id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2024:ARR.20240909.1 Rolnummer: 2023/AB/52 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-02-07 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-06-18 21:32 Fiche De toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen wordt bepaald door de wet die van toepassing is op de datum waarop die geantidateerde overeenkomst werd gesloten. Dat waren dus de hoger vermelde bepalingen van artikelen 1341 en 1348bis Oud Burgerlijk Wetboek. Het antidateren van de overeenkomst is bovendien een rechtsfeit dat kan bewezen worden overeenkomstig de bewijsregels die thans van toepassing zijn, en met name de bepalingen van voormeld artikel 8.
- inzake het bewijs door en tegen ondernemingen […] De vennootschap liet haar werknemer, de heer S, in januari 2020 een door haar opgestelde en geantidateerde arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur ondertekenen, met als eind datum 31 december
- Zij deed dit bewust met de bedoeling om in strijd met de hoger vermelde wettelijke bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur te sluiten ook al was dit wettelijk niet toegelaten. De vennootschap kende als ervaren werkgever in de horeca ongetwijfeld de regels inzake (opeenvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur. Zoals vermeld hierboven, werd in een voetnoot van de arbeidsovereenkomst ook uitdrukkelijk vermeld dat deze door de werknemer ondertekend moest worden voordat hij in dienst trad. De vennootschap betwist niet dat er sinds oktober 2020 een volledige lockdown van de horeca was en al haar restaurants gesloten waren, zoals de heer S uiteenzet in zijn conclusies. De vennootschap heeft zich na 31 december 2020 gesteund op de einddatum van de geantidateerde arbeidsovereenkomst, door - enerzijds de heer S niet verder tewerk te stellen en ook niet verder de formaliteiten te vervullen opdat haar werknemer na die datum verder onder het stelsel van tijdelijke werkloosheid viel ; - anderzijds aan de heer S een C4 formulier te overhandigen waarin zij verklaarde dat de tewerkstelling eindigde op 31 december 2020, waarbij zij als reden van de beëindiging aankruiste dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur een einde had genomen. Doordat de vennootschap zich aldus beriep op een onrechtmatige constructie en een niet bestaande einddatum van de arbeidsovereenkomst, heeft zij de bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur op 31 december 2020 beëindigd en heeft zij ondubbelzinnig blijk gegeven van haar wil om de samenwerking te beëindigen. Bijgevolg is zij een opzeggingsvergoeding verschuldigd. Thesaurus CAS: BEWIJS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Soorten arbeidsovereenkomsten - Voor een tijdsduur Vrije woorden: Toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen – toepassing – opeenvolgende arbeidsovereenkomsten onbepaalde duur – onrechtmatige constructie Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1341 et 1348bis - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing Uitgifte Repertoriumnummer Uitgereikt aan 2024 / Datum van uitspraak op 09 september 2024 € JGR Rolnummer 2023/AB/52 Beslissing waartegen beroep Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel 08 november 2022 21/1482/A Arbeidshof te Brussel vijfde kamer arrest Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 2 ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst arbeider tegensprekelijk arrest definitief S M, RRN , wonende te appellant, vertegenwoordigd door mevrouw , afgevaardigde van de juridische dienst van het te , gevolmachtigde tegen B C BVBA, ON , met zetel te geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. , advocaat te I. De feiten
- De heer S (° ) werkte vanaf 1 maart 2018 als gelegenheidswerknemer (“extra”) in het restaurant “A” van de bv B C (hierna de vennootschap) te De vennootschap ressorteert onder het paritair comité 302 voor het hotelbedrijf. Vanaf 1 juli 2016 was hij als gewone werknemer in dienst. Hij werkte als keukenhulp, functiecategorie II.
- Vanaf 14 maart 2020 was hij tijdelijk werkloos in het kader van Covid
- Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 3 Op 14 januari 2021 bezorgde de vennootschap een C4-formulier waarin zij verklaarde dat de heer S in dienst was geweest van 1 juni 2018 tot 31 december 2020 en vermeldde zij als reden voor het einde van de tewerkstelling dat de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd een einde had genomen op 31 december
- Met een aangetekende brief van 11 februari 2021 stelde de vakorganisatie van de heer S de vennootschap in gebreke tot betaling van een opzeggingsvergoeding en achterstallige vergoedingen. De partijen raakten het niet eens.
