id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230207.1 Rolnummer: 2021/AB/43 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-07-25 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-06-17 14:36 Fiche 1 De pensioentoezegging maakte dus vanaf 1981 deel uit van zijn arbeidsovereenkomst. Dit is lang vóór de wet Colla. Zoals hierboven reeds gesteld, bepaalde art. 45 van de RSZ-wet weliswaar dat geen onderscheid mocht gemaakt worden tussen de tot een zelfde categorie behorende werknemers van zijn onderneming, doch, dit artikel is steeds dode letter gebleven voor ondernemingen met meer dan 20 werknemers (zie hoger). Het is dus voor het eerst vanaf de wet Colla
(1995)dat een daadwerkelijk algemeen non-discriminatiebeginsel wordt beoogd. Tot en met de wijziging van art. 14 WAP vanaf 9 juni 2007 geldt op die basis een algemeen antidiscriminatiebeginsel. De specifieke grond “burgerlijke staat” die niet in het Europees recht is voorzien is pas vanaf 9 juni 2007 definitief ingevoerd (de discriminatiegronden van de antidiscriminatiewetten van 2003, waarin deze grond ook was opgenomen, werden immers door het Arbitragehof vernietigd (zie hoger)). Thesaurus CAS: GELIJKHEID VAN DE BELGEN VOOR DE WET UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: Arbeidsrecht – discriminatie – pensioenplan – werking van de wet in tijd Wettelijke bepalingen: Wet - 06-04-1995 - 4 - 48 ELI link Pub nr 1995016064 Wet - 27-06-1969 - 45 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Fiche 2 De discussie tussen partijen heeft enkel betrekking op het aanvullend pensioen ontvangen voor de periode van aansluiting van 1 juni 1975 tot 31 maart 2006. Voor de daaropvolgende periode van aansluiting is er geen discussie: er wordt voor deze tweede periode geen rekening gehouden met de burgerlijke staat van de betrokkene. In 2006 werd door de [universiteit] een modernisering van de groepsverzekering doorgevoerd. Er wordt voor het aanvullend pensioen geen onderscheid meer gemaakt naar “burgerlijke staat”, maar tegelijkertijd verdwijnt ook het voordeel van het overlevingspensioen voor de gehuwde partner. De heer V meent dat er m.b.t. het aanvullend pensioen dat betrekking heeft op de litigieuze periode sprake zou zijn van een discriminatie op grond van het criterium “burgerlijke staat” in de zin van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007. (…) Volgens appellant wordt hij gediscrimineerd omdat hij, indien hij gehuwd is op de datum waarop zijn pensioen ingaat, een aftrek wordt gedaan van een gezinspensioen ook al krijgt hij in werkelijkheid maar een pensioen als alleenstaande omdat zijn echtgenote zelf ook een inkomen geniet. De afgesloten groepsverzekering bevatte echter niet alleen een opbouw van rustpensioen voor hemzelf, maar ook een bescherming van zijn echtgenote door het voorzien in een overlevingspensioen. Een ongehuwde werknemer kon uiteraard geen recht laten gelden op een overlevingspensioen. Het doel van de groepsverzekering, zijnde de zorg om de toekomstige levensstandaard van de begunstigden (werknemer + echtgenoot) is geoorloofd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Aanvullende pensioenen Vrije woorden: Arbeidsrecht – verjaring – discriminatie – pensioenplan Wettelijke bepalingen: Wet - 10-05-2007 - 28 - 35 ELI link Pub nr 2007002099 Tekst van de beslissing Arbeidshof te Brussel derde kamerRepertoriumnummer 2023/ Datum van uitspraak 7 februari 2023 Rolnummer 2021/AB/43 Beslissing waartegen beroep 19/646/A Uitgifte Uitgereikt aan op € JGR ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende tegensprekelijk arrest definitief EU, RRN , wonende te , , appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. , advocaat te , tegen [UNIVERSITEIT], ON , met maatschappelijke zetel te , , geïntimeerde, vertegenwoordigd mr. , advocaat te , vertegenwoordigd mr. , advocaat te , ** Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel het volgend arrest uit: Het hof houdt rekening met de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Leuven op 19 november 2020, 1ste B kamer (A.R. 19/646/A) - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie op 18 januari 2021, - de conclusies voor de appellant, - de conclusies voor de geïntimeerde, - de voorgelegde stukken. ** De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet op de openbare zitting van 8 november 2022, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen, voor uitspraak werd gesteld op 6 december 2022, waarna de uitspraak werd uitgesteld. I. De feiten en de rechtspleging in eerste aanleg 1. De relevante feiten kunnen als volgt worden samengevat: de heer EU trad in dienst van de [Universiteit] op 12 mei 1975 en maakte deel uit van het administratief en technisch personeel (“ATP”). In deze hoedanigheid was hij aangesloten bij de groepsverzekering ATP. De groepsverzekering werd ingevoerd in 1981, waarbij de rechtgevende periode (door de erkenning van verleden dienstjaren) aanvatte op 1 juni 1975. Vanaf 2005 voerde de [Universiteit] onderhandelingen met de sociale partners met het oog op een inhoudelijke aanpassing van de groepsverzekering die van toepassing was op het personeelscategorie ATP. De heer EU was op dat ogenblik tewerkgesteld in de functie van stafmedewerker en vertegenwoordigde in die periode de [Universiteit] in de ondernemingsraad als lid van de werkgeversafvaardiging. Op 28 maart 2006 sloten de [Universiteit] en [ONDERWIJSINSTELLING VOOR SOCIALE PROMOTIE] een cao met betrekking tot het aanvullend pensioen. Het pensioenreglement werd aangepast zonder wijziging voor het verleden. De wijziging heeft slechts impact op de toekomstige pensioenopbouw. Teneinde aldus enerzijds respect te hebben voor de opgebouwde rechten uit het verleden en anderzijds voor de toekomst een nieuwe formule te hanteren, werd in het pensioenreglement (stuk 1 [Universiteit]) een scharnierdatum vastgelegd, nl. 31 maart 2006/ 1 april 2006, als volgt: - Voor de periode van erkende diensttijd tot en met 31 maart 2006, werd het aanvullend pensioen uitgedrukt als een rente berekend conform de formule van het groepsverzekeringsreglement dat tot op die datum had bestaan, mits de (door artikel 15 KB-WAP opgelegde) toepassing van de principes van het dynamisch beheer; - Voor de periode van de erkende diensttijd vanaf 1 april 2006, werd het aanvullend pensioen uitgedrukt als een kapitaal en berekend conform een nieuwe formule. Concreet werden de pensioenrechten voor de beide periodes als volgt gedefinieerd: “3.2.1.1. Inleiding De aangeslotene die tot de einddatum in dienst is gebleven van de verzekeringsnemer, heeft vanaf de einddatum recht op een aanvullende rustrente (met betrekking tot de aanneembare jaren tot 31 maart 2006) en op de einddatum recht op een aanvullend pensioenkapitaal (met betrekking tot de aanneembare jaren vanaf 1 april 2006), zoals verder uitgewerkt in de punten 3.2.1.2 en 3.2.1.3 hieronder. 3.2.1.2. Aanvullende rustrente op de einddatum De aanvullende rustrente gaat in op de einddatum en is, op jaarbasis, gelijk aan: ((n1 / (n1 + n2)) x ((n / 60 x GW5) – WRP1)) – AG, waarbij: n gelijk is aan het aantal aanneembare jaren en volledige maanden op de einddatum, waarbij eventuele perioden van niet-voltijdse dienst slechts in aanmerking worden genomen a rato van het/de tewerkstellingspercentage(
- s)gedurende die periode(n); de factor n bedraagt evenwel maximaal 45 jaar n1 gelijk is aan het aantal aanneembare jaren en volledige maanden, gerekend tot uiterlijk 31 maart 2006, waarbij eventuele perioden van niet-voltijdse dienst slechts in aanmerking worden genomen a rato van het/de tewerkstellingspercentage(
