id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen Vonnis/arrest van 08 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:EAOVL:2007:JUG.20071108.25 Rolnummer: 06/1495/A Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-03-03 Raadplegingen: 1237 - laatst gezien 2026-07-02 16:18 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEMIDDELING (BURGERLIJKE ZAKEN) - Algemeen (bemiddeling (burgerlijke zaken)) Vrije woorden: Gerechtelijke bemiddeling - Algemene beginselen - Vertrouwelijkheid - Documenten - Verwijdering uit de debatten - Schadevergoeding (geen) Annotaties Publicaties: RABG - Steven BROUWERS; Noot - 2009/4, 231 Tekst van de beslissing RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT DE NEGENDE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 NOVEMBER 2007 F De negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent vonnist als volgt in de zaak: Algemene rol nummer: 06/1495/A Van: XX, burgerlijk ingenieur, geboren te XX op XX wonende te XXX Appelant, in persoon verschijnend en bijgestaan door Mr. XX advocaat met kantoor te XX. Tegen: XX, bediende, geboren te XX op XX wonende te XX Geïntimideerde, in persoon verschijnend en bijgestaan door Mr. XX, advocaat met kantoor te XX. De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies in raadkamer ter terechtzitting van 5 oktober 2006 en 4 oktober 2007, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, inzonderheid het eensluidend verklaard afschrift van het op 3 april 2006 door de vrederechter van het 4e kanton Gent op tegenspraak gewezen vonnis. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. A.De vordering. 1.De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 mei 2005 en strekte ertoe op basis van art. 223 Burgerlijk Wetboek dringende en voorlopige maatregelen te horen bevelen. De geïntimeerde vorderde ondermeer de machtiging tot afzonderlijk verblijf in de gezinswoning met een verontrustingsverbod, het voorlopig bezit van de stofferende huisraad alsmede van de personenwagen Volkswagen Golf Break, een vervreemdingsverbod betreffende alle roerende goederen en de aanstelling van notaris Annick Dehaene voor het opstellen van een inventaris van de goederen. Tevens verzocht ze de vrederechter dat nopens de 2 gemeenschappelijke minderjarige kinderen L en V het ouderlijk gezag door beide ouders gezamenlijk zou worden uitgeoefend, dat de twee minderjarig kinderen bij haar zouden worden ingeschreven en dat de appellant veroordeeld zou worden tot een onderhoudsbijdragen van 350 euro per maand en per kind meer de bijdrage in de helft van buitengewone medische en tandheelkundige alsmede in de helft van de schoolkosten. 2.Door de appelant weden conclusis neergelegd ter terechtzitting van 15 juni 2006 waarin een tegeneis werd ingesteld. Appellant vorderde een bilocatie-regeling voor de twee minderjarig kinderen L en V. Wel stemde hij ermee in om maandelijks een onderhoudsgeld van 50 euro per kind te betalen op voorwaarde dat de geïntimeerde zou instaan voor de aankoop van kledij,schoenen enz.... B.De bestreden beslissing. 1.De vrederechter van het vierde kanton te Gent heeft in haar op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 17 juni 2005 geoordeeld dat uit de behandeling van de zaak voldoende was gebleken dat de onderlinge verstandhouding tussen de partijen dermate verstoord was dat ondermeer de volgende dringende en voorlopig maatregelen moesten worden bevolen: De samenwoningsplicht tussen de partijen werd geschorst en de geïntimeerde werd gemachtigd om in de gezinswoning te verblijven. De appellant moet tegen uiterlijk 30 juli 2005 de gezinswoning verlaten. Een verontrustingsverbod werd opgelegd Het ouderlijk gezag over de persoon en het beheer van goederen van de minderjarige dochter V en L zal door beide partijen gezamenlijk worden uitgeoefend. De twee minderjarige kinderen zullen ingeschreven worden op het adres van de geïntimeerde en zij zullen daar hun hoofdverblijfplaats hebben. Aan de appellant werd een omgangsrecht met de kinderen toegekend om de 14 dagen van de donderdag na school tot de dinsdagmorgen. Een omgangsregeling voor de zomervakantie werd bepaald. De appelant werd veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsbijdrage voor L en V van 180 euro per maand met ingang van 1 augustus
- Tevens werd hij veroordeeld tot het betalen va de helft van de buitengewone kosten.
