id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Antwerpen Vonnis/arrest van 21 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080121.1 Rolnummer: 03/54/A Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-01-23 Raadplegingen: 751 - laatst gezien 2026-07-02 16:53 Fiche Vereisten voor een lasterlijke aangifte zoals bedoeld in art. 445 Sw.:
- een spontane aangifte bij de overheid. Dat is niet het geval wanneer degene aan wie lasterlijke aangifte wordt verweten zelf wordt opgeroepen om verhoord te worden.
- een mogelijk nadeel in hoofde van degene lastens wie de aangifte wordt gedaan.
- een valse aantijging. Van valse aantijging is sprake wanneer de aantijging vals is of niet kan bewezen worden. Het is niet vereist dat het ganse aangegeven feit vals is.
- een kwaadwillig opzet in hoofde van de aangever. Het is daarbij niet noodzakelijk vereist dat de aangever, op het tijdstip van de aangifte, wist dat de door hem aangegeven feiten niet op waarheid berustten, kwaad opzet kan ook bestaan wanneer de aangever redenen had om te twijfelen aan de waarheid van de feiten of aan de mogelijkheid ze te bewijzen. Wat de werkelijkheid van de ten laste gelegde feiten betreft, ligt de bewijslast bij de aangever. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Laster en eerroof Vrije woorden: LASTERLIJKE AANGIFTE: Criteria - Bewijslast - Schade Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 445 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 447 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Hervormd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, tweede kamer, van 13 mei 2009 inzake 2008/AR/345 en 2008/AR/
- Tekst van de beslissing Rolnummer : 03-54-A van : 21/01/2008 Rep nr. VONNIS : gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te TURNHOUT, op MAANDAG EENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ACHT; in de Openbare zitting van de VIJFDE KAMER, van de RECHTBANK van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Turnhout, alwaar zetelden : R.VINCKX...............................................................................................Enig Rechter, Voorzitter J. THYS............................................................................................................................ Griffier INZAKE : S. E., ambtenaar, geboren te (...) op (...), wonende te (...); Eiser alhier ter zitting in persoon; TEGEN :
- G. H., geboren te (...) op (...), wonende te (...); eerste verweerster alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr. A. Dockx, loco Mr. J. Peeters, advocaat te 2300 TURNHOUT, Gemeentestraat nr. 4 b 6; 02.a G. R., geboren te (...) op (...) en 02.b H. G., geboren te (...) op (...), beiden wonende te (...); tweede en derde verweerders alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr. M. De Backer, advocaat te 2300 TURNHOUT, Wouwerstraat nr. 1; Gezien de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: -de inleidende dagvaarding, betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Stefan Vandensavel te Turnhout op 31 december 2002; -de beschikking bij toepassing van art. 747, § 2, Ger.W., van 25 april 2007; -de besluiten van eerste verweerster, neergelegd ter griffie op 24 mei 2007 en 12 oktober 2007; -de besluiten van tweede en derde verweerder, neergelegd ter griffie op 15 juni 2007; -de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 13 september 2007 en 11 december 2007; -de nota van eerste verweerster, neergelegd ter zitting van 24 december
- Gehoord eiser in persoon en verweerders bij monde van hun voormelde raadslieden, in hun middelen en besluiten op de openbare zitting van 24 december
- Gezien de stukken van partijen. I. FEITEN Eiser en eerste verweerster hadden een relatie van juni 1996 tot midden
- Eiser was op dat ogenblik gehuwd met (...). Tweede en derde verweerder zijn de ouders van eerste verweerster. Eerste verweerster geraakte een eerste maal in verwachting van eiser. Zij liet na twintig weken zwangerschap een abortus uitvoeren in Nederland op 29 september