- s)gedurende die periode(n); de factor n1 bedraagt evenwel maximaal 45 jaar n2 gelijk is aan n min n1 GW5 gelijk is aan de gemiddelde jaarbezoldiging bepaald op basis van de laatste vijf jaarbezoldigingen (zie punt 3.1.a)) op 1 januari voorafgaand aan de einddatum, aangepast aan de loonindex op de einddatum; WRP1 gelijk is aan het wettelijk rustpensioen zoals bepaald door de Rijksdienst voor Pensioenen, met betrekking tot de rechtgevende jaren en maanden met aansluiting bij de R.S.Z. dat de aangeslotene op de einddatum geniet of waarop hij op de einddatum aanspraak kan maken (iedereen wordt geacht aanspraak te kunnen maken op het wettelijk rustpensioen), in voorkomend geval verhoogd met de gekapitaliseerde renten (wetten van 18 juni 1930 en 3 april 1962); hierbij wordt ook rekening gehouden met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met rechtgevende perioden van loopbaanonderbreking, tijdskrediet, onbetaald verlof en andere verloven die in de cao van 28 maart 2006 vermeld staan als niet met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden, doch niet met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met eventuele beroepsactiviteiten die vreemd zijn aan de beroepsactiviteiten bij de verzekeringnemer uit hoofde waarvan de betrokkene aangesloten is bij deze groepsverzekering; voor een gehuwde aangeslotene wordt het gezinspensioen in aanmerking genomen, voor een ongehuwde aangeslotene wordt het pensioen van een alleenstaande in aanmerking genomen; wanneer beide echtgenoten aangesloten zijn bij deze groepsverzekering zullen zij, vanaf het ogenblik dat elk 5 rechtgevende jaren telt, als alleenstaande beschouwd worden en zal het overeenkomstig wettelijk pensioen in rekening worden gebracht AG gelijk is aan de herleide waarde in aanvullende rustrente op de einddatum opgebouwd in de pensioenregeling AG [...] De aangeslotene kan op de einddatum opteren voor de omzetting van de bovenstaande aanvullende rustrente in een eenmalig pensioenkapitaal. In dit geval vervalt elke aanspraak op uitkering in rente. [...] 3.2.1.3. Aanvullend pensioenkapitaal op de einddatum Het aanvullend pensioenkapitaal op de einddatum wordt geput uit het financieringsfonds en is gelijk aan ((n2 / (n1 + n2)) x ((n / 60 x GW5) – WRP2)) x 12,6 waarbij: n gelijk is aan de factor n zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 n1 gelijk is aan de factor n1 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 n2 gelijk is aan de factor n2 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 GW5 gelijk is aan de factor GW5 zoals gedefinieerd in punt 3.2.1.2 WRP1 1,125 maal het wettelijk alleenstaandenrustpensioen voor een man zoals bepaald door de Rijksdienst voor Pensioenen met betrekking tot de rechtgevende jaren en maanden met aansluiting bij de R.S.Z. dat de aangeslotene op de einddatum geniet of waarop hij op de einddatum aanspraak kan maken (iedereen wordt geacht aanspraak te kunnen maken op het wettelijk rustpensioen), in voorkomend geval verhoogd met de gekapitaliseerde renten (wetten van 18 juni 1930 en 3 april 1962); hierbij wordt echter geen rekening gehouden met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met perioden van loopbaanonderbreking, tijdskrediet, onbetaald verlof en andere verloven die in de cao van 28 maart 2006 vermeld staan als niet met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden en evenmin met de bedragen van het wettelijk pensioen die verband houden met eventuele beroepsactiviteiten die vreemd zijn aan de beroepsactiviteit bij de verzekeringnemer uit hoofde waarvan de betrokkene aangesloten is bij deze groepsverzekering De aangeslotene kan er op de einddatum voor opteren om het aanvullend te laten uitkeren onder de vorm van een rente, maar slechts indien het jaarbedrag van de aanvangsrente hoger is dan het wettelijk vastgelegd drempelbedrag. [...] ” Op 25 april 2007 ondertekenden KBC en [Universiteit] een pensioenreglement (‘pensioenreglement 2007’ – zie stuk 2). De heer EU werd – zoals in de voorgangers van dit pensioenstelsel – aangesloten als lid van het administratief en technisch personeel (‘ATP’). Het betreft een te-bereiken-doel – pensioenplan (defined benefit). De prestatie is uitgedrukt als rente, die kan worden omgezet in kapitaal (zie artikel 3.2). De formule voor de berekening van die rente voorziet onder meer in de aftrek van het wettelijk pensioen. Een onderdeel van de bepaling m.b.t. dat wettelijk pensioen luidt als volgt: “voor een gehuwde aangeslotene wordt het gezinspensioen in aanmerking genomen, voor een ongehuwde aangeslotene wordt het pensioen van een alleenstaande in aanmerking genomen; wanneer beide echtgenoten aangesloten zijn bij deze groepsverzekering zullen zij, vanaf het ogenblik dat elk 5 rechtgevende jaren telt, als alleenstaande beschouwd worden en zal het overeenkomstig wettelijk pensioen in rekening worden gebracht.” De burgerlijke staat van de aangeslotene op het moment van de uitkering van de pensioenprestatie, zijnde bij pensionering, is hierbij determinerend. [Universiteit] en [ONDERWIJSINSTELLING VOOR SOCIALE PROMOTIE] sloten een “interpretatief addendum” bij de cao voor het ATP op 28 februari 2012. Bij de berekening van het aanvullend pensioenkapitaal verworven voor de periode van tewerkstelling tot en met 31 maart 2006 wordt voor elke gehuwde rekening houden met een wettelijk pensioen als gehuwde terwijl in de realiteit niet elke gehuwde een dergelijk gezinspensioen geniet. Voor de aanneembare jaren opgebouwd vanaf 1 april 2006 wordt de factor WP2 in mindering gebracht. Dat is het reëel wettelijk rustpensioen van een alleenstaande. Met ingang van 1 juni 2006 wijzigde de heer EU van functie. Met ingang van 2012 wijzigde hij tevens van hoedanigheid binnen de ondernemingsraad en werd hij personeelsafgevaardigde voor het ACV. In die tijd kwam de vakbond ACV terug op de kwestie van de groepsverzekering, en de vermeende discriminatie op grond van burgerlijke staat. Hieromtrent werd een overleg buiten de ondernemingsraad aangevraagd bij de algemeen beheerder. De heer EU vergezelde de vakbondssecretaris bij dit overleg. De heer EU vroeg in 2013 een pensioensimulatie te maken. Hij meende toen reeds dat er sprake was van discriminatie. De arbeidsovereenkomst tussen EU en de [Universiteit] eindigde op 30 november 2016. EU ging met pensioen op 1 december 2016. De heer EU was op dat moment gehuwd. Hij ontvangt sindsdien het wettelijk alleenstaandenpensioen, omdat zijn echtgenote een eigen inkomen geniet. Op 2 december 2016 ondertekenden partijen - onder alle voorbehoud – het vereffeningsdocument van de groepsverzekering (zie stuk 4 van appellant). De heer EU kreeg een totaal aanvullend pensioenkapitaal gelijk aan € 403.349,34. Voor de berekening van het eerste gedeelte van zijn diensttijd (periode tot 31 maart 2006) werd, conform de tekst van het pensioenreglement, een wettelijk rustpensioen “gehuwde” in aftrek genomen. Voor deze periode verkreeg de heer EU een pensioenbedrag (gekapitaliseerde rente) van € 263.015,49 bruto. De heer EU meent dat hij met betrekking tot de tewerkstellingsperiode tot en met 31 maart 2006 door de discriminatie tussen gehuwden een pensioenkapitaal ontvangen dat volgens een voorlopige berekening 57.895,18 euro lager ligt dan wanneer rekening zou worden gehouden met zijn (werkelijke) wettelijk pensioen als alleenstaande. 