id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:EAOVL:2008:JUG.20080929.8 Rolnummer: 20.LC.5602/06/26 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-10-27 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-07-02 18:00 Fiche Een misdrijf situeert zich daar waar zich een gedraging of feit voordoet dat en constitutief element van het misdrijf vormt of daar een ondeelbaar element mee vormt. Territoriaal bevoegd is o.a. de rechter van de plaats waar het slachtoffer van een hacking zijn computer aanzet en dienvolgens de gevolgen van de hacking krijgt opgedrongen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Informaticamisdrijven Vrije woorden: Informaticacriminaliteit - informaticavalsheid - externe hacking - digitale overlast - locus delicti - territorialiteitsbeginsel - territoriale bevoegdheid van de strafrechtbank en vervolging Nota: Territoriale bevoegdheid in cyberspace Voor het uitoefenen van zijn ambtsverrichtingen zijn gelijkelijk bevoegd de procureur des Konings van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte, die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon, die van de - feitelijke - bedrijfszetel van de rechtspersoon, en die van de plaats waar de vedachte kan worden aangetroffen. Zulks bepaalt artikel 23, alinea 1 van het Wetboek van Strafvordering. Uit artikel 139 van het Wetboek van Strafvordering vloeien dezelfde bevoegdheidscriteria voort voor de correctionele rechtbanken. Klassiek werd steeds aangenomen dat voor wat betreft de bepaling van de plaats waar het misdrijf werd gepleegd, moet rekening worden gehouden met de geldende objectieve ubiquiteitstheorie. Volgens deze leer situeert een misdrijf zich op al die plaatsen waar zich een gedraging voordoet die een constitutief element van het misdrijf vormt. Indien niet enkel de constitutieve gevolgen van een misdrijf in aanmerking genomen worden maar ook verder verwijderde gevolgen, spreekt men van de effectenleer. In de praktijk wordt in vele landen een combinatie van deze verschillende theorieën toegepast. In België werd formeel geopteerd voor de ubiquiteitsleer. Deze wordt heel soepel geïnterpreteerd zodat deze vaak feitelijk uitmond in de leer van de ondeelbaarheid . Op grond van deze leer wordt aangenomen dat de Belgische rechter kennis kan nemen van alle elementen van het misdrijf die een ondeelbaar geheel vormen met het misdrijf dat op Belgisch grondgebied werd gepleegd. De leer van de ondeelbaarheid mondt vervolgens vaak uit in de zgn. effectenleer. Als voorbeeld terzake kan het zgn. Teheran-cheque-arrest naar voren worden geschoven . In Teheran werd een cheque zonder dekking uitgeschreven en overhandigd aan de nemer. Vervolgens wordt de cheque getrokken op een Belgische bank. Het Hof van Cassatie oordeelde in haar voornoemd arrest dat de Belgische rechter bevoegd was om kennis te nemen van de uitgifte van de cheque zonder dekking . In de rechtsleer wordt deze rechtspraak geïnterpreteerd als een toepassing van de leer van de ondeelbaarheid: « La compétence belge est justifiée en raison de l'indivisibilité qui existe entre l'escroquerie et l'émission du chèque sans provision » . Het Hof van Cassatie zelf stelt in haar arrest dat ‘buiten de uitgifte van de cheque, de afwezigheid van een voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds een constitutief element van het misdrijf uitmaakt'. Het Hof stelt verder dat ‘het volstaat dat één van de constitutieve elementen van het misdrijf in België tot stand is gekomen, opdat in België vervolgingen kunnen worden ingesteld'. Los van de vraag of in casu de ubiquiteitsleer kan worden gehanteerd - het misdrijf is immers afgelopen op het ogenblik van de uitgifte van de cheque; het trekken van de cheque kan dan ook niet beschouwd worden als een constitutief element - staat de bevoegdheid van de Belgische rechter in voorliggend geval in geen geval ter discussie, aldus het Hof van Cassatie. In de thans voorliggende casus diende de rechtbank te oordelen omtrent de toepassing van al die beginselen ‘in cyberspace'. Dit is prima facie allerminst evident. In casu werd door een slachtoffer van hacking en ‘digitale