- Met een verzoekschrift van 20 december 2021 heeft de heer S de zaak aanhangig gemaakt bij de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel. II. Het bestreden vonnis
- De heer S vorderde voor de arbeidsrechtbank: “Na te hebben gepoogd om deze zaak te beslechten conform artikel 734 Ger. W. de eisen van de heer S M ontvankelijk en gegrond te verklaren; Om vervolgens, ten gronde de BV B C te veroordelen tot betaling van onderstaande sommen aan de heer S M, met verhoging van wettelijke en gerechtelijke intresten, elk vanaf hun opeisbaarheid en beide aan wettelijke intrestvoet: -6.595,99 EUR bruto, ten titel van een verbrekingsvergoeding; -266,11 EUR bruto ten titel van een loonregularisatie; -87,16 EUR bruto ten titel van het loon voor feestdagen na het einde van de arbeidsovereenkomst; -270,83 EUR nettoten titel van ecocheques; -1.638,48 EUR nettoten titel van een kledijvergoeding; -22,00 EUR nettobijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. De BV B C te bevelen tot afgifte van een gecorrigeerd document C4 onder verbeurte van 50,00 EUR per dag vertraging vanaf de betekening van het tussenvonnis. De uitspraak bij voorraad uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgtocht, noch kantonnement”.
- Met een vonnis van 8 november 2022 (A.R. nr. : 21/1482/A ), heeft de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel als volgt beslist : Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 4 “Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak. Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de volgende mate. Veroordeelt de by B C tot betaling aan de heer S M van de volgende bedragen: - 87,52 euro bruto loonregularisatie, - 1.638,48 euro netto ten titel van een kledijvergoeding, - 20,83 euro netto eco cheques, deze bedragen te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke Intresten vanaf hun opeisbaarheid en beiden aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt de bv B C tot afgifte aan de heer S M van een verbeterd formulier C
- Veroordeelt de bv B C tot betaling van 1/5 van de gerechtskosten en de heer S M 4/5 van de gerechtskosten begroot door partijen op 22,00 euro nettobijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en 1.260,00 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag). Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en staat het kantonnement toe bij de Deposito en Consignatiekas.” III. De vorderingen in hoger beroep
- De heer S stelde hoger beroep in en vordert: “De vordering in principaal hoger beroep van appellante toelaatbaar en gegrond te verklaren: - Verbrekingsvergoeding: 6.595,99 EUR bruto - Dit bedrag te verhogen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van opeisbaarheid. De vordering in incidenteel hoger beroep van geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond te verklaren. Evenals geïntimeerde te veroordelen het opleggen van een dwangsom van 10 EUR per dag per document, niet limitatief opgesomd tot de aangepaste loonbrieven én C-4, te berekenen vanaf de betekening van het arrest. Het vonnis a quo te hervormen aangaande de gerechtskosten van eerste aanleg en deze ten laste te leggen van geïntimeerde, verweerster in eerste aanleg, begroot op respectievelijk 22 EUR bijdrage aan het tweedelijnsfonds, ten minste elke partij te veroordelen tot haar eigen gemaakte kosten. Evenals de gerechtskosten voor huidig hoger beroep ten laste te leggen van geïntimeerde, tot op heden begroot op 24 EUR bijdrage aan het tweedelijnsfonds, ten minste elke partij te veroordelen tot haar eigen gemaakte kosten. De uitspraak bij voorraad uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgtocht, noch kantonnement.”
- De vennootschap stelde met haar eerste conclusies incidenteel beroep in en vordert: Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 5 “Rechtdoende over het principaal hoger beroep van appellant Dit hoger beroep ontvankelijk, doch in zijn totaliteit ongegrond te verklaren ; Rechtdoende over het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde Dit incidenteel hoger beroep ontvankelijk en in zijn totaliteit gegrond te verklaren ; Het bestreden vonnis van de Nederlandstalige Arbeidsrechtbank Brussel d.d. 8/11/2022, in de mate dat het door geïntimeerde wordt bestreden, te vernietigen en opnieuw wijzende de resp. vorderingen enerzijds in betaling van een kledijvergoeding t.b.v. € 1.638,48 netto en anderzijds in afgifte van een verbeterd formulier C4 ongegrond te verklaren ; De kosten van deze 2de aanleg, in hoofde van geïntimeerde (opnieuw) vast te stellen op de rechtsplegingsvergoeding, door haar begroot op € 1.350,00 (basisbedrag bij een vordering tussen € 5.000,01 en € 10.000,00), bij toepassing van art. 1017, 1ste lid Ger. W., ten laste te leggen van appellant;”. IV. De procedure voor het arbeidshof
- Het hof heeft kennisgenomen van de procedurestukken, in het bijzonder : - het bestreden vonnis - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 19 januari 2023 - het tussenarrest van 11 maart 2024 waarbij het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk werden verklaard en de debatten schriftelijk werden heropend - de door de partijen neergelegde conclusies en stukken De zaak werd op 6 mei 2024 van rechtswege in beraad genomen. Het hof heeft toepassing gemaakt van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. V. De beoordeling van het geschil door het arbeidshof De opzeggingsvergoeding
- De heer S was op ononderbroken wijze in dienst van de vennootschap van 1 juni 2018 tot 31 december 2020, hetzij meer dan twee jaar. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 6 De heer S stelt dat de partijen de volgende vier schriftelijke arbeidsovereenkomsten hebben ondertekend: • op 1 juni 2018 een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juni 2018 tot 1 oktober 2018 voor deeltijds werk; • op 2 oktober 2018 een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de periode van 2 oktober 2018 tot 31 december 2018 voor deeltijds werk; • op 1 januari 2019 een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 januari 2019 tot 31 december 2019 voor deeltijds werk; • midden januari 2020 een vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als datum van ondertekening 1 juni 2018, voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020, voor voltijds werk (randrs. 6 , 16 en 19 conclusies 20 juli 2023)
- Artikel 9 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt: “ De arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk moet voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Is er geen geschrift waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk is gesloten, dan gelden voor deze arbeidsovereenkomst dezelfde voorwaarden als voor de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd….”.
