id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080915.4 Rolnummer: 07/870/A Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-11-07 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 17:55 Fiche
- De brandverzekeraar die beweert dat hij per brief voorbehoud heeft geformuleerd voor inzage van het strafdossier, moet dit in geval van betwisting bewijzen.
- Een verslag van een privé-detective is geen expertise die toelaat de betaling van de op zich onbetwiste schadebedragen uit te stellen.
- De brandverzekeraar die geen tijdig voorbehoud formuleert voor inzage van het strafdossier kan zich niet beroepen op de onmogelijkheid om inzage te nemen van het strafdossier om de verwijlinteresten niet aan het dubbel van de wettelijke interestvoet te moeten betalen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Brandverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Zaakverzekering Vrije woorden: Brandverzekering:
- Voorbehoud voor inzage van strafdossier -
- Schorsing van termijnen wegens expertise -
- Dubbele interesten. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - 67 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Tekst van de beslissing A.R. nr: 07/870/A van: 15 september 2008 Rep.nr.: VONNIS uitgesproken in het gerechtsgebouw Het Kasteel te Turnhout op MAANDAG VIJFTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT, in de openbare zitting van de VIJFDE KAMER van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het Gerechtelijk Arrondissement Turnhout, alwaar zetelden: R. VINCKX, Alleenzetelend Rechter; E. SNEYDERS, Griffier. INZAKE VAN: De heer X, voorheen wonende te Y, thans wonende te Z. -- eiser. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. L. Raeymaekers, advocaat te 2260 Westerlo, Baksveld 3/E. TEGEN: De N.V. MERCATOR VERZEKERINGEN, ondernemingsnummer 0400.048.883, met zetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Desguinlei
- -- verweerster. -- alhier ter zitting vertegenwoordigd door mr. S. Vanherck loco mr. R. Wilmots, advocaat te 2300 Turnhout, Gemeentestraat 4/
- * * * * * Gezien de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - de inleidende dagvaarding, betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder Frans Jennes te Antwerpen van 4 mei 2007; - de beschikking bij toepassing van art. 747, § 2, Ger.W. van 2 juli 2007; - de besluiten van verweerster, neergelegd ter griffie op 27 september 2007 en 30 november 2007; - de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 30 oktober 2007; - de beschikking bij toepassing van art. 748, § 2, Ger.W. van 26 december 2007; - de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 28 februari 2008; - de besluiten van verweerster, neergelegd ter griffie op 25 april
- Gehoord partijen bij monde van hun voormelde raadslieden, in hun middelen en besluiten op de openbare zitting van 16 juni
- Gezien de stukken van partijen. I. FEITEN Eiser is bij verweerster verzekerd voor brand aan zijn woningen te Y, 113 en 113/1, sinds 8 april
- Op 30 april 2006 werden beide woningen getroffen door brand. Van de brand werd proces-verbaal opgesteld door de lokale politie Geel - Meerhout - Laakdal. De verbalisanten vermeldden dat geen elementen aan het licht kwamen welke kwaadwillig opzet deden vermoeden. Het dossier werd in december 2006 geseponeerd: op 5 december 2006 meldde de procureur des Konings aan verweerster dat de zaak nog in vooronderzoek was, op 11 december 2006 meldde hij aan de advocaat van eiser dat de zaak geseponeerd was wegens onvoldoende bewijzen. De schade werd in der minne begroot tussen partijen, onder voorbehoud van dekking, als volgt: - voor Y 113: inboedel euro 8.244,08 en gebouw euro 98.758,30; - voor Y 113/1 (ook vermeld als 113'): inboedel euro 40.000,00 en gebouw euro 81.642,
- De processen-verbaal betreffende de beide inboedels werden opgesteld op 17 mei 2006, die betreffende de gebouwen op 15 juni
- De schadebepaling voor de gebouwen gebeurde exclusief BTW. De schade aan de inboedel van Y werd onmiddellijk betaald door verweerster, euro 5.000,00 op 19 mei 2006 en euro 3.244,08 op 3 juni
