← België

ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080519.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Antwerpen Vonnis/arrest van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080519.6 Rolnummer: 07/1704/A Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-02 17:30 Fiche 1. De schorsing van de burgerlijke procedure geldt niet bij een opsporingsonderzoek. 2. Het verbod op permanent verblijf in een weekendhuisje is niet strijdig met het recht op behoorlijke huisvesting (art. 23, derde lid, 3°, GW), noch met het recht op bescherming van het gezinsleven (art. 8 EVRM). 3. Het permanent verblijf in een weekendhuisje, in strijd met de bouwvergunning, is een stedenbouwkundige inbreuk waarvoor het college van burgemeester en schepenen een herstelvordering kan stellen. De keuze van de herstelvordering komt toe aan het college. De Rechtbank kan en moet de interne en externe wettigheid van de vordering onderzoeken en onderzoeken of ze conform de wet is dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. 4. De definitieve inschrijving van een bewoner in de bevolkingsregisters belet niet de latere herstelvordering wegens onwettig permanent verblijf in een weekendhuisje. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Menswaardig leven - art. 23 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RIJKSREGISTER - Bevolkingsregister GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Huis Vrije woorden: Permanente bewoning van weekendverblijf. Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 23 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - 151 - 33 ELI link Pub nr 1999035652 Tekst van de beslissing A.R. nr: 07/1704/A van: 19 mei 2008 Rep.nr.: 07/1706/A VONNIS uitgesproken in het gerechtsgebouw Het Kasteel te Turnhout op MAANDAG NEGENTIEN MEI TWEEDUIZEND EN ACHT, in de openbare zitting van de VIJFDE KAMER van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het Gerechtelijk Arrondissement Turnhout, alwaar zetelden: R. VINCKX, Alleenzetelend Rechter; E. SNEYDERS, Griffier. I. A.R. 07/1704/A INZAKE VAN: HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE HERSELT, met zetel gevestigd te 2230 Herselt, Kerkstraat 1. -- eiser. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. F. Janssen, advocaat te 2230 Herselt, Aarschotsesteenweg 7. TEGEN: De heer X, wonende te 2230 Herselt, Z. -- verweerder. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. R. Coveliers, advocaat te 2018 Antwerpen, Edelinckstraat 17. II. A.R. 07/1706/A INZAKE VAN: HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE HERSELT, met zetel gevestigd te 2230 Herselt, Kerkstraat 1. -- eiser. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. F. Janssen, advocaat te 2230 Herselt, Aarschotsesteenweg 7. TEGEN: Mevrouw Y, wonende te 2230 Herselt, Z. -- verweerster. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. R. Coveliers, advocaat te 2018 Antwerpen, Edelinckstraat 17. * * * * * Gezien de stukken van de rechtspleging in zake A.R. 07/1704/A, in het bijzonder: - de inleidende dagvaarding, betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Michel Van Heertum te Mol van 13 september 2007, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Turnhout op 18 september 2007; - de beschikkingen bij toepassing van art. 747, § 2, Ger.W. van 10 oktober 2007 en 26 oktober 2007; - de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 9 november 2007, 10 januari 2008 en 28 februari 2008; - de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 10 december 2007 en 8 februari 2008. Gezien de stukken van de rechtspleging in zake A.R. 07/1706/A, in het bijzonder: - de inleidende dagvaarding, betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Michel Van Heertum te Mol van 13 september 2007, overgeschreven op het tweede hypotheekkantoor te Turnhout op 18 september 2007; - de beschikkingen bij toepassing van art. 747, § 2, Ger.W. van 10 oktober 2007 en 26 oktober 2007; - de besluiten van verweerster, neergelegd ter griffie op 9 november 2007, 10 januari 2008 en 28 februari 2008; - de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 10 december 2007 en 8 februari 2008. Gehoord partijen in beide zaken bij monde van hun voormelde raadslieden, in hun middelen en besluiten op de openbare zitting van 14 april 2008. Gezien de stukken van partijen. I. FEITEN Op respectievelijk 12 juni 2006 en 28 augustus 2006 deden Y en X bij de gemeente Herselt aangifte van hun adreswijziging naar hun eigendom op het adres Z te Herselt. Beide verweerders tekenden twee documenten van de gemeente Herselt voor kennisname, Y op 12 juni 2006 en X op 4 september 2006. Enerzijds verklaarden zij "ervan op de hoogte te zijn dat vestiging van hoofdverblijfplaats in voorgemelde eigendom niet is toegelaten en dat er onmiddellijk een procedure zal opgestart worden met het oog op het staken van het strijdig gebruik van dit weekendverblijf". Anderzijds namen zij kennis van een brief van de gemeente Herselt waarin hen werd gemeld dat wonen in een weekendverblijf het misdrijf van strijdig gebruik uitmaakt en dat na haar inschrijving onmiddellijk zou worden overgegaan tot het instellen van de procedure(

  1. s)die leiden tot het ophouden van het strijdig gebruik, en dat met het oog daarop reeds een advocaat was aangesteld. De reden van de mededelingen van de gemeente Herselt bij de aanvragen tot inschrijving is de stedenbouwkundige toestand van het betrokken perceel, kadastraal gekend gemeente Herselt, tweede afdeling, sectie G, nr. 439 E. Volgens het gewestplan Herentals-Mol is het gelegen in een zone voor verblijfsrecreatie. Voor de daar aanwezige woning werd door eiser een stedenbouwkundige vergunning verleend aan verweerders bij besluit van 31 januari 2005, onder de voorwaarde dat "een bestendig verblijf niet kan aanvaard worden". De Lokale Politie Zuiderkempen deed onderzoek naar de werkelijke bewoning van het pand, en stelde bij die gelegenheid op 21 juni 2006 lastens Y proces-verbaal op wegens inbreuken inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. Zij verklaarde onder meer dat zij eigenaar was van grond en chalet, dat zij er bij de aanvraag tot inschrijving van verwittigd werd dat het permanent verblijven in een weekendverblijf niet toegelaten was, dat zij geen andere eigendom had en aldaar wenste te worden ingeschreven vermits zij daar ook werkelijk verbleef. Na de aanvraag tot inschrijving van X werd een navolgend proces-verbaal opgesteld, maar X werd niet verhoord. Het strafdossier werd geseponeerd wegens beperkte maatschappelijke weerslag. Volgens de getuigschriften van woonst, gehecht aan de inleidende dagvaardingen, werd Y op het adres ingeschreven op 21 juni 2006 en X op 5 september 2006. Met aangetekende brieven van zijn advocaat, aan Y van 7 juli 2006, volgens poststempel verstuurd op 11 juli 2006, en aan X van 14 september 2006, volgens poststempel verstuurd