- Volgens verweerders gebeurde dit op hevig aandringen van eiser, volgens eiser wist hij vooraf nergens van. Nadien werd eerste verweerster een tweede maal zwanger en op 23 augustus 1999, na het einde van de relatie met eiser, werd (...) geboren. Omdat eiser haar niet wilde erkennen, liet eerste verweerster hem dagvaarden voor deze Rechtbank. Bij vonnis van de tweede kamer van 25 mei 2000 werd een DNA-onderzoek bevolen. Eiser bood zich niet aan voor dat onderzoek, waarna bij vonnis van de tweede kamer van 26 april 2001 werd geoordeeld dat hij de vader is. Het hoger beroep van eiser tegen dit vonnis werd ongegrond verklaard bij arrest van de derde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni
- Op incidenteel beroep werd eiser veroordeeld tot een maandelijkse onderhoudsbijdrage van euro 200,-. Daarnaast werd hij bij toepassing van (oud) art. 1072bis Ger.W. ambtshalve veroordeeld tot een geldboete van euro 1.500,- wegens tergend en roekeloos hoofdberoep. Bij verzoekschrift van 3 juni 2003 aan de Vrederechter te Turnhout verzocht eiser de toegekende onderhoudsbijdrage te verminderen. Bij vonnis van 5 september 2003 stelde de Vrederechter zijn afstand van geding vast. Verweerders legden verschillende klachten neer tegen eiser, hetzij door een verklaring opgenomen in een proces-verbaal, hetzij door het versturen van brieven. Op 6 augustus 1999 legde eerste verweerster klacht neer bij de gerechtelijke politie te Turnhout (notitienummer TU.43.(...)/99) wegens bedreigingen en slagen, waarbij zij tevens meldde dat eiser haar in 1997 tot abortus zou gedwongen hebben. Zij liet een voorafgetypte verklaring voegen waarin zij toevoegde dat eiser misbruik zou maken van zijn machtspositie, en dat hij zijn zeer goede connecties met het drugsmilieu van (...) zou misbruiken. Zij verdacht hem ook van inbraak in haar woning. In hetzelfde dossier legde eerste verweerster op 12 september 1999 een aanvullende verklaring af. Zij voegde toe dat eiser haar zou chanteren met naaktfoto's en stelde dat eiser door zijn dossier gemakkelijk een dossier lastens haar zou kunnen aanleggen door drugs in haar woning te leggen en door haar te laten controleren op druggebruik ingevolge het gebruik van geneesmiddelen die dezelfde sporen zouden achterlaten. Bij brief van 13 januari 2000 aan de districtscommandant van de rijkswacht te Antwerpen bevestigde de procureur des Konings bij deze Rechtbank het sepot van dossier TU.43.(...)/
- Tweede en derde verweerder schreven op 31 januari 2000 een aangetekende brief aan "de heer commandant van de rijkswachtbrigade" te (...). Ze verweten eiser dreigementen en valse verklaringen. Eiser zou door intimidatie of chantage hebben kunnen bekomen dat twee collega's onder eed voor de rechtbank vals getuigenis zouden hebben willen afleggen dat zij seksuele betrekkingen hadden gehad met eerste verweerster. Eiser zou bij B., werkgever van eerste verweerster, onder het mom van rijkswachter inlichtingen hebben opgevraagd over haar financiële toestand en getracht hebben met een eerrovend en lasterlijk schrijven haar te doen ontslaan. Gewezen vrienden van eerste verweerster zouden door eiser gedwongen zijn om verklaringen af te leggen. A. werd ontboden op de kazerne te Antwerpen. Zijn verklaringen zouden niet zijn genoteerd of ondertekend, afschrift van het PV zou wel worden opgestuurd. Zij vatten de handelwijze van eiser samen met het woord "gangsterpraktijken" en vreesden voor een wraakactie vanwege eiser, die genoeg personen in het milieu zou kennen om eventuele klussen in zijn opdracht te laten klaren. Kopie van de brief werd toegestuurd aan het Comité P. De districtscommandant stelde naar aanleiding van deze brief proces-verbaal AN.45.(...)/00 op. Op verzoek van het Comité P stuurde eerste verweerster op 10 maart 2000 een uitvoerige brief waarin een overzicht werd gegeven van het verloop van de relatie en de klachten lastens eiser werden herhaald. Het Comité P voerde een onderzoek, dat blijkbaar zonder gevolg werd gelaten. De procureur des Konings te Antwerpen bevestigde op 2 februari 2001 dat dossier AN.45.(...)