belaging' klacht neergelegd bij het parket van Dendermonde, zijn de het arrondissement waar het slachtoffer woonachtig was. De procureur des Konings initieerde vervolgens een doorgedreven informaticarecherche, die aan het licht bracht dat de kennelijke dader der feiten woonachtig was in Zaventem. Verder onderzoek bracht voorts aan het licht dat kennelijk de misdrijven werden gepleegd vanachter de computer van de verdachte, in Zaventem, zijnde het gerechtelijke arrondissement Brussel. De vraag die zich dan ook stelde was te weten in welke mate dat feiten die gepleegd zijn in Zaventem, en waarbij de dader woonachtig is in Zaventem, vervolgd kunnen worden voor de strafrechtbank te Dendermonde? Het alhier besproken vonnis heeft de verdienste om de hierboven geschetste principes en beginselen van de in het Belgisch positief recht gehanteerde territorialiteitsbeginselen, nauwgezet toe te passen op ‘cyberspace'. De rechtbank stelt onaantastbaar vast in feite dat het slachtoffer, dat woonachtig is in arrondissement Dendermonde, zijn computer heeft aangezet, vervolgens connectie heeft gemaakt met het internet en heeft getracht in te loggen op zijn webaccounts en e-mailaccounts, hetgeen evenwel mislukte ingevolge de gepleegde hacking waardoor de accounts voor het slachtoffer onbeschikbaar waren geworden en zijn profieldata en toegangsparameters werden gewijzigd door de hacker. De rechtbank oordeelt dienvolgens dat deze elementen - zijnde de gevolgen van de hacking en gepleegde misdrijven - een ondeelbaar geheel vormen met de door de beklaagde van op haar computer gestelde gedragingen in Zaventem, zijnde arrondissement Brussel. Dienvolgens verklaart de rechtbank zich territoriaal bevoegd. Nochtans is één en ander niet evident. Het mag dan wel aannemelijk zijn dat de gepleegde informaticamisdrijven een territoriaal ruimere spreiding kennen dan enkel en alleen het arrondissement waar de hardware van de dader is gelokaliseerd, het is alleszins niet evident om vervolgens na te gaan ‘waar' deze misdrijven overal zouden kunnen zijn gepleegd indien men een materieel territorialiteitsconcept er op na houdt. Immers, waar staan de servers waarop de hacker de informaticavalsheid pleegde (de servers van Microsoft (hotmailaccount), van Jobat, van Stepstone of van Eci)? Er wordt door de rechtbank omtrent die problematiek een duidelijke lijn getrokken waarbij het territorialiteitsbeginsel kennelijk ‘gedematerialiseerd' wordt, zoals de virtuele wereld van het internet ook noodzaakt. Op een naadloze manier wordt overgegaan van de objectieve ubiquiteitstheorie naar de leer van de ondeelbaarheid en de effectenleer. De rechter heeft naar een deelverzameling gezocht tussen de reële en de virtuele wereld, en heeft deze kennelijk in onderhavig geval gevonden in Dendermonde. In casu wordt als het ware het territorialiteitscriterium ingevoerd 'van de plaats waar het scherm werd geopend' en het slachtoffer de confrontatie onderging met cybercrime. In het licht van de vigerende cassatierechtspraak lijkt deze redenering alleszins helder en ‘bulletproof'. Noot: tegen het vonnis in kwestie werd hoger beroep ingesteld, doch enkel door de burgerlijke partij. Tekst van de beslissing De Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, dertiende kamer, recht doende in strafzaken, heeft in haar openbare terechtzitting van 29 september 2008 het hiernavolgend VONNIS gewezen: Notitienummer griffie nr. DE 20.LC.5602/06/26 IN DE ZAAK VAN HET OPENBAAR MINISTERIE TEGEN: C. M., E., J., invalide, Verdacht van : Te Lede en bij samenhang elders in het Rijk, op niet nader te bepalen data in de periode van minstens 1 oktober 2006 tot en met 25 oktober 2006: A. Bij inbreuk op artikel 210bis 1 van het Strafwetboek, valsheid te hebben gepleegd, door gegevens die werden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te hebben ingevoerd in een informaticasysteem, te hebben gewijzigd, te hebben gewist of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te hebben veranderd, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens werd veranderd, namelijk minstens door:
- gegevens van J. G. te hebben veranderd in het CV en/of het profiel van deze laatste op de websites www.jobat.be, www.stepstone.be, en www.eci.be, met name minstens door het contact-e-mailadres te hebben gewijzigd in g...@skynet.be en bewust taalfouten te hebben aangebracht (zie o.a. stuk 39 en 46 strafdossier);
- door de loggings van de hotmailaccount t.......@hotmail.com van J. G. te hebben gewijzigd waardoor de account voor deze laatste ontoegankelijk werd (zie o.a. de stukken 2 tem. 21 strafdossier); B. Bij inbreuk op artikel 550bis 1, alinea 1-2 en 3, 3 Strafwetboek, terwijl hij / zij wist dat hij / zij daartoe niet gerechtigd is, zich toegang te hebben verschaft tot een informaticasysteem of zich daarin te hebben gehandhaafd, met de omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd met bedrieglijk opzet, en met de omstandigheid dat hij / zij enige schade, zelfs onopzettelijk, veroorzaakt heeft aan het informaticasysteem of aan de gegevens die door middel van het informaticasysteem werden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, of aan een informaticasysteem van een derde of aan de gegevens die door middel van het laatstgenoemde informaticasysteem werden opgeslagen verwerkt of overgedragen, en met name minstens door: 1.toegang te hebben genomen tot het deel van het informaticasysteem van gegevens van www.jobat.be, www.stepstone.be, en www.eci.be voorbehouden aan J. G. en gegevens te hebben veranderd in het CV en/of het profiel van deze laatste op de websites www.jobat.be, www.stepstone.be, en www.eci.be, met name minstens door het contact-e-mailadres te hebben gewijzigd in g.........@skynet.be en bewust taalfouten te hebben aangebracht (zie o.a. stuk 39 en 46 strafdossier), waardoor schade werd toegebracht aan J. G. en de hem toebehorende gegevens; 2.toegang te hebben genomen tot de hotmailaccount t.........@hotmail.com van J. G. en de loggings te hebben gewijzigd waardoor de account voor deze laatste ontoegankelijk werd (zie o.a. de stukken 2 tem. 21 strafdossier), waardoor schade werd toegebracht aan J. G. en de hem toebehorende account; C. Bij inbreuk op artikel 145 3, 2 van de Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, een elektronische-communicatienetwerk of -dienst of andere elektronische-communicatiemiddelen te hebben gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen, met name door via het internet schade te berokkenen aan J.G. zoals omschreven onder de tenlasteleggingen A en B; Waarbij zich heeft gesteld als burgerlijke partij: G.J., arbeider, wonende te ........................, tegen : C. M., beklaagde.
- Procedure De rechtbank nam kennis van: - de rechtsgeldig betekende dagvaarding waarbij de zaak werd aanhangig gemaakt, tevens houdende dagstelling voor de rechtszitting van 2 juni 2008; - de processen-verbaal en de overige stukken van de rechtspleging. De rechtbank aanhoorde op de openbare terechtzitting van 2 juni 2008, datum waarop de zaak behandeld werd: - de burgerlijke partij J. G. in zijn middelen en vordering, voorgedragen door zijn raadsman mr. Steven Tamsyn, advocaat te Aalster, die hem vertegenwoordigde; - het openbaar ministerie, waargenomen door Jan Kerkhofs, in zijn voordracht van de zaak en in zijn eis; - de beklaagde M. C. in haar middelen van verdediging, voorgedragen door haarzelf en haar raadsman mr. Annemie De Clercq, advocaat te Grimbergen. De debatten werden gesloten op de rechtszitting van 1 september 2008, waarbij de zaak voor uitspraak werd gesteld op 29 september
- Gegrondheid strafvordering De beklaagde erkende op de rechtszitting van 2 juni 2008 uitdrukkelijk het haar ten laste gelegde door te stellen in de hotmailaccount van de burgerlijke partij te zijn binnengedrongen. Zij omschreef de feiten als een misplaatste grap. De verdediging bevestigde in pleidooien de erkenning van de feiten. Zijdelings werd wel de territoriale bevoegdheid van de rechtbank in twijfel getrokken, verwijzend naar het feit dat de beklaagde de feiten pleegde door middel van de computer in haar woonplaats te Z......., gelegen in het gerechtelijk arrondissement Brussel. De rechtbank is echter van oordeel zowel materiaal als territoriaal bevoegd te zijn. De