- De heer S brengt de eerste en de vierde overeenkomst bij (stuk 4). De beide overeenkomsten zijn volledig uitgetypt, met inbegrip van de data. De heer S stelt dat de laatst vermelde overeenkomst niet op 1 juni 2018 werd ondertekend maar pas later, namelijk in januari 2020 en dus nadat de overeenkomst was aangevangen.
- De vennootschap legt geen arbeidsovereenkomst neer en vermeldt in haar verweer enkel de schriftelijke arbeidsovereenkomst met als datum van ondertekening 1 juni 2018 voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020 , voor voltijds werk. Volgens haar kan het bewijs van het antidateren niet worden toegelaten, waarbij zij verwijst naar artikel 1341, 1ste lid oud Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat het bewijs door getuigen niet wordt toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 euro.
- 1 De vermelding januari 2019 in randnr. 18 waarnaar de vennootschap verwijst (p. 1 conclusies 2 mei 2024) is duidelijk een verschrijving gezien 2020 wordt bedoeld. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 7 De wettelijke bepalingen die het bewijs regelen in burgerlijke en in handelszaken werden gewijzigd in de periode dat de partijen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst:
(1)Op 1 juni 2018 waren de volgende bepalingen van toepassing: - artikel 1341 Oud Burgerlijk Wetboek, dat bepaalde: “Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren voor, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 375 EUR. Een en ander onverminderd hetgeen wordt voorgeschreven in de wetten betreffende de koophandel.”. - artikel 25 van het Wetboek van koophandel dat bepaalde: “Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behoudens de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen. Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.”
(2)Met ingang van 1 november 2018 werd artikel 25 van het Wetboek van koophandel opgeheven door de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht. Deze wet trad in werking op 1 november 2018 en hief de bewijsregels uit het Wetboek van koophandel op en voegde in het Oud Burgerlijk Wetboek een nieuw artikel 1348 bis in (dat later met ingang van 1 november 2020 werd vervangen door artikel 8.11. Burgerlijk Wetboek). Artikel 1348bis bepaalde: “Bewijs door en tegen ondernemingen § 1 Bewijs kan tussen ondernemingen of tegen ondernemingen, zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht worden geleverd door alle middelen van recht, tenzij de wet anders bepaalt. Het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen wanneer zij voornemens zijn te bewijzen tegen een partij die geen onderneming is. Partijen die geen onderneming zijn en die tegen een onderneming wensen te bewijzen, kunnen alle middelen van recht gebruiken. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 8 Het eerste lid is evenmin van toepassing tegen natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen, ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming. (…)”.
(3)Met ingang van 1 november 2020 werden voormelde artikelen 1341 en 1348bis Oud Burgerlijk Wetboek opgeheven door de Wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek (vgl. artikelen 73 en 75 van deze wet). Sindsdien gelden de volgende bepalingen: - “ Art. 8.
- Gereglementeerd bewijsstelsel §
- De rechtshandeling met betrekking tot een som of een waarde die gelijk is aan of hoger is dan 3 500,00 euro, moet door de partijen worden bewezen door een ondertekend geschrift. Dat bedrag kan worden aangepast bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad in het licht van de evolutie van de levenskosten of de sociale noden. Het bewijs boven of tegen een ondertekend geschrift kan enkel worden geleverd door een ander ondertekend geschrift, zelfs indien de som of de waarde dat bedrag niet te boven gaat. (…).” - “ Art. 8.