2. Op 22 november 2019 legde de heer EU een verzoekschrift neer voor de arbeidsrechtbank te Leuven. De [Universiteit] riep de verjaring van de vordering in. Om proces economische redenen werd de zaak opgesplitst en werden partijen verzocht in eerste instantie enkel te concluderen over de mogelijke verjaring van de vordering. Bij vonnis van 19 november 2020 stelde de arbeidsrechtbank Leuven de verjaring vast en werd de vordering niet ontvankelijk verklaard. II. Het hoger beroep 3. De heer EU stelde hoger beroep in. Hij vordert: “Het hoger beroep van EU toelaatbaar en gegrond te verklaren, om de grieven hierboven aangehaald, en alle andere later in de loop van het geding aan te halen; vervolgens het bestreden vonnis integraal te vernietigen; opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat de vorderingen van EU ontvankelijk en gegrond zijn; [UNIVERSITEIT] te veroordelen tot betaling aan EU van een nettobedrag van 49.213,80 euro en te zeggen voor recht dat elke belasting op dat bedrag voor rekening komt van en dient te worden gedragen door de [UNIVERSITEIT]; [UNIVERSITEIT] te veroordelen tot betaling aan EU van de intresten op het genoemde nettobedrag vanaf 1 december 2016 en tot de gerechtskosten, inbegrepen de rechtsplegings-vergoeding hier begroot op 3.500 euro per aanleg en de bijdrage van 20 euro per aanleg.” 4. [Universiteit] concludeert als volgt: “[Universiteit] vordert in hoofdorde dat het Arbeidshof het hoger beroep van de heer EU ontvankelijk doch ongegrond verklaart (d.w.z. de Eerste Rechter bijtreedt in zijn oordeel dat de vordering van de heer EU verjaard
- is)en ondergeschikt, indien het Arbeidshof zou oordelen dat de vordering niet verjaard is, de vorderingen van de heer EU ten gronde ontvankelijk doch ongegrond verklaart. In uiterst ondergeschikte orde het debat te heropenen met het oog op de cijfermatige discussie over de herleiding van het bedrag van de vordering. [Universiteit] vordert de veroordeling van de heer EU tot betaling van de gerechtskosten met inbegrip van de RPV in beide aanleggen, hetzij tweemaal 3.500 euro.” 5. Er ligt geen akte van betekening van het vonnis voor. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. Bespreking III.1. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering: De [Universiteit] meent dat de vordering verjaard is. Zij steunt zich op art. 55 van de Wet van 23 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen (zgn. “WAP”), zoals gewijzigd door de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen. Appellant meent dat ook rekening moet gehouden worden met art. 2257 OudBW. Appellant stelt dat hij niet eerder een zaak had kunnen instellen tegen de [Universiteit] omdat elke zaak een belang vereist, en hij dus pas een vordering kan instellen wanneer hij daadwerkelijk schade heeft gelden. Appellant verwijst naar de memorie van toelichting van de WAP waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de schorsing grond van artikel 2257 van het oud Burgerlijk Wetboek. Beoordeling door het hof: De kwalificatie van de vordering van appellant is relevant voor de bepaling van de verjaringstermijn. Zoals de [Universiteit] terecht stelt, vordert appellant geen pensioenprestatie, maar een compensatie van het nadeel dat hij lijdt omwille van de discriminatie waarvan hij beweert het slachtoffer te zijn. De toepasselijke wetgeving wat de verjaring betreft, is hier art. 55 van de Wet van 23 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen (zgn. “WAP”), zoals gewijzigd door de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen. Art. 2. In de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt artikel 55 vervangen als volgt: "Art. 55. Alle rechtsvorderingen tussen een werknemer en/of een aangeslotene, enerzijds, en een inrichter en/of een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde werknemer of aangeslotene kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. (eigen onderlijning) Alle rechtsvorderingen tussen een begunstigde, enerzijds, en een inrichter en/of een pensioeninstelling, anderzijds, die voortvloeien uit of verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan, verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de begunstigde kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij tegelijk van het bestaan van het aanvullend pensioen, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de prestaties opeisbaar doet worden, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De verjaring loopt niet tegen minderjarigen, onbekwaamverklaarden en andere onbekwamen. De verjaring loopt evenmin tegen de werknemer, de aangeslotene of de begunstigde die zich door overmacht in de onmogelijkheid bevindt om binnen de hierboven vermelde verjaringstermijn op te treden. De bepalingen van dit artikel zijn van dwingend recht." Art. 3. De nieuwe verjaringstermijnen waarin artikel 2 voorziet, beginnen slechts te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 2, wanneer de vordering voordien is ontstaan. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer zijn dan de duur van de oorspronkelijke verjaringstermijn vanaf het feit dat de vordering doet ontstaan. Art. 4. De inwerkingtreding van artikel 2 kan niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen voor vorderingen die reeds verjaard zijn. De wet van 15 mei 2014 is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 19 juni 2014 en trad bijgevolg, bij ontstentenis van een bepaling die een specifieke datum vastlegde, in werking op 29 juni 2014. De wet van 15 mei 2014 wil een einde stellen aan de verschillende bestaande verjaringstermijnen (zie p. 1 van de memorie van toelichting en ook p. 13 e.v.). Op p. 13 van de memorie van toelichting wordt onder punt 2 een oplossing voorgesteld: “vanuit een streven naar uniformiteit en rechtszekerheid en teneinde discriminaties weg te werken, dient een unieke verjaringstermijn te worden ingevoerd voor de materie van de aanvullende pensioenen. … Een unieke verjaringstermijn is eveneens in het voordeel van de werknemer, de aangeslotene of de begunstigde die een vordering wenst in te stellen tegen de inrichter of de pensioeninstelling. Voortaan zal het veel gemakkelijker zijn om te achterhalen binnen welke termijn de vordering verjaard zal zijn en dus tegen welke dag de vordering uiterlijk aanhangig moet worden gemaakt. Het instellen van een eenvormig vertrekpunt voor de unieke verjaringstermijn draagt eveneens bij tot het verwezenlijken van deze algemene doelstellingen”. Als oplossing wordt een unieke verjaringstermijn van 5 jaar vooropgesteld voor alle vorderingen, zowel contractuele vorderingen (art. 2277 OudBW en art. 15, eerste lid WAO) als de buitencontractuele vorderingen (art. 2262bis,§1 tweede lid OudBW)., die een werknemer, een aangeslotene of een begunstigde aanhangig kan maken tegen de inrichter en/of pensioeninstelling. De overgangsmaatregelen, die werden bepaald in de art. 3 en 4 die hierboven zijn weergegeven, voorzien dat de verjaring in 2 stappen moet worden nagegaan: eerst moet worden nagegaan of de vordering op datum van inwerkingtreding van het nieuw artikel 55WAP reeds was bereikt: dan blijft de verjaring bestaan. Als de verjaring nog niet was bereikt, moet een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar met als vertrekdatum 29 juni 2014 worden toegepast. Appellant stelt terecht dat de memorie van toelichting bij de nieuwe wet bepaalt dat de regels van gemeen recht inzake schorsing en de stuiting van de verjaring van toepassing zijn op de ingevoerde verjaringstermijnen. Dat is inderdaad zo, maar deze bepaling bevindt zich in de derde paragraaf, p. 23 van de memorie van toelichting -Doc 53- 3500/001, en niet in de passage in de memorie van toelichting waarnaar appellant verwijst in conclusie. De passage waar appellant naar verwijst betreft de opsomming die wordt gegeven van de verschillende verjaringstermijnen die bestaan vóór het bestaan van de wet van 15 mei 2014, en die het nieuwe art. 55 WAP beoogt te harmoniseren (opsomming p. 5 tot en met 12 van de memorie van toelichting)). Art. 