- De zaak werd door de vrederechter in voortzetting gesteld op de terechtzitting in raadkamer op 28 oktober
- 2.Bij beschikking van de vrederechter d.d. 28 oktober 2005 werd er een omgangsregeling uitgewerkt voor de herfstvakantie 2005 en werden de O.C.M.W.'s van Gent en Lochristi verzocht om een schriftelijk verslag op te stellen nopens de levensomstandigheden van de partijen en meer bepaald omtrent hun mogelijkheden om in te staan voor de opvang en de opvoeding van de kinderen. 3.In haar op 3 april 2006 gewezen eindvonnis heeft de vrederechter de eerder bij tussenvonnis van 17 juni 2005 door haar bepaalde omgangsregeling bevestigd. Tevens werd er een omgangsregeling uitgewerkt die zal gelden tijdens de schoolvakantie
- De vrederechter hield bij haar beslissing ondermeer rekening met het feit dat de kinderen nog zeer jong zijn en dat de geïntimeerde voor het ogenblik over de meeste tijd beschikt om de kinderen op te vangen. Tevens werd door de vrederechter uitdrukkelijk bepaald dat de door haar bevolen maatregelen zullen gelden tot en met 30 maart 2007 waarna ze hun uitwerking zullen missen. C.De grieven 1.Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 21 april 2006 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Appellant handhaaft zijn oorspronkelijke tegeneis en vordert dat er een tweeverblijf zou worden georganiseerd voor de kinderen. In zijn verzoekschrift en zijn conclusies neergelegd ter griffie op 16 oktober 2006 en 28 september 2006 voert de appellant in hoofdzaak aan dat het sociaal verslag geen tegenindicaties voor bilocatieregeling bevat, dat hij over flexibele werkuren beschikt die hem perfect in staat stellen om de zorg voor de kinderen op zich te nemen en dat er nog steeds een goede communicatie is tussen partijen wat van belang is bij bilocatieregeling. 2.In de conclusies neergelegd ter terechtzitting op 5 oktober 2006 en 4 oktober 2007 en ter griffie op 13 september 2007 vraagt de geïntimeerde het hoger beroep van de appellante als ongegrond af te wijzen en de maatregelen zoals bevolen in de verschillende beschikkingen van de vrederechter te bevestigen. Ondergeschikt verzoekt ze de rechtbank om het beroepsgeheim van de bemiddelaar op te heffen en deze te horen in de raadkamer. D.Voorafgaand 1.Ter terechtzitting van 4 oktober 2007 werden er door de geïntimeerde syntheseconclusies en aanvullende stukken (bundel VIII - stukken 7 tot 13) neergelegd. Appellant verzet zich tegen de neerlegging van deze syntheseconclusies en stukken en stelt dat ze geweerd moeten worden uit de debatten daar deze getuigen van een ‘deloyale' procesvoering in hoofde van de geïntimeerde. De rechtbank oordeelt evenwel dat er geen reden voorhanden zijn om de syntheseconclusies en aanvullende stukken van de geïntimeerde uit de debatten et weren daar er in deze zaak geen conclusietermijnen werden voorzien. 2.De appelllant voert in tweede instantie aan dat al de stukken in verband met de bemiddeling (bundel VIII - stukken 1, 2 en 3) tussen de partijen geweerd zouden worden uit de debatten en eist op grond van art. 734 van het Gerechtelijk Wetboek een schadevergoeding van 1.000 euro. Artikel 734 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat de documenten die worden opgemaakt en de mededeling die worden gedaan in de loop en ten behoeve van een bemiddelingsprocedure vertrouwelijk zijn. Zij mogen niet worden aangevoerd in een gerechtelijke, administratieve of arbitrale procedure of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijk bekentenis. Bij schending van die geheimhoudingsplicht door één van de partijen doet de rechter of de arbiter uitspraak over de eventuele toekenning van een schadevergoeding. Vertrouwelijk documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht worden ambtshalve buiten de debatten gehouden. De rechtbank oordeelt dienvolgens dat ingevolge art. 734 van het Gerechtelijk Wetboek de stukken 1, 2 en 3 van bundel VIII van de geïntimeerde buiten het debat moeten worden gehouden. Bovendien worden de onderdelen van de conclusies van de geïntimeerde neergelegd ter zitting op 4 oktober 2007 en die betrekking hebben op de bemiddeling (in casu I Voorafgaandelijk nopens de bemiddeling blz 1, 2 en 3 en het stuk op blz. 11 in verband met de bemiddeling) als niet bestaande beschouwd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aan de geïntimeerde hiervoor geen schadevergoeding dient te betalen aan de appellant. Door het weren van de documenten en het deels als onbestaand beschouwen van de conclusies, is vermeden dat de appellant schaden heeft geleden of lijdt, ook op moreel vlak. E.Beoordeling. 