- Bewijs door en tegen ondernemingen §
- Bewijs kan tussen ondernemingen of tegen ondernemingen, zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid van het Wetboek economisch recht worden geleverd door alle bewijsmiddelen, behalve in de uitzonderingen die vastgesteld zijn voor bijzondere gevallen. De in het eerste lid opgelegde regel is niet van toepassing op de ondernemingen wanneer zij willen bewijzen tegen een partij die geen onderneming is. Partijen die geen onderneming zijn en die tegen een onderneming wensen te bewijzen, kunnen alle bewijsmiddelen gebruiken. De in het eerste lid opgelegde regel is evenmin van toepassing op natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming.”.
- De vennootschap voert aan dat de bepalingen van voormeld artikel 1341 Oud Burgerlijk Wetboek inzake de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen van toepassing zijn wat betreft het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur op 1 juni
- Zij verwijst daarbij naar het arrest van 4 februari 2021 (C.20.0399.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2), waarin het Hof van Cassatie de volgende regels bevestigde: “In de regel is de nieuwe wet, overeenkomstig artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de wet enkel beschikt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft, en het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet niet alleen van toepassing op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 9 toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; inzake overeenkomsten blijft evenwel de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan op lopende overeenkomsten bepaalt. Artikel 3 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. Het bewijs van de overeenkomst houdt geen verband met de rechtspleging maar met het recht zelf. Hieruit volgt dat de toelaatbaarheid van het bewijsmiddel van een overeenkomst in de regel wordt bepaald door de wet die van toepassing is op de datum waarop die overeenkomst werd gesloten.”. (www.juportal.be).
- De vordering van de heer S is gesteund op het feit dat de partijen in januari 2020 een geantidateerde overeenkomst zouden hebben opgesteld. De toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen wordt bepaald door de wet die van toepassing is op de datum waarop die geantidateerde overeenkomst werd gesloten. Dat waren dus de hoger vermelde bepalingen van artikelen 1341 en 1348bis Oud Burgerlijk Wetboek. Het antidateren van de overeenkomst is bovendien een rechtsfeit dat kan bewezen worden overeenkomstig de bewijsregels die thans van toepassing zijn, en met name de bepalingen van voormeld artikel 8.
- inzake het bewijs door en tegen ondernemingen (vgl. Cass., 5 december 2022 waar de bepalingen van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek worden toegepast op het bewijs van feiten of rechtshandelingen waarmee het bestaan van een aannemingsovereenkomst kan worden aangetoond, welke overeenkomst dateerde van voor de inwerkingtreding van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek; www.juportal.be).
- De vennootschap is een onderneming zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht. De heer S kan tegen de vennootschap bijgevolg alle middelen van recht gebruiken om aan te tonen dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur pas in januari 2020 werd gesloten en geantidateerd werd door de datum van 1 juni 2018 te vermelden.
- Zoals ook de eerste rechter vaststelde, blijkt op overtuigende wijze uit de hierna vermelde elementen en stukken dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst met als datum van ondertekening 1 juni 2018 voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020 (voor voltijds werk) niet op 1 juni 2018 werd ondertekend maar pas later, namelijk in januari 2020, en dus nadat de overeenkomst was aangevangen: Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 10
(1)Er bestaat geen betwisting over dat de partijen op 1 juni 2018 een eerste arbeidsovereenkomst van bepaalde duur hebben ondertekend, die de heer S ni bijbrengt: - voor de periode van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2018 ; - voor een arbeidsduur van 25u per week, volgens het rooster vermeld in een bijlage die eveneens op 1 juni 2018 werd ondertekend, - met vermelding van een “bruto-aanvangsuurloon” van 11,6864 euro per uur. De loonbrieven en de bijgevoegde prestatiebladen van juni 2018 tot en met december 2018 hernamen ditzelfde uurloon en dezelfde arbeidsduur. Vanaf 1 januari 2019 vermeldden de loonstaten het nieuwe baremaloon van 12,4674 euro per uur en een voltijds werkrooster.
