← België

ECLI:BE:EAANT:2009:JUG.20090915.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:EAANT:2009:JUG.20090915.5 Rolnummer: A.R. nr. 08/167/A Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 321 - laatst gezien 2026-07-02 20:15 Fiche Een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de W.A.M.-wet is een ongeval dat zich voordoet op de openbare weg en op de terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen. Ook afgesloten wedstrijdomlopen die toegankelijk zijn voor het publiek mits betaling van een toegangsticket, kunnen een dergelijk terrein zijn. Uit de omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd, kan niet worden afgeleid dat het ongeval geen verkeersongeval is in de zin van voornoemde bepaling. Het feit dat een motorrijtuig als sportvoertuig werd gebruikt, belet niet dat de schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt. De toeschouwer die het slachtoffer is geworden van een ongeval dat zich voordeed ter gelegenheid van een autorally of een snelheidswedstrijd voor motorfietsen, kan derhalve aanspraak maken op vergoeding. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Artikel 29bis W.A.M.-wet - Verkeersongeval - Sportwedstrijd Tekst van de beslissing De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, eerste kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis : A.R. nr. 08/167/A INZAKE : De nv X, TEGEN : Mevrouw Y, * * * * * De rechtbank neemt in acht : - het bestreden vonnis van de politierechtbank te Mechelen van 12.12.2007 (A.R. nr. 07A5955) - het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie op 30.01.2008 - de beschikking van 25.11.2008 verleend overeenkomstig artikel 747 §2 van het gerechtelijk wetboek - de conclusies voor mevrouw Y neergelegd ter griffie op 14.01.2009 en 14.04.2009 - de conclusie voor de nv X neergelegd ter griffie op 17.03.2009 en 15.05.2009 - de voor de partijen overgelegde stukken. * * * * *

  1. Procedure 1.
  2. De betwistingen tussen de partijen hebben betrekking op de verantwoordelijkheid voor en de schadelijke gevolgen van een ongeval dat zich voordeed op 30.04.2000 tijdens een motorcrosswedstrijd op het Fort te Koningshooikt, en waarbij mevrouw Y gewond raakte. Aanvankelijk werd de zaak behandeld door de zevende kamer van deze rechtbank, na inleiding voor de tweede kamer bij dagvaarding van 17.09.
  3. Bij vonnis van 13.03.2007 van de zevende kamer werd de zaak verwezen naar de arrondissementsrechtbank voor beslechting van het gerezen bevoegdheidsgeschil. De arrondissementsrechtbank oordeelde bij vonnis van 25.04.2007 dat in casu de politierechtbank op grond van artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek bevoegd is, nu het begrip 'verkeersongeval' uit deze bepaling ruim moet worden geïnterpreteerd, en de toepasselijke rechtsgrond niet van belang is. De zaak werd verwezen naar de politierechtbank te Mechelen, waar de eerste rechter het thans bestreden vonnis uitsprak op 12.12.
  4. 1.
