← België

ECLI:BE:EAOVL:2009:JUG.20090112.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen Vonnis/arrest van 12 januari 2009 E

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ont¬smettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 11, 15, 26 bis 1° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd, namelijk de zoge¬naamde producten cocaïne en heroïne die substanties bevatten die onder de wetenschappelijke benaming cocainum en heroinum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 en 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd aan meerderjarige personen. 1. De eerste en de tweede Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

  1. a)Voor wat betreft de eerste, inzake de producten cocaïne en heroïne: te 9000 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008
  2. b)Voor wat betreft de tweede, inzake het product heroïne: te Antwerpen en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008 2. De derde, de vierde en de vijfde Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging (art.

§§ 1, 3 b en 5 Wet 24.02.1921).

  1. a)Voor wat betreft de derde, inzake het product heroïne : te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 25.09.2008
  2. b)Voor wat betreft de vierde, inzake de producten cocaïne en heroïne : te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 25.09.2008
  3. c)Voor wat betreft de vijfde, inzake de producten cocaïne en heroïne: te 9000 en 9032 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008 B. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ont¬smettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis 1° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, in bezit te hebben gehad of aangeschaft, namelijk het zoge¬naamde product heroïne dat substanties bevat die onder de wetenschappelijke benaming heroinum opgenomen zijn in artikel 1, nr. 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930 1. De eerste en de tweede Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging in de hoedanigheid van leidend persoon (art.

§§ 1, 4b en 5 Wet 24.02.1921).

  1. a)Voor wat betreft de eerste, inzake de producten cocaïne en heroïne: te 9000 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008
  2. b)Voor wat betreft de tweede, inzake het product heroïne: te Antwerpen en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008 2. De derde, de vierde en de vijfde Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging (art.

§§ 1, 3 b en 5 Wet 24.02.1921).

  1. a)Voor wat betreft de derde, inzake het product heroïne : te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 25.09.2008
  2. b)Voor wat betreft de vierde, inzake de producten cocaïne en heroïne : te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 25.09.2008
  3. c)Voor wat betreft de vijfde, inzake de producten cocaïne en heroïne: te 9000 en 9032 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.04.2008 tot en met 24.09.2008 C. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921, betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ont¬smettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921), op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis 1° en 2° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, tegen betaling of kosteloos, verdovingsmiddelen, voor persoonlijk gebruik in bezit te hebben gehad of aangeschaft, namelijk de zoge¬naamde producten cocaïne en heroïne die substanties bevatten die onder de wetenschappelijke benaming cocainum en heroinum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 en 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930

  1. Voor wat betreft de eerste, inzake de producten cocaïne en heroïne: te 9000 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 11.01.2005 tot en met 24.09.2008
  2. Voor wat betreft de tweede, inzake het product cocaïne: te Antwerpen en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 24.09.2003 tot en met 24.09.2008
  3. Voor wat betreft de derde, inzake het product heroïne: te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 25.09.2006 tot en met 25.09.2008
  4. Voor wat betreft de vierde, inzake het product heroïne: te 9000 en 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 25.09.2006 tot en met 25.09.2008
  5. Voor wat betreft de vijfde, inzake het product heroïne: te 9000 en 9032 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 24.09.2003 tot en met 24.09.2008 D. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ont¬smettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921) en op de artikelen 1, 2, 11, 15, 26 bis 1° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd, namelijk de zoge¬naamde producten cocaïne en heroïne die substanties bevatten die onder de wetenschappelijke benaming cocainum en heroinum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 en 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930. De zesde: te 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.07.2008 tot en met 25.09.2008 E. Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ont¬smettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 06.03.1921) en op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis 1° en 4° en 28 §§ 1 en 2-3° van het K.B. van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10.01.1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, in bezit te hebben gehad of aangeschaft, namelijk de zoge¬naamde producten cocaïne en heroïne die substanties bevatten die onder de wetenschappelijke benaming cocainum en heroinum opgenomen zijn in artikel 1, nr 19 en 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.1930. De zesde: te 9050 Gent en/of elders in het rijk, meermaals op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01.07.2008 tot en met 25.09.2008 Met de omstandigheid dat de eerste inverdenkinggestelde in staat van bijzondere herhaling verkeert, aangezien de feiten werden gepleegd binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens overtreding van de wet van 24.2.1921 of van de besluiten ter uitvoering ervan, nl. na het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Gent dd. 10.01.2005 waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 3 maanden en een geldboete van 1000 Euro met probatieuitstel 3 jaar voor de hoofdgevangenisstraf en voor 900 Euro van de geldboete, wegens verkoop en bezit van verdovende middelen. Met de omstandigheid dat de vijfde inverdenkinggestelde in staat van bijzondere herhaling verkeert, aangezien de feiten werden gepleegd binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens overtreding van de wet van 24.2.1921 of van de besluiten ter uitvoering ervan, nl. na het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Gent dd. 22.10.2001 waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 4 maanden en een geldboete van 1000 Euro met probatieuitstel 3 jaar voor de hoofdgevangenisstraf en voor 900 Euro van de geldboete, wegens bezit van verdovende middelen Met de omstandigheid dat de zesde inverdenkinggestelde in staat van wettelijke herhaling verkeert, aangezien het nieuwe misdrijf gepleegd werd nadat hij veroordeeld werd op 01.08.2006 bij vonnis van de correctionele rechtbank te Gent tot een gevangenisstraf van 2 jaar met uitstel 5 jaar voor 9 maanden en een geldboete van 1000 Euro wegens verkoop en bezit van verdovende middelen in staat van herhaling, vonnis dat kracht van gewijsde had op het ogenblik van de nieuwe feiten, voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de datum waarop hij zijn straf heeft onder¬gaan of waarop zijn straf verjaard is. Met de omstandigheid dat de zesde inverdenkinggestelde in staat van bijzondere herhaling verkeert, aangezien de feiten werden gepleegd binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens overtreding van de wet van 24.2.1921 of van de besluiten ter uitvoering ervan, nl. na het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Gent dd. 01.08.2006 waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 2 jaar met uitstel 5 jaar voor 9 maanden en een geldboete van 1000 Euro wegens verkoop en bezit van verdovende middelen in staat van herhaling. De eerste tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17.07.1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van euro 50.000, waarvan 155 euro in beslag gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 bij ING, zijnde hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, hetzij inkomsten uit belegde voordelen, waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen. De tweede tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17.07.1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van euro 50.000, waarvan 2.010 euro in beslag gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 bij ING, zijnde hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, hetzij inkomsten uit belegde voordelen, waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen. De derde tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17.07.1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van euro 50.000, zijnde hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, hetzij inkomsten uit belegde voordelen, waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen. De zesde tevens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43 bis van het strafwetboek, zoals ingevoegd door de Wet van 17.07.1990, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van euro 21.400, waarvan 3.865 euro in beslag gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 bij ING, zijnde hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, hetzij inkomsten uit belegde voordelen, waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen. * * * De rechtbank nam inzage van de stukken van de rechtspleging. De rechtbank heeft als tolk aangesteld mevrouw E. ten einde de aanwezige tweede en zesde beklaagde bij te staan voor de ver¬ta¬ling van de gezegden van de Nederlandse taal in de Arabische taal en vice versa en die de wettelijke eed heeft afgelegd. De rechtbank aanhoorde : - Ter terechtzitting van 01 december 2008 het openbaar ministerie, bij monde van mevrouw A. Serlippens, substituut-Procureur des Konings; - de vordering van het openbaar ministerie, ter terechtzitting van 15 december 2008 uitgesproken door mevrouw A. Serlippens, substituut-Procureur des Konings; - de eerste beklaagde M. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 bijgestaan door meester Margot STEVENS, advocaat te 9000 Gent, Groot-Brittanniëlaan 12; ter terechtzitting van 15 december 2008 bijgestaan door meester Sofie NAEYAERT in de plaats van meester Margot STEVENS, voornoemd; - de tweede beklaagde W. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 en 15 december 2008 bijgestaan door meester Raan COLMAN, advocaat te 9200 Dendermonde, Justitieplein 9 bus 7; - de derde beklaagde R. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 bijgestaan door meester Steven LÉAERTS, advocaat te 9840 De Pinte, Korte Veldstraat 1, in plaats van meester Jeroen LÉAERTS, advocaat te 9052 Zwijnaarde, Hutsepotstraat 16; ter terechtzitting van 15 december 2008 bijgestaan door meester Jeroen LÉAERTS, voornoemd; - de vierde beklaagde D. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 en 15 december 2008 bijgestaan door meester Nathalie SWARTENBROECKX, advocaat te 9000 Gent, Henleykaai 3R; - de vijfde beklaagde De. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 en 15 december 2008 bijgestaan door meester Piet VAN EECKHAUT, advocaat te 9000 Gent, Recollettenlei 41; - de zesde beklaagde B. in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf, ter terechtzitting van 01 december 2008 en 15 december 2008 bijgestaan door meester Filip VAN HENDE, advocaat te 9000 Gent, Baliestraat 28 en bijgestaan door meester Steven VERMANDEL, advocaat te 9940 Evergem, Kapellestraat 42; - het openbaar ministerie in haar absoluut negatief advies omtrent de door de vierde beklaagde gevraagde opschorting. * * * VOORAFGAAND: MET BETREKKING TOT DE BOM-CONTROLE DOOR DE KAMER VAN INBESCHULDIGIGNGSTELLING I. De argumenten van de beklaagden en het Openbaar ministerie De stelling van de beklaagden Op 21.10.2008 besliste de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent bij toepassing van art. 235 ter Sv dat de bijzondere opsporingsmethodes die in onderliggend dossier werden aangewend naar de wet werden toegepast. De beklaagden werpen op dat deze zogenaamde BOM-controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent op ongeldige wijze geschiedde nu de beklaagden in afwezigheid van het openbaar ministerie werden gehoord. Voormelde ongeldigheid staat volgens de beklaagden vast nu het Hof van Cassatie bij arrest d.d. 28.10.2008 in een andere zaak oordeelde, dat wanneer de Procureur-generaal niet aanwezig was, de rechtspleging van art. 235 ter Sv. door nietigheid is aangetast. Volgens de beklaagden heeft dit een aantal gevolgen: - Vooreerst stelt een van de beklaagden dat voormelde onregelmatigheid, zowel de verwijzingsbeschikking door de raadkamer, als de saisine van deze rechtbank heeft aangetast zodat deze rechtbank - gelet op een onwettige vatting - deze beklaagde dient vrij te spreken. - Daarnaast wordt door de verdediging gesteld dat er geen sprake kan zijn van een terugzending naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling overeenkomstig art. 189 ter Sv. Daartoe wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Cassatie d.d. 19.03.2008 waarin wordt gesteld dat een verwijzing door het vonnisgerecht naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling ter gelasting van een BOM-controle veronderstelt dat voor het vonnisgerecht gegevens zijn ontdekt betreffende de aangewende bijzondere methoden die kunnen wijzen op het bestaan van een verzuim, een onregelmatigheid, een nietigheid of de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering die nog niet door de Kamer van Inbeschuldigingstelling gekend waren op het ogenblik waarop deze haar controle uitvoerde. - Volgens de beklaagden dient deze rechtbank dan ook vast te stellen dat het dossier een onregelmatige BOM-controle bevat, gelet op de afwezigheid van de Procureur-generaal bij de BOM-controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling. Dit betreft volgens de beklaagden een miskenning van een regel van strafprocesrecht die tot gevolg had dat de door de wetgever voorziene mogelijkheid voor de beklaagde om na te gaan of de procedureregels werden nageleefd onregelmatig gebeurde zodat de rechten van de verdediging werden geschonden. Dit heeft vervolgens volgens de beklaagden in eerste instantie tot gevolg dat de strafvordering onontvankelijk dient te worden verklaard. Bij gebreke aan een controle van het vertrouwelijk dossier en naar analogie bij een onregelmatige controle, kan het bestaan van een omstandigheid die impact kan hebben op de ontvankelijkheid van de strafvordering niet worden gecontroleerd en dus ook niet uitgesloten worden zodat enkel tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering kan worden besloten. Ondergeschikt - indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de ontvankelijkheid van de strafvordering niet in het gedrang komt - dient volgens de beklaagden minstens te worden overgegaan tot het weren van de door de onregelmatigheid aangetaste bewijselementen. Overeenkomstig het arrest van 14.10.2003 van het hof van Cassatie dient volgens de beklaagden een onrechtmatig verkregen bewijselement in principe slechts in drie gevallen buiten beschouwing te worden gelaten hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden is voorgeschreven op straffe van nietigheid, hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Volgens de beklaagden is het vooreerst duidelijk dat door het gebrek aan een regelmatige wettigheidscontrole van de gebruikte bijzondere opsporingstechnieken het daardoor verkregen bewijs niet betrouwbaar is. Daarnaast maakt voormeld gebrek volgens de beklaagden tevens een schending van het recht op een eerlijk proces en dus op de rechten van de verdediging uit. Tot slot dringt de uitsluiting van voormeld bewijsmateriaal zich volgens de beklaagden tevens op op basis van de arresten van het Grondwettelijk Hof van België d.d. 19 en 26 juli 2007 waarin onder meer wordt gesteld dat in geval van niet naleving van de essentiële voorwaarden voor de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden, het aldus verkregen bewijs ongeldig is. De stelling van het Openbaar Ministerie Ter terechtzitting van deze rechtbank d.d. 15.12.2008 zette het openbaar ministerie haar standpunt mondeling uiteen, zoals genoteerd op het zittingsblad van die datum. Volgens het Openbaar Ministerie geldt het arrest van het Hof van Cassatie waarnaar de beklaagden verwijzen niet erga omnes. Er dient weliswaar rekening mee gehouden te worden in de toekomst, doch het kan de vroegere uitspraken niet in vraag stellen. Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 19.07.2007 is er cassatieberoep mogelijk tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling inzake de BOM-controle en de verdediging had dit moeten doen. Volgens het Openbaar Ministerie is de procedure dan ook ontvankelijk en kan de zaak ten gronde worden behandeld. II. Bespreking M.b.t. het verloop van de BOM-controle in onderliggende zaak Artikel 235 ter § 2 Sv. stelt onder meer het volgende: "De kamer van inbeschuldigingstelling hoort, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de Procureur-generaal. Zij hoort, op dezelfde wijze, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde..." De letterlijke lezing en tekstuele interpretatie van deze wetsbepaling kan ongetwijfeld aanleiding geven tot verwarring omtrent de vraag of de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde nu al of niet in aanwezigheid van de Procureur-generaal dienen gehoord te worden. De vermelding dat deze partijen "op dezelfde wijze" worden gehoord, kan immers worden geïnterpreteerd als "op dezelfde wijze als de Procureur-generaal, zijnde dus afzonderlijk". Deze laatste interpretatie werd steeds gehanteerd bij de BOM-controles door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Gent waar de Procureur-generaal de zittingszaal verliet eens de partijen werden gehoord daar waar dit in andere ressorten niet aldus geschiedde. Aan deze verwarring kwam een einde met het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 28.10.2008. Het Hof van Cassatie stelde daarbij, verwijzend naar de artikelen 138, 1° lid en 140 Ger. W. en naar artikel. 273 Sv. onder meer het volgende: "...Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering die bepalen dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal hoort, en op dezelfde wijze de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hoort, houdt niet in dat de procureur-generaal niet aanwezig mag zijn bij het horen van de burgerlijke partij of de inverdenkinggestelde. Het houdt integendeel in dat wanneer de procureur-generaal niet aanwezig was, de rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering door nietigheid is aangetast". Met dit arrest is duidelijk geworden dat bij de BOM-controle, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij dienen gehoord te worden in aanwezigheid van de procureur-generaal, zoniet is de rechtspleging door nietigheid aangetast. Deze rechtbank stelt dan ook vast dat de BOM-controle dd. 21.10.2008 in onderliggend dossier op ongeldige wijze geschiedde nu de eerste, de tweede, de derde, de vijfde en de zesde beklaagde alsdan in afwezigheid van het openbaar ministerie werden gehoord. Gevolgen van deze onregelmatige BOM-controle De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is welke gevolgen de hierboven omschreven door nietigheid aangetaste rechtspleging, met zich meebrengt. Gevolgen voor de saisine van deze rechtbank De stelling van een van de beklaagden dat voormelde onregelmatigheid zou leiden tot het feit dat deze rechtbank niet correct werd gevat, kan niet worden gevolgd. De wet verleent de vonnisgerechten immers niet de bevoegdheid om zich uit te spreken over de wettigheid van de beslissingen van de onderzoeksgerechten. Een beschikking tot verwijzing maakt de zaak aanhangig bij de bodemrechter, in zoverre zij geen onwettigheid inzake bevoegdheid bevat. Zij blijft al haar gevolgen behouden zolang zij door het Hof van Cassatie niet is vernietigd (Cass., 5 april 2006, www.juridat.be). In casu werd onderliggende zaak correct aanhangig gemaakt bij deze rechtbank door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer te Gent die al haar gevolgen blijft behouden. Deze rechtbank is dan ook correct gevat. Eventuele gevolgen voor de bruikbaarheid van het via de bijzondere opsporingsmethoden verkregen bewijs in onderliggende zaak Bij het vormen van het oordeel in een zaak mag de rechter zijn innerlijke overtuiging in de regel enkel steunen op bewijzen die op rechtmatige wijze werden bekomen en op rechtmatige wijze aan de rechter werden voorgelegd. Om daaraan de conclusie verbinden dat onrechtmatig verkregen of voorgelegd bewijs automatisch onbruikbaar is voor de rechter, is echter een brug te ver. Wanneer de rechtbank vaststelt dat bewijzen onrechtmatig werden verkregen of werden voorgelegd, dient zij immers volgende werkwijze te hanteren. 1° Onderzoek naar de ontvankelijkheid van de strafvordering - Enkel wanneer de rechter tot de bevinding komt dat het onrechtmatig bekomen of onrechtmatig voorgelegde bewijs onbruikbaar is en dermate cruciaal is in de strafprocedure dat een uitsluiting van dit bewijsstuk geen oplossing kan bieden en de strafprocedure dus onherroepelijk is aangetast, dient de strafvordering onontvankelijk te worden verklaard. Om te besluiten tot dergelijke onontvankelijkheid dient echter eerst vast te staan dat het onrechtmatige bekomen of voorgelegde bewijs onbruikbaar is. Pas als het onderzoek naar die bruikbaarheid negatief uitvalt, kan er immers desgevallend sprake zijn van een onontvankelijkheid. Dit onderzoek wordt hierna door de rechtbank gevoerd. De stelling van de beklaagden dat de strafvordering alleen al onontvankelijk zou zijn om de enkele reden dat deze rechtbank niet zou kunnen vaststellen of het vertrouwelijk dossier elementen bevat die een impact kunnen hebben op de ontvankelijkheid van de strafvordering, kan echter sowieso niet gevolgd worden nu ze niet van toepassing is in onderliggende zaak. De beklaagden schakelen immers het geval waarin er helemaal geen BOM-controle geweest was ten onrechte gelijk met onderliggend geval. In casu geschiedde er echter wel degelijk een BOM-controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling en voerde deze dus wel degelijk een inhoudelijke controle uit van het vertrouwelijk dossier met dien verstande dat de rechtspleging niet regelmatig verliep. De onregelmatigheid dient in onderliggend geval dan ook niet te worden gezocht in de manier waarop het bewijs met gebruik van bijzondere opsporingsmethoden werd bekomen (dit werd immers inhoudelijk onderzocht en goedgekeurd door de Kamer van Inbeschuldigingstelling), doch in de manier waarop dit bewijs aan deze rechtbank werd voorgelegd, namelijk na een nietige rechtspleging bij de BOM-controle. 2° Onderzoek naar de al of niet bruikbaarheid van het op onrechtmatige wijze bekomen of op onrechtmatige wijze aan de rechter voorgelegde bewijs: Wanneer de rechter tot de bevinding komt dat bepaalde bewijsstukken hetzij onrechtmatig werden bekomen of onrechtmatig werden voorgelegd, dient te worden nagegaan of deze bewijsstukken door de begane onrechtmatigheid onherroepelijk onbruikbaar geworden zijn of niet, met andere woorden of en hoe de desbetreffende onrechtmatigheid dient gesanctioneerd te worden. Het antwoord op deze vraag is te vinden in de bewijsleer waarbij de zogenaamde Antigoonleer ten volle speelt. Met het zogenaamde Antigoonarrest d.d. 14.10.2003 (www.juridat.be), zoals nadien verfijnd in tal van andere arresten, zette het Hof van Cassatie de bakens uit van de bewijsregels in het strafrecht en werden meer bepaald de uitsluitingsregels geïntroduceerd in ons recht. Daarbij werd in een arrest van het Hof van Cassatie dd. 23.03.2004 (www. juridat.

  1. be)nog gepreciseerd dat enkel in een welbepaald aantal gevallen geen rekening mag gehouden worden met onrechtmatig verkregen bewijs. Samengevat houdt de Antigoonleer in dat onrechtmatig verkregen (en dus ook onrechtmatig voorgelegd bewijs) enkel nog in drie gevallen uit de oordeelsvorming moet worden geweerd: - wanneer de niet-naleving van de miskende vormvoorschriften wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid. Wat deze uitsluitingsregel betreft, werd in een arrest van het Hof van Cassatie van 16.11.2004 (www.juridat.
  2. be)onder meer gepreciseerd dat - behoudens wanneer een verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling zelf de rechtsgevolgen van de miskenning van een wettelijk voorgeschreven pleegvorm bepaalt - het de rechter is die beslist welke gevolgen de onrechtmatigheid meebrengt. Zodoende werd dit eerste uitsluitingscriterium beperkt tot het bewijs dat werd verkregen met miskenning van vormvoorschriften die door wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen op straffe van nietigheid werden voorgeschreven. - wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast; - wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. In voormeld arrest d.d. 23.03.2004 werd daarbij voor het eerst (zoals nadien herhaaldelijk bevestigd, onder meer in een arrest van 04.12.2007 (www.juridat.be)) het volgende uiteengezet met betrekking tot dit derde uitsluitingscriterium inzake gebruik van bewijs in strijd met het recht op een eerlijk proces : "dat het de rechter staat de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM of 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan." Daarnaast werd tevens het volgende gepreciseerd: "Overwegende dat de rechter bij dit oordeel, onder meer, een of het geheel van volgende omstandigheden in overweging kan nemen: 1. hetzij dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van de misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan; 2. hetzij dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onregelmatigheid overstijgt; 3. hetzij dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft." In het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 12.10.2005 (www.juridat.
