← België

ECLI:BE:EAANT:2010:JUG.20100209.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Antwerpen Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:EAANT:2010:JUG.20100209.3 Rolnummer: 09/1907/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 21:22 Fiche De vordering tot gemeenverklaring van een reeds gewezen vonnis betreft geen vordering tot tussenkomst doch een zelfstandige rechtsvordering. De vordering tot gemeenverklaring van een reeds gewezen vonnis kan slechts worden ingewilligd voor zover de rechten van de verdediging van de partij tegen wie de maatregel gevorderd wordt, niet kunnen geschonden worden. Indien er een negatieve invloed mogelijk is, dan verzet het algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerbiediging van de rechten van verdediging zich tegen de bindendverklaring van de uitspraak. Er dient concreet te worden nagegaan of de rechten van verdediging zouden gekrent zijn. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Vordering tot gemeenverklaring - Zelfstandige rechtsvordering - Rechten van verdediging Tekst van de beslissing De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, eerste kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis : A.R. nr. 09/1907/A INZAKE : Mevrouw S.B., ... TEGEN : De heer R.Bi., ... * * * * * De rechtbank neemt in acht : - het bestreden vonnis van het vredegerecht te Willebroek van 07.12.2009 (A.R. nr. 09A1181); - het verzoekschrift tot hoger beroep voor mevrouw S.B. neergelegd ter griffie op 30.12.2009; - de voor mevrouw S.B. overgelegde stukken. * * * * *

  1. Procedure 1.
  2. De betwistingen tussen de partijen hebben betrekking op een door de heer R.Bi. opzichtens de heer B. gevoerde procedure aangaande de tussen deze beiden afgesloten huurovereenkomst betreffende een appartement te ..., en waarin door het vredegerecht te Willebroek twee vonnissen geveld werden, met name een vonnis bij verstek (ten aanzien van de heer B.) op 07.09.2009 en een vonnis op tegenspraak op 30.10.
  3. Bij exploot van 19.11.2009 werd mevrouw S.B. op verzoek van de heer R.Bi. gedagvaard voor het vredegerecht van het kanton Willebroek. De vordering van de heer R.Bi. strekte ertoe: - na toepassing gemaakt te hebben van artikel 735 van het gerechtelijk wetboek, de vonnissen van 07.09.2009 gekend onder A.R. 09A763 en van 30.10.2009 gekend onder A.R. 09A1027 aan mevrouw S.B. gemeen te horen verklaren; - mevrouw S.B. te horen veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding; - de te vellen beschikking uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borg en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. Bij vonnis van het vredegerecht te Willebroek van 07.12.2009 werd: - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de vonnissen van het vredegerecht van het kanton Willebroek van 07.09.2009, gekend onder A.R. 09A763, en van 30.10.2009, gekend onder A.R. 09A1027, aan mevrouw S.B. gemeen verklaard; - mevrouw S.B. tot de kosten van het geding veroordeeld, aan de zijde van de heer R.Bi. vereffend op euro 223,16 dagvaardings- en rolstellingskosten en euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding; - het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling. Mevrouw S.B. legde op 30.12.2009 verzoekschrift tot hoger beroep neer, hetgeen ertoe strekte: · na toepassing te hebben gemaakt van artikel 1066, 6° van het gerechtelijk wetboek; · in hoofdorde: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - het vonnis van 07.12.2009 van het vredegerecht van het kanton Willebroek te vernietigen; - dienvolgens, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van de heer R.Bi. toelaatbaar te verklaren doch als ongegrond af te wijzen; - de heer R.Bi. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. · in ondergeschikte orde, mocht de rechtbank de mening toegedaan zijn dat het hoger beroep van mevrouw S.B. ongegrond zou zijn, en mocht de rechtbank menen dat de kosten van beide aanleggen ten laste van mevrouw S.B. dienen gelegd te worden, de door mevrouw S.B. verschuldigde rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen op het minimumbedrag te begroten. 1.