  5. De oorspronkelijke vordering van mevrouw Y strekte er toe om de nv X te veroordelen tot betaling van een provisionele som van euro 2.500,00 meer de vergoedende intresten vanaf 30.04.2000, de gerechtelijke intresten en de gedingkosten. Mevrouw Y vroeg tevens alvorens verder recht te doen de aanstelling van een geneesheer-deskundige. De eerste rechter heeft aan mevrouw Y de door haar provisioneel gevorderde som van euro 2.500,00 toegekend, en dr. Yves Adriaenssens aangesteld als geneesheer-deskundige. Het hoger beroep van de nv X strekt er in hoofdorde toe het bestreden vonnis te hervormen, en de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde vraagt de nv X, rekening houdend met de risicoaanvaarding en eigen onvoorzichtigheid van mevrouw Y, een gedeelte van haar vordering als ongegrond af te wijzen. Meer ondergeschikt vraagt de nv X, alvorens uitspraak te doen over de vordering gegrond op artikel 29bis van de WAM-wet, twee prejudiciële vragen te stellen aan het Benelux-Gerechtshof : - of een afgesloten circuit beschouwd kan worden als één van de plaatsen vermeld in artikel 2 van de gemeenschappelijke bepalingen van de Benelux-overeenkomst van 24.05.1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - of deelname aan snelheidswedstrijden kan beschouwd worden als deelname aan het verkeer in de zin van artikel 2 van de gemeenschappelijke bepalingen van de Benelux-overeenkomst van 24.05.1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsver-zekering inzake motorrijtuigen. Tenslotte verzoekt de nv X mevrouw Y in iedere hypothese te veroordelen tot de kosten van het geding, waarbij zij de rechtsplegingsvergoeding aan haar zijde op euro 1.200,00 begroot. Mevrouw Y besluit tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het hoger beroep, en vraagt het bestreden vonnis te bevestigen. Vervolgens vordert zij evenwel de veroordeling van de nv X tot betaling van de som van euro 2.500,00 provisioneel, meer de vergoedende intresten sinds 30.04.2000 en de gerechtelijke intresten. De eerste rechter heeft (nog) geen intresten toegekend. Uit de motivering van de conclusies voor mevrouw Y blijkt nergens dat zij incidenteel beroep instelt met betrekking tot de intresten, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zij louter de bevestiging van het bestreden vonnis nastreeft. Van het bestreden vonnis wordt geen akte van betekening overgelegd noch wordt beweerd dat dit vonnis zou betekend zijn, zodat het hoger beroep, tijdig en regelmatig ingesteld, ontvankelijk is.
  6. Ontvankelijkheid van de vordering De nv X voert aan dat de vordering van mevrouw Y onontvankelijk is, zonder enig specifiek middel op te werpen. Wellicht betreft het een loutere stijlclausule. De rechtbank ziet evenmin enig ambtshalve op te werpen middel van onontvankelijkheid. De vordering van mevrouw Y werd tijdig en regelmatig ingesteld, en is ontvankelijk.
  7. Feitelijke gegevens De rechtbank verwijst in eerste instantie naar de feiten zoals uiteengezet door de eerste rechter in het bestreden vonnis. De nv X betwist deels de feitelijke toedracht zoals aangevoerd door mevrouw Y. Voor wat betreft de aanrijding zelf is er geen betwisting. Uit de verklaring van getuige V met wie mevrouw Y aan het wandelen was, blijkt dat zij zich - op het ogenblik van de aanrijding door de op hol geslagen motorfiets - bevonden op een verharde weg langs de vijver rond het circuit (stuk 11 dossier Y). De locatie waar het mevrouw Y en juffrouw V zich bevonden, wordt bevestigd door de heer H van de organisatie (stuk 12 dossier Y). Ook dit gegeven wordt door de nv X niet betwist.
  8. Beoordeling in het kader van artikel 1382 B.W. Wel werpt de nv X op dat er zo goed als geen informatie beschikbaar is over de reden waarom de motorfiets de omloop verlaten heeft, en dat er geen objectieve gegevens bekend zijn over de omstandigheden waarin de piloot buiten de omloop is terechtgekomen noch over diens identiteit. De verklaringen van juffrouw V en de heer H bevatten inderdaad geen enkel gegeven met betrekking tot het rijgedrag van de bestuurder van de motorfiets vóór de aanrijding. Juffrouw V hoorde iemand "pas op" roepen, en zag toen de motorfiets zonder piloot op hen af komen schuiven. Bij gebrek aan enig feitelijk gegeven omtrent hetgeen gebeurde voor de motorfiets op het slachtoffer kwam afgeschoven, is de rechtbank van oordeel dat geen fout in causaal verband met de schade in hoofde van de (in dit dossier onbekend gebleven) bestuurder of enige andere deelnemer wordt aangetoond. De eerste rechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de ten val gekomen motorfietser een fout in het kader van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek heeft begaan door deel te nemen aan een wedstrijd zonder de nodige vaardigheden en ervaring om het voertuig in de hand te houden. Niet alleen is de identiteit van de motorfietser niet bekend, er zijn bovendien geen getuigen met betrekking tot het incident voorafgaandelijk aan de aanrijding, dat er toe geleid heeft dat de bestuurder de controle over zijn voertuig verloor. Er kan dus geen enkel oordeel worden geveld over de rijvaardigheid en ervaring van de bewuste piloot. Evenmin is bekend of er al dan niet andere deelnemers aan de wedstrijd bij betrokken waren. Na nieuw onderzoek in graad van beroep wordt het bestreden vonnis op dit punt dan ook hervormd.