(2)De andere arbeidsovereenkomst die de partijen ondertekenden en die eveneens werd gedateerd op 1 juni 2018 , vermeldde: - een bepaalde duur voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020, - een voltijdse arbeidsduur van 38u per week, - een brutoloon van 13,3522 euro per uur. Dit uurloon en deze arbeidsduur stemmen niet overeen met het loon en de prestaties die werden vermeld in de loonstaten in de periode tot 1 januari 2020: - tot 1 januari 2020 vermeldden de loonstaten een lager loon (respectievelijk 11,6864 euro en 12,4674 euro); - pas vanaf 1 januari 2019 vermeldden de loonstaten een voltijds werkrooster. Bovendien vermeldden de loonbarema’s in de sector (het P.C. 302 voor het hotelbedrijf) in de tabel met de in 2018 geldende loonschalen voor de functiecategorie II nergens het brutoloon van 13,3522 euro per uur. In de tabel met de vanaf 1 januari 2020 geldende loonschalen voor een werknemer categorie II stond pas voor het eerst dit welbepaalde brutoloon van 13,3522 euro per uur (stuk 16 van de heer S ).
(3)Uit de DIMONA-aangiftes blijkt dat de vennootschap als werkgever pas op 22 januari 2020 de einddatum van de arbeidsovereenkomst heeft aangepast naar 31 december 2020 (stuk 19 van de heer S ). In de sociale balans (p.15) van de jaarrekening van de vennootschap voor de periode van 1 juli 2019 tot 30 juni 2020, die werd goedgekeurd op 21 november 2020 , werd vermeld dat er bij het afsluiten van het boekjaar geen enkele werknemer met een overeenkomst van bepaalde duur in dienst was (stuk 3 van de heer S ). In de jaarrekeningen voor de boekjaren van 01 juli 2017 tot 30 juni 2018 en van 01 juli 2018 en 30 juni 2019 werden op het einde het boekjaar wel werknemers verbonden met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur vermeld (stukken 19 en 20 van de heer S ). Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 11
(4)De vennootschap geeft geen enkele verklaring voor al de voormelde contradicties en anomalieën. Dat er volgens de redenering van de vennootschap op 1 juni 2018 twee verschillende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur zouden zijn ondertekend wordt ook nog tegengesproken door het feit dat de vennootschap voor elk van de twee overeenkomsten een totaal verschillend model heeft gebruikt. Enkel de overeenkomst voor een korte duur vermeldt dat het gaat om een model afkomstig van Partena. Enkel de overeenkomst voor een langere duur vermeldt de persoon die namens de werkgever ondertekent. Ook de voetnoten zijn verschillend : in de overeenkomst voor een korte duur staat uitdrukkelijk dat de bepaalde duur slechts geldig is indien de overeenkomst door de werknemer ondertekend wordt uiterlijk op het tijdstip waarin hij in dienst treedt. Indien er werkelijk op dezelfde dag twee overeenkomsten werden ondertekend, lijkt het logisch dat de werkgever hetzelfde model zou hebben gebruikt.
(5)De volgende wettelijk bepalingen konden voor de vennootschap de reden zijn geweest om de overeenkomst te antidateren , zoals de heer S aanvoert: - Art.
- Wanneer de partijen verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd hebben afgesloten zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer, worden zij verondersteld een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan, behalve wanneer de werkgever het bewijs levert dat deze overeenkomsten gerechtvaardigd waren wegens de aard van het werk of wegens andere wettige redenen. - Art. 10bis. §
- In afwijking van artikel 10 kunnen opeenvolgende overeenkomsten voor een bepaalde tijd worden gesloten onder de voorwaarden bepaald bij § 2 en § 3 van dit artikel. §
- Er kunnen maximum vier overeenkomsten voor een bepaalde tijd worden gesloten, waarvan de duur telkens niet minder dan drie maanden mag bedragen zonder dat de totale duur van deze opeenvolgende overeenkomsten twee jaar mag overschrijden. - Art. 11 Zo na het verstrijken van de termijn de partijen voortgaan met de uitvoering van de overeenkomst, dan gelden voor deze overeenkomst dezelfde voorwaarden als voor de overeenkomst voor onbepaalde tijd.