2257 OudBW bepaalt welke de oorzaken zijn die de verjaring stuiten of schorsen, en is een gemeenrechtelijke regel die zoals gesteld in de memorie van toelichting bij het nieuwe art. 55 WAP van toepassing blijft, ook na juni 2014. Dit art. 2257 OudBW luidt: “De verjaring loopt niet: Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is; Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad; Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.” [Universiteit] meent dat de wetgever met de nieuwe regeling rekening heeft willen houden met het opbouwkarakter van het aanvullend pensioen en verwijst naar een onderscheid dat wordt gemaakt in art. 55 WAP tussen: - de rechtsvorderingen tussen een werknemer en/of aangeslotene, enerzijds, en een inrichter en/of een pensioeninstelling (eerste paragraaf WAP), en - rechtsvorderingen tussen een begunstigde, enerzijds, en een inrichter en/of pensioeninstelling, anderzijds. In paragraaf 1 van art. 55 WAP wordt een verjaringstermijn bepaald van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde werknemer of aangeslotene kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. In paragraaf 2 van art. 55 WAP wordt een verjaringstermijn bepaald van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de begunstigde kennis heeft gekregen of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen, hetzij tegelijk van het bestaan van het aanvullend pensioen, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de prestaties opeisbaar doet worden, hetzij van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De [Universiteit] stelt dat appellant ten onrechte meent dat “het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan” gelijkstaat met het moment van de opeisbaarheid van de pensioenprestatie. Zij meent dat het onderscheid tussen een “werknemer” en een “begunstigde” dan in de wet niet zou gemaakt zijn. Zij meent dat de heer EU met zijn interpretatie dezelfde behandeling wenst als deze die van toepassing is op de “begunstigde”. Zij meent dat de verjaringstermijn voor de heer EU vertrekt van het ogenblik dat zijn vorderingsrecht ontstaat, en niet vanaf het voorval dat de prestaties opeisbaar doet worden. Indien de regeling inderdaad “discriminatoir” zou zijn, was volgens de [Universiteit] de heer EU minstens sedert 14 februari 2006 op de hoogte van de situatie (zie conclusie p. 21) naar aanleiding van een vergadering van de ondernemingsraad waaraan de heer EU heeft deelgenomen: hier sprak de werknemersdelegatie het oordeel uit dat de voorheen bestaande regeling volgens haar een discriminatie inhield: “Het hele pakket maatregelen wordt globaal genomen positief ervaren in die zin dat er discriminaties worden weggewerkt (de gehuwden zullen er op vooruitgaan).” Volgens de [Universiteit] liep de verjaringstermijn vanaf het kennisnemen van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, zodat de verjaring is ingetreden overeenkomstig art. 55 WAP. Het hof stelt vast dat de bepaling van art. 55 WAP niet bijzonder duidelijk is. Zij maakt inderdaad een onderscheid tussen een werknemer en een begunstigde. De heer EU was tot aan zijn pensioen werknemer en nadien begunstigde. Deze bepalingen van de WAP doen geen afbreuk aan art. 2257 OudBW dat alleszins van toepassing blijft. De pensioentoezegging geeft appellant een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zodat deze niet verjaart zolang die dag niet verschenen is. Vóór de inwerkingtreding van art. 55 WAP werd de verjaring voor contractuele vorderingen geregeld door art. 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. Voor buitencontractuele vorderingen was art. 2262bis,§1 tweede lid OudBW van toepassing, en bedroeg de verjaringstermijn 5 jaar. In de mate dat discriminatie ook als een misdrijf kan worden beschouwd is ook art. 26 van de Voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering van toepassing: in principe is de verjaringstermijn van art. 2262bis§1 van toepassing, met de toevoeging dat de burgerlijke vordering niet kan verjaren voor de strafvordering. Voor zowel de contractuele als de buitencontractuele vordering moet vastgesteld worden dat de verjaringstermijn nog niet was ingetreden op 29 juni 2014, zijnde het ogenblik dat art. 55 van de WAP van toepassing werd. - De contractuele vordering zou verjaren overeenkomstig art. 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, verlengd met de periode van schorsing ervan overeenkomstig art. 2257 OudBW. De arbeidsovereenkomst van de heer EU - liep nog op het ogenblik van inwerkingtreding van het nieuwe art. 55 WAP. - De beweerde discriminatie, waarvoor een verjaringstermijn van 5 jaar geldt, bleef gebeurlijk voortduren tot aan de uitbetaling van het kapitaal van het aanvullend pensioen (Zoals we verder zullen zien is er geen discriminatie te weerhouden). Overeenkomstig de art. 2, 3 en 4 van de wet van 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, zoals hierboven weergegeven, begint een verjaringstermijn van 5 jaar te lopen vanaf de inwerkingtreding van het gewijzigde art. 55 WAP en zijn de gemeenrechtelijke schorsingsgronden van art. 2257 OudBW van toepassing. De verjaring kan pas beginnen te lopen op het ogenblik dat de pensioenprestatie opeisbaar wordt: dit is in elk geval zo voor een vordering gebaseerd op zijn arbeidsovereenkomst (zie ook in die zin: Cass. 29 november 2018, S.16.0032.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181008.5, en conclusie van het OM: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181008.5). Dit cassatiearrest heeft weliswaar betrekking op een verjaring volgens de termijn van art. 15 van de arbeidsovereenkomstenwet, maar in feite verandert er met art. 55 WAP niets aan de toepasbaarheid van art. 2257 OudBW, zodat de cassatierechtspraak nog steeds relevant blijft. Ook indien de vordering gebaseerd is op een discriminatie die bleef voortduren is de verjaringstermijn 5 jaar vanaf de pensionering, gelet op art. 26 van de Voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering. De heer Vermeiren ging met pensioen op 1 december 2016. Hij stelde zijn initiële vordering in voor de arbeidsrechtbank op 22 november 2019. De vordering werd bijgevolg tijdig ingesteld. III.2. Ten gronde: De discussie tussen partijen heeft enkel betrekking op het aanvullend pensioen ontvangen voor de periode van aansluiting van1 juni 1975 tot 31 maart 2006. Voor de daaropvolgende periode van aansluiting is er geen discussie: er wordt voor deze tweede periode geen rekening gehouden met de burgerlijke staat van de betrokkene. In 2006 werd door de [Universiteit] een modernisering van de groepsverzekering doorgevoerd. Er wordt voor het aanvullend pensioen geen onderscheid meer gemaakt naar “burgerlijke staat”, maar tegelijkertijd verdwijnt ook het voordeel van het overlevingspensioen voor de gehuwde partner. De heer EU meent dat er m.b.t. het aanvullend pensioen dat betrekking heeft op de litigieuze periode sprake zou zijn van een discriminatie op grond van het criterium “burgerlijke staat” in de zin van de Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007. Hij meent dat hij 2 maal gediscrimineerd wordt: 1) In vergelijking tot iemand die niet gehuwd is: Hij verwijst naar de formule voor de berekening van de pensioenprestatie waarvan de uitkomst afhankelijk is van de burgerlijke staat van de aangeslotene op het moment van pensionering. De rente – die ingaat op de einddatum – wordt immers als volgt berekend (zie stuk 2 van appellant, p. 6): “((n1/(n1 + n2)) x ((n/60 x GW5) – WRP1)) – AG, waarbij: “(...) WRP1 gelijk is aan het wettelijk rustpensioen (...) dat de aangeslotene op de einddatum geniet of waarop hij op de einddatum aanspraak kan maken (...). Voor een gehuwde aangeslotene wordt het gezinspensioen in aanmerking genomen, voor een ongehuwde aangeslotene wordt het pensioen van een alleenstaande in aanmerking genomen; wanneer beide echtgenoten aangesloten zijn bij deze groepsverzekering zullen zijn, vanaf het ogenblik dat elk 5 rechtgevende jaren telt, als alleenstaande beschouwd worden en zal het overeenkomstig wettelijk pensioen in rekening worden gebracht.” Indien hij op het ogenblik van pensionering gehuwd is, ontvangt hij een lagere rente dan wanneer hij ongehuwd is: het gezinspensioen wordt immers in mindering gebracht, zelfs als hij slechts een pensioen als alleenstaande ontvangt. Bij iemand die niet gehuwd is, wordt het pensioen als alleenstaande in mindering gebracht van het aanvullend pensioen. Hij zou dus een hoger aanvullend pensioen ontvangen wanneer hij niet gehuwd was. 2) In vergelijking tot een ander ATP-personeelslid dat gehuwd is, maar waarvan de huwelijkspartner en hijzelf beiden aangesloten zijn bij de groepsverzekering en 5 rechtgevende jaren tellen (zie pensioenreglement 2007, p. 7 bovenaan). Dat personeelslid krijgt eveneens een hoger aanvullend pensioen. De [Universiteit] meent dat alleszins geen schadevergoeding verschuldigd is: zij meent dat haar geen fout kan worden verweten. Zij meent dat de heer EU geen rekening houdt met alle voordelen die hij als gehuwde uit de groepsverzekering haalt, met name het overlevingspensioen voor de overlevende huwelijkspartner. Zij verwijst naar het feit dat de wijziging van het pensioenreglement het resultaat is geweest van een collectieve onderhandeling die een collectieve pensioentoezegging betrof. Op collectieve basis hebben de vakbonden en de universiteit, rekening houdend met de beschikbare gemeenschapsmiddelen, in 2006 een fair evenwicht getroffen tussen het respect voor de verworven rechten van de personeelsleden die al (soms zeer) lange tijd in dienst waren, en de rechten en verwachtingen van de meer recent in dienst getreden personeelsleden en de mogelijkheid voor de toekomstige generaties van personeelsleden om eveneens een degelijk aanvullend pensioen op te bouwen. De [Universiteit] meent dat de pensioentoezegging zoals die gold vóór 2006 in elk geval nog steeds niet strijdig zou zijn met de antidiscriminatiewetten, maar dat, zelfs al zou naar de normen van vandaag het gehanteerde onderscheid als onwettig worden beschouwd – wat volgens haar niet het geval is-, de [Universiteit] vandaag niet aansprakelijk kan worden gesteld voor enige fout: de betwiste formule werd in de jaren ’80 van de vorige eeuw ingevoerd en in 2006 definitief verlaten. Zij meent dat zij slechts aansprakelijk kan gesteld worden voor een contractuele fout voor zover: … rekening houdend met de concrete omstandigheden waarin zij zich op het moment van de feiten bevond … en dus rekening houdend met de juridische opvattingen die toen bestonden … zij op een verwijtbare manier niet handelde naar de toen geldende juridische normen (m.a.w. van het toen geldend wettelijk kader) en de toen geldende juridische opvattingen. Zij meent dat de pensioenformule die de heer EU hekelt inzake zijn aanvullend pensioen voor de diensttijd tot 31 maart 2006 wel degelijk wettig is en dat haar geen fout kan worden verweten bij (
- i)het ontstaan van de groepsverzekering in 1981, (
- ii)het behoud van de groepsverzekering in de periode tussen 1981 en 31 maart 2006 en (iii) de wijziging ervan met ingang van 1 april 2006. Beoordeling door het hof: 1. De wettelijke bepalingen die een antidiscriminatiebeginsel inhouden: Er bestaat sinds jaren in de Belgische wetgeving een antidiscriminatiebeginsel inzake aanvullende pensioentoezeggingen: - Art. 45 van de RSZ-wet (wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). - Art. 4 van de “Wet Colla” (wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen); - Antidiscriminatiewetten van 25 februari 2003; - Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (algemene antidiscriminatiewet) - Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen (“Genderwet”) - Wet van 10 mei 2007 tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden; - Wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdswerkers; - Wet van 5 juni 2002 betreffende het non-discriminatiebeginsel ten voordele van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; - Artikel 14 van de WAP van 28 april 2003, gewijzigd in 2007 en in 2014. Art. 45 van de RSZ-wet zoals van toepassing in de periode voorafgaand aan de anti-discriminatiewetten van 2007, bepaalde: “Ieder werkgever die aan zijn personeel vrijwillig bijkomstige, buiten het bestek van deze wet vallende voordelen toekent, mag generlei onderscheid maken tussen de tot een zelfde categorie behorende werknemers van zijn onderneming. In de ondernemingen die meer dan twintig werknemers in dienst hebben, moeten deze voordelen verleend worden volgens een reglement dat is opgesteld met medewerking van vertegenwoordigers van het personeel, die volgens een bij koninklijk besluit vastgestelde procedure worden aangewezen.” Er moet onmiddellijk opgemerkt worden dat het tweede lid van dit artikel m.b.t. ondernemingen die meer dan twintig werknemers in dienst hebben, nooit in werking is getreden. Er is een intrinsieke band tussen het eerste en het tweede lid van dit artikel. Dus, hoewel aanvullende pensioenen wel als voordelen in de zin van art. 45 beschouwd kunnen worden, is ook het eerste lid van art. 45 zonder uitwerking gebleven voor ondernemingen met meer dan 20 werknemers (cfr. “De federale antidiscriminatiewetten en de regelingen voor sociale zekerheid” in C. Bayart, S. Sottiaux en S. Van Droogenbroeck (eds.), De nieuwe federale antidiscriminatiewetten – les nouvelles lois luttant contre la discrimination, Brugge, Die Keure, 2008, p. 665). De wet Colla (6 april 1995) bepaalde in art. 4: “§1: Elke werkgever die aan de werknemers of aan een deel van de werknemers een pensioentoezegging doet, mag geen ongeoorloofd onderscheid maken tussen de tot eenzelfde categorie behorende werknemers van zijn onderneming. …” Art. 14 van de WAP bevat een open, algemeen niet-discriminatiebeginsel en bouwt daarmee verder op de grondslagen gelegd door de Wet Colla. Oorspronkelijk (in 2003) luidde het algemeen discriminatieverbod van artikel 14 van de WAP als volgt: “§1 Elke inrichter die een pensioenstelsel invoert mag tussen de werknemers geen ongeoorloofd onderscheid maken. §2 Elk onderscheid dat niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is, wordt als ongeoorloofd beschouwd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde doelstelling, het objectief karakter en de gevolgen van het gemaakte onderscheid. Het gemaakte onderscheid mag niet onevenredig zijn ten opzichte van het beoogde doel. §3 Is onder meer een ongeoorloofd onderscheid: 1° het toekennen van overlevingspensioenen aan mannelijke of vrouwelijke begunstigden alleen 2° het afhankelijk maken van de toekenning van de pensioentoezegging van een bijkomende beslissing van de inrichter, de werkgever of de pensioeninstelling 3° onverminderd de toepassing van artikel 13, een differentiatie van de pensioentoezegging in functie van de leeftijd. (…) 4° wat de dienstjaren gepresteerd na 17 mei 1990 betreft mag de pensioentoezegging geen discriminatie bevatten tussen mannen en vrouwen. Alleen verschillen inzake aanvullend pensioen gegrond op de respectieve levensverwachtingen van mannen en vrouwen zijn toegelaten. De pensioentoezeggingen van het type “vaste bijdragen” mogen geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij de bepaling van de bijdragen. …”. De memorie van toelichting bij deze wet stelt: “geen discriminatie tussen werknemers mag worden