  3. be)werden aan voormelde beoordelingscriteria nog twee bijkomende criteria toegevoegd, waaronder het feit dat de rechter in overweging kan nemen dat de begane onregelmatigheid een zuiver formele onregelmatigheid betreft. Wanneer nu bovenstaande principes en uitsluitingsregels worden getoetst aan de gegevens in onderliggend dossier komt de rechtbank tot het volgende besluit: - Met betrekking tot de eerste uitsluitingsregel, stelt de rechtbank vast dat de door het Hof van Cassatie inzake een gelijkaardig verlopen procedure vastgestelde nietigheid bij de rechtspleging bij de BOM-controle (afwezigheid van de procureur-generaal) geenszins de niet naleving van een vormvoorschrift dat door de wet op straffe van nietigheid werd voorgeschreven, betreft, zodat het onderliggende bewijsmateriaal op die basis niet dient te worden uitgesloten. - Met betrekking tot de tweede uitsluitingsregel stelt de rechtbank vast dat de door het Hof van Cassatie inzake een gelijkaardig verlopen procedure vastgestelde nietigheid bij de rechtspleging bij de BOM-controle (afwezigheid van de procureur-generaal) evenmin de betrouwbaarheid van het onderliggende bewijsmateriaal aantast. Er dient immers benadrukt dat in casu de Kamer van Inbeschuldigingstelling wel degelijk de inhoudelijke controle van de aangewende bijzondere opsporingstechnieken uitvoerde op basis van het vertrouwelijk dossier en daarbij tot het besluit kwam dat alles correct was verlopen. De afwezigheid van de procureur-generaal bij de rechtspleging had dan ook generlei impact op de betrouwbaarheid van het via de bijzondere opsporingsmethoden verkregen bewijsmateriaal. - Hetgeen voorafgaat, toont meteen aan dat de stelling van de beklaagden dat het Grondwettelijk Hof in de arresten d.d. 19/07/07 en 26/07/2007 een vierde categorie van uit te sluiten bewijs zou ontwikkeld hebben naast de drie categorieën in de Antigoon-rechtspraak, in casu irrelevant is. De passage waarnaar wordt verwezen, spreekt met name over ongeldig verkregen bewijs ingevolge de niet naleving van de essentiële voorwaarden voor de aanwending van bijzondere opsporingsmethoden en de eventueel daaruit volgende onbetrouwbaarheid van het verkregen bewijs. Het is duidelijk dat de afwezigheid van de procureur-generaal bij de BOM-controle geenszins een modaliteit van aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden betreft. - Met betrekking tot de derde uitsluitingsregel stelt de rechtbank het volgende vast. In onderliggend geval dient de door het Hof van Cassatie inzake een gelijkaardig verlopen procedure vastgestelde nietigheid bij de rechtspleging bij de BOM-controle (afwezigheid van de procureur-generaal) ongetwijfeld te worden gekaderd in het recht op een eerlijk proces en meer bepaald in het gebrek aan de mogelijkheid op tegenspraak bij die rechtspleging. De onrechtmatigheid situeert zich dus niet in de materiële verkrijging van het bewijs, doch wel op het vlak van de voorlegging van het reeds via de bijzondere opsporingstechnieken verkregen bewijs aan de rechtbank. Zoals hierboven reeds uiteengezet, mag de rechtbank de bruikbaarheid van dergelijk bewijs beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM of 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan. Bij de beoordeling van de zaak in haar geheel stelt de rechtbank het volgende vast: -Hoewel de bij de BOM-controle aanwezige of vertegenwoordigde beklaagden de mogelijkheid op tegenspraak ten aanzien van het openbaar ministerie niet hadden, kregen alle partijen wel degelijk de mogelijkheid om voorafgaand aan de BOM-controle inzage te hebben in het strafdossier met inbegrip van de schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie zodat zij zonder twijfel een nuttig verweer konden voeren. Tenslotte werden tijdens de BOM-controle voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling alle aanwezige of vertegenwoordigde partijen wel degelijk gehoord in hun verweer. Het dient overigens benadrukt dat geen van de bij BOM-controle aanwezige en/of vertegenwoordigde beklaagden ook maar enige opmerking formuleerden, noch over de controle op zich, noch over de afwezigheid van het openbaar ministerie. Bovendien beschikten de beklaagden sinds het arrest van 31 juli 2008 (B.S. 15.09.2008) van het Grondwettelijk Hof (www.juridat.
  4. be)over de mogelijkheid om tegen het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling inzake de BOM-controle in onderliggende zaak dd. 21.10.2008 onmiddellijk cassatieberoep aan te tekenen, hetgeen zij echter niet deden. - Ook tijdens het voorafgaande onderzoek kregen de beklaagden ten volle de kans om hun opmerkingen, onder meer aangaande de vaststellingen die via de bijzondere opsporingsmethoden werden gedaan, te laten horen in hun verhoren door de speurders. In die verhoren werden zij immers geconfronteerd met deze bevindingen en kregen zij de kans om daarop te reageren. - Tenslotte kregen de beklaagden ook voor deze rechtbank in de procedure ten gronde de kans om zich met eerbiediging van de regels van de tegenspraak en het eerlijk proces ten gronde te verdedigen, hetgeen zij overigens ook allen deden. - Zoals hierboven uiteengezet, mag de rechtbank bij de beoordeling van het geheel van de zaak ook rekening houden met de wijze waarop het bewijs werd verkregen. In dat verband stelt de rechtbank vast dat de BOM-controle in afwezigheid van de procureur-generaal geen enkele invloed had of kon hebben op de materiële bewijsverkrijging zelf (zie ook supra, inzake de tweede uitsluitingsregel). In voormeld arrest van het Hof van Cassatie dd. 28.10.2008 wordt overigens enkel gesteld dat de rechtspleging door nietigheid is aangetast. Deze formele tekortkoming doet naar het oordeel van deze rechtbank geenszins afbreuk aan het feit dat de inhoudelijke controle van de aangewende bijzondere opsporingsmethoden door onpartijdige en onafhankelijke rechters wel ten volle kon geschieden nu de Kamer van Inbeschuldigingstelling zich wel degelijk over het vertrouwelijk dossier kon uitspreken en besliste dat de bijzondere opsporingsmethoden correct werden toegepast. Volgens deze rechtbank staat het dan ook vast dat de bijzondere opsporingsmethoden correct werden toegepast. - Zoals hierboven uiteengezet, mag de rechtbank bij de beoordeling van het geheel van de zaak ook rekening houden met de omstandigheden waarin de onregelmatigheid werd begaan. Daarbij valt vooreerst op dat die onregelmatigheid integraal terug te brengen is op een tekstuele interpretatie van art. 235 ter Sv. dat door zijn verwarrende libellering (zie supra) aanleiding kon geven tot verschillende interpretaties waar pas met het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 28.10.2008 duidelijkheid in werd geschapen. Het betrof dus geenszins een opzettelijke fout in de bewijsgaring. - Zoals hierboven uiteengezet, mag de rechtbank tenslotte bij de beoordeling van het geheel van de zaak ook rekening houden met het feit dat de ernst van de misdrijven veruit de begane onregelmatigheid overstijgt. Dit is in casu zonder de minste twijfel het geval. De beklaagden staan tenslotte terecht voor het dealen van verschillende kilogrammen heroïne en in minder mate ook cocaïne en dat in enkele maanden tijd en met aanzienlijk menselijk leed en maatschappelijke overlast tot gevolg. De ernst en de impact van dergelijke misdrijf kan nauwelijks worden overschat zodat de onregelmatigheid bij de rechtspleging ter gelegenheid van BOM-controle daar onder geen beding tegen op weegt. Samenvattend Waar de rechtbank dus vaststelt dat de rechtspleging bij de BOM-controle door de Kamer van Inbeschuldigingstelling werd aangetast door een nietigheid, komt zij tot het besluit dat het bewijs dat via de bijzonder opsporingsmethoden werd verkregen, wel degelijk bruikbaar is en niet dient te worden uitgesloten en dit rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de nietigheid werd begaan. Naar het oordeel van deze rechtbank betreft het immers geen door de wet op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift, werd de betrouwbaarheid van het bewijs er niet door aangetast en stond voormelde onregelmatigheid in de rechtspleging een eerlijk proces voor dit vonnisgerecht niet in de weg. Gelet op hetgeen voorafgaat, is er vanzelfsprekend geen grond voor enige ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de strafvordering, noch voor een verwijzing van de zaak naar de Kamer van Inbeschuldigingstelling overeenkomstig art. 189 ter Sv. zodat ook niet verder wordt ingegaan op de argumenten van de verdediging dienaangaande. Hieronder onderzoekt de rechtbank de zaak ten gronde. * * * De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding wat de tenlasteleggingen sub.A, sub.B, sub.C, D en E betreft dient te worden verbeterd en aangevuld zoals in het beschikkend gedeelte van dit vonnis nader bepaald. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding wat betreft de staat van bijzondere herhaling in hoofde van de eerste en de vijfde beklaagde en de staat van wettelijke herhaling in hoofde van de zesde beklaagde dient te worden verbeterd en aangevuld zoals in het beschikkend gedeelte van dit vonnis nader bepaald. De rechtbank stelt vast dat de verzwarende omstandigheid omschreven in de dagvaarding in hoofde van de tweede beklaagde als dader van deelname aan een vereniging in hoedanigheid van leidend persoon dient te worden heromschreven als volgt: Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging (artikelen 1, 2bis (§§1, 3b en 5) wet 24.02.1921) * * * TEN GRONDE OP STRAFRECHTELIJK GEBIED DE FEITEN Het dossier startte met politionele informatie met betrekking tot de eerste beklaagde die op grote schaal aan het dealen zou zijn aan subdealers die voor hem zouden dealen. Daarbij zou hij worden rondgevoerd door vierde beklaagde in ruil voor drugs voor deze laatste. Via een verhoor van C. in een ander dossier zou blijken dat de eerste beklaagde dagelijks 20 tot 25 gram heroïne en op het laatst zelfs 35 tot 40 gram heroïne leverde aan C. en dit zelfs soms op krediet. Er wordt dan ook een gerechtelijk onderzoek gestart naar de handel en wandel van de eerste beklaagde en diens entourage. In het kader van dit onderzoek worden onder meer telefoontaps uitgevoerd, alsook observaties uitgevoerd. Een registratie op de GSM van de eerste beklaagde levert 2.266 contacten op in een maand. Het onderzoek toonde aan dat een groot aantal van de oproepnummers gekend staan als toebehorend aan personen die gekend zijn voor druggebruik en reveleerde onder meer contacten tussen de eerste, de vierde en de vijfde beklaagde. Na informatie uit deze telefoontap wordt de eerste beklaagde samen met de vijfde beklaagde aangehouden op 24.09.2008 in de Volkswagen Golf van de vijfde beklaagde nadat net een overdracht van drugs had plaatsgevonden tussen de eerste en de tweede beklaagde. Ook deze laatste wordt aangehouden. In de kous van de eerste beklaagde wordt 51,1 gram heroïne gevonden en op hem ook een bedrag van 155,00 EUR. Op de tweede beklaagde wordt in totaal 2.010,00 EUR aangetroffen. Bij de daaropvolgende huiszoeking bij de eerste beklaagde worden tal van attributen aangetroffen die wijzen op dealerpraktijken. Na deze actie worden ook de andere beklaagden stelselmatig opgepakt en verhoord. Geconfronteerd met de gegevens van het onderzoek leggen allen bekentenissen af, zij het dat sommigen hun aandeel trachten te minimaliseren. De eerste beklaagde verklaart dat hij al 25 jaar heroïne gebruikt. Hij begon te dealen rond april 2008 en bevoorraadde zich bij de tweede beklaagde in Antwerpen waar hij tot twee keer per week 50 gram heroïne en 1 gram cocaïne aankocht. Hij liet zich daarbij voeren door vrienden en gebruikers, onder meer de vijfde beklaagde. Hij schat dat hij in totaal zo'n 2 kg. heroïne zal verkocht hebben waarbij alle winst (5,00 EUR per gram) naar zijn zeggen opging in zijn gebruik. De tweede beklaagde verklaarde dat hij sedert ongeveer 1 maand heroïne verkoopt en dit om te overleven. Waar hij aanvankelijk verklaart slechts aan de eerste beklaagde te verkopen, bekent hij later ook aan de vierde en de vijfde beklaagde verkocht te hebben. De derde beklaagde verklaart dat hij sinds 2 jaar verslaafd is aan heroïne en dat hij zelf begon te dealen begin 2008. Hij kocht soms bij de eerste beklaagde, doch ging samen met de vierde beklaagde om zijn drugs bij de tweede beklaagde in Antwerpen of liet dit voor hem halen door de vierde beklaagde. Vanaf mei-juni 2008 betrof dit volgens hem ongeveer 10-15 gram heroïne per dag. Hij verklaart dat hij destijds ook nog meeging met de eerste beklaagde naar de tweede beklaagde bij de aankopen van drugs door de eerste beklaagde. De vierde beklaagde verklaart dat hij al 2 jaar heroïne gebruikt. De eerste beklaagde dealt volgens hem al zo'n vier maanden en hij bekent daarbij als diens chauffeur te hebben gefungeerd om hem naar diens dealer X in Antwerpen te voeren. Een aantal maanden voor zijn verhoor kwam de derde beklaagde samen met zijn vriendin bij hem inwonen. Hij liet dit toe omdat het voor hem goed uitkwam dat de derde beklaagde ook verkocht en hij op die manier aan zijn gerief kon geraken. Vanaf dat moment is de vierde beklaagde ook zelf contact beginnen opnemen met de tweede beklaagde (de derde beklaagde was immers de Franse taal niet machtig) en reed hij dagelijks alleen of met de derde beklaagde om 5, 10 of 13 gram heroïne naar Antwerpen bij de tweede beklaagde. In ruil kreeg hij zelf ook heroïne, dagelijks gebruikten ze met hun drieën 1,5 gram. De vijfde beklaagde bekent dat hij fungeerde als chauffeur voor de eerste beklaagde. Hij stelt hem al zo'n 20 tot 30 keer naar Antwerpen te hebben gevoerd om drugs te gaan kopen. Als tegenprestatie werd zijn benzinetank gevuld, kreeg hij ook wat geld en af en toe een bolletje heroïne. De zesde beklaagde (in wiens woning 3.730,00 EUR cash geld en aanzienlijke hoeveelheden cocaïne worden aangetroffen) bekent dat hij reeds vroeger werd veroordeeld. Hij begon niet onmiddellijk nadien terug te dealen, doch dealt nu sinds 2,5 maand terug cocaïne. Hij stelt zo'n 7 à 8 klanten te hebben en ging zelf zo'n 20 keren cocaïne aankopen in Antwerpen. De tenlasteleggingen en de rol van de beklaagden M.b.t. de ten laste gelegde basismisdrijven Alle beklaagden bekenden de feiten. Waar sommigen hun aandeel enigszins trachten te relativeren, blijkt uit de gegevens van het dossier zonder enige twijfel dat er daarbij op grote schaal werd gedeald nu er op enkele maanden tijd verschillende kilo's heroïne en in mindere mate ook cocaïne werd verkocht. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten A.1a, B.1a en C.1 dan ook bewezen ten aanzien van de eerste beklaagde, alsook de staat van bijzondere herhaling in zijnen hoofde. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten onder A.1b, B.1b en C.2 dan ook bewezen ten aanzien van de tweede beklaagde. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten onder A.2a, B.2.a en C.3 dan ook bewezen ten aanzien van de derde beklaagde. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten onder A.2b en B.2b en C.4 dan ook bewezen ten aanzien van de vierde beklaagde. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten onder A.2c en B.2c en C.5 dan ook bewezen ten aanzien van de vijfde beklaagde, alsook de staat van bijzondere herhaling in zijnen hoofde. Gelet op de gegevens van het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten onder D en E dan ook bewezen ten aanzien van de zesde beklaagde, alsook de staat van wettelijke en bijzondere herhaling in zijnen hoofde. M.b.t. de verzwarende omstandigheden weerhouden ten aanzien van de eerste tot en met de vijfde beklaagde (zoals geherkwalificeerd ten aanzien van de tweede beklaagde) M.b.t. de eerste, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde De rechtbank acht ook de verzwarende omstandigheid in hoofde van deze beklaagden bewezen. Dat de ten laste gelegde feiten in hoofde van de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde een daad van deelneming uitmaakten aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging en in hoofde van de eerste beklaagde in de hoedanigheid van leider van deze vereniging blijkt immers ten volle uit de gegevens van het dossier. Een vereniging heeft als wezenlijk bestanddeel het bestaan van een georganiseerde groep personen met het oogmerk op personen of eigendommen aanslagen te plegen die een wanbedrijf opleveren, alsook de bewuste wil om van die georganiseerde groep lid te zijn. Het bestaan van dergelijke vereniging kan worden afgeleid uit verschillende aanwijzingen, zoals een taakverdeling of een specialisatie, uit regelmatige en geplande contacten, uit de ondubbelzinnige banden tussen de verschillende leden, zonder dat één van deze criteria op zich daarom beslissend moet zijn. Het moreel bestanddeel van het misdrijf in hoofde van de personen die deel uitmaken van dergelijke vereniging