- Verweerster zegt eiser op 25 juli 2006 te hebben aangeschreven met de melding dat zij gezien de specifieke elementen in het dossier, alvorens over te gaan tot betaling van de vergoeding, verdere onderzoeken wenste te doen en inzage te vragen van het strafbundel. Eiser betwist ontvangst van deze brief. Verweerster legt geen verzendingsbewijs voor en ook geen kopie maar louter een afdruk van een computerscherm. Per aangetekende brief van zijn advocaat van 24 oktober 2006, volgens poststempel verstuurd op 25 oktober 2006, stelde eiser verweerster in gebreke tot betaling van euro 228.644,73, meer interesten. Verweerster antwoordde op 3 november 2006 dat zij, gezien de specifieke elementen in het dossier, inzage wilde nemen van het strafbundel alvorens over te gaan tot betaling van de vergoeding. Op 5 januari 2007 schreef verweerster bijkomend aan eisers advocaat dat het opsporingsonderzoek nog lopende was. Na ontvangst van de kopie van het strafdossier schreef verweerster op 23 februari 2007 aan eiser dat zij binnen dertig dagen een beslissing zou moeten nemen. Eisers advocaat zou hierover ingelicht worden. Bij gebreke aan verdere regelingen of berichten volgde de dagvaarding. Hangende het geding betaalde verweerster op 1 oktober 2007 euro 98.758,30 en euro 121.436,
- Volgens eiser was hem voordien voorgesteld de zaak te regelen door vergoeding van 50 % van de schade. II. VORDERINGEN Met de inleidende dagvaarding vroeg eiser veroordeling van verweerster, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement, tot betaling van: - euro 228.644,73, te vermeerderen met de moratoire interesten vanaf 15 juni 2006 aan de wettelijke interesten, minstens vanaf 25 oktober 2006, en de gerechtelijke interesten; - euro 1,00 provisioneel voor kosten van verdediging noodzakelijk voor het voeren van huidige procedure, schatting op euro 10.000,
- In eerste besluiten vroeg hij veroordeling van verweerster tot betaling van: - in hoofdorde: euro 256.142,79, te vermeerderen met de wettelijke interesten aan 14 % (twee maal de wettelijke interestvoet) op euro 40.000,00 vanaf 16 juni 2006 tot 14 juli 2006 en op euro 256.142,79 vanaf 15 juli 2006 tot 31 december 2006, vanaf 1 januari 2006 (kennelijk wordt bedoeld 2007) met de wettelijke interesten aan 12 % (tweemaal de wettelijke interestvoet) en met de gerechtelijke interesten, onder aftrek van de betalingen van euro 98.758,30 en euro 121.436,97 aan te rekenen conform de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, namelijk eerst op de interesten dan op de kosten; - in uiterst ondergeschikte orde: euro 256.142,79, meer de wettelijke interesten aan 12 % vanaf 26 maart 2007 en met de gerechtelijke interesten, onder aftrek van de betalingen van euro 98.758,30 en euro 121.436,97 aan te rekenen conform de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, namelijk eerst op de interesten dan op de kosten. In laatste besluiten vraagt hij bijkomend, voor het geval geen BTW zou worden toegekend, hem in ieder geval voorbehoud te verlenen voor het vorderen van de BTW. Eiser vraagt in besluiten niet langer de voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis toe te staan. Verweerster vraagt de vordering af te wijzen, minstens ze te herleiden zoals in besluiten uiteengezet. III. IN RECHTE A. Gehoudenheid van verweerster Verweerster stelt in besluiten dat haar raadgevers van oordeel zijn dat de brand is aangestoken en de verantwoordelijkheid daarvoor bij eiser leggen. Zij is desondanks overgegaan tot vergoeding en betwist in besluiten niet haar gehoudenheid. B. Verschuldigde bedragen Hoofdsommen Verweerster heeft totaal en tot op heden euro 228.439,35 betaald. Zij zegt daarmee de hoofdsommen volgens de processen-verbaal van minnelijke schatting te hebben betaald. Het totaal vermelde bedrag is echter euro 228.644,
- Het saldo blijft verschuldigd. Daarnaast wijst eiser er terecht op dat de betalingen van verweerster, die contractuele schulden zijn, eerst moeten worden toegerekend op de verschuldigde interesten en vervolgens op de hoofdsommen (art. 1254 B.W.). BTW Eiser heeft aanvankelijk een dagvaarding uitgebracht voor bedragen exclusief BTW voor wat de schade aan de gebouwen betreft. In besluiten vordert hij in hoofdorde bedragen inclusief BTW en in ondergeschikte orde voorbehoud voor de BTW. Verweerster betwist het recht van eiser op BTW, enerzijds omdat hij niet is overgegaan tot heropbouw, anderzijds omdat hij aannemer is en geen BTW-attest voorlegt. Ondertussen ligt wel een BTW-attest voor voor het pand Y
- Maar van heropbouw is nog geen sprake, zodat voor de BTW slechts voorbehoud kan worden verleend. Interesten
- Eiser vraagt in besluiten interesten aan het dubbel van de wettelijke interestvoet, conform art. 67, § 6, WLVO. Verweerder stelt enerzijds dat de loop van de interesten geschorst was, anderzijds dat eiser in ieder geval geen aanspraak kan maken op dubbele interesten.