  9. Beoordeling overeenkomstig artikel 29bis WAM-wet 5.
  10. Dekking door de polis ? 5.1.
  11. De nv X brengt een polis bij waarvan zij voorhoudt dat het een aansprakelijkheidsverzekering betreft die enkel tussenkomt in geval van gedekte foutaansprakelijkheid (stuk 2 dossier AXA BELGIUM). De inleidende bepaling van de polis luidt als volgt : "Onderhavige polis heeft tot doel de verzekeringsnemer dekking te verlenen voor de schade die wordt veroorzaakt door de verzekeringsnemer tijdens het betwisten van motorcrosswedstrijden en gedurende de tijd die nodig is voor het oprichten en afbreken van de omlopen voor deze wedstrijden. De polis omvat 2 essentiële waarborgen :
  12. De burgerlijke aansprakelijkheid verkeer dewelke de schade vergoedt, toegebracht door de piloten aan derde personen, tijdens de wedstrijden georganiseerd door de onderschrijver; en overeenkomstig de wet van 21/11/
  13. De burgerlijke aansprakelijkheid organisatie dewelke de schade vergoedt die tegen de verzekeringsnemer kan worden gevorderd op grond van de artikels 1382 tem 1384 van het burgerlijk wetboek, voor ongevallen die zich voordoen tijdens de voorbereiding tot de organisatie van de motorcross of tijdens het verloop van de manifestatie." Specifiek met betrekking tot de dekking door de polis verwijst de nv X naar p. 1 van de algemene voorwaarden, waar staat vermeld : "Schades veroorzaakt buiten de omloop zelf en het rennerspark, zoals parking, weg naar en van de verblijfplaats en dergelijke zijn derhalve niet gewaarborgd." Volgens de nv X heeft het ongeval zich voorgedaan buiten de omloop, zodat er geen dekking is. 5.1.
  14. Over de plaats waar mevrouw Y werd geraakt door de motorfiets, kan geen betwisting bestaan. Zij bevond zich op een verharde wandelweg naast een vijver, achter de afsluiting met dubbele linten, op een vijftal meter van het eigenlijke circuit waar de motorcrossers reden. De plaats wordt aangegeven op een schets van het circuit, en op de foto's die door mevrouw Y worden bijgebracht (stukken 10 en 17). De organisator, de heer H, verklaarde zelf dat mevrouw Y werd aangereden "op 5 meter buiten het circuit" (stuk 12 dossier Y). Zij bevond zich wel degelijk op het terrein zelf waar de wedstrijd plaats had, en dit op het gedeelte voor de toeschouwers. De rechtbank is van oordeel dat uit de bepalingen van de polis zelf blijkt dat ook ongevallen buiten het eigenlijke circuit voor de deelnemers gedekt zijn, en dat "de omloop" ook het toeschouwergedeelte omvat. De voorbeelden die gegeven worden van locaties "buiten de omloop zelf en het rennerpark", zoals de parking, maken dit meteen duidelijk. Het kan niet de bedoeling zijn dat enkel toeschouwers die het eigenlijke circuit betreden en daar gewond raken vergoed worden voor hun schade, en dat zij die zich reglementair achter de afsluiting bevinden, daarvan uitgesloten zouden blijven. Mevrouw Y wandelde op het terrein waar de wedstrijd plaatsvond, en kon vanaf de plaats waar zij zich bevond de wedstrijd volgen. Irrelevant daarbij is of zij ook effectief aan het kijken was. Nu op basis van de objectieve gegevens van het dossier vaststaat dat mevrouw Y zich niet buiten de omloop bevond, kan de nv X zich niet op voormelde bepaling beroepen om geen dekking te moeten verlenen. 5.