1.Sinds de wet van 18 juli 2006 wordt het tweeverblijf als principe vooropgesteld. Overeenkomstig artikel 374 § 2 van het Burgerlijk Wetboek onderzoekt de rechtbank, bij gebrek aan akkoord tussen partijen, op vraag van minstens één van de ouders (in deze zaak de appellant), bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen. Indien de rechtbank oordeelt dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan er evenwel beslist worden om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen. De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders. 2.De appellant verzoekt de rechtbank om het tweeverblijf vast te leggen. Hij stelt in conclusies dat uit het sociaal verslag zonder enige twijfel blijkt dat hij zich als een verantwoordelijke vader gedraagt, die veel aandacht aan zijn kinderen besteedt. Bovendien laat hij gelden dat zijn professionele activiteiten hem toelaten om zelf te bepalen om hoe laat hij begint te werken en tot wanneer. Aldus is hij perfect in staat om de kinderen in de week dat ze bij hem zouden verlijven, tijdig naar school te brengen en af te halen. Ook voor de woensdagnamiddagen kan hij een regeling treffen zodanig dat hij bij zijn kinderen kan zijn. Tenslotte wijst hij erop dat er tussen partijen nog steeds een goede communicatie is. Wel geeft hij toe dat er soms meningsverschillen zijn nopens bepaalde opvoedkundige aspecten. Volgens hem zouden de kinderen zelf ook vragende partij zijn voor een bilocatie. De geïntimeerde stelt daartegenover dat een alternerende verblijfsregeling niet in het belang van de kinderen is. In de eerste plaats stelt zij dat de kinderen zich goed voelen binnen de huidige regeling en dat zij zelf wensen dat deze niet gewijzigd zou worden. Geïntimeerde heeft de indruk dat appellant enkel aanstuurt op een tweeverblijf om alzo te ontkomen aan het betalen van een alimentatiebijdrage. Bovendien meent zijn dat zij beter in staat is om de kinderen op te vangen omdat zij enerzijds als bediende in het XX vaste werkuren heeft en omdat zij anderzijds steeds beroep kan doen op haar ouders om de kinderen naschools op te vangen. Tenslotte stelt zij zich serieus vragen nopens de opvoedingsprincipes van de appellant. Volgens haar heeft de appellant een volkomen vertekend waardepatroon. De geïntimeerde oppert zelfs dat de manier van opvoeden van de kinderen door de appellant in feite een gevaar uitmaakt voor de kinderen. De beide partijen betwisten deze standpunten wederzijds. 3.Vooreerst wenst de rechtbank op te merken dat in weerwil van hetgeen beide partijen elkaar in conclusies verwijten, zij niet twijfelt aan de oprechte intenties van de beide partijen om naar best vermogen voor hun dochtertjes L en V te zorgen. De rechtbank stelt wel dat er tussen partijen - soms verregaande - meningsverschillen zijn nopens bepaalde opvoedingsprincipes doch dergelijke verschillende opvattingen komen ook voor bij nog samenwonende ouders. Geïntimeerde stelt aangaande dit aspect dat de opvoeding van de appellant te Spartaans zou zijn en dat hij een gevaar betekent voor de kinderen. De rechtbank acht dit geenszins bewezen. Positief is wel vast te stellen dat er over vele zaken nog gecommuniceerd wordt tussen partijen. Bewijs hiervan zijn de vele e-mails tussen partijen. Uit lezing van deze e-mails dient deze rechtbank eveneens af te leiden dat de appellant het écht wel goed meent met de kinderen en dat hij ze écht voor de helft van de tijd bij zich wil. Er wordt geenszins bewezen dat de appellant enkel aanstuurt op een tweeverblijf om alzo te ontkomen aan een onderhoudsbijdrage. Verder heeft deze rechtbank met bijzondere aandacht de sociale verslagen gelezen die op vraag van de vrederechter werden opgesteld. Deze verslagen zijn positief voor de beide partijen. Beide partijen worden geacht geschikte ouders te zijn en beiden streven ernaar om hun kinderen een goede opvoeding te geven binnen een stabiel en kindvriendelijk kader. Beiden zijn zij in staat om hun verantwoordelijkheid op te nemen. De vrederechter oordeelde dat de jeugdige leeftijd van de kinderen een beletsel vormt voor een bilocatieregeling. L is op heden 7 jaar en V is nu 5 jaar. Ofschoon de kinderen nog zeer jong