- Krachtens art. 67, § 2bis, 2°, WLVO zijn de termijnen bedoeld in art. 67, § 2, WLVO geschorst indien er vermoedens bestaan dat het schadegeval opzettelijk veroorzaakt kan zijn door de verzekerde of de verzekeringsbegunstigde. Hierop beroept verweerster zich. In dit geval, aldus nog art. 67, § 2bis, 2°, WLVO, kan de verzekeraar zich het recht voorbehouden vooraf kopie van het strafdossier te nemen. Het verzoek om kennis ervan te mogen nemen moet uiterlijk binnen dertig dagen na de afsluiting van de door hem bevolen expertise geformuleerd worden. Eiseres zegt deze mededeling te hebben gedaan per brief van 25 juli
- Verweerder betwist de ontvangst ervan en eiseres bewijst niet de verzending. De verzending en de formulering van het voorbehoud zijn dan ook niet bewezen. Het voorbehoud werd wel correct en onbetwist geformuleerd per brief van 3 november
- Verder stelt eiseres dat de expertise waarvan sprake in art. 67, § 2bis, 2°, WLVO het verslag is dat door privé-detective in haar opdracht werd opgesteld en gedateerd op 27 september
- Een expertise is echter een wetenschappelijk en/of technisch onderzoek, bijvoorbeeld van een branddeskundige of van een schatter met het oog op begroting van de schade. Een verslag van een privé-detective is louter een weergave van beweerdelijk vastgestelde feiten en verzamelde informatie, en geen expertise in de zin van de wet. De laatste expertise in opdracht van verweerster werd afgesloten door ir. De Roover op 21 juni
- Daarna liep de termijn van dertig dagen, binnen dewelke verweerster haar voorbehoud moest formuleren. Zelfs indien de beweerde brief van 25 juli 2006 als geldig voorbehoud zou kunnen aanvaard worden, moet vastgesteld worden dat dit niet tijdig gebeurde. Bijgevolg is er geen schorsing van de termijnen bedoeld in art. 67, § 2, WLVO. Verweerster stelt dat geen sanctie of termijn verbonden is aan het al dan niet formuleren van het voorbehoud om kennis te nemen van het strafdossier. Deze stelling is in strijd met art. 67, § 2bis, inleiding en 2°, WLVO, waaruit volgt dat de termijnen bedoeld in art. 67, § 2, alleen geschorst worden onder de voorwaarde, onder meer, dat het voorbehoud binnen dertig dagen na afsluiting van de expertise wordt geformuleerd.