ingevoerd door de inrichter tussen werknemers die tot eenzelfde personeelscategorie behoren. Ongeoorloofd onderscheid is ieder onderscheid dat strijdig is met het gelijkheidsbeginsel geformuleerd in paragraaf 2. De bepaling is gebaseerd op het in voege zijnde artikel 4 WAP (=wet Colla) maar werd op een meer algemene wijze geformuleerd zodat de bedoeling duidelijker tot uiting komt. Zo wordt niet meer bepaald dat een werkgever niet mag discrimineren tussen werknemers die tot eenzelfde personeelscategorie behoren. (…)“ (WAP, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, nr. 50/1340/001, p. 38). De antidiscriminatiewetten van 25 februari 2003 spreken voor het eerst over een verbod van ongeoorloofd onderscheid op basis van geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, gezondheidstoestand enz.. Bij arrest van het Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) van 6 oktober 2004, nr. 157/2004 werd de limitatieve lijst van discriminatiegronden vernietigd. Bijgevolg strekte de Algemene Antidiscriminatiewet én art. 14 van de WAP zich uit tot alle vormen van discriminatie. Tenslotte kwamen de antidiscriminatiewetten van 10 mei 2007 tot stand en werd ook art. 14 van de WAP gewijzigd door deze Antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 en later nog eens door de wet van 5 mei 2014. Art. 14 WAP§1 luidt thans als volgt luidt: “Elke vorm van discriminatie tussen werknemers, aangeslotenen en begunstigden is verboden. Discriminatie is een verschil in behandeling van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden dat niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde doelstelling, het objectief karakter, de gevolgen van het verschil in behandeling en het feit dat dit verschil in behandeling niet onevenredig mag zijn ten opzichte van het beoogde geoorloofde doel. Het verschil in behandeling tussen de werknemers die in toepassing van de artikelen 15 en 16 aangesloten zijn bij verschillende pensioentoezeggingen, maakt geen verboden discriminatie uit. Het eerste lid laat niet toe om verschillen in behandeling te rechtvaardigen die worden verboden door wetten die discriminatie op grond van specifieke criteria verbieden, waaronder in het bijzonder worden begrepen: – de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden; – de wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers; – de wet van 5 juni 2002 betreffende het non-discriminatiebeginsel ten voordele van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; – de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen; – de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Inbreuken op de discriminatieverboden voorzien in de wetten bedoeld in het derde lid leiden ook tot een inbreuk op het discriminatieverbod bedoeld in het eerste lid.” De antidiscriminatiewetten zijn een omzetting van Europese richtlijnen, maar gaan verder dan dat. In de Europese richtlijnen wordt “burgerlijke staat” niet als discriminatiegrond genoemd, terwijl dit wel een discriminatiegrond is in de Belgisch wet. Uit bovenstaand overzicht blijkt dat er pas vanaf de wet Colla een algemeen verbod tot discrimineren bestond en vervolgens in art. 14 van de WAP (tot en met 8 juni 2007). Pas vanaf de antidiscriminatiewetten van 10 mei 2007 bestaat de specifieke discriminatiegrond “burgerlijke staat”, die volgens het thans geldende art. 14 WAP ook geldt voor aanvullende pensioentoezeggingen vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel op 9 juni 2007. Appellant roept ook het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet in. Art. 10 van de Grondwet bepaalt: De Belgen zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd. (Dit lid werd toegevoegd bij enig art. Wijz. G.W. 21 februari 2002, in werking getreden op 8 maart 2002 (B.S., 26 februari 2002 (tweede uitg.)). Art. 11 bepaalt: “Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden.” Terecht stelt de [Universiteit] dat er geen horizontale werking bestaat van deze artikelen. Het gelijkheidsbeginsel neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en het beginsel van niet-discriminatie neergelegd in artikel 11 van de Grondwet richten zich tot de overheid in haar publiekrechtelijke relatie tot de burgers. Zij houden geen rechtstreekse verplichtingen in voor de burgers onderling en gelden niet rechtstreeks in de arbeidsverhouding tussen een openbare instelling en haar werknemers (cfr. Cass. 29 maart 2010, S.08.0147.N, Juportal, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.5) De arresten van het Grondwettelijk hof die door appellant worden ingeroepen staven zijn stelling niet. Het gaat er ook in deze arresten over dat de wetgever niet mag afwijken van het algemeen discriminatieverbod bij verhoudingen tussen privépersonen: het arrest van 12 februari 2009, nr. 17/2009 stelt wat volgt: “B.14.4. Zelfs wanneer het gaat om verhoudingen tussen privépersonen, zou de wetgever niet kunnen afwijken van het algemene discriminatieverbod dat uitdrukkelijk is gewaarborgd bij de in B.14.2 vermelde grondwets- en verdragsbepalingen. Het aannemen van een gesloten lijst zou dus in geen geval kunnen worden geïnterpreteerd in die zin dat discriminaties op gronden die niet in die lijst voorkomen, worden toegestaan.” En “B.14.7. Het feit dat een discriminatiegrond niet in de lijst is opgenomen, heeft weliswaar tot gevolg dat de specifieke bescherming die de bestreden wetten bieden niet van toepassing is, maar betekent niet dat de slachtoffers van een discriminatie op een dergelijke grond van elke rechtsbescherming zijn uitgesloten. Elke ongelijke behandeling in de verhoudingen tussen burgers waarvoor geen verantwoording kan worden gegeven, maakt immers een discriminatie uit en derhalve een foutief gedrag, dat tot een burgerrechtelijke sanctie, met name een schadevergoeding, aanleiding kan geven. Bovendien kan de rechter een discriminerend contractueel beding op grond van de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek nietig verklaren omdat het indruist tegen de openbare orde. Die sancties zijn weliswaar niet identiek aan de specifieke beschermingsmaatregelen waarin de bestreden wetten voorzien, maar dat verschil in aard van de sancties is niet onevenredig en volstaat derhalve niet om tot een discriminatie te besluiten.” Het grondwettelijk hof verwijst naar de andere wetten op basis van dewelke wél schadevergoeding kan worden bekomen omwille van foutief gedrag. Het grondwettelijk hof heeft niet bepaald dat er een horizontale werking is van art. 10 en 11 van de grondwet. Het arrest a, 11 maart 2009, nr. 41/2009, overweging B.11 bepaalt hetzelfde als de overweging B.14.7 van het arrest van 12 februari 2009. 