- Al de voormelde elementen samen leveren ernstige en precieze aanwijzingen op die met elkaar overeenstemmend zijn waarmee op overtuigende het bewijs door vermoedens is geleverd dat de arbeidsovereenkomst pas in januari 2020 werd ondertekend en dus niet op 1 juni
- Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 12 In het licht van de voormelde elementen kan uit het feit dat de vakorganisatie in de eerste ingebrekestelling van 11 februari 2021 nog schreef dat de heer S op 1 juni 2018 een arbeidsovereenkomst had ondertekend voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020, niet afgeleid worden dat er geen sprake zou zijn geweest van antidateren. Het blijkt duidelijk uit deze brief dat de vakorganisatie verkeerdelijk meende zich te kunnen beperken tot de stelling dat de arbeidsovereenkomst nietig was omdat deze voor een duurtijd van meer dan twee jaar was gesloten (wat wettelijk nochtans niet verboden was), zonder verder standpunt in te nemen over het al dan niet antidateren. De vennootschap beweert ook nog dat er sprake is van een gerechtelijke bekentenis waar in het verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank stond vermeld “ Vanaf 14 maart 2020 diende hij terug te vallen op de tijdelijke werkloosheid omwille van COVID-19.Hij heeft nooit het werk hervat. De arbeidsovereenkomst werd ook niet verlengd”. Met deze vermelding bedoelde de heer S klaarblijkelijk niet meer dan dat er formeel geen verlenging van de arbeidsovereenkomst werd overeengekomen, gezien hij zijn vordering in ditzelfde verzoekschrift juist in essentie steunde op het feit dat de bestaande arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur geantidateerd was. De vennootschap verwijst ook nog naar artikel 1322 Oud Burgerlijk Wetboek : “Een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept, of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, heeft tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijskracht als een authentieke akte. (…).” De heer S heeft nooit betwist dat hij de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Hij betwist wel de datum waarop dit gebeurd is.
- Aan dit alles doet evenmin afbreuk het feit dat de heer S op basis van het enige C4- formulier waarover hij beschikte, alvast meteen werkloosheidsuitkeringen heeft aangevraagd. Uit de loonstaten blijkt dat hij vijf kinderen ten laste had. Hij viel plots zonder inkomsten midden in de tweede “Lockdown” in de horeca ten gevolge van de Covid 19 pandemie. Hij maakte via zijn vakorganisatie overigens tegenover de werkgever reeds met een eerste ingebrekestelling van 11 februari 2021 aanspraak op een opzeggingsvergoeding, wat vanzelf inhield dat hij de werkloosheidsuitkeringen zou moeten terugbetalen voor de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding. Het feit dat hij werkloosheidsuitkeringen ontving op basis van de foutieve vermeldingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in het C4-formulier belette de heer S niet om nadien in te roepen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur geantidateerd was zodra hij dit met behulp van zijn vakorganisatie kon aantonen. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 13
- Aangezien de schriftelijke arbeidsovereenkomst met als datum van ondertekening 1 juni 2018 voor de periode van 1 juni 2018 tot 31 december 2020 niet werd ondertekend voor de aanvang van de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst, dient deze arbeidsovereenkomst te worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
- Wat betreft de wijze waarop de arbeidsovereenkomst werd beëindigd, kan verwezen worden naar de volgende arresten van het Hof van Cassatie (www.juportal.be): - arrest van 10 maart 2014 (S.12.0019.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140310.2): “
- De onregelmatige beëindiging door de partij die de beëindiging van de overeenkomst vaststelt, kan wettig worden afgeleid uit het feit dat die partij zich daartoe ten onrechte op overmacht beroept of aan de wederpartij onterecht verwijt de arbeidsovereenkomst te hebben beëindigd.
- De rechter dient daarbij niet vast te stellen dat die partij de bedoeling had zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen. “ - arrest van 8 september 2014 ( S.13.0116.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140908.2): “Tweede middel Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is, krachtens artikel 39, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Het arrest stelt vast dat "de laatste overeenkomst als ‘weekendist' van de verweerder mondeling gesloten werd om te werken tijdens het weekend van 18 en 19 augustus 2001" en dat aan de verweerder vervolgens geen werk meer aangeboden werd, en oordeelt dat die "laatste overeenkomst [...], net als de voorgaande, niet geldig is en onderworpen is aan dezelfde voorwaarden als de overeenkomsten voor onbepaalde tijd." Die overwegingen waaruit blijkt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die geherkwalificeerd is tot een overeenkomst voor onbepaalde tijd doordat ze op het einde ervan niet hernieuwd werd, onregelmatig verbroken heeft, volstaan om de beslissing die aan de verweerder het recht op de door hem gevorderde vervangende opzeggingsvergoeding toekent, naar recht te verantwoorden. De andere overwegingen van het arrest die het middel ter discussie stelt, zijn derhalve overtollige redenen. - arrest van 30 september 2013 (S.12.0142.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.4): “Tweede onderdeel Is de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, dan is, krachtens artikel 39, § 1, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 14 of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Het arrest dat oordeelt dat het niet vernieuwen op de vervaldatum van de laatste overeenkomst van bepaalde duur een onregelmatige beëindiging vormt van de overeenkomst die aangemerkt is als arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, verantwoordt naar recht zijn beslissing om de eiseres te veroordelen tot het betalen van een opzeggingsvergoeding.”.