/00 geseponeerd was. Op 5 maart 2001 legden eiser, zijn echtgenote en hun dochter bij onderzoeksrechter Vrints in deze Rechtbank klacht met burgerlijke partijstelling neer tegen de drie verweerders wegens laster en eerroof, lasterlijke aantijging, valse beschuldiging en belaging. Omdat de klagers meenden dat hun advocaat daarmee zijn mandaat te buiten was gegaan, trokken zij de klacht in. Conform de vordering van de procureur des Konings stelde de raadkamer in deze Rechtbank op 14 december 2001 vast dat hetzij ingevolge de intrekking van de klacht de rechtspleging geen doorgang kon vinden, hetzij er onvoldoende bezwaren bestonden. Daarop lieten eiser, zijn echtgenote en hun dochter de drie verweerders rechtstreeks dagvaarden voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Bij vonnis van 10 mei 2002 stelde die Rechtbank haar territoriale onbevoegdheid vast. Daarop begon eiser een procedure tegen zijn advocaat. Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 6 december 2005 werd deze veroordeeld om hem euro 1.520,73 en euro 1,-, meer interesten, te betalen. Partijen verwijten elkaar verder wederzijds belaging sinds het einde van hun relatie. Tot eind 2000 was eiser als opperwachtmeester lid van de rijkswachtbrigade te (...), sindsdien werd hij overgeheveld naar de lokale politie aldaar. Hij licht toe, zonder daarin te worden tegengesproken, dat hij sinds midden 1999 hoofd was van een onderzoekscel belast met (...), en in die hoedanigheid onder rechtstreeks gezag en leiding stond van de vertrouwensmagistraat (BOM-magistraat) op het Antwerpse parket. Sinds eind februari 2000 zou hij terug zijn ingeschakeld in de geüniformeerde dienst wegens het lopende onderzoek tegen hem, ingevolge de klachten van verweerders. II. VORDERINGEN Met de inleidende dagvaarding vroeg eiser veroordeling van verweerders, solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijt welk rechtsmiddel ook, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement, tot betaling van euro 1,- provisioneel. In besluiten vraagt hij veroordeling van verweerders tot betaling van euro 102.734,14, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 25 juni
- In ondergeschikte orde vraagt hij, alvorens recht te doen, de persoonlijke verschijning te bevelen van bepaalde derde personen, wat de Rechtbank begrijpt als een aanbod tot getuigenbewijs. De laatste besluiten van eiser betreffen louter een actualisering van de rechtsplegingsvergoeding. De voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis wordt in besluiten niet meer gevraagd. Verweerders vragen de vordering ongegrond te verklaren. Zowel eerste verweerster als tweede en derde verweerder vragen op tegeneis veroordeling van eiser tot betaling van euro 2.500,-, wat betreft eerste verweerster provisioneel, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. III. IN RECHTE A. Hoofdvordering A.
- Fout van verweerders De vordering van eiser is gesteund op enerzijds belaging en anderzijds lasterlijke aangifte vanwege verweerders. A.1.
- Lasterlijke aangifte
- Opdat sprake zou kunnen zijn van een lasterlijke aangifte zoals bedoeld in art. 445 Sw., moet sprake zijn van een spontane aangifte bij de overheid. Dat is niet het geval wanneer degene aan wie lasterlijke aangifte wordt verweten zelf wordt opgeroepen om verhoord te worden (Arnou, P., "Aanranding van de eer of de goede naam van personen. Overzicht van rechtspraak 1970-1992", in Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas, 63). De aangiftes van eerste verweerster op 6 augustus en 12 september 1999 zijn als dusdanig te beschouwen, evenals de brief van tweede en derde verweerder van 31 januari
- Deze laatste brief zou overigens, indien aan de andere vereisten voldaan is, een lasterlijke aangifte tegen een ondergeschikte kunnen uitmaken, nu zij gericht werd aan de commandant van eiser. De brief van eerste verweerster van 10 maart 2000 kan daarentegen geen lasterlijke aangifte uitmaken, nu zij werd geschreven aan het Comité P "verwijzend naar ons gesprek van 24/01 ll. en in antwoord op uw vraag". De inhoud ervan zal verder dan ook niet meer onderzocht worden.
- De lasterlijke aangifte vereist verder een mogelijk nadeel in hoofde van degene lastens wie de aangifte wordt gedaan. Daaraan is voldaan wanneer toekomstige voordelen (zoals promoties) of nadelen (zoals een overplaatsing) kunnen worden gemist of ondergaan (Arnou, P., l.c., 65). Ten deze stelt eiser dat hij bij de politiehervorming niet kon overgaan naar de Federale Politie te (...) ingevolge de strafonderzoeken die het gevolg waren van de aangiftes. De realiteit van deze stelling zal hierna worden onderzocht.
