kon worden ingediend. De arbeidsrechtbank is materieel bevoegd om kennis te nemen van geschillen betreffende de Opvangwet in toepassing van artikel 580, 8° (
- f)van het Gerechtelijk Wetboek. 2. Het hoger beroep is beperkt tot de vordering van appellant “te zeggen voor recht dat het tussen te komen arrest zal gelden als beslissing tot opheffing of niet toewijzing van de code 207, zodat appellant zich kan aanmelden bij het OCMW van de plaats van zijn inschrijving, en dit tot op het moment waarop Fedasil hem een plaats in het opvangnetwerk aanbiedt;” 3. de toepasselijke rechtsregels: 3.1 De Richtlijn 2013/33/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming bepaalt in art. 17 “Algemene bepalingen betreffende de materiële opvang en gezondheidszorg” “ 1 De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun verzoek om internationale bescherming indienen. 2 De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt. De lidstaten zien erop toe dat die levensstandaard ook gehandhaafd blijft in het specifieke geval van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 21, alsmede in het geval van personen in bewaring. 3 De lidstaten kunnen de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen. 4 Overeenkomstig lid 3 kunnen de lidstaten van de verzoekers, indien zij over voldoende middelen beschikken, bijvoorbeeld wanneer zij gedurende een redelijke tijd gewerkt hebben, een bijdrage verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door deze richtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Indien komt vast te staan dat een verzoeker over voldoende middelen beschikte om in die basisbehoeften te voorzien toen de materiële opvangvoorzieningen werden verstrekt, mogen de lidstaten hem vragen deze voorzieningen te vergoeden. 5 Wanneer de lidstaten materiële opvangvoorzieningen verstrekken in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen, wordt de hoogte daarvan vastgesteld op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat krachtens het recht of krachtens de praktijk zijn vastgesteld om nationale onderdanen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. De lidstaten kunnen verzoekers in dit opzicht minder gunstig behandelen dan eigen onderdanen met name indien de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of indien die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft. De Richtlijn bepaalt in art. 2,
- g)dat onder “materiële opvangvoorzieningen” moet worden verstaan: de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding; 3.2 De Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt in art. 1 het basisprincipe: “Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.” Deze regel maakt geen onderscheid naargelang de nationaliteit, de wettigheid van het verblijf of het administratief statuut van de persoon. Art. 57§1 van deze wet van 8 juli 1976 bepaalt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak heeft aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Hier wordt opnieuw geen onderscheid gemaakt tussen personen naargelang hun statuut. Art. 57§2 beperkt de opdracht van het OCMW, In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; Appellant, die een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend, verblijft legaal in het land, zodat de uitzondering van art. 57§2 niet op hem van toepassing is. Art. 57ter (al. 1 en 2) bepaalt: “De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden. In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van in schrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.” 3.3 De Wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen bepaalt in art. 3: “Elke asielzoeker heeft recht op een opvang die hem in staat moet stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Onder opvang wordt de materiële hulp verstaan die op grond van deze wet toegekend wordt of de maatschappelijke dienstverlening die wordt verstrekt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.” (onderlijning door het hof) Art. 2, 6° van deze wet bepaalt dat moet worden verstaan onder “de materiële hulp”: “de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleidingen, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer;” 3.4: Uit voorgaande regels blijkt: - elke persoon die internationale bescherming aanvraagt hee ft recht op maatschappelijke dienstverlening, die hem moet in staat stellen om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. - Deze