  15. Toepassingsvoorwaarden artikel 29bis WAM-wet vervuld ? Artikel 29bis van de WAM-wet is slechts toepasselijk indien aan de volgende vier noodzakelijke voorwaarden is voldaan :
  16. een verkeersongeval
  17. een motorrijtuig
  18. betrokkenheid van het motorrijtuig bij het verkeersongeval
  19. op de plaatsen bedoeld in artikel 2 §1 van de WAM-wet. De nv X betwist dat deze voorwaarden vervuld zijn, in het bijzonder dat er sprake is van een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan op één van plaatsen bedoeld in artikel 2 §1 van de WAM. 5.2.
  20. Plaats bedoeld in artikel 2 van de WAM-wet ? De nv X wijst erop dat artikel 29bis van de WAM-wet slechts vergoeding biedt voor verkeersongevallen die gebeuren op één van de plaatsen bedoeld in artikel 2 van de WAM-wet. Dit artikel 2, §1, lid 1 bepaalt : "Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst." Volgens de nv X kan een motorcrosscircuit niet worden beschouwd als "een terrein dat toegankelijk is voor een zeker aantal personen" in de zin van voormelde bepaling. Het gaat volgens haar om een strikt privaat domein. Dit standpunt kan echter niet worden bijgetreden. Een dergelijk "terrein" kan ook een privé-terrein zijn, mits het toegankelijk is voor een aantal personen die het recht hebben erop te komen (S. PANIS, "Snelheidswedstrijden voor motorrijtuigen en het begrip ‘verkeersongeval' in artikel 29bis WAM", noot onder Cass. 15.05.2008, T.B.B.R. 2008, p. 639, nr. 17). Artikel 28 van de wegverkeerswet omschrijft de "openbare plaats" als volgt : "de openbare weg, de terreinen toegankelijk voor het publiek en de niet-openbare terreinen die voor een zeker aantal personen toegankelijk zijn". Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat onder het begrip "openbare plaats" uit voormeld artikel 28, waaraan de wetgever dezelfde ruime betekenis heeft willen geven die het had in artikel 2, §1 van de WAM-wet van 1956 en die het heeft in artikel 2, §1 van de WAM-wet van 1989, de plaatsen worden begrepen die hoewel zij privé zijn, voortdurend toegankelijk zijn voor bepaalde categorieën van personen zoals aangestelden, klanten, leveranciers, bezoekers of passanten (Cass. 12.10.2005, P.05.0686.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051012.19, www.juridat.be). Ook afgesloten wedstrijdomlopen die toegankelijk zijn voor het publiek, zij het mits betaling van een toegangsticket, vallen onder artikel 2 §1, lid 1 (Ph. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 114, nr. 207). De motorcrosswedstrijd te Koningshooikt vond plaats op een terrein dat toegankelijk was voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen. Het publiek kon het terrein betreden mits betaling. Dat mevrouw Y zich op het toeschouwergedeelte van de omloop bevond, en niet op het circuit zelf, is daarbij niet relevant. Deze voorwaarde voor toepassing van artikel 29bis van de WAM-wet is dan ook vervuld. 5.2.