verdediging gaat er ten onrechte van uit dat de territoriale bevoegdheid van de rechtbank enkel kan gesitueerd worden op de plaats waar de dader fysiek de handeling stelde. Een misdrijf situeert zich echter daar waar zich een gedraging of feit voordoet dat een constitutief element van het misdrijf vormt of daar een ondeelbaar element mee vormt. De beklaagde heeft toegang genomen tot een emailaccount en de account op diverse websites van de burgerlijke partij en heeft aldus diverse gegevens van de burgerlijke partij gewijzigd. De burgerlijke partij heeft zijn computer aangezet in L....., gelegen in het gerechtelijk arrondissement Dendermonde, en vervolgens ingelogd op zijn diverse email en websitesaccounts. Hij diende dan vast te stellen dat hij niet meer kon inloggen op zijn hotmailaccount nu de inloggegevens gewijzigd waren (door de beklaagde) en dat zijn gegevens/profielen op zijn accounts op de vermelde websites ook werden gewijzigd. Deze elementen vormen een ondeelbaar geheel met de door de beklaagde vanop haar computer gestelde gedragingen, zodat deze rechtbank wel degelijk territoriaal bevoegd is. De rechtbank is van oordeel dat de door de beklaagde gestelde handelingen beantwoorden aan de misdrijfomschrijvingen zoals hiervoor in de tenlasteleggingen A, B en C weergegeven. Deze feiten zijn de beklaagde toerekenbaar en verwijtbaar. De beklaagde erkende zonder toestemming van de burgerlijke partij toegang te hebben genomen tot de hotmailaccount van de burgerlijke partij en tot het deel van de vermelde websites voorbehouden voor de burgerlijke partij en de gegevens van de burgerlijke partij te hebben gewijzigd in het curriculum vitae en/of het profiel van de burgerlijke partij op de websites www.jobat.be, www.stepstone.be en www.eci.be en de log-ins van de hotmailaccount van de burgerlijke partij te hebben gewijzigd, waardoor deze account voor hem ontoegankelijk werd. De beklaagde gaf ook uitdrukkelijk haar intentie aan: "Ik heb dit gedaan bij wijze van wraak nadat ik mij zolang gemanipuleerd en gepest gevoeld heb" (stuk 39). Aldus kan er over het bedrieglijk inzicht of het opzet om schade aan te brengen, evenmin twijfel bestaan.
- Straftoemeting 3.1 De voor de beklaagde bewezen geachte feiten zoals hiervoor omschreven, zijn voor elk van hen de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zodat voor deze feiten bij toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek telkens slechts één straf moet worden uitgesproken. 3.2 De straftoemeting moet worden bepaald gelet op de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden en de persoonlijkheid van de beklaagde zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, zijn gezinstoestand en zijn arbeidssituatie voor zover bekend. 3.3 De feiten zijn objectief zwaarwichtig. De gepleegde feiten betreffen wanbedrijven tegen o.a. de openbare trouw en worden door de wetgever streng bestraft. Dergelijke internetcriminaliteit is bijzonder gevaarlijk en storend en dient beginsel streng beteugeld te worden. 3.4 De straftoemeting dient echter niet enkel de vergeldingsbehoefte, doch ook de generale en speciale preventie. 3.5 De beklaagde is thans 49 jaar. Zij is invalide en heeft een nagenoeg blanco strafregister. De gegevens van het strafdossier geven aan dat de beklaagde eerder onbesuisd pleegde, vanuit een frustratie ten aanzien van de burgerlijke partij, die blijkbaar storend gezag vertoonde ten aanzien van haar gezin. 3.6 Door de beklaagde werd de opschorting van de uitspraak van veroordeling gevraagd, waarover het openbaar ministerie gunstig advies verleende. De rechtbank kan op deze vraag ingaan rekening houdend met het gunstig strafrechtelijk verleden van de beklaagde, haar toestand van invaliditeit, haar duidelijk schuldbesef, de context van de feiten met de rol van de burgerlijke partij en de beperkte impact van de feiten. De beklaagde dient echter deze les voor zijn lichtzinnig gedrag goed voor ogen te houden, in het besef dat opschorting in deze omstandigheden een absolute gunst is. 3.7 De veroordeling tot betaling van de vaste vergoeding is voor elke criminele, correctionele en politiezaak een verplichte