- Opdat van lasterlijke aangifte sprake zou kunnen zijn, moet de aantijging vals zijn. Van valse aantijging is sprake wanneer de aantijging vals is of niet kan bewezen worden. Het is niet vereist dat het ganse aangegeven feit vals is, het volstaat dat er valse elementen in voorkomen die kwaadwillig werden geuit en de betrokkene mogelijks nadeel kunnen berokkenen (Arnou, P., l.c., 65). Aangezien aan verweerders een misdrijf wordt verweten, geldt de bewijsregeling van het strafrecht (Cass., 7 maart 2005, R.W., 2005-06, 785). De verdeling van de bewijslast inzake laster, eerroof en lasterlijke aangifte is vervat in art. 447 Sw., zoals gewijzigd bij wet van 4 juli
- Wanneer het strafonderzoek betreffende de feiten vervat in de aangifte geseponeerd wordt, zoals ten deze het geval was, komt het aan rechter die moet oordelen over de vordering wegens lasterlijke aangifte toe om te oordelen over de waarachtigheid van het aangetijgde feit, waarbij de bewijslast van de waarheid daarvan rust bij degene die aangifte heeft gedaan, ten deze verweerders (Arnou, P., "De wet van 4 juli 2001 en het prejudicieel geschil inzake laster en lasterlijke aangifte", R.W., 2001-02, 838). Wat betreft het misdrijf lasterlijke aantijgingen tegen een ondergeschikte gold reeds vóór de wet van 4 juli 2001 dat het bewijslast omtrent het aangetijgde feit bij de aangever lag, aangezien het een bijzondere vorm van laster en eerroof betreft, zij het zonder het vereiste van de in art. 444 Sw. bedoelde openbaarheid (Arnou, P., "Aanranding van de eer of de goede naam van personen. Overzicht van rechtspraak 1970-1992", in Om deze redenen. Liber Amicorum Armand Vandeplas, 74-75). Verweerders voeren geen enkel bewijs of begin van bewijs aan betreffende de in hun aangiftes vermelde aantijgingen, en formuleren daartoe ook geen bewijsaanbod. Er liggen verder geen stukken voor die de aantijgingen aannemelijk maken, mede gelet op de seponering van beide strafdossiers. Integendeel bevestigde tijdens het onderzoek een collega van eiser dat hij seksuele betrekkingen had gehad met eerste verweerster, en werd het proces-verbaal teruggevonden, opgesteld op 1 december 1999, waarin A. een verklaring aflegde en ondertekende. De brief die eiser aan B. zou hebben gestuurd over eerste verweerster werd daar niet teruggevonden (stuk 68 van eiser). Verhoor van de collega's van eiser als getuige is dan ook overbodig. Daarmee staat het valse karakter van de ten laste gelegde feiten in rechte vast.
- Verder is voor het misdrijf van lasterlijke aangifte een kwaadwillig opzet vereist in hoofde van de aangever. Het is daarbij niet noodzakelijk vereist dat de aangever, op het tijdstip van de aangifte, wist dat de door hem aangegeven feiten niet op waarheid berustten. Het bestaan van kwaad opzet kan weliswaar worden afgeleid uit de omstandigheid dat de aangever ten tijde van de aangifte wist dat de door hem aangegeven feiten niet op waarheid berustten. Daaruit volgt evenwel niet dat die kennis een vereiste is voor het misdrijf, aangezien kwaad opzet ook kan bestaan wanneer de aangever redenen had om te twijfelen aan de waarheid van de feiten of aan de mogelijkheid ze te bewijzen (Cass., 19 juni 1991, Arr. Cass., 1990-91, nr. 541). Dat was ten deze het geval. De bedreigingen die eiser zouden hebben geuit berusten louter op een eenzijdige bewering van eerste verweerster. Van de slagen ligt geen bewijs voor, bijvoorbeeld een medisch attest of foto's. De omstandigheden waarin eerste verweerster een abortus liet uitvoeren, zijn niet uitgeklaard, gezien de tegenstrijdige standpunten. Enig concreet misbruik van functie blijkt niet. Van inbraak in de woning van eerste verweerster ligt geen bewijs voor. De onjuistheid van de inhoud van de brief van tweede en derde verweerder blijkt uit het onderzoek, zodat niet blijkt dat zij bij het schrijven van de brief geen redenen hadden om aan de inhoud ervan of de bewijsbaarheid van de aangehaalde feiten te twijfelen.
- De openbaarheid bedoel in art. 444 Sw. is niet vereist voor het misdrijf van lasterlijke aangifte (Arnou, P., l.c., 62). Hoe laakbaar de houding van eiser in de relatie met eerste verweerster mogelijk zou kunnen geweest zijn - zij was dat alleszins in de afstammingsprocedure, gelet op de ambtshalve veroordeling tot een geldboete - verweerders waren niet gerechtigd dergelijke verklaringen lastens eiser af te leggen. Hun fout staat vast. A.1.