zijn acht deze rechtbank dit gegeven op zich geen beletsel voor een tweeverblijf. Bovendien stelt deze rechtbank vast dat de professionele activiteiten van de partijen evenmin een gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen verhinderen. De appellant heef als werknemer bij de NV XX flexibele werkuren zoals blijkt uit de door hem overlegde stukken 2 en 2 bis. Hierdoor kan hij zijn werk organiseren in functie van de kinderen. Indien nodig kan zijn moeder instaan voor de opvang. Het is aldus niet bewezen dat hij over minder tijd zou beschikken dan geïntimeerde om de kinderen op te vangen. De geïntimeerde heeft vaste werkuren als bediende bij het XX. Zij weet zich ook perfect te organiseren. Indien nodig doet ook zij beroep op haar ouders om L en V op te vangen. De partijen wonen niet op verre afstand van elkaar zodanig dat evenmin dit gegeven een hinderpaal vormt voor de organisatie van het tweeverblijf. De kinderen kunnen verder lessen volgen op hun huidige school wat uiteraard in hun belang is. Het enig element in dit dossier dat de rechtbank tot enige voorzichtigheid aanzet om het tweeverblijf op te leggen, is het gegeven dat L sinds 7 februari 2007 in behandeling is bij het Guidance centrum (stuk VIII 8). Uit dit stuk blijkt geenszins wat de redenen zijn voor de opvolging van L in het Guidance centrum. Op vraag van de rechtbank bevestigde de appellant ter terechtzitting dat dit was omwille van de moeilijke relatie tussen L en haar vader. De rechtbank beschikt op heden niet over meer informatie en kan uit deze summiere gegevens niet afleiden of een tweeverblijf al dan niet in het belang is van L. Partijen zelf hebben dienaangaande een uiteenlopende mening. Volgens de appellant sturen de kinderen aan op een tweeverblijf doch volgens de geïntimeerden zijn zij vragende partij voor de bestendiging van de bestaande regeling waarin een uitgebreid omgangsrecht voorzien is voor de appellant. De kinderen zijn te jong om dienaangaande gehoord te worden. Gelet op het feit dat deze rechtbank van oordeel is dat er in deze zaak momenteel geen elementen voorhanden zijn die een gelijkmatig verdeeld huisvesting in de weg staan, wordt het tweeverblijf opgelegd. Rekening houden met het gegeven dat L op heden begeleid wordt door het Guidance centrum acht de rechtbank het evenwel aangewezen dat dit tweeverblijf binnen een aantal maanden zou geëvalueerd worden. OP DIE GRONDEN, De rechtbank, op tegenspraak, Gelet op de artikelen 2, 24, 30, 34 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep in zoverre het betrekking heeft op het gevorderde tweeverblijf gegrond. Verklaart het hoger beroep ongegrond voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding. Zegt voor recht dat voor de kinderen L en V een gelijkmatig verdeelde huisvesting of tweeverblijf wordt georganiseerd en dat de kinderen dienvolgens om de week bij de éne of de andere ouder zullen verblijven. De overgang zal plaatsvinden op zondagavond om 18 uur op last van de ouder waar de kinderen verbleven hebben, de kinderen te brengen naar de ouder waar ze de week nadien zullen verblijven. Dit tweeverblijf zal doorlopen tijdens de schoolvakanties en zal voor het eerst ingang vinden uiterlijk zondag 2 december 2007 tenzij andersluidende overeenkomst onder de echtgenoten. De kinderen blijven ingeschreven bij de geïntimeerde en de geïntimeerde blijft gemachtigd om de kinderbijslag voor de beide kinderen te ontvangen. Zegt voor recht dat de appellant geen onderhoudsbijdrage verschuldigd is aan de geïntimeerde voor de kinderen. Zegt voor recht dat de beide partijen voor helft zullen instaan voor de buitengewone medische-tandheelkundige-en schoolkosten. Stelt de zaak voor evaluatie in raadkamer van deze rechtbank en kamer op donderdag 8 mei 2007 om 9.00 uur. Zegt dat ingeval van hoogdringendheid en zo de omstandigheden dit noodzaken, partijen op eenvoudig verzoek de zaak, énkel wat het tweeverblijf betreft, opnieuw voor deze rechtbank kunnen doen oproepen. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op donderdag ACHT NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN in openbare terechtzitting door de negende burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Aanwezig Rechter Hendrik De Wildeman, voorzitter van deze kamer, Rechter Bieke Ramman, Rechter Anne Stubbe, Griffier Danielle Brijnaert. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div