  21. Verkeersongeval ? 5.2.2.
  22. In zijn arrest van 15.05.2008 (T.B.B.R. 2008, 632, noot S. PANIS) oordeelde het Hof van Cassatie expliciet dat het begrip schade geleden door het slachtoffer van een verkeersongeval, in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet, moet worden beoordeeld in het licht van de artikelen 2, §1 en 3, §1 van de WAM-wet. Deze bepalingen moeten op hun beurt worden uitgelegd in overeenstemming met de interpretatie van het Benelux-Gerechtshof van de artikelen 2, §1 en 3 van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-overeenkomst van 24.05.1966 betreffende de verplichte aansprake-lijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Zo mochten de appelrechters zich op het arrest van 23.10.1984 van het Benelux-Gerechtshof baseren en als criterium aannemen dat de schade moet veroorzaakt zijn op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Verder statueerde het Hof van Cassatie in dit arrest dat een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet het ongeval is dat zich voordoet op de openbare weg en op de terreinen, zij het privé, die toegankelijk zijn voor een aantal personen die het recht hebben om er te komen. Uit de omstandigheid dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens een snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd, kan niet worden afgeleid dat het ongeval geen verkeersongeval is in de zin van voornoemde bepaling (zie ook Cass. 25.01.2008, C.07.0261.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.1, www.juridat.be). Het Hof van Cassatie besloot in het arrest van 15.05.2008 dat de appelrechters zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen hebben kunnen oordelen dat het feit dat het motorrijtuig in casu als sportvoertuig werd gebruikt, niet belet dat de schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt, en de stelling van de eiser hebben kunnen verwerpen volgens dewelke het begrip verkeer volkomen vreemd zou zijn aan een gemotoriseerde rallywedstrijd. Voormeld arrest, door geen van beide partijen aangehaald, vindt onverkort toepassing in deze zaak, en sluit aan bij de ruime interpretatie van het begrip verkeersongeval zoals voorgestaan door rechtsleer en rechtspraak, en ook bevestigd in het "verdwaalde kogelarrest" van het Hof van Cassatie van 09.01.2004 (R.G.A.R. 2004, nr. 13.904, met concl. adv.-gen. Th. Werquin). De rechtbank is van oordeel dat de toeschouwer die het slachtoffer is geworden van een ongeval dat zich voordeed ter gelegenheid van een autorally of een snelheidswedstrijd voor motorfietsen, aanspraak kan maken op vergoeding. Het feit dat ongeval zich voordeed op een voor het gewone wegverkeer afgesloten parcours, ontneemt aan dit ongeval niet het karakter van verkeersongeval in de zin van de wet. 5.2.2.
  23. De nv X steunt zich ten onrechte op het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 27.05.1991 (De Molder t./ Belgische Motorrijders-bond, zaak nr. A/90/3, concl. plaatsvervangend adv.-gen. Lenaerts, T.B.H. 1993, 179, noot). Dit arrest betrof specifiek de vraag naar de schade veroorzaakt door het deelnemen van de wedstrijdvoertuigen aan het verkeer vóór en met het oog op snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden, of, nadien, ter afsluiting daarvan. Dat er tijdens dergelijke ritten of wedstrijden op een voor de toeschouwers toegankelijke, gesloten omloop, wel degelijk sprake is van "verkeer" in de zin van artikel 2 §1 WAM 1989 en artikel 2 §1 Gemeenschappelijke Bepalingen bij de Benelux-Overeenkomst van 24.05.1966, blijkt immers expliciet uit de overwegingen van het Benelux-Gerechtshof in het arrest van 27.05.