- Belaging Wat de verwijten inzake belaging betreft, moet de Rechtbank vaststellen dat zij gesteund zijn op tegenstrijdige verklaringen, zonder objectieve aanwijzingen in de ene of andere zin. De verklaringen van de echtgenote van eiser kunnen daarbij niet als voldoende objectief worden beschouwd, zodat er ook geen reden is om haar als getuige op te roepen. De blijkbaar onjuiste aangifte die eerste verweerster deed lastens de echtgenote van eiser betreffende feiten op 6 oktober 1999 omstreeks 14.00 uur te Turnhout, terwijl zijn echtgenote op dat ogenblik aan het werk was (...) te Antwerpen, houdt geen belaging in, zeker niet van eiser die in deze als enige klacht neerlegt. Op dit punt is geen fout van verweerders bewezen. Bovendien blijkt niet dat de aangehaalde feiten andere schade zouden hebben veroorzaakt dan de lasterlijke aangiftes. A.
- Schade van eiser A.2.
- Verlies van een bediening en daaraan verbonden inkomstenderving Eiser stelt dat hij ingevolge de lopende strafonderzoeken bij de politiehervorming niet kon overstappen naar de federale politie, en daardoor definitief de daaraan verbonden hogere wedde heeft verloren. De Rechtbank neemt aan dat deze stelling juist kan zijn, op grond de door eiser voorgelegde documenten. Op 14 september 2000 werd binnen de Rijkswacht plaatsaanbieding PA 020900 bekendgemaakt, voor plaatsen bij de BOB in gans Vlaanderen. Kandidaten zouden moeten slagen voor een kennistest over strafwetenschappen en algemene politietechnieken. Verder zouden zij een goede wijze van dienen moeten hebben. De vacante plaatsen zouden bij prioriteit worden toegewezen aan onder meer rijkswachters die op 28 april 2000 ten minste zes maanden als onderzoeker bij een BOB-eenheid of een speciale onderzoekscel zouden gedetacheerd zijn, categorie waarbinnen eiser viel. Een aanvullende nota van 17 oktober 2000 voorzag dat ongeveer 350 leden van de rijkswachtbrigades in het raam van de geplande politiehervorming zouden overstappen naar de gerechtelijke zuil van de federale politie. Gezien de vertrouwensfunctie die eiser uitoefende als leider van een onderzoekscel en in contact met de vertrouwensmagistraat, meent de Rechtbank dat eiser, destijds opperwachtmeester, zou slagen voor de kennistest. Eiser diende op 3 oktober 2000 zijn kandidatuur in voor alle vacante plaatsen bij de BOB in alle Vlaamse provincies. Zijn naam komt echter niet voor op een lijst van uitgenodigde kandidaten. Ter verklaring stelt eiser dat zijn kandidatuur onontvankelijk was omdat hij geen goede staat van dienen had. Algemene instructie A 8bis, Boek I, "De toekenning van bedieningen", bepaalde in afdeling 2, dat niemand op aanvraag de bediening zou verlaten die hij waarneemt als hij op het ogenblik van de plaatsaanbieding het voorwerp zou uitmaken van gerechtelijke of disciplinaire vervolgingen voor zover het lopende onderzoek de aanwezigheid van de aanvrager in zijn eenheid zou vereisen of de ten laste gelegde feiten als voldoende ernstig zouden worden beschouwd zodat de chefs zouden oordelen dat de aanvrager onwaardig is voor de aangevraagde gunst. Nadien stelde eiser zich opnieuw kandidaat, dit maal voor een functie van onderzoeker polygrafist bij het CBO ingevolge plaatsaanbieding PA 021100 van 9 november 2000, met als vereiste onder meer een bevredigende wijze van dienen hebben. Eiser licht toe dat hij niet geïnteresseerd was in de functie maar zich kandidaat stelde om aan te tonen dat hij nu wel in aanmerking kwam, nadat hij had vernomen dat de feiten volledig waren uitgeklaard en hem niets verweten kon worden. De Rechtbank wenst alvorens de vordering op dit punt nader te onderzoeken voorlegging van stukken, bijvoorbeeld vanwege zijn personeelsdienst of zijn toenmalige overste, waaruit blijkt dat hij in het voorjaar van 2000 werd teruggeplaatst in de geüniformeerde dienst omwille van de klachten van verweerders en dat hij niet mocht deelnemen aan de kennistest omwille van die klachten en/of de terugplaatsing in geüniformeerde dienst. De debatten worden daartoe heropend. Aangezien deze zaak werd vastgesteld vóór 1 september 2007, is art. 775 Ger.W., zoals vervangen bij wet van 26 april 2007, niet toepasselijk op huidig geding (art. 31 van die wet). In afwachting van de resultaten van de heropening ziet de Rechtbank nog geen reden om het terzake aangeboden getuigenverhoor reeds toe te staan of te weigeren. A.2.