aanvulling van de strafrechtelijke veroordeling. Zij heeft een eigen karakter en is geen straf (zie: Cass. 9 november 1994, J.T., 1995, 214, waarnaar wordt verwezen door: Gent, 3de kamer, 28 februari 2008, griffienr. C/304/08, onuitg.). Zij moet worden uitgesproken ongeacht de datum van de bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder ongeacht de omstandigheid dat de feiten dateren van vóór de inwerkingtreding van de wetsbepalingen die de rechter ertoe verplichten die vergoeding aan iedere veroordeelde op te leggen. Artikel 2 Sw. is op die bijdrage niet toepasselijk. In toepassing van artikel 6, eerste al. van de Programmawet II van 27 december 2006 en de artikelen 77, tweede lid en 79 van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, bedraagt deze vergoeding, na indexatie, actueel 29,30 euro. De beklaagde wordt veroordeeld tot dit bedrag. 3.8 De bijzondere verbeurdverklaring van de goederen die hebben gediend tot het plegen van de misdrijven dient bevolen te worden, nl. de zaken voorwerp van het overtuigingsstuk nr. 01942/2007 van het register van de correctionele griffie te Dendermonde.
- Civielrechtelijke vordering J. G. De burgerlijke partij J. G. vordert 1.500 euro ten titel van materiële en morele schadevergoeding vermengd. Waar de burgerlijke partij wordt bijgestaan door een advocaat, wordt nochtans geen rechtsplegingsvergoeding gevorderd. Het is duidelijk dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de door de beklaagde gepleegde feiten en een zekere schade in hoofde van de burgerlijke partij, zodat deze op grond van artikel 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek principieel gerechtigd is op schadevergoeding. De burgerlijke partij levert echter op geen enkele wijze het bewijs van het bestaan van enige materiële schade en de hoegrootheid van de gevorderde schadevergoeding. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de schade als gevolg van de feiten beperkt bleef. Bovendien mag de eigen rol van de burgerlijke partij in de aanloop naar de feiten niet uit het oog worden verloren. De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient herleid te worden tot 1 euro ten titel van morele schadevergoeding. Bij gebreke aan vordering en begroting kan alsnog geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. Gezien de hiervoor en hierna vermelde artikelen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, art. 11, 12, 14, 21 tot en met 23, 31 tot en met 37, 40 en 41 ; Wetboek van strafvordering, art. 3 V.T., 162, 179, 182, 184, 185, 189, 190, 190ter, 194 en 195, 211, 365; Strafwetboek, art. 2, 42, 1°, 43, 44, 45, 100; Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, art. 1, 3; Burgerlijk Wetboek, art. 1382,
- Wet van 17.4.1878,art.3 en 4; OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK RECHTDOENDE OP TEGENSPRAAK Strafrechtelijk VERKLAART de beklaagde M. C. schuldig aan de feiten omschreven onder de hiervoor vermelde tenlasteleggingen; GELAST voor de beklaagde voor deze feiten de gewone OPSCHORTING van de uitspraak van veroordeling voor een termijn van drie jaar; LEGT aan de beklaagde een vergoeding op van 29,30 euro . Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring van de goederen die hebben gediend tot het plegen van de misdrijven, nl. de zaken voorwerp van het overtuigingsstuk nr. 01942/2007 van het register van de correctionele griffie te Dendermonde. VEROORDEELT de beklaagde tot de gerechtskosten, in hun geheel begroot aan de zijde van het openbaar ministerie op de som van 28,03 euro: Burgerrechtelijk VEROORDEELT M. C. tot betaling aan de burgerlijke partij J. G. van een bedrag van 1,00 euro ten titel van morele schadevergoeding, meer de moratoire intresten vanaf de datum van huidig vonnis tot de dag der algehele betaling en wijst het meer en/of anders gevorderde af als ongegrond. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van: NEGENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT Aanwezig: B.J. Meganck, alleenrechtsprekend rechter; A. De Cauwer, substituut-procureur des Konings; M. De Wit, griffier; Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div