op 19 september 2006, stelde eiser verweerders in gebreke wegens een inbreuk op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna "DRO"). Het college had, aldus de brief, opdracht gegeven de nodige gerechtelijke stappen te ondernemen strekkende tot het doen staken van de permanente bewoning in strijd met het DRO. Verweerders werden aangemaand om onverwijld andere huisvesting te zoeken, bij gebreke waaraan zij zouden worden gedagvaard. Op 4 september 2006 besliste eiser akkoord te gaan met het bijgevoegde ontwerp van dagvaarding tegen Y, houdende de herstelvordering op basis van art. 151 DRO. De motivering was de volgende: "Aangezien gedaagde op 12/6/2006 zich bij de bevolkingsdienst van de gemeente Herselt heeft aangeboden om aangifte van adreswijziging te doen met verzoek haar in te schrijven op het adres Z te 2230 Herselt; Dat de woning op en met grond waar de inschrijving werd gevraagd kadastraal wordt aangeduid als gelegen in de gemeente Herselt, 2e afdeling, sectie G, nr. 439e, gelegen volgens het gewestplan Herentals-Mol in een zone bestemd voor verblijfsrecreatie (K.B. 28.07.1978); Dat de wijziging zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van de hoofdfunctie van genoemd onroerend goed, bestemd voor verblijfsrecreatie, naar wonen inbreuk vormt op artikel 99 § 1 6° van het Decreet op de Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 (DRO) juncto art. 2 Besluit Vlaamse Regering dd 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, en trouwens strafbaar gesteld wordt door art. 146 DRO; Dat de gemeentelijke bevolkingsdienst gedaagde onmiddellijk er kennis van heeft gegeven dat de vestiging van haar hoofdverblijfplaats ter plaatse niet is toegelaten en dat procedure zal opgestart worden met het oog op de staking van het strijdig gebruik van het weekendverblijf; Aangezien de decreetgever in het Decreet op de Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 (art. 149 - 151 DRO) aan het college van burgemeester en schepenen de bevoegdheid heeft gegeven de herstelvordering inzake stedenbouw te stellen, o.m. om strijdig gebruik te doen staken. Dat verzoekster op grond van voornoemde artikelen beslist heeft voor de bevoegde Rechtbank het herstel in de vorige staat te vorderen door het staken van het strijdig gebruik, in casu de permanente bewoning; Dat verzoekster tevens vraagt een dwangsom op te leggen, als probaat middel om de staking van het strijdig gebruik te bekomen;" Op 2 oktober 2006 ging eiser akkoord met het bijgevoegd ontwerp van dagvaarding tegen X. De motivering ervan is identiek, behalve wat betreft de datum van verzoek tot inschrijving op 28 augustus 2006. De ontwerpen van dagvaarding houdende herstelvordering werd overgemaakt aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid als eerste stap in het kader van de procedure met het oog op staking van strijdig gebruik. Op 16 april 2007 verklaarde deze voor beide verweerders akkoord te gaan met de door eiser gevorderde herstelmaatregelen. Hij motiveerde zijn besluit als volgt: "Uit de elementen van het dossier blijkt dat de overtreding kadert in de algemene problematiek van het permanent bewonen van weekendverblijven. Op 27 juni 2002 werd in het Vlaams parlement een beleidsplan 'Problematiek weekendverblijven' neergelegd (stuk 1266 (2001-2002) - Nr. 1). Dit beleidsplan voorziet ondermeer in een planmatige aanpak per cluster van weekendverblijven, waarbij de drie beleidsniveaus, nl. het Vlaams gewest, de provincies en de gemeenten, betrokken worden. Met de resolutie betreffende de problematiek van de weekendverblijven van 15 januari 2003 (stuk 1484 (2002-2003) - Nr. 3) wordt aan de Vlaamse regering gevraagd bij het voeren van een concreet handhavingsbeleid inzake de weekendverblijven uit te gaan van volgende krachtlijn: 'Zolang de Vlaamse regering de planologische voorstellen van de gemeente niet heeft aanvaard, worden de inbreuken in verband meet de illegale weekendverblijven vastgesteld in processen-verbaal. Voor de clusters in de gemeenten, die zich effectief tot het opmaken van een inventaris bereid hebben verklaard, wordt aan de administratie opdracht gegeven, zowel op het ogenblik van het overmaken van de herstelvordering aan het parket als op het ogenblik van het uitvoeren van de definitieve gerechtelijke uitspraak, om iedere verdere procedure op te schorten tot de planologische uitspraak binnen het vooropgestelde tijdspad bekend is, voorzover dit niet leidt tot het verval van de strafvordering alsook zijn burgerlijke gevolgen of tot het verval van de uitvoering van de definitieve gerechtelijke uitspraak. Wanneer geen planmatige oplossing kan worden gerealiseerd en mits het weekendverblijf op 1 juli 1999 effectief permanent bewoond is door de huidige eigenaar en/of bewoner, dient de Vlaamse regering over de mogelijkheid te beschikken om de vordering tot afbraak om sociaal dwingende redenen te koppelen aan een uitdovend woonrecht op betreffende locatie tot op een billijke wijze in een geschikte herhuisvesting kan worden voorzien.' De raad stelt vast dat de in overtreding permanent bewoonde constructie deel uitmaakt van een groter geheel weekendverblijven dat gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie. In de bij de adviesaanvraag gevoegde checklist wordt m.b.t. de planningscontext het volgende vermeld: 'Het GRS (gemeentelijk ruimtelijk structuurplan) is reeds in opmaak, maar nog in onderzoeksstadium. Zonder dat met betreffende de toekomst van deze zone op de lange termijn definitieve uitspraken gedaan kunnen worden, is het duidelijk dat genoemde zone ingekleurd blijft als verblijfsrecreatiegebied'. Als bijlage aan deze checklist wordt bovendien een aanvullende motivering van de omgevingshinder gevoegd. Vermits de inschrijving van betrokkenen in het bevolkingsregister dateren van resp. 12 juli en 4 september 2006, d.i. na de datum van de motie van het Vlaams parlement gaat de raad akkoord met de motivering van de hierbij gevoegde herstelvordering." Volgens zijn besluit had hij kennis genomen van de besluiten van eiser van 4 september 2006 en 2 oktober 2006. Aan het advies werd vanwege eiser de nota inzake "aanvullende motivering van de omgevingshinder" gevoegd, die overeenstemt met een besluit van eiser van 27 november 2006, waarvan de voorgelegde kopie weliswaar uit een ander dossier komt. Eiser motiveerde in deze nota de vordering als volgt: "1. Situering van de problematiek van de verblijfsrecreatieve infrastructuur in de gemeente Herselt Tot de verblijfsrecreatieve infrastructuur behoren traditioneel de individuele weekendverblijven, de verblijfsparken, de vakantieparken en de campings. In de gemeente Herselt is er één camping aanwezig. Dit is camping 'Dry Eycken', centraal gelegen in de gemeente. Er zijn tevens kampplaatsen voor de jeugd beschikbaar: zone aan de Leeuwerikhove en een zone aan de lokalen van de Chirojongens van Herselt. De vestiging van weekendverblijven is een fenomeen dat enkele decennia geleden de grootste bloei heeft gekend. De aanwezigheid van rust en landschappelijke kwaliteiten zijn de belangrijkste vestigingscriteria gebleken. Zones voor verblijfsrecreatie werden op het gewestplan afgebakend. Echter, het ontbreken van een afdoend handhavingsbeleid heeft de aanwezigheid van zonevreemde verblijven in bossen en natuurgebieden in de hand gewerkt. In de gemeente Herselt komen ongeveer 1050 weekendverblijven voor. Ongeveer 930 van hen zijn gegroepeerd in zogenaamde 'clusters', andere zijn indiviueel ingeplant. Een cluster bestaat uit minstens 5 weekendverblijven, telkens binnen een straal van 100 m van elkaar gelegen. Door het Vlaams Gewest zijn 28 clusters gedefinieerd in de gemeente Herselt; zij vertegenwoordigen een oppervlakte van 274,6 ha. Bijna 19 % of 52 ha van deze oppervlakte is gelegen in kwetsbaar gebied. Slechts 21 % van de weekendverblijven in de clusters is vergund. 