  24. Vooreerst overwoog het Benelux-Gerechtshof in dat arrest "dat de Gemeenschappelijke Bepalingen voor alles de bescherming van de benadeelden beogen; dat dienovereenkomstig, naar zowel de tekst als de toelichting op artikel 3 van de Gemeenschappelijke Bepalingen duidelijk doet uitkomen, de omvang van de voorgeschreven verzekering in beginsel zo ruim mogelijk dient te zijn". Met betrekking tot artikel 4 van de Gemeenschappelijke Bepalingen, waarvan §2 de mogelijkheid voorziet om van de gewone BA-verzekering Motorrijtuigen uit te sluiten de schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend, welke bepaling in de Belgische interne rechtsorde overeenstemt met artikel 4 §2 van de WAM-wet, overwoog het Benelux-Gerechtshof voorts "dat artikel 4, dat afbreuk kan doen aan de bescherming van bepaalde verkeersslachtoffers, dan ook restrictief moet worden uitgelegd", en verder "dat, nu artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de Benelux-Overeenkomst bedoelde verzekering slechts behoeft te dekken het risico verbonden aan deelname aan de bedoelde ritten en wedstrijden zelf, het in strijd met de hiervoor onder 7 en 8 bedoelde strekking van de in artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen bedoelde verzekering zou zijn (namelijk dat de Gemeenschappelijke bepalingen voor alles de bescherming van de benadeelden beogen en dat, naar zowel de tekst als de toelichting op artikel 3 van de Gemeenschappelijke Bepalingen, de omvang van de voorgeschreven verzekering in beginsel zo ruim mogelijk dient te zijn), de in artikel 4, § 2 van die bepalingen toegelaten uitsluiting ook geoorloofd te achten voor verkeersrisico's buiten de eigenlijke deelname aan meergenoemde ritten en wedstrijden". Hieruit volgt a contrario dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor verkeersrisico's binnen de eigenlijke deelname aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden dient gedekt te zijn door de bijzondere verzekering. Het Benelux-Gerechtshof maakt immers nergens een onderscheid tussen verkeersrisico's enerzijds en wedstrijd- of competitierisico's anderzijds. Het Benelux-Gerechtshof diende in bovengenoemde zaak in feite uit te maken welke het respectieve toepassingsgebied is van de gewone BA-verzekering motorrijtuigen enerzijds en van de bijzondere BA-verzekering anderzijds, welke beide verzekeringen moeten voldoen aan de bepalingen van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24.05.1966 en voor wat België betreft aan de bepalingen van de WAM-wet van
  25. Het begrip "verkeersongeval" in de zin van artikel 29bis moet worden geïnterpreteerd middels de uitlegging van het begrip "verkeer" door het Benelux-Gerechtshof, nu uit de voorbereidende werken met betrekking tot artikel 29bis blijkt dat de wetgever als toepassingscriterium precies een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 2 §1 van de WAM-wet 1989 heeft weerhouden. Wanneer lichamelijke schade wordt veroorzaakt aan derden door de mechanische kracht van een wedstrijdvoertuig, bestuurd door een deelnemende piloot, die vanaf de gesloten wedstrijdomloop door de omheining van het parcours op de toeschouwers inrijdt, houdt het veroorzaken van die schade derhalve verband met de deelneming van het wedstrijdvoertuig aan het verkeer (P. ALLARY, "Artikel 29bis W.A.M. 1989 : toepassing de lege lata op ongevallen tijdens snelheids-, regelmatigheids-, behendigheidsritten of -wedstrijden", De Verz. 2007, p. 385). Gelet op hetgeen voorafgaat, ziet deze rechtbank geen reden om de door de nv X voorgestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Benelux-Gerechtshof. 5.2.2.