- Uit art. 67, § 2, 2°, WLVO volgt dat, bij gebreke aan schorsing, de verzekeraar het gedeelte van de vergoeding dat zonder betwisting bij onderling akkoord tussen de partijen is vastgesteld binnen dertig dagen die volgen op dit akkoord betaalt. Ten deze werd de schade in onderling en volledig akkoord tussen partijen bepaald op 17 mei 2006 voor de inboedel en 15 juni 2006 voor de schade aan de gebouwen. Bijgevolg moest betaling volgen, voor de inboedel uiterlijk op 16 juni 2006 en voor de gebouwen uiterlijk op 15 juli
- Verder beroept eiser zich op de sanctie van art. 67, § 6, WLVO om vanaf 16 juni 2006 respectievelijk 15 juli 2006 verwijlinteresten te vorderen aan het dubbel van de wettelijke interestvoet. Vermelde bepaling voorziet dat, in geval van niet-eerbiediging van de termijnen bedoeld bij § 2, het gedeelte van de vergoeding dat niet wordt betaald binnen de termijnen van rechtswege een interest op die gelijk is aan tweemaal de wettelijke interestvoet te rekenen vanaf de dag die volgt op het verstrijken van de termijn tot op de dag van de daadwerkelijke betaling, tenzij de verzekeraar bewijst dat de vertraging niet te wijten is aan hemzelf of aan een van zijn gemachtigden. Zoals reeds vastgesteld, werden de termijnen niet nageleefd. Daaruit volgt dat verweerster dient te bewijzen dat de vertraging niet aan haar te wijten is. Volgens verweerster is de vertraging te wijten aan het gedrag van eiser. Zij zou terecht ernstige twijfels hebben gehad bij de omstandigheden van de brand, en stelde een privé-detective aan om de zaak te onderzoeken. Daarnaast zou de vertraging veroorzaakt zijn door de onmogelijkheid kennis te nemen van het strafdossier. Hierbij moet echter het volgende vastgesteld worden: - reeds in zijn verslag van 21 juni 2006, volgens stempel door eiseres ontvangen op 26 juni 2006, schreef ir. De Roover dat nergens brandversnellers werden teruggevonden en dat de oorzaak werd toegeschreven aan een gebrek in de wasautomaat; - de datum van aanstelling van de privé-detective is niet gekend, de eerste door hem afgenomen verklaring werd gedateerd op 25 juli 2006 en er mag worden aangenomen dat de opdracht niet veel vroeger werd gegeven. Blijkbaar is verweerster pas laattijdig overgegaan tot het gelasten van privé-detective, na kennisname van de voor haar ongunstige resultaten van het branddeskundig onderzoek. Er was echter geen reden om zolang te wachten. Indien verweerster werkelijk twijfels had, kon en moest zij onmiddellijk een privé-detective gelasten. Deze houding is bovendien niet consequent, nu op 19 mei 2006 en 3 juni 2006 reeds een deel van de schade zonder opmerking vergoed werd. Hieruit volgt dat verweerster niet bewijst dat de vertraging ten gevolge van het onderzoek door de privé-detective niet aan haar te wijten is. Dat verweerster moest wachten op inzage van het strafdossier, kan door haar niet ingeroepen worden om te ontkomen aan de sanctie van art. 67, § 6, WLVO. Zij heeft immers niet tijdig voorbehoud geformuleerd om inzage te nemen van het strafdossier. Daaruit volgt dat zij wettelijk verplicht was om te betalen op 16 juni 2006 dan wel 15 juli 2006, zonder nog met betalen te mogen wachten tot zij uiteindelijk kennis kreeg van het strafdossier. De omstandigheid dat verweerster toch wachtte, is louter haar eigen keuze zodat zij ook hier niet bewijst dat de vertraging (in de betaling) niet aan haar te wijten is. Het besluit is dat eiser gerechtigd is op interesten ten belope van het dubbel van de wettelijke interestvoet. Vanaf 1 januari 2007 vordert hij deze onveranderlijk aan 12 %. Aangezien de op 1 oktober 2007 betaalde bedragen eerst aan te rekenen zijn op de op 1 oktober 2007 reeds gelopen interesten, zijn de hoofdsommen die dag niet volledig betaald en blijven zij verder interesten opbrengen aan 12 %. Besluit Verweerster is gehouden om te betalen: - euro 