9 % is gelegen binnen een vergunde verkaveling voor weekendverblijven. Een probleem dat zich stelt in het merendeel van deze clusters is de permanente bewoning van de weekendverblijven. Op die manier oefenen zij een hogere druk uit op de omgeving. Eveneens kenmerkend voor zones met weekendverblijven is de aanwezigheid van een groot aantal particuliere visvijvers. 2. Storende effecten van permanente bewoning in gebied voor verblijfsrecreatie Weekendverblijven, zeker als ze permanent worden bewoond, hebben doorgaans een belangrijke impact op plant en dier. Dit wordt in de hand gewerkt door hun ligging in 'afgelegen' gebieden met vaak een hoge biologische waarde. Het zijn immers deze gebieden van rust en natuur die steeds een aantrekkingskracht hebben uitgeoefend voor de bouw van weekendverblijven. Ook de op de gewestplannen gelegen zones voor verblijfsrecreatie zijn meestal gelegen in of sluiten aan bij gebieden met belangrijke natuurwaarden. Veel concentraties van weekendverblijven zijn dan ook gelegen in natte depressies of op beboste duinenruggen. Waar een weekendhuisje wordt gebouwd verdwijnt vaak een waardevolle biotoop. Men stelt bovendien vast dat niet enkel de bebouwde oppervlakte wordt aangetast, maar ook de omgeving doordat mensen die weekendverblijven inrichten, de neiging hebben ook de bestaande bomen en planten uit de weg te ruimen en te vervangen door streekvreemde en gecultiveerde soorten. Vaak blijft de ontregeling van kwetsbare biotopen niet beperkt tot deze oppervlakte, onder meer door verstoring van de waterhuishouding. Een veel voorkomend probleem is de ontregeling van interessante moerasbiotopen door het graven van visvijvers bij weekendverblijven. Ook de vervuiling van oppervlaktewater vormt een reële bedreiging. Veel weekendverblijven liggen in waterrijke natuurgebieden, waar doorstroming van zuiver water de basisvoorwaarde vormt voor de instandhouding ervan. De inplanting van weekendverblijven in bos- en moerasgebieden werkt de versnippering van natuurgebieden in de hand. Hierdoor krijgen kwetsbare soorten het vaak moeilijk te overleven. Vaak direct minder waarneembaar, maar zeker niet minder direct is het effect op het fysisch milieu, zoals de waterhuishouding, zowel kwantitatief als kwalitatief. Weekendverblijven zijn vaak niet aangesloten op riolering; ze lozen dus ongezuiverd in het oppervlaktewater. Bij het permanent gebruik van een weekendverblijf wordt de hoeveelheid geproduceerd afvalwater bovendien nog opmerkelijk verhoogd, zowel qua gebruik toilet, douche, wasmachine etc. Tevens is er geen rioleringsnetwerk om dit afvalwater adequaat op te vangen en af te voeren naar een zuiveringsstation. Bovendien zijn veel weekendverblijven gelegen in depressies met een grondwaterstand die periodiek zeer hoog kan zijn, zodat de aanleg van bezinkputten en septische putten hier zinloos is. Dat kwetsbare biotopen hierdoor in gevaar komen werd hoger reeds besproken. Het graven van visvijvers, evenals de ophoging van terreinen kunnen belangrijke veranderingen in de grondwaterstand teweegbrengen. De ongecontroleerde inplanting van weekendverblijven heeft vaak een sterk negatieve impact op de visuele appreciatie van het landschap. Ook de aanleg van de omliggende terreinen met milieuvreemde planten werkt dit effect in de hand. Qua aspect mobiliteit kan worden gesteld dat de wegen in weekendzones enkel zijn uitgerust om 'sporadisch' verkeer op te vangen en niet voor de mobiliteit die gebruikelijk is in een 'woonzone'. Conclusie: De druk op de natuurlijke omgeving bij permanente bewoning neemt onaanvaardbaar toe, niet enkel op het vlak van de waterhuishouding zoals hierboven aangeduid, maar ook op het vlak van de mobiliteit. De bijgevoegde tabel (zie onderaan) geeft bovendien aan, dat momenteel reeds meer dan 200 weekendverblijven in onze gemeente permanent worden bewoond. Het gecumuleerd effect van de hogerbeschreven druk op het leefmilieu is dus enorm en dient dus met alle wettelijke middelen verder te worden afgeremd. Het doen ophouden van verdergaand 'strijdig gebruik' is dus cruciaal in het kader van het beleid omtrent bewoning van weekendverblijven in de gemeente Herselt." Navolgend stelde eiser verweerders andermaal in gebreke bij brief van zijn advocaat van 4 mei 2007. Bij gebreke aan vrijwillige verhuizing door verweerders volgde de dagvaarding. Eiser kadert de procedure in het beleid van de gemeente Herselt tegenover weekeindverblijven en de permanente bewoning ervan in de gemeente. Op 13 november 1991 besliste de gemeenteraad "als datum vanaf dewelke consequent repressief zal worden opgetreden ten aanzien van wederrechtelijk opgetrokken weekendverblijven en ten aanzien van permanent verblijf in weekendverblijven gelegen op het grondgebied van onze gemeente wordt 25 februari 1991 vooropgesteld". Op 29 augustus 2005 besliste de gemeenteraad "het besluit van het college van burgemeester en schepenen bij te treden om voorlopig niet langer mensen in te schrijven in de bevolkingsregisters, die woonachtig zijn of willen worden, in al dan niet wettelijk opgerichte recreatieve verblijven". Artikel 2 van het niet-voorgelegde besluit van eiser van 4 juli 2005 werd geschorst bij besluit van de gouverneur van 18 november 2005, wegens de onverenigbaarheid met art. 16, § 2, K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, dat verbiedt de inschrijving te weigeren omwille van urbanisme of ruimtelijke ordening. Verweerders leggen kopies voor uit het gemeenteblad van Herselt van juli 2006, waarin het beleid wordt uiteengezet. Daarin wordt ook gesteld dat het gemeentebestuur zich engageerde "ten aanzien van inwoners van weekendverblijven die zich lieten inschrijven vóór de hierboven aangehaalde scharnierdatum van februari 1991, om tegen deze mensen geen vordering(