bestaat in de bewuste wil, welke ook de beweegredenen daartoe mogen zijn, om lid te zijn van de bende. Wanneer bovenstaande principes worden getoetst aan de concrete gegevens van onderliggend dossier blijkt het bestaan van dergelijke vereniging in casu zonder enige twijfel. Het onderzoek toonde immers aan dat een goed gestructureerde en georganiseerde handel werd opgezet waarbij de eerste beklaagde duidelijk de leiding had. Hij bevoorraadde de bende waarbij de vierde en de vijfde beklaagde als zijn chauffeurs fungeerden en waarbij ook de derde beklaagde aanvankelijk soms met hem meereed naar Antwerpen om aldaar bij de tweede beklaagde de drugs te gaan kopen. De eerste beklaagde hield aldus de touwtjes in handen en was de leider en de derde, de vierde en de vijfde beklaagde waren zijn loopjongens. Na verloop van tijd begon ook de derde beklaagde als subdealer waarbij hij aanvankelijk zijn drugs inkocht bij de eerste beklaagde, doch naderhand ook rechtstreeks inkocht bij de tweede beklaagde, daarbij geholpen door de vierde beklaagde. De tweede beklaagde fungeerde weliswaar als hoofddealer voor de vereniging (aanvankelijk enkel aan de eerste beklaagde, naderhand ook voor de derde beklaagde) en wist zeer goed dat hij meewerkte aan de vereniging (waarvan hij alle leden overigens zelf zag al of niet in het gezelschap van de eerste beklaagde). De rechtbank acht zijn rol in de deze vereniging evenwel enkel deze van toeleverancier en dus lid van de vereniging en niet de leider nu uit de gegevens van het dossier niet naar voorkomt dat hij beslissingen nam of de leiding had. Om die reden werd de tenlastelegging A.1b en B.1b in zijnen hoofde dan ook geherkwalificeerd, zoals hierboven uiteengezet. Al deze beklaagden wisten zeer goed waarmee men doende was en werkten dus doelbewust mee aan de dealerpraktijken. Gelet op de gegevens van het dossier zijn de respectieve verzwarende omstandigheden die in hoofde van de eerste, de tweede (zoals geherkwalificeerd), de derde, de vierde en de vijfde beklaagde werden weerhouden dan ook bewezen. DE STRAFTOEMETING De bewezen verklaarde tenlasteleggingen : - A.1a, B.1a en C.1 in hoofde van de eerste beklaagde, - A.1b, B.1b en C.2 in hoofde van de tweede beklaagde, - A.2a, B.2a en C.3 in hoofde van de derde beklaagde, - A.2b, B.2b en C.4 in hoofde van de vierde beklaagde, - A.2c, B.2c en C5 in hoofde van de vijfde beklaagde, en - D en E in hoofde van de zesde beklaagde, zijn telkens de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet, zodat voor ze samen telkens slechts één straf moet worden opgelegd, nl. de zwaarste. Bij de straftoemeting wordt rekening gehouden, zowel met de aard en de ernst van de bewezen feiten, de begeleidende omstandigheden en de persoonlijkheid van de beklaagden, zoals onder meer blijkt uit hun strafrechtelijk verleden. De eerste beklaagde was als leider van de vereniging, de tweede, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde waren als deelnemers van de vereniging betrokken bij een drugshandel op grote schaal. De zesde beklaagde dealde eveneens op grote schaal, zij het op eigen houtje. Het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt ernstige menselijke schade zowel op psychologisch als fysisch vlak met daarenboven aanzienlijk maatschappelijk nadeel tot gevolg. Door hun praktijken houden de beklaagden de verslaving van anderen in stand. Dergelijk gedrag is verwerpelijk. De eerste beklaagde (in staat van bijzondere herhaling), de derde beklaagde, de vierde beklaagde, de vijfde beklaagde (in staat van bijzondere herhaling) en de zesde beklaagde (in staat van wettelijke en bijzondere herhaling) beschikken over een ongunstig strafrechtelijk verleden. Zij bezondigen zich nu weer aan zeer ernstige drugsdelicten. Hun vorige bestraffingen hadden duidelijk geen effect. De tweede beklaagde is niet gekend in de bestanden van het strafregister. De eerste, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde De feiten gepleegd door de eerste, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde zijn zeer zwaarwichtig, maar uit de gegevens van het dossier blijkt dat zij allen voornamelijk handelden om te kunnen voorzien in hun eigen gebruik. Dit spreekt de feiten vanzelfsprekend niet goed, doch zet ze wel in een andere context. Zij komen allen nog in aanmerking voor een straf met probatieuitstel. Ter terechtzitting van 15 december 2008 vroeg de vierde beklaagde in hoofdorde om hem de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te willen verlenen. Er is geen enkele aanwijzing dat het opleggen van een bestraffing - zoals hierna bepaald - aan de vierde beklaagde overdreven sociaal of professioneel nadeel zal toebrengen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en om de vierde beklaagde hiervan voldoende bewust te maken, een maatschappelijke terechtwijzing in de vorm van een straf zich opdringt zodat er geen redenen bestaan om deze beklaagde de gunst van de opschorting van de uitspraak te verlenen. Ter terechtzitting van 15 december 2008 vroeg de vijfde beklaagde een werkstraf deels gekoppeld aan voorwaarden. Gelet op de aard van de feiten en de persoonlijkheid van de vijfde beklaagde acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf niet aangewezen. Om deze beklaagden de ernst van de gepleegde inbreuken te laten inzien dringt zich in hunnen hoofde een ernstige gevangenisstraf op. De rechtbank is echter van oordeel dat het daadwerkelijk aanpakken van hun probleem evenzeer belangrijk is met het oog op het vermijden van recidive. Enkel wanneer zij erin slagen hun drugprobleem echt aan te pakken en hun leven terug op een regulier spoor te krijgen, is er nog hoop voor hun toekomst. Een deel van deze straffen kan dan ook met probatieuitstel worden uitgesproken. Bij het bepalen van de duur van de hoofdgevangenisstraf en de omvang van het verleende probatieuitstel, houdt de rechtbank tevens rekening met de respectieve rol die de desbetreffende beklaagde speelde bij de feiten. In toepassing van artikel 1 §2 van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie werden de eerste, de derde, de vierde en de vijfde beklaagde voor de sluiting van de debatten door de rechtbank ingelicht over de draagwijdte van de probatiemaatregelen en werd zij tevens in hun opmerkingen gehoord. Nu de feiten van aard zijn dat zij gestraft kunnen worden met een werkstraf of met één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar moet de afwezigheid van voorgaande veroordelingen tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, in acht genomen worden bij de toepassing van de strafwet. De tweede beklaagde Ter terechtzitting van 15 december 2008 vroeg de tweede beklaagde in hoofdorde een werkstraf. Gelet op de aard van de feiten en de persoonlijkheid van de tweede beklaagde acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf niet aangewezen. In hoofde van de tweede beklaagde dringt zich tevens een ernstige gevangenisstraf op. Om hem ervan te weerhouden in de toekomst nog verder misdrijven te plegen, kan een deel daarvan met uitstel van tenuitvoerlegging worden opgelegd. Het opleggen van probatievoorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank in zijnen hoofde niet aangewezen. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat hij voornamelijk dealde "om te overleven" en uit geldgewin en niet zozeer vanuit een eigen verslavingsproblematiek. Nu de feiten van aard zijn dat zij gestraft kunnen worden met een werkstraf of met één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar moet de afwezigheid van voorgaande veroordelingen tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, in acht genomen worden bij de toepassing van de strafwet. De zesde beklaagde Ter terechtzitting van 15 december 2008 vroeg de zesde beklaagde in ondergeschikte orde een werkstraf. Gelet op de aard van de feiten en de persoonlijkheid van de zesde beklaagde acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf niet aangewezen. Gelet op het zeer ongunstige strafrechtelijk verleden van de zesde beklaagde en de duidelijk geldelijke motieven aan de basis van de door hem gepleegde feiten dringt een ernstige effectieve gevangenisstraf en een geldboete zich in zijnen hoofde op. Met betrekking tot de verbeurdverklaring Ten aanzien van eerste beklaagde Het Openbaar Ministerie vorderde eveneens, overeenkomstig art. 42 en 43bis Sw., de bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR waarvan een bedrag van 155,00 EUR in beslag werd gesteld op een rekening van het COIV ten aanzien van de eerste beklaagde. De berekening van dit bedrag geschiedde aan de hand van de eigen verklaring van de eerste beklaagde over de door hem verkochte hoeveelheden en geschiedde correct. . Dit vermogensvoordeel dient verbeurd verklaard te worden. Het zou maatschappelijk onaanvaardbaar zijn dat deze beklaagde enerzijds schuldig wordt bevonden en gestraft wordt, maar anderzijds in het bezit zou worden gelaten van de winsten die hij uit zijn misdrijf haalde. Misdaad mag niet lonen. Om zijn toekomst evenwel niet al te zeer te bezwaren en hem de kans te geven alsnog aan zijn problemen te werken (zie supra), wordt een substantieel deel daarvan met uitstel van tenuitvoerlegging opgelegd. Ten aanzien van de tweede beklaagde Het Openbaar Ministerie vorderde eveneens, overeenkomstig art. 42 en 43bis Sw., de bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR waarvan een bedrag van 2.010,00 EUR in beslag werd gesteld op een rekening van het COIV ten aanzien van de tweede beklaagde. De berekening van dit bedrag geschiedde aan de hand van de verklaring van de eerste beklaagde over de door hem verkochte (en dus bij de tweede beklaagde aangekochte) hoeveelheden en geschiedde correct. Dit vermogensvoordeel dient verbeurd verklaard te worden. Het zou maatschappelijk onaanvaardbaar zijn dat deze beklaagde enerzijds schuldig wordt bevonden en gestraft wordt, maar anderzijds in het bezit zou worden gelaten van de winsten die hij uit zijn misdrijf haalde. Misdaad mag niet lonen. Ten aanzien van de derde beklaagde Het Openbaar Ministerie vorderde eveneens, overeenkomstig art. 42 en 43bis Sw., de bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR ten aanzien van de derde beklaagde. De berekening van dit bedrag geschiedde aan de hand van de eigen verklaring van de derde beklaagde over de door hem verkochte hoeveelheden en geschiedde correct. Dit vermogensvoordeel dient verbeurd verklaard te worden. Het zou maatschappelijk onaanvaardbaar zijn dat deze beklaagde enerzijds schuldig wordt bevonden en gestraft wordt, maar anderzijds in het bezit zou worden gelaten van de winsten die hij uit zijn misdrijf haalde. Misdaad mag niet lonen. Om zijn toekomst evenwel niet al te zeer te bezwaren en hem de kans te geven alsnog aan zijn problemen te werken (zie supra), wordt een substantieel deel daarvan met uitstel van tenuitvoerlegging opgelegd. Ten aanzien van de zesde beklaagde Het Openbaar Ministerie vorderde eveneens, overeenkomstig art. 42 en 43bis Sw., de bijzondere verbeurdverklaring van 21.400,00 EUR waarvan een bedrag van 3.865,00 EUR in beslag werd gesteld op een rekening van het COIV ten aanzien van de zesde beklaagde. De berekening van dit bedrag geschiedde aan de hand van de verklaring van de zesde beklaagde en geschiedde correct. Dit vermogensvoordeel dient verbeurd verklaard te worden. Het zou maatschappelijk onaanvaardbaar zijn dat deze beklaagde enerzijds schuldig wordt bevonden en gestraft wordt, maar anderzijds in het bezit zou worden gelaten van de winsten die hij uit zijn misdrijf haalde. Misdaad mag niet lonen. * * Nu de feiten van aard zijn dat zij gestraft kunnen worden met een werkstraf of met één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar moet de afwezigheid van voorgaande veroordelingen tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, in acht genomen worden bij de toepassing van de strafwet. * * * OM DEZE REDENEN, en gelet op de volgende artike¬len : art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35 en 41 van de wet van 15 juni 1935; art. 162, 182, 184, 185 § 1, 189, 190, 194 van het Wetboek van Strafvordering; art. 3, 25, 38, 40, 41, 42, 43, 43bis, 50, 56, 65, 66, 79, 80, 100 van het Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen zoals hiervoor onder de tenlasteleggingen sub.A, sub.B, sub.C, D en E vermeld; art. 8, 9 en 14/1 van de Wet van 29 juni 1964 en het K.B. van 29 augustus 1964; art. 1, 2 en 3 Wet van 5 maart 1952; art. 28- 29 Wet 1 augustus 1985; pro¬grammawet 24 december 1993. DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK ten overstaan van ALLE BEKLAAGDEN, VERKLAART DE STRAFVORDERING TOELAATBAAR EN ONTVANKELIJK. Verbetert de dagvaarding en vult ze aan wat de tenlasteleggingen sub.A, sub.B, sub.C, D en E betreft als volgt : " ... Bij inbreuk op de artikelen 1,

§ 1

, 4 (§§ 1, 4 en 6) en 6 van de wet van 24 februari 1921, zoals gewijzigd bij wetten van 9 juli 1975, 14 juli 1994, 4 april 2003 en 3 mei 2003, betreffende het verhandelen ...van het K.B. van 31 december 1930, zoals gewijzigd bij K.B. van 16 mei 2003 (B.S. 02.06.2003), houdende regeling ..." * * Verbetert de dagvaarding en vult ze aan wat de tenlastelegging sub.B betreft als volgt : "B. Bij inbreuk op de artikelen ..., in bezit te hebben gehad of aangeschaft, namelijk de zogenaamde producten heroïne en cocaïne die substanties bevatten die onder de wetenschappelijke benaming heroinum en cocaïnum opgenomen zijn in artikel 1, nr. 19 en 36 van voormeld K.B. dd. 31.12.

  1. * * Verbetert de dagvaarding wat de staat van bijzondere herhaling in hoofde van de eerste beklaagde betreft in die zin dat de zinsnede "verkoop en" dient te worden weggelaten. * * Verbetert de dagvaarding wat de staat van bijzondere herhaling in hoofde van de vijfde beklaagde betreft in die zin dat : - daar waar werd vermeld : "... en een geldboete van 1000 Euro ..." dit dient te worden gelezen als "... en een geldboete van 1000 frank ..."; - er dient te worden toegevoegd : "...wegens bezit van verdovende middelen, in staat van herhaling". * * Verbetert de dagvaarding wat de staat van wettelijke herhaling in hoofde van de zesde beklaagde betreft in die zin dat de zinsnede "verkoop en" dient te worden weggelaten. * * Heromschrijft de verzwarende omstandigheid in hoofde van de tweede beklaagde als volgt: Met de omstandigheid dat de feiten daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrij¬vigheid van een vereniging (artikelen 1, 2bis (§§1, 3b en 5) wet 24.02.1921) * * * STRAFRECHTELIJK
  2. M. Veroordeelt de beklaagde M. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.1a en B.1a, beiden gepleegd in staat van bijzondere herhaling, en tenlastelegging C.1, gepleegd in staat van bijzondere herhaling voor wat betreft de periode van de feiten van 05 februari 2005 tot en met 24 september 2008, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van VIER JAAR. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft DERTIG MAANDEN van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van VIER JAAR zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft mits naleving van de door de eerste beklaagde ter terechtzitting aanvaarde probatievoorwaarden :
  3. regelmatig contact houden met de probatiecommissie en justitieassistent en hun richtlijnen stipt opvolgen,
  4. een vaste woon- of verblijfplaats hebben en bij verandering van woon- of verblijfplaats de justitieassistent voorafgaandelijk inlichten,
  5. in samenspraak met de justitieassistent het volgen van een residentiele begeleiding zolang het begeleidend team dit nodig acht en bij het beëindigen van de residentiële begeleiding onverwijld overgaan tot het volgen van een ambulante begeleiding en deze pas stopzetten na gunstig advies van het behandelend team,
  6. in samenspraak met de justitieassistent op regelmatige onaangekondigde tijdstippen ondergaan van urinecontroles,
  7. van zodra mogelijk werk zoeken, eventueel een VDAB-opleiding volgen en bij het vinden van werk regelmatig werken en door zijn eigen gedrag geen aanleiding geven tot ontslag. Beveelt overeenkomstig artikel 42 § 3, 43 en 43 bis strafwetboek, in hoofde van de eerste beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 50.000,00 EUR zijnde vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf sub.A zijn verkregen en waarvan een bedrag van 155,00 EUR in beslag werd gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 van het COIV bij ING-bank (OK 12 - stukken 8 t/m 13 strafdossier - bedrag gestort op 29.09.2008). De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in hoofde van de eerste beklaagde wat betreft 40.000,00 EUR van de uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR, zal worden uitgesteld gedurende een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft. Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde M. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken.