  26. Het is voorts ook logisch dat het begrip verkeersongeval in enerzijds artikel 29bis van de WAM-wet en anderzijds artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek en artikel 138, 6°bis van het wetboek van strafvordering dezelfde uitlegging krijgen. Er anders over oordelen zou betekenen dat de politierechter die als burgerlijke rechter kennisneemt van een vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt bij een ongeval tijdens een motorsportwedstrijd, dient te beslissen dat hij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen omdat het een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis van het gerechtelijk wetboek betreft, maar vervolgens de vordering op grond van artikel 29bis van de WAM-wet moet afwijzen om reden dat het geschil geen verkeersongeval in de zin van deze laatste wetsbepaling betreft. In verschillende arresten oordeelde het Hof van Cassatie dat in het kader van de wet van 11.07.1994 met betrekking tot de bevoegdheid van de politierechtbank "het begrip 'verkeersongeval' in de brede zin van het woord moet worden opgevat; (...) dat een ongeval waarbij middelen van vervoer te land, inzonderheid auto's, betrokken zijn en dat zich heeft voorgedaan op een niet openbaar terrein, dat evenwel openstaat voor een bepaald aantal personen, zoals een gesloten omloop voor automobielwedstrijden die evenwel toegankelijk is voor het publiek, een verkeersongeval is (....)" (Cass. 20.10.1998, Verkeersrecht 1999, nr. 99/82; Cass. 03.11.1998, T.A.V.W. 1998, 273; Cass. 24.03.1999, R.W. 99-00, 1132). 5.2.2.
  27. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat het door de nv X aangehaalde cassatiearrest van 05.12.2003 (C.02.0261.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031205.27, www.juridat.be) in deze zaak niet relevant is. Het geval waarover het Hof diende te oordelen betrof een ongeval met een vrachtwagen die op het ogenblik van het ongeval asfalt uitgoot in een afwerkmachine. Het ongeval werd veroorzaakt door een elektrische boogontlading doordat de laadbak te dicht bij een hoogspanningslijn was genaderd. Het Hof oordeelde dat de WAM-verzekering niet de schade dekt die veroorzaakt is door een motorrijtuig dat, op het ogenblik dat het ongeval zich voordeed, slechts maneuvers uitvoerde die te maken hadden met het gebruik ervan als 'werktuig', en die niet veroorzaakt is op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door motorrijtuigen in het verkeer. Hierboven werd reeds verwezen naar het cassatiearrest van 15.05.2008, waarin het Hof besloot dat de appelrechters zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen hebben kunnen oordelen dat het feit dat het motorrijtuig in casu als sportvoertuig werd gebruikt, niet belet dat de schade moet worden aangemerkt als in het verkeer veroorzaakt. 5.2.
  28. Als bijzondere verzekeraar niet gebonden aan art. 29bis ? De nv X voert aan dat zij als bijzondere verzekeraar enkel dekking moet verlenen als de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van haar verzekerde vaststaat, zodat dekking op grond van artikel 29bis van de WAM-wet is uitgesloten. Artikel 29bis, zo stelt de nv X, voorziet immers een schadevergoeding buiten aansprakelijkheid. Deze argumentatie kan echter niet worden gevolgd. Zowel de gewone verzekering BA-motorrijtuigen bedoeld in artikel 2 als de bijzondere BA-verzekering bedoeld in artikel 8 van de WAM-wet, zijn verzekeringen overeenkomstig de WAM-wet van
  29. De bijzondere verzekering voor de burgerlijke aansprakelijkheid van de inrichters of organisatoren en deelnemende piloten moet voldoen aan de bepalingen van de WAM-wet, waarvan artikel 29bis integraal deel uitmaakt. Nergens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 29bis dat de wetgever die automatische schadevergoeding heeft willen ontzeggen aan zij die vergoed moeten worden op basis van de bijzondere verzekering van artikel 8 van de WAM-wet. Indien zulks de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest, had dit in artikel 8 van de WAM-wet opgenomen moeten zijn. Ook een bijzondere verzekeraar is derhalve gebonden door artikel 29bis van de WAM-wet (P. ALLARY, "Artikel 29bis W.A.M. 1989 : toepassing de lege lata op ongevallen tijdens snelheids-, regelmatigheids-, behendigheidsritten of -wedstrijden", De Verz. 2007, p. 383-384). 5.2.