  2. en)in te stellen! Deze bewoners van Herselt dienen zich dus zeker geen zorgen te maken!". Thans is de gemeente Herselt één van drie pilootgemeentes in de provincie Antwerpen inzake de problematiek van de permanente bewoning van weekendverblijven. Volgens verweerders heeft Vlaamse minister Van Mechelen op 18 januari 2008 een nieuw ontwerp van decreet op de ruimtelijke ordening aangekondigd. Daarin zou worden gezocht naar een oplossing voor de problematiek van de weekendverblijvers. Er zou daarbij een levenslang uitdovend woonrecht worden voorzien. In het najaar zou het ontwerp worden voorgelegd aan het Vlaamse Parlement. II. VORDERINGEN Met de inleidende dagvaarding in beide zaken vroeg eiser, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement: - te zeggen voor recht dat de behandeling van de zaak slechts korte debatten vereist en dat zij behandeld zal worden op de inleidingszitting overeenkomstig het bepaalde in art. 735 Ger.W.; - de herstelvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; - verweerders te bevelen hun permanent verblijf in en/of strijdig gebruik van met name het onroerend goed gelegen te 2230 Herselt, Z, volgens kadaster gelegen in de gemeente Herselt, tweede afdeling, sectie G, nr. 439 E en volgens het gewestplan Herentals-Mol gelegen in de zone bestemd voor verblijfsrecreatie, te staken en de plaats te herstellen in zijn vorige staat; - verweerders een dwangsom op te leggen van euro 500,00 per vastgestelde inbreuk bij gebreke vrijwillig aan het op te leggen bevel te voldoen binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis; - ondergeschikt en voorzover behandeling ter inleidingszitting of op korte debatten niet mogelijk zou zijn, op grond van art. 19, lid 2, Ger.W. de toestand van partijen voorlopig te regelen, en dienvolgens verweerders voorlopig hetzelfde verbod en dezelfde dwangsom op te leggen tot hetzij definitieve en in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de herstelvordering ten gronde, hetzij het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de functiewijziging van voornoemd onroerend goed. In laatste besluiten vraagt eiser in beide zaken, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement: - verweerders te bevelen hun permanent verblijf in en/of strijdig gebruik van met name het onroerend goed gelegen te 2230 Herselt, Z, volgens kadaster gelegen in de gemeente Herselt, tweede afdeling, sectie G, nr. 439 E en volgens het gewestplan Herentals-Mol gelegen in de zone bestemd voor verblijfsrecreatie, te staken en de plaats te herstellen in zijn vorige staat; - verweerders een dwangsom op te leggen van euro 500,00 per vastgestelde inbreuk bij gebreke vrijwillig aan het op te leggen bevel te voldoen binnen de maand na betekening van het tussen te komen vonnis. Verweerders vragen de vorderingen ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Daarnaast vragen zij, uiterst ondergeschikt, conform art. 149, § 1, DRO een respijttermijn toe te kennen die voldoende lang is. III. PROCEDURE A. Voeging Beide zaken hebben betrekking op het zelfde kadastrale perceel en zijn gesteund op dezelfde aangevoerde inbreuk. Het komt dan ook gepast voor ze te voegen wegens samenhang. B. Formaliteiten van de procedure Overeenkomstig artt. 160 en 161 DRO werden de vorderingen overgeschreven op het hypotheekkantoor, zoals blijkt uit de vermelding op de dagvaarding, en in het vergunningenregister, zoals bevestigd in de brief van eiser aan de gerechtsdeurwaarder van 9 oktober 2007. C. Toepassing van art. 19, lid 2, Ger.W. De zaken werd niet voor behandeling weerhouden op de inleidingszitting, maar na akkoord over conclusietermijnen vastgesteld voor behandeling ten gronde. De argumentatie van verweerders over de toepassing van art. 19, lid 2, Ger.W. moet derhalve niet nader onderzocht worden. D. Schorsing van de procedure Verweerders vragen dat de procedure zou geschorst worden bij toepassing van art. 4 V.T.Sv. in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijke onderzoek. Deze stelling is achterhaald en onjuist. Zij is achterhaald, omdat eiser het bewijs van seponering van het opsporingsonderzoek voorlegt. Zij is onjuist omdat de in art. 4 V.T.Sv. vervatte regel (volgens het adagium "le criminel tient le civil en état") alleen geldt voor gerechtelijke onderzoeken en strafzaken ten gronde, en niet voor opsporingsonderzoeken. IV. IN RECHTE A. Implicaties van art. 16, § 2, K.B. 16 juli 1992 Gezien de betwiste stedenbouwkundige toestand, werden verweerders voorlopig ingeschreven bij toepassing van art. 16, § 2, lid 2, K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. In lid 3 van dezelfde paragraaf wordt bepaald dat de inschrijving definitief wordt "indien de bevoegde gemeentelijke overheid binnen drie maanden na de aanvraag de administratieve of gerechtelijke procedure, waarin door of krachtens de wet is voorzien, niet heeft ingezet om een einde te maken aan de aldus geschapen onregelmatige toestand". Huidig geding werd niet ingeleid binnen drie maanden na de inschrijving op 3 augustus 2006. Volgens verweerders volgt uit art. 16, § 2, lid 3, K.B. 16 juli 1992 dat een latere procedure niet meer mogelijk is. Hierin kunnen zij niet gevolgd worden. De federale reglementering inzake bevolkingsregisters kan immers geen afbreuk doen aan de gewestelijke reglementering inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. Dat de inschrijving definitief zou worden volgens de wetgeving inzake bevolkingsregisters, zou op zich geen afbreuk doen aan een eventuele stedenbouwinbreuk van strijdig gebruik door permanent verblijf. Ook de Minister van Binnenlandse Zaken wees er in zijn omzendbrief van 15 maart 2006 (B.S., 18 mei 2006; stuk 7 van eiser) op dat de definitieve inschrijving geenszins een legalisering van de situatie zou betekenen en dat ook na de definitieve inschrijving de vermelde gerechtelijke en administratieve procedures steeds zouden kunnen worden ingezet of voortgezet. B. Discriminatie door de gemeente Herselt 1. Verweerders verwijten de gemeente Herselt discriminatie in haar beleid, door haar beslissing niet op te treden tegen de permanente bewoners van weekendverblijven, ingeschreven vóór 25 februari 1991. Dit beleid is het gevolg van beslissing van de gemeenteraad van 13 november 1991, die blijkbaar nog steeds geldt. Eiser stelt dat het een loutere beleidsbeslissing betreft die niet het voorwerp uitmaakt van huidig geding en waarvan de geldigheid niet moet onderzocht worden. Daarin kan het niet worden gevolgd. Bij toepassing van art. 159 G.W. moet de Rechtbank de wettigheid van het besluit onderzoeken, nu het de basis is voor het beleid van eiser op grond waarvan het besliste huidig geding te voeren. Dit neemt niet weg dat er geen redenen zijn om te besluiten tot de on(grond)wettigheid van het besluit. Het onderscheid tussen bewoners die werden ingeschreven of hun inschrijving aanvroegen vóór en na 25 februari 1991 is objectief, want eenvoudig te bepalen op basis van de over de (aanvraag tot) inschrijving opgestelde stukken. Het