2. Werking van de wet in de tijd: Volgens art. 2 van het Oud BW dat tot 1 november 2020 van toepassing was (nu opgeheven bij wet van 13 april 2019 en vervangen door art. 1.2 BW) heeft een wet geen terugwerkende kracht tenzij de betrokken wet dit anders bepaalt. Dit is een algemeen beginsel van niet-retroactiviteit, dat volgende regels inhoudt: - Een nieuwe wet is niet van toepassing op situaties die ontstonden en zich juridisch volledig voltrokken onder de vroegere wet, en - Een nieuwe wet is onmiddellijk van toepassing o op situaties die ontstaan na de inwerkingtreding van de nieuwe wet en o op situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Het nieuwe artikel 1.2 van het burgerlijk wetboek bepaalt: “De wet beschikt alleen voor de toekomst. Zij heeft geen terugwerkende kracht tenzij dit noodzakelijk is voor een doelstelling van algemeen belang. Behoudens andersluidende bepaling, is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten. De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.” Aanvullende pensioentoezeggingen maken deel uit van de arbeidsovereenkomst. Vermits art. 14 van de WAP en de erin vervatte niet-discriminatiebeginselen van openbare orde zijn (cfr. ook in die zin: Arh. Brussel, 15 juni 2010, AR 2009/AB/51824), is dit artikel onmiddellijk van toepassing op de lopende pensioentoezeggingen, d.w.z. op de toekomstige gevolgen van de lopende overeenkomsten, zonder dat er terugwerkende kracht aan mag worden verleend. Voor de lopende pensioentoezeggingen zal men dus voor elk onderscheid nauwkeurig moeten nagaan onder welk temporeel toepassingsgebied dit onderscheid gemaakt werd. Indien een onderscheid onder de verschillende temporele toepassingsgebieden valt, zal men telkens per periode moeten nagaan of voor de desbetreffende periode het onderscheid al dan niet geoorloofd is. De heer EU trad in dienst van de [Universiteit] op 12 mei 1975 en maakte deel uit van het administratief en technisch personeel (“ATP”). In deze hoedanigheid was hij aangesloten bij de groepsverzekering ATP. De groepsverzekering werd ingevoerd in 1981, waarbij de rechtgevende periode (door de erkenning van verleden dienstjaren) aanvatten op 1 juni 1975. De pensioentoezegging maakte dus vanaf 1981 deel uit van zijn arbeidsovereenkomst. Dit is lang vóór de wet Colla. Zoals hierboven reeds gesteld, bepaalde art. 45 van de RSZ-wet weliswaar dat geen onderscheid mocht gemaakt worden tussen de tot een zelfde categorie behorende werknemers van zijn onderneming, doch, dit artikel is steeds dode letter gebleven voor ondernemingen met meer dan 20 werknemers (zie hoger). Het is dus voor het eerst vanaf de wet Colla
(1995)dat een daadwerkelijk algemeen non-discriminatiebeginsel wordt beoogd. Tot en met de wijziging van art. 14 WAP vanaf 9 juni 2007 geldt op die basis een algemeen antidiscriminatiebeginsel. De specifieke grond “burgerlijke staat” die niet in het Europees recht is voorzien is pas vanaf 9 juni 2007 definitief ingevoerd (de discriminatiegronden van de antidiscriminatiewetten van 2003, waarin deze grond ook was opgenomen, werden immers door het Arbitragehof vernietigd (zie hoger)). 3. Een discriminatie op grond van burgerlijke staat: Het al dan niet geoorloofd karakter van een onderscheid wordt in grote mate beïnvloed door de zeden en gewoonten zoals die in een samenleving van tijd tot tijd gangbaar zijn. Differentiaties die vroeger normaal waren, kunnen vandaag verwerpelijk of onaanvaardbaar zijn. Het antwoord op de vraag of een verschil discriminerend is, kan dus variëren in de tijd (cfr. ook het advies nr. 30 en de bijlage van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen, dat het advies nr. 11 wijzigde, uitgebracht i.v.m. antidiscriminatie, dat in het bijzonder de aandacht hierop vestigde). De specifieke discriminatiegrond “burgerlijke staat” bestond nog niet in de wet Colla. Wel in tegendeel: er blijkt met name uit de voorbereidende werkzaamheden van de Wet Colla dat onderscheiden op grond van de burgerlijke staat geoorloofd waren: de Memorie van Toelichting van deze wet (die van toepassing was van 1 januari 1996 en opgeheven werd op 15 mei 2003), stelt uitdrukkelijk dat bij de vaststelling van de rechten een onderscheid mag gemaakt worden tussen gehuwden en ongehuwden, gezinnen met en zonder kinderlast (MvT Wet Colla, 5, Parl. St. Kamer 1994-95, nr. 1735/1, 5). Discriminatie wordt gedefinieerd als een verschil in behandeling van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden dat niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is. Om uit te maken of een verschil in behandeling al dan niet berust op een objectief criterium en al dan niet redelijk verantwoord is, moet men rekening houden met: 1° de doelstelling die nagestreefd wordt via het gemaakte onderscheid; 2° met het objectief karakter van het onderscheidscriterium 3° met de gevolgen van het gemaakte onderscheid: wordt de beoogde legitieme doelstelling bereikt? 4° de evenredigheidsvereiste: het verschil in behandeling mag niet onevenredig zijn ten opzichte van het beoogde geoorloofde doel. Het litigieuze pensioenplan omvat tot 1 april 2006 onbetwistbaar een verschil in behandeling tussen een gehuwde gepensioneerde en een ongehuwde gepensioneerde. M.b.t. het doel van het onderscheid: In deze zaak moet vastgesteld worden dat het doel van het aanvullend pensioen is een aanvulling te vormen op het wettelijk pensioen om samen te voorzien in een globaal vervangingsinkomen na pensionering. In de Bijlage III bij de cao van 2006 wordt het doel omschreven als volgt: “De groepsverzekering heeft als doel door een aanvullend pensioen te voorzien bovenop het RSZ-pensioen en dit zowel bij oppensioenstelling van het personeelslid (aanvullende rustrente en/of rustkapitaal) als bij overlijden van het personeelslid vóór en/of na de pensioendatum (aanvullende overlevingsrente en/of overlevingskapitaal).” Het doel van het onderscheid tussen de gehuwde werknemer en de alleenstaande kadert aldus binnen de voorzorgsdoelstelling van [Universiteit], om te voorzien in twee prestaties die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn (aanvullend rustpensioen voor het gehuwde personeelslid en overlevingspensioen voor haar/zijn overlevende huwelijkspartner). En betreft dus de zorg om de toekomstige levensstandaard van de begunstigden (werknemer + echtgenoot) in ogenschouw te nemen. Er bestaat geen betwisting over dat het overlevingspensioen voor de echtgenote in geval de werknemer overlijdt, slechts zal berekend worden rekening houdend met de aansluitingsjaren tot en met 31 maart 2006. Nadien wordt geen opbouw van overlevingspensioen meer voorzien. Volgens appellant wordt hij gediscrimineerd omdat hij, indien hij gehuwd is op de datum waarop zijn pensioen ingaat, een aftrek wordt gedaan van een gezinspensioen ook al krijgt hij in werkelijkheid maar een pensioen als alleenstaande omdat zijn echtgenote zelf ook een inkomen geniet. De afgesloten groepsverzekering bevatte echter niet alleen een opbouw van rustpensioen voor hemzelf, maar ook een bescherming van zijn echtgenote door het voorzien in een overlevingspensioen. Een ongehuwde werknemer kon uiteraard geen recht laten gelden op een overlevingspensioen. Het doel van de groepsverzekering, zijnde de zorg om de toekomstige levensstandaard van de begunstigden (werknemer + echtgenoot) is geoorloofd. M.b.t. het objectief karakter van het onderscheidscriterium: Het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden is objectief. Wordt de beoogde legitieme doelstelling bereikt? De doelstelling van bescherming van zowel de werknemer als zijn echtgeno(o)t(
- e)wordt bereikt. Wordt er voldaan aan de evenredigheidsvereiste? Er wordt voor de gehuwde werknemer en zijn/haar echtgeno(o)te gezorgd voor een valabel vervangingsinkomen in geval van pensionering van de werknemer of in geval van zijn overlijden. Het extra risico dat de verzekering ten behoeve van de echtgenoot dekt, heeft een kostprijs, die er niet is voor een alleenstaande werknemer. Het is niet onevenredig om daarvoor te voorzien dat de gehuwde werknemer voor een gedeelte inboet op het rustpensioen. In deze zaak is appellant gelukkig niet voortijdig overleden en heeft zijn echtgenote geen gebruik gemaakt van het overlevingspensioen. Nochtans is al die tijd het overlevingspensioen als risico gedekt geweest. Men kan het ene voordeel niet afzonderlijk zien van het andere. Er kan geen discriminatie vastgesteld worden in de litigieuze periode. 4. De vergelijking met het ATP-personeelslid gehuwd met een ander ATP-personeelslid, en minstens 5 jaar aangesloten: Terecht stelt de [Universiteit] dat hier geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de burgerlijke staat van betrokkene: Er wordt binnen de categorie van de gehuwden een subcategorie gemaakt naargelang de situatie waarin de gehuwden zich bevinden: voor het “ATP-personeelslid dat gehuwd is maar waarvan de huwelijkspartner en hijzelf beiden aangesloten zijn bij de groepsverzekering en 5 rechtstreekse jaren tellen”. In deze subcategorie bevindt zich dus het gehuwde personeelslid met een echtgeno(o)t(