- Vervoerskosten Volgens eiser had hij bij aanwijzing in de BOB rechtstreeks mutatie kunnen maken naar de gerechtelijke dienst te (...), zoals een collega van hem. Over deze vordering zal worden geoordeeld samen met de vordering onder A.2.
- Eiser wordt wel verzocht toe te lichten of hij sindsdien nog zijn mutatie naar een andere eenheid heeft gevraagd, in (...) of alleszins dichter bij huis. A.2.
- Morele schade Eiser vordert een vergoeding van euro 2.000,- meer interesten, voor de feiten gepleegd door verweerders. Nog afgezien van de later te onderzoeken vraag naar financieel verlies, moet inderdaad aangenomen worden dat de belastende verklaringen door verweerders bij de politiediensten, de commandant van eiser en het Comité P, zonder enige vorm van bewijs, hem morele schade hebben toegebracht. Deze zal op gepaste wijze vergoed zijn door toekenning van euro 1.500, te vermeerderen met interesten zoals gevorderd, nu op die dag de dossiers reeds geseponeerd waren. A.2.
- Medische kosten en verlies van ziektecontingent Eiser stelt dat hij ingevolge de feiten depressief werd, antidepressiva en slaapmiddelen moest nemen en daardoor 57 ziektedagen verloor. Ten bewijze legt hij ziekteattesten voor van 21 december 1999 inzake stress en slaapstoornissen en van 4 december 2000 inzake depressie, evenals voorschriften voor en rekeningen van geneesmiddelen van eind 1999 en gespreid over
- De ziekte van eiser blijkt daarmee wel, maar niet het oorzakelijk verband met de fouten van verweerders. De vastgestelde medische problemen konden evenzeer het gevolg zijn van situaties op het werk of in het privé-leven, buiten de zaak waarop dit geding betrekking heeft. Op dit punt is de vordering ongegrond. B. Tegenvordering De tegenvorderingen worden gesteld, hetzij tot vergoeding van kosten van verdediging, hetzij wegens tergend en roekeloos geding. De kosten van verdediging komen niet voor vergoeding in aanmerking boven de rechtsplegingsvergoeding (art. 1022, laatste lid, Ger.W.). Nu de fouten van verweerders werden vastgesteld, is van tergend en roekeloos geding geen sprake. OM DEZE REDENEN, en de rechtspleging geschied zijnde in het Nederlands, conform art.2,34,36,37 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der landstalen in gerechtszaken. DE RECHTBANK, vonnissend op tegenspraak en in eerste aanleg : Verklaart de hoofd- en tegenvordering ontvankelijk. Verklaart de tegenvordering ongegrond. Verklaart de hoofdvordering thans reeds in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt verweerders in solidum om aan eiser provisioneel DUIZEND EN VIJFHONDERD EURO ( euro 1.500,- ) te betalen, te vermeerderen met vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 25 juni 2001 tot heden en gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf heden tot volledige betaling. Verklaart de vordering van eiser wegens medische kosten en verlies van ziektecontingent en wegens morele schade boven voormeld bedrag ongegrond. Alvorens verder te oordelen, Beveelt de heropening van de debatten teneinde eiser toe te laten: -stukken voor te leggen waaruit blijkt dat hij in het voorjaar van 2000 werd teruggeplaatst in de geüniformeerde dienst omwille van de klachten van verweerders en dat hij niet mocht deelnemen aan de kennistest omwille van die klachten en/of de terugplaatsing in geüniformeerde dienst; -toe te lichten of hij sindsdien de mutatie heeft gevraagd naar een andere politiedienst. Stelt de zaak te dien einde op de zitting van maandag 3 maart 2008 om 9.00 uur. Houdt de beslissing betreffende de kosten aan. J. Thys R. Vinckx PDF document ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080121.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.