onderscheid is tevens pertinent in het licht van het minstens sinds 1991 door de gemeente Herselt gevoerde beleid dat bij de aanvraag tot inschrijving onmiddellijk melding wordt gemaakt van het verbod tot permanente bewoning, wat voordien blijkbaar niet gebeurde. Het is niet onredelijk om als gemeentebestuur of, wat eiser betreft, stedenbouwkundige overheid, niet of niet prioritair op te treden tegen permanente bewoners van weekendverblijven jegens wie bij de inschrijving geen enkele opmerking over enig probleem is gemaakt, en wel tegen permanente bewoners van weekendverblijven jegens wie wel van in den beginne opmerkingen zijn gemaakt. Eiser kan tevens gevolgd worden dat het redelijk is, teneinde te vermijden dat het probleem groter zou worden en de oplossing te vereenvoudigen, een datum te bepalen vanaf dewelke inbreuken wel zullen worden bestreden. Een eventuele on(grond)wettigheid van het besluit van 13 november 1991 zou overigens niet leiden tot een onwettigheid of onontvankelijkheid van de vordering tegen verweerders, maar zou slechts kunnen leiden tot het besluit dat eiser een fout beging door niet op te treden tegen de voordien ingeschreven bewoners. 2. Verweerders verwijzen naar een brief van de burgemeester van de gemeente Herselt van 16 februari 1998 aan bestendig afgevaardigde Charles De Weze, waarin hij stelde "dat de problematiek van de weekendverblijven in onze gemeente dermate uit de hand is gelopen sedert de zestiger jaren, dat de sociale kost van een consequent repressieve benadering, onaanvaardbaar hoog zou zijn". Los van het stedenbouwkundig aspect was volgens hem sprake van een huisvestingsproblematiek. Het had volgens hem "bijgevolg weinig zin stedenbouwkundig repressief op te treden, wanneer geen alternatieven voorhanden zijn in de huisvestingssfeer". Volgens verweerders zou huidige procedure in strijd zijn met het alsdan ingenomen standpunt. Maar verweerders moeten de brief volledig lezen. Op het eerste blad ervan schreef de burgemeester immers reeds dat er vanaf 1989 sprake was van een "consequent aangehouden repressief beleid vanuit het college, met betrekking tot nieuwe inschrijvingen in de bevolkingsregisters", waarbij "alles dient in het werk gesteld om nog verder schrijdend permanent verblijf in weekendhuizen te vermijden". Inschrijvingen in tweede verblijven, aldus nog de burgemeester, werden "nog steeds" doorgegeven aan de politie om proces-verbaal op te stellen. Op het tweede blad van de brief, in de rubriek "permanent wonen in weekendhuisjes gelegen in goedgekeurde zones mét geldige bouwvergunning", zette de burgemeester verder uiteen dat "consequent repressief moet opgetreden blijven worden tegen nieuwe inschrijvingen in de categorie van weekendverblijven die hier worden bedoeld". Lezing van de brief van 16 februari 1998 leert derhalve dat het huidige optreden niet in strijd is met het daarin vertolkte standpunt, maar integendeel een consequente uitvoering ervan. C. Recht op huisvesting en bescherming van het privéleven 1. Volgens verweerders doet de vordering van eiser afbreuk aan hun recht op behoorlijke huisvesting, zoals vervat in art. 23, lid 3, 3°, G.W. Uit die bepaling kan evenwel niet worden afgeleid dat verweerders een onbeperkt recht zouden hebben om om het even waar permanent te wonen, zonder zich iets aan te trekken van de normen die de overheid heeft uitgewerkt om tot een ordentelijke ruimtelijke ordening te komen. De overheid heeft wel degelijk de bevoegdheid en zelfs de taak om het recht op wonen zo te organiseren dat de doelstellingen die zij wenst gerealiseerd te zien op het vlak van planning kunnen worden gecombineerd met het recht op wonen. Het recht op wonen van verweerders wordt niet onmogelijk gemaakt door het verbod om op permanente wijze te wonen op zijn huidig adres (vgl. Corr. Dendermonde, 14 juni 2004, T.M.R., 2005, 711). Het Vlaamse Gewest voert een huisvestingsbeleid en voorziet in sociale huisvesting. Evenwel leggen verweerders geen stukken voor over hun inkomens- en vermogenstoestand, zodat de Rechtbank niet kan bepalen wat de mogelijkheden van verweerders inzake huisvesting zijn, en voeren verweerders niet aan dat zij een sociale woning hebben aangevraagd, wat nochtans de normale handelwijze zou zijn indien zij op de particuliere markt geen huur- of koopwoning zouden kunnen vinden, eerder dan zelf te kiezen voor een illegale huisvesting. Verweerders leggen een afdruk voor van de website http://www.immoweb.be, met afdrukdatum 9 januari 2008, betreffende een opzoeking naar huurappartementen in Herselt. Als resultaat vonden zij twee appartementen, één aan euro 550,00 per maand en één aan euro 575,00 per maand. De gebruikte zoekcriteria blijken echter niet uit de afdruk, zodat de Rechtbank de werkelijke omvang van het aanbod niet kan nagaan. Bovendien was er voor verweerders geen reden om hun zoektocht te beperken tot Herselt, nu zij volgens zijn aangifte van adreswijziging en de getuigschriften van woonst, gehecht aan de inleidende dagvaardingen, voorheen waren ingeschreven in Schilde en hun aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning een adres te Mortsel vermeldt. Bijkomend legt X een attest voor van zijn werkgever Samco Aircraft Maintenance, waaruit in 2006 en 2007 verschillende verblijven in het buitenland blijken, vooral in het Verenigd Koninkrijk maar ook in Italië en Kaboel (Afghanistan). De Rechtbank neemt aan dat dergelijke beroepswerkzaamheden niet slecht betaald worden. Verweerders laten ook na de reden van hun verhuizing, weg van hun vroeger adres, toe te lichten. Indien zij huurder waren, geven zij niet aan waarom en door wie een einde werd gesteld aan de huurovereenkomst. In deze omstandigheden is geen sprake van schending van het recht op behoorlijke huisvesting. 2. Verder beroepen verweerders zich op de bescherming van art. 8 EVRM. Deze bepaling beschermt de woning van verweerders, ongeacht het mogelijk onwettig gebruik ervan of verblijf erin (Vande Lanotte, J. en Haeck, Y., Handboek EVRM. Deel 2, volume 1, 759-761). De beperking van het gebruik door de stedenbouwreglementering moet dan ook getoetst worden aan art. 8.2 EVRM. De beperking is voorzien bij wet, meer bepaald de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. De beperking is nodig in een democratische samenleving,in het bijzonder in het belang van de bescherming van de openbare orde, de bescherming van de gezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, waaronder de bescherming van een gezond leefmilieu. Alle inwoners hebben immers belang bij een goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu, en hebben naast de plicht om zelf de stedenbouwreglementering na te leven ook recht op de naleving ervan door derden. Daarbij dient eraan herinnerd te worden dat verweerders er van in den beginne op gewezen werd dat permanent verblijf op hun adres van inschrijving verboden was en dat