  8. W. Veroordeelt de beklaagde W. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.1b, B.1b en C.2, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van ZEVENENDERTIG MAANDEN. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft ACHTTIEN MAANDEN van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van ZEVENENDERTIG MAANDEN zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft. Beveelt overeenkomstig artikel 42 § 3, 43 en 43 bis strafwetboek, in hoofde van de tweede beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 50.000,00 EUR zijnde vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf sub.A zijn verkregen en waarvan een bedrag van 2.010,00 EUR in beslag werd gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 van het COIV bij ING-bank (OK 12 - stukken 1 t/m 5 strafdossier - bedrag gestort op 29.09.2008). De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in hoofde van de tweede beklaagde wat betreft 20.000,00 EUR van de uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR, zal worden uitgesteld gedurende een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft. Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde W. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken.
  9. R. Veroordeelt de beklaagde R. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.2a, B.2a en C.3, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van TWEE JAAR. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft ACHTTIEN MAANDEN van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van TWEE JAAR zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft mits naleving van de door de derde beklaagde ter terechtzitting aanvaarde probatievoorwaarden :
  10. regelmatig contact houden met de probatiecommissie en justitieassistent en hun richtlijnen stipt opvolgen,
  11. een vaste woon- of verblijfplaats hebben en bij verandering van woon- of verblijfplaats de justitieassistent voorafgaandelijk inlichten,
  12. in samenspraak met de justitieassistent het volgen van een residentiele begeleiding zolang het begeleidend team dit nodig acht en bij het beëindigen van de residentiële begeleiding onverwijld overgaan tot het volgen van een ambulante begeleiding en deze pas stopzetten na gunstig advies van het behandelend team,
  13. in samenspraak met de justitieassistent op regelmatige onaangekondigde tijdstippen ondergaan van urinecontroles,
  14. van zodra mogelijk werk zoeken, eventueel een VDAB-opleiding volgen en bij het vinden van werk regelmatig werken en door zijn eigen gedrag geen aanleiding geven tot ontslag. Beveelt overeenkomstig artikel 42 § 3, 43 en 43 bis strafwetboek, in hoofde van de derde beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 50.000,00 EUR zijnde vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf sub.A zijn verkregen. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in hoofde van de derde beklaagde wat betreft 40.000,00 EUR van de uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van 50.000,00 EUR, zal worden uitgesteld gedurende een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft. Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde R. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken.
  15. D. Veroordeelt de beklaagde D. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.2b, B.2b en C4, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van ACHTTIEN MAANDEN. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft TWAALF MAANDEN van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van ACHTTIEN MAANDEN zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft mits naleving van de door de vierde beklaagde ter terechtzitting aanvaarde probatievoorwaarden :
  16. regelmatig contact houden met de probatiecommissie en justitieassistent en hun richtlijnen stipt opvolgen,
  17. een vaste woon- of verblijfplaats hebben en bij verandering van woon- of verblijfplaats de justitieassistent voorafgaandelijk inlichten,
  18. in samenspraak met de justitieassistent het volgen van een ambulante begeleiding en deze pas stopzetten na gunstig advies van het behandelend team,
  19. in samenspraak met de justitieassistent op regelmatige onaangekondigde tijdstippen ondergaan van urinecontroles,
  20. van zodra mogelijk werk zoeken, eventueel een VDAB-opleiding volgen en bij het vinden van werk regelmatig werken en door zijn eigen gedrag geen aanleiding geven tot ontslag. Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde D. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken.
  21. De. Veroordeelt de beklaagde De. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A.2c, B.2c en C5, allen gepleegd in staat van bijzondere herhaling, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van ACHTTIEN MAANDEN. De rechtbank beveelt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wat betreft TWAALF MAANDEN van de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van ACHTTIEN MAANDEN zal uitgesteld worden voor een termijn van VIJF JAAR te rekenen vanaf heden, ingeval gedurende de proeftijd geen nieuw misdrijf wordt gepleegd dat veroordeling tot een criminele of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel tot gevolg heeft mits naleving van de door de vijfde beklaagde ter terechtzitting aanvaarde probatievoorwaarden :
  22. regelmatig contact houden met de probatiecommissie en justitieassistent en hun richtlijnen stipt opvolgen,
  23. een vaste woon- of verblijfplaats hebben en bij verandering van woon- of verblijfplaats de justitieassistent voorafgaandelijk inlichten,
  24. in samenspraak met de justitieassistent het volgen van een ambulante begeleiding en deze pas stopzetten na gunstig advies van het behandelend team,
  25. in samenspraak met de justitieassistent op regelmatige onaangekondigde tijdstippen ondergaan van urinecontroles,
  26. van zodra mogelijk werk zoeken, eventueel een VDAB-opleiding volgen en bij het vinden van werk regelmatig werken en door zijn eigen gedrag geen aanleiding geven tot ontslag. Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde De. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken.
  27. B. Veroordeelt de beklaagde B. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen D en E, beiden gepleegd in staat van wettelijke en bijzondere herhaling, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van DRIE JAAR en tot een GELDBOETE van DUIZEND ( euro 1.000,00) EURO. Verhoogt de geldboete met vijfenveertig opdeciemen, aldus gebracht op VIJFDUIZEND VIJFHONDERD ( euro 5.500,00) EURO. Beveelt dat bij gebreke aan betaling binnen de ter¬mijn bepaald bij artikel 40 van het Strafwet¬boek, de geldboete zal mogen vervangen worden door een gevan¬genisstraf van DRIE MAANDEN. Beveelt overeenkomstig artikel 42 § 3, 43 en 43 bis strafwetboek, in hoofde van de zesde beklaagde de bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 21.400,00 EUR zijnde vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf D zijn verkregen waarvan een bedrag van 3.730,00 EUR en 135,00 EUR in beslag werden gesteld op rekeningnummer 310-1801895-12 van het COIV bij ING-bank (OK 12 - stukken 15 t/m 23 en stukken 26 t/m 30 strafdossier - bedragen gestort op 29.09.2008). Zegt dat deze beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus ge¬bracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdra¬ge tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzette¬lijke geweldda¬den en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde B. eveneens een vergoeding op van 30,69 EUR in uitvoering van artikel 6 van de Programmawet van 27 december 2006 en artikel 77 van het K.B. van 27 april 2007 houdende het algemeen reglement op de ge¬rechtskosten in straf¬zaken. Gerechtskosten Legt de kosten van het arrest overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, begroot op 37,05 EUR, ten laste van de Belgische staat. Begroot de te weerhouden gerechtskosten in hun geheel op 1.563,10 EUR. Veroordeelt de eerste beklaagde tot zijn eigen kosten van vonnisafschrift, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 15,68 EUR. Veroordeelt de vijfde beklaagde tot zijn eigen kosten van vonnisafschrift, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 15,68 EUR. Veroordeelt de zesde beklaagde tot zijn eigen kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 0,00 EUR. Veroordeelt de eerste tot en met de vijfde beklaagde HOOFDELIJK tot de overige kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 1.531,74 EUR. Overtuigingsstukken Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken neer¬ge¬legd ter correctionele griffie alhier onder de nummers 2008 5971, 2008 5966, 2008 5972, 2008 5965, 2008 5970, 2008 5973, 2008 5959, de voorwaar¬den daartoe, gesteld door arti¬kel 4 § 6 van de Wet van 24 februari 1921, vervuld zijnde. Beveelt de teruggave aan de rechtmatige eigenaar DERINCK Daniël (vader van de beklaagde), van het voertuig Volkswagen Golf met chassisnummer WVWZZZ1KZ6B068905 en nummerplaat CH384, als overtuigingsstuk neergelegd ter correctionele griffie van deze rechtbank onder nummer 2008
  28. * * * * * Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van TWAALF JANUARI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig : - de heer P. Coppens, rechter, die de terechtzitting voorzit, - de heer G. Jansen, rechter, - mevrouw M. Van Wemmel, rechter, - mevrouw A. Schoonjans, substituut-Procureur des Konings, - mevrouw M. Cocquyt, griffier. M. Cocquyt M. Van Wemmel G. Jansen P. Coppens Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.