maatschappelijke dienstverlening kan bestaan uit materiële hulp binnen een opvangstructuur, of onder de vorm van maatschappelijke dienstverlening door een OCMW. Dit zijn de 2 wijzen van maatschappelijke dienstverlening waarop een persoon die om internationale bescherming verzoekt, aanspraak kan maken (zie in dezelfde zin: Cass. 30 maart 2015, 1ste middel, JTT 245). - De persoon die om internationale bescherming verzoekt kan zelf niet kiezen onder welke vorm de hulp hem wordt verleend. Deze keuze komt toe aan FEDASIL, die deze keuze maakt door al dan niet een opvangstructuur toe te wijzen als verplichte plaats van inschrijving en door al dan niet de materiële hulp te verlenen binnen deze opvangstructuur. - Indien een persoon niet geniet van de materiële opvang binnen een opvangstructuur toegewezen door FEDASIL als verplichte plaats van inschrijving, heeft deze persoon recht op maatschappelijke dienstverlening door een OCMW. 3.5. Wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen bepaalt in: art. 11, §1 : Aan de asielzoekers bedoeld in artikel 10, 1° en 2°, wordt een opvangstructuur als verplichte plaats van inschrijving toegewezen: 1° zolang de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten geen definitieve beslissing genomen hebben over hun asielaanvraag; 2° zolang de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beslissing genomen heeft over het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten of, bij afwezigheid van beroep, tot het verstrijken van de termijn om het in te dienen. §3 Bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving ziet het Agentschap erop toe dat deze plaats aangepast is aan de begunstigde van de opvang en dit binnen de grenzen van het aantal beschikbare plaatsen. Het houdt rekening: 1° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, met de bezettingsgraad van de opvangstructuren; 2° bij de toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in toepassing van § 1, tweede lid en § 2, met een gelijkmatige verdeling tussen de gemeenten op grond van criteria vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerrraad. De beoordeling van het aangepaste karakter van deze plaats is met name gebaseerd op criteria als de gezinstoestand van de begunstigde van de opvang, zijn gezondheidstoestand, zijn kennis van één van de landstalen of van de taal waarin de procedure gevoerd wordt. In dit kader besteedt het Agentschap bijzondere aandacht aan de toestand van kwetsbare personen zoals bedoeld in artikel 36. Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het Agentschap afwijken van de bepalingen van § 1 door geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen.”(nadruk door het hof) De keuze van FEDASIL om al dan niet een opvangstructuur aan te wijzen is dus niet discretionair: er moet sprake zijn van “bijzondere omstandigheden”. De voorbereidende werkzaamheden van de opvangwet hebben uitdrukkelijk voorzien dat bij verzadiging van de opvangstructuren FEDASIL er mag voor kiezen geen opvangplaats toe te wijzen (Memorie van toelichting bij het wetsontwerp, 16 juin 2006, Parlementaire Stukken, Kamer, 51-2565/001, p. 20 en p. 24). Dit werd ook herhaaldelijk door het Hof van Cassatie bevestigd (zie Cass., 26 november 2012, A.R. nr. S.11.0126.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121126.6, J.T.T., 2013, p. 85 ; Cass., 7 januari 2013, A.R. nr. S.11.0111.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.3, J.T.T., 2013, p. 202 ; Cass., 30 maart 2015, 2° middel, A.R. nr. S.14.0017.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150330.2, J.T.T., p. 245). In elk geval betekent het woord “kan” in art. 11§3 niet dat de mogelijkheid bestaat dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, géén opvang krijgt. De Europese Verordening en de Belgische wetgeving verplichten de Belgische Staat tot het verlenen van opvang, op één van de twee wijzen die hierboven zijn weergegeven. Als sociale zekerheidsinstelling is Fedasil ertoe gehouden om ervoor te zorgen appellant effectief de rechten kan genieten die hem door de wet worden toegekend (zie in dezelfde zin: Cass., 30 mars 2015, 1e middel J.T.T., p. 245). Dezelfde verplichting rust op de rechter, wanneer deze is gevat. 