onmiddellijk een procedure zou gestart worden om dit permanent verblijf te doen beëindigen. Bovendien garandeert de tussenkomst van de rechterlijke orde verweerders een onafhankelijke beoordeling van hun dossier (vgl. E.H.R.M., Buckley / Verenigd Koninkrijk, 25 september 1996, nrs. 62 en 74-85, en E.H.R.M., Chapman / Verenigd Koninkrijk, 18 januari 2001, nrs. 105-116). De voorliggende zaak is niet vergelijkbaar met die waarover het Hof te Straatsburg oordeelde in het door verweerders aangehaalde arrest Gillow / Verenigd Koninkrijk van 24 november 1986. In die zaak woonden Joseph Gillow en zijn echtgenote aanvankelijk volkomen legaal in hun woning op Guernsey, maar mochten zij na een verblijf in het buitenland er niet naar terugkeren,niet om redenen van ruimtelijke ordening maar omdat Guernsey blijkbaar beperkingen had ingesteld over wie op het eiland mocht wonen. In de voorliggende zaak was de beweerde permanente bewoning van verweerders, waarvan de realiteit hierna zal worden onderzocht, van in den beginne een feit en werden verweerders er van in den beginne op gewezen dat hun permanent verblijf onwettig was en dat zij zouden worden gedagvaard om daaraan een einde te stellen. Evenmin kunnen verweerders zich nuttig beroepen op het arrest Larkos / Cyprus van 18 februari 1999. In die zaak werd Cyprus veroordeeld omdat het huurders verschillend behandelde naar gelang zij huurden van de overheid dan wel van een privé-persoon, en besloot het Hof tot schending van de samengelezen artt. 8 en 14 EVRM, niet van art. 8 EVRM alleen. Dergelijk onderscheid of dergelijke vergelijking is in de voorliggende zaak niet voorhanden. In het geciteerde arrest Chapman overwoog het Hof te Straatsburg daarentegen (nrs. 102-104,eigen vertaling): "Waar een woning gevestigd is zonder de vergunning die vereist is volgens de nationale wet, bestaat een belangenconflict tussen het recht van het individu krachtens artikel 8 van het Verdrag tot eerbied voor zijn of haar huis en het recht van anderen in de gemeenschap op milieubescherming. Bij de afweging of de eis dat een persoon zijn of haar huis verlaat in verhouding staat tot het nagestreefde wettig doel, is het zeer relevant of de woning al dan niet onwettig werd gevestigd. Als de woonplaats wettig werd gevestigd, zou dit element vanzelfsprekend opwegen tegen de wettigheid van de eis dat de persoon zou verhuizen. Omgekeerd, als de vestiging van de woonplaats op een bepaalde plaats onwettig zou zijn, is de positie van de persoon die zich verzet tegen een bevel om te verhuizen minder sterk. Het Hof zal minder geneigd zijn bescherming te verlenen aan degene die, met bewuste miskenning van de regels van de wet, een huis zou vestigen op een plaats, beschermd om milieuredenen. Als het Hof anders zou beslissen, zou het onwettige actie aanmoedigen ten nadele van de bescherming van de rechten inzake leefmilieu van de andere leden van de gemeenschap. Een verdere relevante overweging, waarmee in de eerste plaats de nationale overheden rekening moeten houden, is dat als geen alternatieve huisvesting beschikbaar is, de inbreuk ernstiger is dan wanneer zulke huisvesting wel beschikbaar is. Des te meer de alternatieve huisvesting geschikt is, des te kleiner is de inbreuk door de verhuis van de verzoeker van zijn of haar bestaande huisvesting. De evaluatie van de geschiktheid van de alternatieve huisvesting zal een afweging inhouden tussen , enerzijds, de individuele behoeften van de betrokken persoon - zijn of haar familiale behoeften en financiële middelen - en, anderzijds, de rechten van de lokale gemeenschap op milieubescherming. Dit is een taak waarbij een ruime beoordelingsmarge moet worden gegeven aan de nationale overheden die evident beter geplaatst zijn om de vereiste afweging te maken." Het Hof te Straatsburg aanvaardt aldus uitdrukkelijk de verenigbaarheid van de gedwongen verhuizing om milieuredenen met art. 8 EVRM. Wat het vereiste van alternatieve huisvesting betreft, kan herhaald worden dat verweerders niet bewijzen dat deze niet voorhanden zou zijn, en geen informatie of stukken verstrekken over hun inkomen en vermogen, noch over een aanvraag tot sociale huisvesting. 3. Verweerders verwijzen naar de nakende regularisatie. Mogelijk kan binnen korte termijn een standpunt worden verwacht over de toekomst van de permanente bewoning van weekendverblijven, maar dit impliceert nog niet automatisch dat het perceel waarop de woning van verweerders staat een andere stedenbouwkundige bestemming zou krijgen of dat aan verweerders een stedenbouwkundige vergunning zou worden verleend zonder verbod op permanente bewoning. De mogelijk toekomstige beleidsoptie is dan ook geen reden om thans nog niet te beslissen, en het houdt voor verweerders geen schending van hun rechten in dat niettegenstaande de mogelijke toekomstige beleidsoptie thans reeds een beslissing wordt genomen. Bijkomend moet vastgesteld worden, zoals uiteengezet in het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, dat het Vlaamse Parlement zich reeds over de kwestie heeft uitgesproken met een resolutie van 15 januari 2003. Het vroeg daarin slechts een uitdovend woonrecht voor de reeds op 1 juli 1999 bewoonde weekendverblijven, waaraan verweerders niet voldoen. D. Stedenbouwkundige inbreuk Eiser verwijt verweerders een inbreuk op art. 99, § 1, 6°, DRO, zoals uitgevoerd door B. Vl. Reg. 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, door het wijzigen van de hoofdfunctie van hun woning met het oog op een nieuwe functie, van verblijfsrecreatie naar permanente bewoning. Art. 2, § 1, B. Vl. Reg. 14 april 2000 stelt een stedenbouwkundige vergunning verplicht voor een dergelijke functiewijziging. Een dergelijke vergunning werd nooit aangevraagd en de kans op toekenning zou, gezien de huidige stedenbouwkundige toestand van het betrokken perceel, wellicht onbestaande zijn. Verweerders betwisten dat er sprake zou zijn van permanente bewoning en voeren aan dat het perfect mogelijk is ter plaatse hun hoofdverblijfplaats te hebben in de zin van de reglementering op de bevolkingsregisters zonder dat er sprake zou zijn van permanente bewoning in de zin van de stedenbouwreglementering. Volgens hen zou enkel het parket het tegenbewijs kunnen en mogen leveren. Het sepot van het opsporingsonderzoek doet evenwel geen afbreuk aan de beoordelingsbevoegdheid van de Rechtbank in burgerlijke zaken, ook al is volgens eiser sprake van een misdrijf. Een misdrijf moet niet door een strafgerecht worden vastgesteld opdat er een burgerlijke vordering en veroordeling op zou worden gesteund. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de vele burgerlijke dossiers in verkeersongevallen, waar bijna steeds een strafrechtelijk beteugelde inbreuk wordt verweten aan de tegenpartij. Het tegendeel kan niet afgeleid worden uit het door verweerders geciteerde arrest nr. 154/2003 van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) van 26 november 2003 (B.S., 26 februari 2004). Wanneer het Hof daar in overweging B.3.6. stelt dat de herstelvordering afhankelijk is van de beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet te vervolgen, verwijst het in aanhef van die alinea naar art. 149, § 2, DRO, dat louter betrekking heeft op de herstelvordering voor de strafrechter, en heeft het Hof deze beperking geenszins willen voorzien voor de vordering voor de burgerlijke rechter. Het Arbitragehof vervolgt zijn arrest integendeel in overwegingen B.4.1 en B.4.2 met de mogelijkheid, voorzien in art. 151 DRO, tot een herstelvordering voor de burgerlijke rechter, "ook in de gevallen waarin de strafvordering niet tot een veroordeling leidt". Beide verweerders betwisten vooreerst de permanente bewoning, maar louter op theoretische en niet op concrete basis. Zij tellen immers vakantie-, feest- en weekenddagen in een jaar, wat 183 op 365 dagen zou geven. Zij geven echter niet aan waar zij de andere dagen van het jaar zouden verblijven. In het strafdossier verklaarde Y zelf geen andere eigendom te bezitten en permanent te verblijven op haar plaats van inschrijving. Verweerders voeren niet aan veel op vakantie te gaan, zij leggen geen huurovereenkomsten voor van andere plaatsen en maken op geen enkele wijze een betekenisvol verblijf elders aannemelijk. X legt, alleen wat hem betreft, een attest voor van zijn werkgever dat melding maakt van verschillende verblijven in het buitenland van juni 2006 tot juli 2007, gemiddeld ongeveer één verblijf van enkele dagen tot een week per maand. Deze tijdelijke afwezigheid om beroepsredenen deed echter geen afbreuk aan de permanente bewoning in de zin van het B. Vl. Reg. 14 april 2000. Dit vereist immers geen permanente aanwezigheid, net zomin als de inschrijving in de bevolkingsregisters. Tijdens zijn verblijf in het buitenland woonde X niet daar, net zomin als een reiziger woont in het hotel waar hij verblijft. Met eiser moet dan ook besloten worden tot een inbreuk op art. 99, § 1, 6°, DRO. E. Herstelvordering 1. Eiser vordert het herstel in de oorspronkelijke toestand, door beëindiging van het strijdig gebruik en beëindiging van de permanente bewoning. De keuze van de herstelvordering komt toe aan eiser. De Rechtbank kan en moet bij toepassing van art. 159 G.W. de interne en externe wettigheid van de vordering onderzoeken en onderzoeken of ze conform de wet is dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. Dit wettigheidstoezicht is even uitgestrekt als het toezicht van de Raad van State in het objectieve contentieux (Debersaques, G., e.a., De sanctionering van stedenbouwmisdrijven. Handhavingsmaatregelen, Brugge, Die Keure, 2001, nrs. 265-266). Er is, in tegenstelling tot wat eiser blijkbaar stelt, geen reden tot grotere terughoudendheid bij die toetsing na de invoering van de adviesprocedure via de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, nu de oprichting ervan en zijn adviezen geen afbreuk kunnen doen aan art. 159 G.W. 2. De Rechtbank stelt vast dat de vorderingen uitgaan van de bevoegde overheid, zijnde het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is. De keuze voor het gevorderde herstel moest niet uitdrukkelijk gemotiveerd worden, nu het herstel de regel is en de bouw- of aanpassingswerken dan wel de meerwaardesom de uitzonderingen zijn. De vorderingen steunen op de juiste feitelijke gegevens, met name de ligging van het betrokken goed in een zone voor verblijfsrecreatie en de vermelding in de toegekende stedenbouwkundige vergunning dat permanente bewoning verboden is. In besluiten licht eiser bijkomend toe dat de woning van verweerders gelegen is in de cluster Langdonken, "gelegen vlakbij het natuurgebied Langdonken (Vogelrichtlijngebied - Habitatrichtlijngebied) én vlakbij natuurlijk overstromingsgebied", wat regularisatie in de nabije en zelfs de verder af gelegen toekomst zeer onwaarschijnlijk zou maken. Het stond eiser vrij de motivering van zijn herstelvordering aan te vullen in de loop van het geding (vgl. Cass., 7 oktober 2003, Arr. Cass., 2003, nr. 481). Verweerders spreken deze feitelijke elementen geenszins tegen. Samenlezing van de motivering van de besluiten van eiser van 4 september 2006 en 2 oktober 2006 en zijn nota inzake "aanvullende motivering omgevingshinder" samen met voormelde toevoeging in besluiten leidt tot het besluit dat eiser voldaan heeft aan zijn motiveringsverplichting. Er wordt aangegeven wat de stedenbouwkundige toestand van het perceel is en wat verweerders in strijd daarmee gedaan hebben (vgl. Cass., 4 december 2001, Arr. Cass., 2001, nr. 664). De concrete problematiek van hun perceel (nabij natuurgebied, vogelrichtlijngebied, habitatrichtlijngebied en natuurlijk overstromingsgebied) wordt gesitueerd binnen de algemene problematiek van de permanente bewoning van weekendverblijven. Niet alle elementen vermeld in de nota "aanvullende motivering omgevingshinder" zijn per definitie toepasselijk op verweerders en hun perceel. Hun woning is vergund, zodat van "ongecontroleerde inplanting" geen sprake was. Het blijkt niet dat verweerders bomen of planten hebben verwijderd of een visvijver hebben aangelegd. Over de al dan niet aansluiting op riolering wordt niets concreets gezegd. Dit neemt niet weg dat de opmerkingen over een grotere hoeveelheid afvalwater en meer verkeer wel gelden voor verweerders, naast de problematische waterhuishouding. 3. Volgens verweerders is de herstelvordering strijdig met het recht op wonen en maakt zij rechtsmisbruik uit. Wat de bescherming van het recht op wonen betreft, kan verwezen worden naar wat hoger werd gesteld onder C, en volstaat het hier eraan te herinneren dat de onmogelijkheid tot andere huisvesting geenszins is bewezen en dat het recht op wonen niet het recht impliceert om eender waar te wonen, met miskenning van de regels inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. In zoverre het beweerde rechtmisbruik door eiser gesteund is op de verhoopte regularisatie of de beweerde discriminatie, kan verwezen worden naar wat daarover hoger onder B en C werd gezegd. Om te bepalen of er rechtsmisbruik is, moet bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de zaak. Inzonderheid moet worden nagegaan of degene die andermans recht zou hebben aangetast, niet moedwillig heeft gehandeld zonder zich te bekommeren om het recht dat hij moet eerbiedigen, waardoor hij een fout heeft begaan die hem de mogelijkheid ontneemt om de exceptie van rechtsmisbruik in zijn voordeel aan te voeren (Cass., 14 november 1997, Arr. Cass., 1997, nr. 477; de Nederlandse vertaling spreekt ten onrechte over "machtsmisbruik" terwijl de originele Franse tekst spreekt over "abus de droit"). Ten deze moet vastgesteld worden dat verweerders er van in den beginne, bij de aanvraag tot inschrijving, van op de hoogte waren dat zij niet permanent op het betreffende adres mochten verblijven en dat een procedure zou worden gestart, en dat eiser de nodige stappen daartoe met bekwame spoed heeft voortgezet. Verweerders, die zich welbewust gevestigd hebben waar zij dit niet mochten - wat al viel af te leiden uit de stedenbouwkundige vergunning - kunnen zich er dan ook niet over beklagen dat eiser, bevoegde stedenbouwkundige overheid, daartegen zonder verwijl en zonder hen op welke wijze ook de indruk te geven hun permanent verblijf te zullen dulden is opgetreden. Dat de verhuizing uit de woning kosten met zich zal brengen, is louter te wijten aan de eigen fout van verweerders die gemeend hebben de waarschuwingen van het gemeentebestuur in de wind te moeten slaan. 