- e)die ook werkt als ATP aan [Universiteit] (waarbij zij beiden minstens 5 jaar zijn aangesloten bij de groepsverzekering), terwijl het gehuwde ATP-personeelslid dat zich niet in die situatie bevindt, niet tot die subcategorie wordt gerekend. Het criterium van onderscheid is hier bijgevolg niet het huwelijk of de burgerlijke staat, maar wel: zijn zowel het personeelslid als haar/zijn echtgeno(o)t(
- e)ATP-personeelslid aan [Universiteit] en tellen zij allebei minstens 5 rechtstreekse jaren van aansluiting bij dezelfde groepsverzekering? Dit criterium van onderscheid heeft niets met de burgerlijke staat te maken. Zelfs al zou er een ongelijke behandeling bestaan zoals appellant stelt, dan moet nog beoordeeld worden of: - Personen zich in dezelfde situatie bevinden. Zo ja: - of het verschil in behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is: een proportionaliteitstoets zal moeten doorgevoerd worden. De pensioentoezegging werd in 1981 toegekend. De [Universiteit] stelt dat op dat ogenblik deze regeling werd ingevoerd in het licht van de vaststelling dat een gedeelte van het “voordelenpakket” dat typisch is voor het personeelsstatuut van de [Universiteit] dat uitgerekend door te huwen met een ander personeelslid een lege doos wordt. - Een belangrijk voordeel is dat een personeelslid opent zo het recht op toegang tot de kinderopvang van de [Universiteit] inclusief deelname aan zomerkampjes voor kinderen: dat kan natuurlijk geen 2 x worden toegekend omdat beide ouders personeelslid zijn. - Indien beide personeelsleden bij de [Universiteit] werken, staat vast dat één van de beide gehuwden zal overlijden vóór de andere zodat één van de beide personeelsleden het “overlevingspensioen voor de langstlevende partner” niet zal halen. Er wordt dus wel een onderscheid gemaakt tussen gehuwden die met een personeelslid van de [Universiteit] zijn gehuwd na 5 jaar aansluiting bij dezelfde groepsverzekering en gehuwden die met een niet-personeelslid zijn gehuwd. De bedoeling van het onderscheid is dat binnen de groep van “gehuwde personeelsleden” te voorkomen dat een personeelslid–door te huwen met een ander personeelslid van [Universiteit] -, een stuk van het voordelenpakket dat typerend is voor het personeelsstatuut aan [Universiteit], in rook zag verdampen. Tegen die achtergrond, en mede omdat [Universiteit] de loyauteit van gezinnen aan de universiteit niet in hun nadeel wou laten werken en ook de professionele activiteiten van de vrouw zeker niet wou ontmoedigen doordat deze in het nadeel van het gezin zouden werken, heeft [Universiteit] destijds na overleg de nadelige gevolgen die voor gehuwden ontstaan wanneer beide huwelijkspartners bij [Universiteit] werken en aangesloten zijn aan hetzelfde aanvullend pensioenplan, gecorrigeerd. Deze correctie hield in om – binnen de groep van de aangesloten “gehuwden” - een andere berekening van het aanvullend pensioen voor te behouden aan die “gehuwde aangeslotenen” van hetzelfde koppel. Uit wat voorafgaat oordeelt het hof dat dat appellant zich niet in een vergelijkbare situatie bevindt als de gehuwden die beiden personeelslid zijn van de [Universiteit]: het risico dat gedekt wordt door de groepsverzekering is niet hetzelfde: wanneer beiden personeelslid zijn van de [Universiteit] staat het immers bij voorbeeld al vooraf vast dat 1 van beiden geen aanspraak zal kunnen maken op het overlevingspensioen. Er is ook hier geen discriminatie vast te stellen. 5. De periode na 1 april 2006: Er is geen fout van de [Universiteit] vast te stellen vóór 2006. Er is geen discriminatie vóór 2006. Er kan dan ook geen sprake zijn van een voortgezet misdrijf na 2006. De vraag stelt zich dan of er nog een fout kan vastgesteld worden na 1 april 2006, doordat de [Universiteit] iets wat mogelijk later als een discriminatie kon worden beschouwd, niet heeft rechtgezet voor de pensioendatum? Het hof oordeelt dat dit niet het geval is. De pensioentoezegging van de [Universiteit] gebeurt in 2 fasen: - Het eerste deel loopt van 1981 tot 31 maart 2006, een tweede deel loopt vanaf 1 april 2006. Op 28 maart 2006 sloten de [Universiteit] en [ONDERWIJSINSTELLING VOOR SOCIALE PROMOTIE] een cao met betrekking tot het aanvullend pensioen. Het pensioenreglement werd aangepast zonder wijziging voor het verleden. De wijziging heeft slechts impact op de toekomstige pensioenopbouw. Teneinde aldus enerzijds respect te hebben voor de opgebouwde rechten uit het verleden en anderzijds voor de toekomst een nieuwe formule te hanteren, werd in het pensioenreglement (stuk 1 [Universiteit]) een scharnierdatum vastgelegd, nl. 31 maart 2006/ 1 april 2006. De pensioenopbouw voor de periode voorafgaand aan 1 april 2006 is volledig gebeurd overeenkomstig de oude regeling. Op dat ogenblik worden ook de verworven rechten vastgelegd voor die periode vastgelegd (zie pensioenreglement, p. 6: berekening van pensioen gebeurt uitsluitend op grond van het aantal aanneembare jaren en volledige maanden, gerekend tot uiterlijk 31 maart 2006 – zie randnummer 3.2.1.2). Ook m.b.t. de overlevingsrente voor de echtgeno(o)t(
- e)worden de rechten op dat ogenblik definitief bepaald, rekening houdend met dezelfde aanneembare jaren als voor het rustpensioen (zie randnummer 3.2.3 van het pensioenreglement). De vraag stelt zich of ingevolge de antidiscriminatiewetten van 2007 de situatie toch nog discriminatoir zou kunnen worden. Zoals hierboven gesteld, is een nieuwe wet niet van toepassing op situaties die ontstonden en zich juridisch volledig voltrokken onder de vroegere wet en is nieuwe wet onmiddellijk van toepassing o op situaties die ontstaan na de inwerkingtreding van de nieuwe wet en o op situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Hier zijn de rechten van appellant voor de periode voorafgaand aan 1 april 2006 reeds onherroepelijk vastgesteld op deze datum. Er is geen nieuwe situatie ontstaan na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Er duurt ook geen discriminatie voort onder de nieuwe wet, want er is er geen vastgesteld in de voorafgaande periode. OM DEZE REDENEN BESLIST HET ARBEIDSHOF De Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd. Het arbeidshof oordeelt op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben: Het hoger beroep is ontvankelijk. Het eerste vonnis wordt hervormd in de mate dat het de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk verklaarde wegens verjaring. De vordering van de heer EU is ongegrond. De kosten van het geding worden ten laste van de heer EU gelegd, en begroot voor op 2 x 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, en voor de [Universiteit] op 3000 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 3750 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Dit arrest is gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit : , raadsheer, , raadsheer in sociale zaken, werkgever, , raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, Bijgestaan door , griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 februari 2023 door , raadsheer, , griffier Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100329.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181008.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181008.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div