3.6 Bij een vordering ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift spreekt het arbeidshof slechts voorlopige maatregelen uit, bij hoogdringendheid en op grond van de schijn van recht. Op grond van de documenten die aan het hof worden voorgelegd kan aangenomen worden dat appellant internationale bescherming heeft gevraagd. Zijn aanvraag wordt onderzocht. Hij kan dus aanspraak maken op opvang, in principe door Fedasil te verlenen in één van haar opvangstructuren bij toepassing van de wet van 12 januari 2007, hetzij door een OCMW op grond van de wet van 8 juli 1976. De keuze van de wijze van opvang komt toe aan FEDASIL, maar deze is niet discretionair. In geval van verzadiging van haar opvangnetwerk kan FEDASIL ertoe beslissen om geen opvangstructuur aan te wijzen als verplichte plaats van inschrijving, zodat de betrokkene zou kunnen aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening door een OCMW. Thans zijn deze bijzondere omstandigheden klaarblijkelijk aanwezig en kan FEDASIL aan appellant geen opvang verlenen in haar opvangstructuur. Het gaat zelfs zo ver dat het Europees Hof voor de Rechten van de mens zich zeer recent verschillende malen heeft uitgesproken en voorlopige maatregelen heeft opgelegd aan de Belgische Staat in zaken waarin asielzoekers, die reeds een rechterlijke beslissing bekwamen van een Belgische rechtbank die Fedasil tot opvang dwong, maar waarin spijts deze veroordeling nog steeds geen opvang werd verleend (cfr. arresten van het EHRM van 31 oktober 2022, verzoekschrift nr 49255/22, Camara t. België, van 15 november 2022, verzoekschrift nr 48987/22 Msallem en 147 anderen t. België, en van 13 december 2022, Al-Shujaa e.a. t/ België, verzoekschrift 52208/22 en Niazal t/ België, verzoekschrift 55140/22). In huidige zaak kan slechts vastgesteld worden dat Fedasil opnieuw geen opvangplaats heeft toegekend. Zij verleent zelf dus geen materiële opvang, en zij heeft ook geen beslissing genomen op grond van art. 11§3 van de wet van 12 januari 2007 voornoemd. Bij hoogdringendheid, op grond van de schijn van recht van appellant en omdat FEDASIL in gebreke blijft, moet het hof het nodige te doen opdat appellant effectief de opvang zou kunnen genieten waarop hij recht heeft. Daarom zegt het hof voor recht dat huidig arrest voorlopig geldt als niet-toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving in de zin van art. 11,§3, laatste alinea, van de wet van 12 januari 2007 indien Fedasil appellant geen verplichte plaats van inschrijving toewijst. OM DEZE REDENEN BESLIST HET ARBEIDSHOF De Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op artikel 24, werd toegepast. Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond. De beschikking van de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank te Brussel dd. 08.12.2022, met rolnummer 22/234/K, wordt gedeeltelijk vernietigd; Bij hoogdringendheid wordt het Federaal Agentschap voor Opvang van Asielzoekers veroordeeld tot onmiddellijke toekenning van de volledige materiële hulp in de zin van art. 2,6° van de voornoemde wet van 12 januari 2007 aan appellant; Het hof zegt voor recht dat, bij gebreke daaraan te voldoen binnen de 48 uur na de betekening van huidig arrest, huidig arrest geldt als beslissing tot niet toewijzing van een opvangplaats als verplichte plaats van inschrijving in de zin van art. 11,§3, laatste alinea, van de wet van 12 januari 2007. Het hof zegt voor recht dat deze voorlopige maatregel zal ophouden uitwerking te hebben zodra FEDASIL aan appellant een verplichte plaats van inschrijving in een opvangstructuur zal toewijzen, waar hij effectief de materiële hulp zal kunnen genieten die wordt bedoeld bij art. 2, 6° van de wet van 12 januari 2007. Het hof kent aan appellant rechtsbijstand toe voor de huidige procedure en duidt gerechtsdeurwaarder , met kantoor te , , aan om kosteloos haar ambt te verlenen aan voor de betekening en uitvoering van dit arrest. Dit arrest is uitvoerbaar op de minuut. Dit arrest wordt gewezen in raadkamer door : Dit arrest wordt gewezen en ondertekend door : , raadsheer, , raadsheer in sociale zaken, werkgever, , raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, bijgestaan door , griffier, en op 20 december 2022 uitgesproken in de raadkamer van de eerste kamer van het Arbeidshof te Brussel, door: , raadsheer, bijgestaan door , griffier, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20221220.1 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121126.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150330.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div