- De vennootschap liet haar werknemer, de heer S , in januari 2020 een door haar opgestelde en geantidateerde arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur ondertekenen, met als eind datum 31 december
- Zij deed dit bewust met de bedoeling om in strijd met de hoger vermelde wettelijke bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur te sluiten ook al was dit wettelijk niet toegelaten. De vennootschap kende als ervaren werkgever in de horeca ongetwijfeld de regels inzake (opeenvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur. Zoals vermeld hierboven, werd in een voetnoot van de arbeidsovereenkomst ook uitdrukkelijk vermeld dat deze door de werknemer ondertekend moest worden voordat hij in dienst trad. De vennootschap betwist niet dat er sinds oktober 2020 een volledige lockdown van de horeca was en al haar restaurants gesloten waren, zoals de heer S uiteenzet in zijn conclusies. De vennootschap heeft zich na 31 december 2020 gesteund op de einddatum van de geantidateerde arbeidsovereenkomst, door - enerzijds de heer S niet verder tewerk te stellen en ook niet verder de formaliteiten te vervullen opdat har werknemer na die datum verder onder het stelsel van tijdelijke werkloosheid viel ; - anderzijds aan de heer S een C4 formulier te overhandigen waarin zij verklaarde dat de tewerkstelling eindigde op 31 december 2020, waarbij zij als reden van de beëindiging aankruiste dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur een einde had genomen. Doordat de vennootschap zich aldus beriep op een onrechtmatige constructie en een niet bestaande einddatum van de arbeidsovereenkomst, heeft zij de bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur op 31 december 2020 beëindigd en heeft zij ondubbelzinnig blijk gegeven van haar wil om de samenwerking te beëindigen. Bijgevolg is zij een opzeggingsvergoeding verschuldigd. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 15
- Er bestaat geen betwisting over dat de opzeggingsvergoeding gelijk is aan het loon voor 12 weken. De heer S berekent de opzeggingsvergoeding als volgt: Loon (inclusief EP) (13,3522 EUR p/u x 38u x 12w x 13/12) + Sectoraal pensioen: (13.3522 EUR p/u x 38u x 12w x 1%) + Ecocheques (250 EUR p/j x 12w / 52w) + Zondagspremie (48 EUR x 12m x 12w / 52w) = 6.595,99 EUR bruto De vennootschap werpt terecht op dat in het paritair comité 302 voor het hotelbedrijf de eindejaarspremie van een arbeider niet wordt betaald door de werkgever maar wel door het sectoraal fonds, zodat deze premie niet dient te worden opgenomen in de opzeggingsvergoeding. De heer S toont niet concreet aan waar “de zondagspremie” van 48 euro per maand uit blijkt. Het hof neemt daarom de bedragen die de vennootschap vermeldt in aanmerking als loon dat werd betaald voor zondagswerk in de laatste 12 maanden: - in januari 2020 : 60,00 euro, - in februari 2020 : 36,00 euro - in maart 2020 : 8,00 euro, hetzij 104 euro in totaal. Gezien de heer S in de overige maanden helemaal niet heeft gewerkt, dient het gemiddelde op jaarbasis berekend te worden zoals vermeld hierna. De opzeggingsvergoeding bedraagt: 6.298,49 euro bruto: 12 weken x 38 uur/week x 13,3522 euro /uur = 6.088,60 euro sectoraal pensioen : 48 weken x 38 uur x 13,3522 euro x 1 % x 12/52 = 56,20 euro ecocheques : 250,00 euro x 12/52 = 57,69 euro gemiddeld zondagloon : 104,00 euro : 13 weken x 12 = 96 euro.