40.000,00, vanaf 16 juni 2006 te vermeerderen met verwijlinteresten dan wel gerechtelijke interesten aan 14 % of 12 % vanaf 1 januari 2007 tot 1 oktober 2007; - euro 98.758,30 en euro 81.642,35, vanaf 15 juli 2006 te vermeerderen met verwijlinteresten dan wel gerechtelijke interesten aan 14 % of 12 % vanaf 1 januari 2007 tot 1 oktober 2007, onder aftrek van euro 220.195,27, betaald op 1 oktober 2007, eerst aan te rekenen op de tot dan gelopen interesten, het saldo in hoofdsom per 1 oktober 2007 te vermeerderen met gerechtelijke interesten aan 12 % tot datum van volledige betaling. IV. GERECHTSKOSTEN Eiser begroot zijn rechtsplegingsvergoeding op euro 7.000,
- Volgens verweerster bedraagt het basisbedrag euro 2.000,00 maar zij vraagt herleiding tot het minimum van euro 1.000,
- De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op basis van het bedrag dat in laatste besluiten wordt gevorderd (art. 618, lid 2, Ger.W., toepasselijk krachtens art. 2, lid 2, K.B. 26 oktober 2007). Bij de bepaling daarvan dient rekening te worden gehouden met de door verweerster betaalde bedragen die volgens de besluiten van eiser in mindering te brengen zijn. Verder kunnen slechts de interesten worden aangerekend tot aan de inleidende dagvaarding (art. 557 Ger.W., toepasselijk krachtens art. 2, lid 2, K.B. 26 oktober 2007). De interesten die lopen na de dagvaarding komen niet in aanmerking voor de begroting (Cass., 19 februari 2004, R.W., 2004-05,183). De door eiser in laatste besluiten gevorderde hoofdsom is euro 256.142,79, waarvan betalingen ten belope van euro 220.195,27 in mindering te brengen zijn. Abstractie gemaakt van de interesten geeft dit een vordering in hoofdsom van euro 35.947,
- De loop van interesten op euro 40.000,00 vanaf 16 juni 2006 tot 14 juli 2006 en op euro 256.142,79 van 15 juli 2006 tot 31 december 2006 aan 14 % en vanaf 1 januari 2007 tot 4 mei 2007 aan 12 % heeft tot gevolg dat het gevorderde bedrag euro 40.000,00 overschrijdt, zodat de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald in de schaal van euro 40.000,01 tot euro 60.000,
- Het basisbedrag is euro 2.500,
- Verweerster wenst herleiding omdat eisers vordering ernstig moet worden herleid. Daarmee wordt echter reeds rekening gehouden bij de verlaging van het basisbedrag. Er is geen reden tot verdere herleiding, mede gezien de vaststelling dat verweerster aanvankelijk onrechtmatig betaling weigerde. OM DEZE REDENEN, en de rechtspleging geschied zijnde in het Nederlands conform de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935, DE RECHTBANK, vonnissende op tegenspraak en in eerste aanleg, Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt verweerster om aan eiser euro 220.400,65 te betalen, - te vermeerderen met verwijlinteresten aan 14 % tot 1 januari 2007 en vanaf dan tot 4 mei 2007 aan 12 %, vanaf 16 juni 2006 tot 15 juli 2006 op euro 40.000,00 en vanaf 15 juli 2006 op euro 220.400,65; - te vermeerderen met gerechtelijke interesten aan 12 % vanaf 4 mei 2007 tot 1 oktober 2007 op euro 220.400,65, onder aftrek van euro 220.195,27, betaald op 1 oktober 2007, eerst aan te rekenen op de tot dan gelopen interesten en vervolgens op de hoofdsom, het saldo in hoofdsom per 1 oktober 2007 te vermeerderen met gerechtelijke interesten aan 12 % tot datum van volledige betaling. Verleent eiser lastens verweerster voorbehoud voor de BTW op de kosten van heropbouw voor zijn woningen te Y, 113 en 113/1, beschadigd door brand op 30 april
- Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond. Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, begroot als volgt: - in hoofde van eiser: euro 250,03 dagvaarding en rolstelling en euro 2.500,00 rechtsplegingsvergoeding; - in hoofde van verweerster: niet begroot. E. Sneyders R. Vinckx PDF document ECLI:BE:EAANT:2008:JUG.20080915.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.