4. De herstelvordering is wettig en moet worden ingewilligd. Mocht de stedenbouwkundige toestand wijzigen, door toekenning van een stedenbouwkundige vergunning zonder verbod tot permanente bewoning of van een woonrecht, dan vervalt het bevel tot herstel. F. Termijn voor uitvoering en dwangsom Waar eiser in het beschikkend gedeelte van zijn besluiten een termijn voor uitvoering van één maand vooropstelt, vraagt het in het in het motiverend gedeelte van zijn besluiten een redelijke termijn toe te kennen, geïnspireerd door de normale opzegtermijnen inzake huur. Gelet op de beperkte duur van het verblijf van verweerders, de onmiddellijke waarschuwing vanwege de gemeente Herselt en het prompte optreden tegen het permanente verblijf van verweerders, en anderzijds het vergunde karakter van de woning, moet een termijn van één jaar volstaan om het bevolen herstel vrijwillig ten uitvoer te kunnen leggen. Vergelijking met huur gaat niet op, nu geen sprake is van wanbetaling of inkomstenverlies voor eiser of de gemeente Herselt. Eiser vordert een dwangsom van euro 500,00 "per vastgestelde inbreuk", zonder nader aan te geven wat het als inbreuk beschouwt. Verweerders noemen de dwangsom onredelijk hoog. De dwangsom moet voldoende hoog zijn om vrijwillige uitvoering van de hoofdveroordeling te stimuleren. Het is de bedoeling dat de dwangsom niet verbeurd wordt omvat verweerders de hoofdveroordeling uitvoeren. Teneinde discussie over het begrip "vastgestelde inbreuk" te vermijden, komt het de Rechtbank gepast voor een dwangsom per dag vertraging te bepalen. Dit is in overeenstemming met art. 149, § 1, lid 5, DRO. De dwangsom wordt gepast vastgesteld op euro 35,00 per dag. In zoverre de aldus opgelegde dwangsom hoger zou zijn dan door eiser gevorderd, kan eraan herinnerd worden dat de Rechtbank vrij de modaliteiten van de dwangsom bepaalt, eenmaal een dwangsom is gevorderd, en dat zij niet meer toekent dan het gevorderde door de dwangsom hoger te stellen dan gevorderd (Benelux Hof, 17 december 1992, R.W., 1992-93, 846; Cass., 22 april 1993, R.W., 1993-94, 370). Overeenkomstig art. 153 DRO beveelt de Rechtbank dat eiser en de stedenbouwkundige inspecteur desgevallend ambtshalve in uitvoering van de herstelmaatregel kunnen voorzien. V. GERECHTSKOSTEN De Rechtbank herleidt de gevorderde kosten voor dagvaarding tot degene die blijken uit het dossier van de rechtspleging. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, is sprake van een niet-begrootbare zaak. Eiser vraagt toekenning van het basisbedrag van euro 1.200,00, verweerders vragen herleiding tot het minimumbedrag van euro 75,00 wegens hun penibele sociale en financiële situatie en de bijkomende kosten die de veroordeling zou veroorzaken. Deze bijkomende kosten zijn op zich geen reden tot verlaging van de rechtsplegingsvergoeding maar louter het gevolg van de eigen fout van verweerders. Over de financiële toestand van verweerders liggen geen stukken voor. Wel moet vastgesteld worden dat op dezelfde zitting vijf gelijklopende vorderingen van eiser met gelijklopende argumentatie werden behandeld, zodat het een kennelijk onredelijke situatie zou zijn telkens de volledige rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan eiser. De rechtsplegingsvergoeding wordt telkens herleid tot euro 500,00. VI. VOORLOPIGE TENUITVOERLEGGING Om te vermijden dat ingevolge hervorming in graad van beroep niet of moeilijk herstelbare toestanden zouden ontstaan, bijvoorbeeld door verkoop van de woning om een andere huisvesting te kunnen financieren, staat de Rechtbank de voorlopige tenuitvoerlegging van dit vonnis niet toe. Er is geen reden om te vrezen dat verweerders de eventuele beroepsprocedure zou rekken. Eiser kan in geval van beroep de nodige stappen nemen om conclusietermijnen en een pleitdatum te bekomen, en het Hof van Beroep zou deze zelfs ambtshalve moeten bepalen bij gebreke aan akkoord tussen partijen. De Rechtbank beveelt het herstel dan ook slechts binnen één jaar na het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis. OM DEZE REDENEN, en de rechtspleging geschied zijnde in het Nederlands conform de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935, DE RECHTBANK, vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg, Voegt de zaken gekend onder A.R. 07/1704/A en 07/1706/A. Verklaart de vorderingen ontvankelijk. Zegt voor recht dat er geen reden is tot schorsing van de procedure. Verklaart de vorderingen in de hierna bepaalde mate gegrond. Beveelt verweerders om het strijdige gebruik van het onroerend goed te Herselt, Z, volgens kadaster gelegen gemeente Herselt, tweede afdeling, sectie G, nr. 439 E en volgens het gewestplan Herentals-Mol gelegen in de zone bestemd voor verblijfsrecreatie, te staken door beëindiging van de permanente bewoning ervan, binnen één jaar na het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis, behoudens toekenning binnen die termijn van een stedenbouwkundige vergunning zonder verbod tot permanente bewoning of van een woonrecht, onder verbeurte van een dwangsom voor elk van hen van euro 35,00 per dag vertraging tot de staking van het strijdige gebruik of tot toekenning van een stedenbouwkundige vergunning zonder verbod tot permanente bewoning of van een woonrecht. Beveelt dat bij gebreke aan tijdige uitvoering eiser en de stedenbouwkundige inspecteur ambtshalve in de uitvoering van de herstelmaatregel kunnen voorzien. Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. Veroordeelt X tot de kosten van het geding die hem betreffen, begroot als volgt: - in hoofde van eiser: euro 196,04 dagvaarding en rolstelling, euro 169,32 overschrijving hypotheekkantoor en euro 500,00 rechtsplegingsvergoeding; - in hoofde van X: euro 500,00 rechtsplegingsvergoeding. Veroordeelt Y tot de kosten van het geding die haar betreffen, begroot als volgt: - in hoofde van eiser: euro 196,04 dagvaarding en rolstelling, euro 169,32 overschrijving hypotheekkantoor en euro 500,00 rechtsplegingsvergoeding; - in hoofde van Y: euro 500,00 rechtsplegingsvergoeding. E. Sneyders R. Vinckx PDF document ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080519.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.