  30. Besluit Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de eerste rechter terecht beslist heeft dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 29bis van de WAM-wet vervuld zijn, zodat de nv X gehouden is tot vergoeding van de onder deze bepaling in aanmerking komende schade. Voor zoveel als nodig merkt de rechtbank nog op dat overeenkomstig artikel 29bis zwakke weggebruikers recht hebben op integrale schadeloosstelling, en ten aanzien van hen dan ook geen risicoaan-vaarding kan worden ingeroepen (H. ULRICHTS, "Bevoegdheidsconflicten en procedurele knelpunten als hinderpaal voor snelle vergoeding van de zwakke weggebruiker", Verkeersrecht 2001, p. 127).
  31. De schade 6.
  32. De nv X verzet zich in ondergeschikte orde niet tegen de aanstelling van een geneesheer-deskundige, en laat het aan het oordeel van de rechtbank te bepalen of de gevorderde provisie in casu gerechtvaardigd is. De rechtbank bevestigt het bestreden vonnis zowel voor wat betreft de toekenning van een provisie van euro 2.500,00 als voor de aanstelling van dr. Adriaenssens als deskundige. 6.
  33. Overeenkomstig artikel 1068, lid 2 van het gerechtelijk wetboek verwijst de rechter in hoger beroep de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt. Wanneer evenwel de rechter in hoger beroep, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, dient hij de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt, ook al is die onderzoeksmaatregel grotendeels dezelfde als diegene bevolen door het beroepen vonnis (Cass. 26.01.2007, P.&B. 2007, 266). In casu wordt de beslissing van de eerste rechter deels bevestigd, en de aanstelling van de geneesheer-deskundige is evenzeer op dit onderdeel van het bestreden vonnis gesteund. Er is dan ook geen beletsel om de zaak overeenkomstig artikel 1068, lid 2 van het gerechtelijk wetboek terug te verwijzen naar de eerste rechter.
  34. Kosten van het geding Niettegenstaande de vordering van mevrouw Y op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek na nieuw onderzoek in graad van beroep wordt afgewezen, blijft de nv X te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij die overeenkomstig artikel 1017, lid 1 van het gerechtelijk wetboek in de gedingkosten wordt verwezen. Partijen zijn het er blijkens hun conclusie over eens de rechtsplegingsvergoeding op een bedrag van euro 1.200,00 te begroten.
  35. Uitvoerbaarheid Mevrouw Y vraagt de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe te staan, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. De discussie over de uitvoerbaarheid van een vonnis is in graad van hoger beroep vanzelfsprekend niet aan de orde. Krachtens artikel 1118 van het gerechtelijk wetboek heeft de voorziening in cassatie in burgerlijke zaken in principe immers geen schorsende werking, zodat dit onderdeel van de vordering zonder bestaansreden is. BESLISSING VAN DE RECHTBANK Dit vonnis wordt uitgesproken op tegenspraak en in hoger beroep; De bepalingen van de wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan werden in acht genomen; De bepalingen van de wetten van 26.06.2000 en 30.06.2000 betreffende de invoering van de euro en de in uitvoering hiervan genomen koninklijke besluiten van 20.07.2000 werden eveneens in acht genomen; Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate, maar ongegrond en afgewezen voor het overige; De rechtbank bevestigt het bestreden vonnis, behoudens waar de eerste rechter de vordering van mevrouw Y op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek gegrond heeft verklaard; De vordering van mevrouw Y, gesteund op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, is ongegrond en wordt afgewezen; De zaak wordt overeenkomstig artikel 1068, lid 2 van het gerechtelijk wetboek terug verwezen naar de eerste rechter; De nv X wordt veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep, voor haarzelf begroot op euro 82,00 (rolrecht) + euro 1.200,00 (rechtsplegingsvergoeding) = euro 1.282,00 en voor mevrouw Y op euro 1.200,00 (rechtsplegingsvergoeding). Dit vonnis werd uitgesproken op vijftien september tweeduizend en negen in openbare terechtzitting van de eerste kamer, die samengesteld was uit De heer M. DE GENDT, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer Mevrouw N. PEETERS, rechter De heer T. BYL, rechter Mevrouw A. MEYNAERTS, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031205.27 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051012.19 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.