  4. Het hoger beroep vanwege mevrouw S.B., tijdig en regelmatig ingesteld, is ontvankelijk.
  5. Feiten Tussen de heer R.Bi. en de heer B. werd op 01.06.2007 een huurovereenkomst afgesloten waarbij de heer R.Bi. een appartement gelegen te ..., verhuurde aan de heer B.. Mevrouw S.B. is gehuwd met de heer B. en woont samen met haar echtgenoot in het voormelde appartement. De heer R.Bi. startte met betrekking tot deze huurovereenkomst opzichtens de heer B.a een procedure voor het vredegerecht van het kanton Willebroek. Bij vonnis van het vredegerecht te Willebroek van 07.09.2009, gewezen bij verstek ten aanzien van de heer B., werd ondermeer de huurovereenkomst ontbonden in het voordeel van de heer R.Bi., en werd de heer B. veroordeeld tot betaling van achterstallige huurgelden, tot verlating en ontruiming van het pand, tot betaling van een wederverhuringsvergoeding en tot betaling van een bezettingsvergoeding. De heer B.a stelde verzet in tegen dit vonnis. Bij vonnis van de vrederechter te Willebroek van 30.10.2009 werd het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard en afgewezen, zij het met een aanpassing wat betreft de huurachterstal en machtiging aan de heer B. om deze huurachterstal te kwijten door middel van afbetalingen. Op 19.11.2009 liet de heer R.Bi. dagvaarding betekenen ten aanzien van mevrouw S.B., waarin hij, zoals hierboven reeds aangehaald, vorderde om de vonnissen van 07.09.2009 en 30.10.2009 gemeen te horen verklaren aan mevrouw S.B.. De heer R.Bi. argumenteerde dat hij pas na het verstekvonnis vernomen had dat de heer B. gehuwd was met mevrouw S.B., en dat mevrouw S.B. de bescherming van artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek inriep om niet samen met haar echtgenoot uitgedreven te worden uit het appartement in kwestie. Aangezien mevrouw S.B. zich beriep op de niet-tegenstelbaarheid van de vonnissen die opzichtens haar echtgenoot gewezen waren, vorderde de heer R.Bi. de gemeenverklaring van deze vonnissen. Mevrouw S.B. betwist de gevorderde gemeenverklaring. De verdere gegevens van de zaak en de argumenten van de partijen zullen verder bij de beoordeling van de zaak behandeld worden, voor zover ze dienend zijn.
  6. Beoordeling Een vordering tot bindend- of gemeenverklaring strekt ertoe het gezag van gewijsde waarmee een rechterlijke uitspraak is of zal worden bekleed, uit te breiden tot een mogelijke belanghebbende of een partij lastens wie men, op basis van de te wijzen of gewezen uitspraak, een vordering wil instellen. De door de heer R.Bi. voor het vredegerecht van het kanton Willebroek ten opzichte van mevrouw S.B. gevorderde gemeenverklaring heeft betrekking op de twee aangehaalde vonnissen van 07.09.2009 en 30.10.
  7. Met deze vonnissen heeft de vrederechter zijn rechtsmacht uitgeput door een eindoordeel te vellen over deze bij hem aanhangig gemaakte zaak. Deze rechtsmacht is beperkt tot het onderwerp van het huurgeschil zoals partijen (met name de heer R.Bi. en de heer B.) het aan de vrederechter hadden onderworpen. De vordering tot bindendverklaring van een reeds gewezen vonnis, betreft aldus geen vordering tot tussenkomst doch een zelfstandige rechtsvordering. De vordering tot bindendverklaring van een reeds gewezen vonnis kan slechts worden ingewilligd voor zover de rechten van de verdediging van de partij tegen wie de maatregel gevorderd wordt, niet kunnen geschonden worden. Indien er een negatieve invloed mogelijk is, dan verzet het algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerbiediging van de rechten van verdediging zich tegen de bindendverklaring van de uitspraak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eerste rechter niet kan gevolgd worden waar deze zonder meer stelt dat de rechten van verdediging niet geschonden worden door een vordering tot bindendverklaring, die niet strekt tot enige veroordeling, Er dient immers concreet te worden nagegaan of de rechten van verdediging zouden gekrent zijn. In de voorliggende zaak stelt de rechtbank vast dat mevrouw S.B. geen argumenten heeft kunnen aanvoeren omtrent de ontbinding van de huurovereenkomst, de huurachterstallen, en dergelijke meer. Meer concreet dient te worden vastgesteld