- De vennootschap dient een nieuw C4-formulier af te leveren, met vermelding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door haar met betaling van een opzeggingsvergoeding. De kledijvergoeding, Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 16
- De vordering vindt haar grondslag in de algemeen verbindend verklaarde cao van 22 maart 1989 betreffende de werk-uniformen, zoals gewijzigd bij cao van 23 oktober 2007 , gesloten in het paritair comité 302 voor het hotelbedrijf. Deze cao bepaalt: - Artikel 2: “ In overeenstemming met de tradities en de gebruiken van het hotelbedrijf, worden de werknemers, waarvan de functie het dragen van een uniform vereist, geacht te beschikken over de hierna opgesomde gestandaardiseerde werkuniformen om hun beroep uit te oefenen: A. Kokspersoneel : Man : witte jas en broek, genaamd "koksjas en -broek", in linnen of katoen, witte muts of kap, schort en halsdoek. […] E. Andere functies dan deze welke zijn opgenomen onder A, B C en D: Mannen : vest (“veston”), aangepaste broek, hemd met boord, schoenen en sokken.(…)”. - Artikel 4: “Wanneer de werkgever de gestandaardiseerde uniformen niet levert en niet zorgt voor het onderhouden en wassen ervan, ontvangen de werknemers, die dit ten last nemen, de volgende vergoeding: - 1,41 EUR per arbeidsdag, voor het leveren van de uniformen en - 1,41 EUR per arbeidsdag, voor het onderhouden en wassen van de uniformen. Wanneer de werkgever niet zorgt voor het onderhouden en wassen van de gelijkgestelde werkuniformen, ontvangen de werknemers, die dit ten laste nemen, de volgende vergoeding: 1,41, EUR per arbeidsdag, voor het onderhouden en wassen van de uniformen. Het staat vast dat deze vergoedingen welke de terugbetaling van beroepslasten zijn, in generlei geval mogen worden beschouwd als loon; dientengevolge geven ze geen aanleiding tot het innen van bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing.(…) Op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2008 worden deze vergoedingen geïndexeerd in functie van de reële evolutie van het viermaandelijks gemiddelde van het gezondheidsindexcijfer van de laatste 12 maanden (november jaar -1 tegenover november jaar -2).(…) Worden met gestandaardiseerde werkuniformen gelijkgesteld, elk éénvormig werkuniform dat door de werkgever aan de werknemers wordt ter beschikking gesteld en opgelegd". - Artikel 6: “Het aanschaffen van de niet gestandaardiseerde en niet gelijkgestelde werk uniformen waarvan het dragen aan de werknemers van de onderneming wordt opgelegd, valt volledig ten laste van de werkgever die het dragen ervan verplicht en die er het volledig eigendom over behoudt.” Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 17
- De vennootschap verklaart dat ze zelf gestandaardiseerde werkkledij met het logo van de onderneming ter beschikking stelde aan het personeel maar dat de heer S weigerde om dit te dragen en verkoos om zijn eigen werkkledij te dragen. Zij kan dus moeilijk blijven betwisten dat de heer S als keukenhulp niet in aanmerking kwam voor de gestandaardiseerde werkkledij. De heer S werkte als keukenhulp, wat vuil werk is zodat werkgever ook reeds op basis van de Welzijnswet verplicht was werkkledij ter beschikking te stellen en te onderhouden. De vennootschap levert geen overtuigend bewijs van haar beweringen. Zij bewijst ook niet dat zij de eigen werkkledij van de heer S schoonmaakte. Zij brengt ook het arbeidsreglement niet bij zodat niet blijkt dat er een regeling bestond die haar beweringen kan ondersteunen. Hoe dan ook blijkt niet dat de heer S zou hebben verzaakt aan de vergoeding waarop hij op basis van de cao recht had doordat hij zelf voor zijn werkkledij instond. Bijgevolg is de vergoedingen zoals bepaald In de voormelde cao en zoals toegekend door de eerste rechter verschuldigd. Het gevorderde bedrag wordt als dusdanig niet betwist. VI. De beslissing van het arbeidshof Het hof verklaart het hoger beroep gegrond. Het hof verklaart het incidenteel beroep ongegrond. Het hof hervormt het vonnis gedeeltelijk. Het hof verklaart de vorderingen van de heer S in de volgende mate gegrond. Het hof veroordeelt de bv B C tot betaling van : - een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6.298,49 euro bruto, - een kledijvergoeding gelijk aan 1.638,48 euro netto , - de wettelijke en de gerechtelijke interesten op deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid. Het hof veroordeelt de bv B C tot de afgifte van de loonbrieven en een C4-formulier in overeenstemming met dit arrest, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 10 euro per dag vertraging dat één of meerdere documenten niet werden afgeleverd; Het hof zegt dat de dwangsom zal worden verbeurd met ingang van één maand na de betekening van het arrest en dat de dwangsom niet zal verschuldigd zijn boven het bedrag van 5.000 euro. Arbeidshof te Brussel – 2023/AB/52 – p. 18 Het hof veroordeelt de bv B C tot de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof legt de bijdrage van 22 euro voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand in eerste aanleg ten laste van de bv B C , terug te betalen aan de heer S . Het hof legt de bijdrage van 24 euro voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand in hoger beroep ten laste van de bv B C , terug te betalen aan de heer S . Dit arrest wordt gewezen en ondertekend door : , kamervoorzitter, , raadsheer in sociale zaken, werkgever, , raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, Bijgestaan door , griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 9 september 2024 van de 5e kamer waar aanwezig waren : , kamervoorzitter, , griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2024:ARR.20240909.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140310.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140908.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div