dat mevrouw S.B. haar argumenten niet heeft kunnen laten gelden in verband met de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke huurprocedure ingevolge een eventuele inbreuk op artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek. Wat dit betreft stelt de rechtbank vast dat de heer R.Bi. zijn verzoek tot gemeenverklaring van de vonnissen in kwestie, in het dagvaardingsexploot van 19.09.2009 uitdrukkelijk gemotiveerd heeft op grond van de argumentatie dat mevrouw S.B. de bescherming van artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek inriep om niet samen met haar echtgenoot uitgedreven te worden uit het appartement in kwestie. De heer R.Bi. stelde tevens dat "voor zover de bescherming van artikel 215 § 2 BWB geldt", hij eveneens vonnis wenste ten aanzien van mevrouw Boutanhach, en zulks "om iedere betwisting te vermijden". In één van de vonnissen waarvan de heer R.Bi. de gemeenverklaring vorderde, met name het vonnis op tegenspraak van 30.10.2009, heeft de vrederechter van het kanton Willebroek reeds uitspraak gedaan over de door de heer R.Bi. opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid wegens inbreuk op artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek. Waar mevrouw S.B. zich aldus tegen een mogelijke uitdrijving verzet op basis van artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek, en de gemeenverklaring van het vonnis van 30.10.2009 er ondermeer op gericht is om uit te sluiten dat mevrouw S.B. de bescherming van dit artikel kan inroepen, is er volgens de rechtbank wel degelijk sprake van een schending van de rechten van verdediging. De gemeenverklaring van het vonnis van 30.10.2009, waarin door de vrederechter uitspraak gedaan werd over de toepasselijkheid van artikel 215, § 2 van het burgerlijk wetboek, kan immers een negatieve invloed hebben op de positie van mevrouw S.B., die immers haar argumentatie betreffende de toepasselijkheid van dit artikel niet heeft kunnen uiteenzetten voor de vrederechter. Nu er wel degelijk een concrete schending van de rechten van verdediging van mevrouw S.B. moet worden vastgesteld, dient de oorspronkelijke vordering vanwege de heer R.Bi. tot gemeenverklaring van de vonnissen van 07.09.2009 en 30.10.2009 ongegrond te worden verklaard. Het hoger beroep van mevrouw S.B. is bijgevolg gegrond, waarbij de heer R.Bi. dient te worden veroordeeld tot de kosten van het geding, zowel in graad van eerste aanleg als in graad van hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep dient, ingevolge het verstek van de heer R.Bi., te worden begroot op het minimumbedrag. BESLISSING VAN DE RECHTBANK : Dit vonnis wordt uitgesproken bij verstek ten aanzien van de heer R.Bi. en in hoger beroep; De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan en deze van de wetten van 26.06.2000 en 30.06.2000 betreffende de invoering van de euro en de in uitvoering hiervan genomen koninklijke besluiten van 20.07.2000 werden in acht genomen; Het hoger beroep is ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond; Het bestreden vonnis wordt bevestigd in de mate waarin het de vordering van de heer R.Bi. opzichtens mevrouw S.B. ontvankelijk heeft verklaard en de kosten voor de heer R.Bi. heeft begroot, doch wordt voor het overige tenietgedaan, en de rechtbank doet opnieuw uitspraak als volgt : De vordering van de heer R.Bi. opzichtens mevrouw S.B. is ongegrond en wordt afgewezen; De heer R.Bi. wordt veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen, voor mevrouw S.B. begroot op euro 82,00 (rolrecht hoger beroep, in debet) + euro 1.200,00 (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + 75,00 (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep) = euro 1.357,00 en voor de heer R.Bi. in hoger beroep begroot op nihil. Dit vonnis werd uitgesproken op negen februari tweeduizend en tien in openbare terechtzitting van de eerste kamer, die samengesteld was uit De heer M. DE GENDT, ondervoorzitter, voorzitter van de kamer De heer J. VAN MEULDER, rechter Mevrouw S. VANHOONACKER, rechter Mevrouw A. MEYNAERTS, griffier. A. MEYNAERTS S. VANHOONACKER J. VAN MEULDER M. DE GENDT Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.