← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.068

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.068 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040505.6 Arrest- Rolnummer: 682004;2669 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-27 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-04 00:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 23 tot 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, ingesteld door L. Van Hunsel. Tekst van de beslissing Rolnummer 2669 Arrest nr. 68/2004 van 5 mei 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 23 tot 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, ingesteld door L. Van Hunsel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 maart 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 maart 2003, heeft L. Van Hunsel, wonende te 2950 Kapellen, Hoogboomsesteenweg 185, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 23 tot 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 september 2002, tweede uitgave). De Ministerraad heeft een memorie ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 17 december 2003 : - is verschenen : Mr. S. Taillieu loco Mr. P. Hofströssler en Mr. O. Vanhulst, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij A.

  1. Aan de verzoeker, die in 1996 failliet werd verklaard, werd op basis van de in 2001 geldende wetgeving, ter gelegenheid van de afsluiting van het faillissement, niet het voordeel van de verschoonbaarheid verleend. Hij meent dat hij, door een loutere feitelijkheid, namelijk de snelheid waarmee de curator het faillissement heeft afgesloten, wordt gediscrimineerd. Personen die op dezelfde datum als hijzelf failliet werden verklaard maar wier faillissement bij de inwerkingtreding van de bestreden wet nog niet was afgesloten, kunnen op grond van de nieuwe bepalingen ter zake in de bestreden wet wel verschoonbaar worden verklaard, terwijl hij dat voordeel niet meer kan genieten. A.
  2. De Ministerraad is in hoofdorde van oordeel dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Zijn faillissement is immers definitief afgewikkeld en de bestreden wet brengt geenszins een wijziging teweeg aan de onder de oude wet definitief tot stand gekomen rechtsgevolgen. De verschoonbaarheid kan enkel worden toegekend aan de ongelukkige, te goeder trouw zijnde schuldenaar aan wie geen grove fout of tekortkoming kan worden verweten. De verzoekende partij toont niet aan dat zij die voorwaarden vervult, zodat zij in gebreke blijft aan te tonen dat zij een belang heeft. De bestreden wet doet geen afbreuk aan de gevolgen, voor de gefailleerde zelf, van de verschoonbaarheid die door de wet van 8 augustus 1997 nieuw leven ingeblazen kreeg. De nieuwe bepalingen betreffende de 3 verschoonbaarheid vermelden slechts de concrete richtlijnen op grond waarvan de rechter tot verschoonbaarheid kan besluiten, namelijk dat de gefailleerde ongelukkig en te goeder trouw dient te zijn. Het onderscheid berust overigens op een louter feitelijk gegeven, waarover het Hof zich niet zou kunnen uitspreken. Ten gronde Standpunt van de verzoekende partij A.3.
  3. De verzoekende partij is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat personen die zich in dezelfde situatie bevinden, namelijk in staat van faillissement verklaard vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet, verschillend worden behandeld naar gelang van het ogenblik waarop het faillissement wordt afgesloten. Voor de personen wier faillissement werd afgesloten vóór de inwerkingtreding van de wet, gold de verschoonbaarheid slechts als een gunst die, op grond van de evaluatie van de omstandigheden, kon worden verleend door de rechtbank. Voor de personen wier faillissement pas na de inwerkingtreding van de bestreden wet wordt afgesloten, is de verschoonbaarheid, op grond van artikel 80 van de faillissementswet, een recht dat slechts in geval van gewichtige omstandigheden en met bijzondere redenen omkleed, niet aan de persoonlijk gefailleerde wordt toegekend. Dat onderscheid hangt af van een willekeurig en extern feit, namelijk de snelheid van werken en de accuratesse van de curator. Nochtans zijn de gevolgen van de verschoonbaarheid zeer gewichtig, aangezien de schulden van de persoonlijk gefailleerde die betrekking hebben op de periode vóór het faillissement, volledig worden kwijtgescholden. Onder de gelding van de nieuwe wet zou de verzoekende partij niet meer moeten bewijzen dat zij recht had op verschoonbaarheid; het zou aan de tegenpartij zijn geweest aan te tonen dat er gewichtige omstandigheden zijn waardoor zij geen recht daarop zou hebben. A.3.
  4. De verzoekende partij stelt dat de wetgever andere mogelijkheden had om het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. Zo had hij kunnen stellen dat de nieuwe regeling inzake verschoonbaarheid enkel van toepassing zou zijn op nieuwe faillissementen die vanaf 1 oktober 2002 zouden worden uitgesproken, of hij had een overgangsregeling kunnen uitwerken waardoor ook de persoonlijk gefailleerde wiens faillissement via een oude regeling werd afgesloten, de nieuwe regeling inzake verschoonbaarheid zou kunnen genieten. Standpunt van de Ministerraad A.4.
  5. In uiterst ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepalingen het gelijkheidsbeginsel niet schenden. Allereerst legt hij er de nadruk op dat, zoals het Hof in het arrest nr. 113/2002 heeft gesteld, de verschoonbaarverklaring vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen slechts kon worden toegekend indien het faillissement het gevolg was van omstandigheden waarvan de gefailleerde het slachtoffer was en welke hem verhinderden een handelsactiviteit te hervatten, niettegenstaande het feit dat de gefailleerde een betrouwbare handelspartner was die geen duidelijke fout had begaan. A.4.
  6. Het onderscheidingscriterium, namelijk de dag van de inwerkingtreding, is objectief en pertinent en berust derhalve op een feitelijke en vanzelfsprekende vaststelling die niet afhangt van een persoonlijke appreciatie. In geen geval is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, aangezien geen afbreuk werd gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de verzoekende partij. A.4.
  7. De verschoonbaarheid is in de faillissementswet van 8 augustus 1997 ingevoerd om de gefailleerde de mogelijkheid te bieden met een schone lei de activiteiten te hervatten, doelstelling waarvan de wettigheid werd erkend door het Hof in het arrest nr. 113/
  8. De bestreden wet regelt slechts de situatie van de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden van de gefailleerde, en van de natuurlijke personen die zich om niet borg hebben gesteld. Weliswaar werden tevens de voorwaarden waaraan de gefailleerde dient te voldoen om verschoonbaar te worden verklaard, in de wet opgenomen, doch die voorwaarden zijn dezelfde als onder de gelding van de oude wetgeving; hun opname in de wet verhoogt slechts de rechtszekerheid. 4 De maatregel is niet onevenredig met de aldus beschreven doelstelling. –B– B.
  9. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 23 tot 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen. Uit de ontwikkeling van het enige middel blijkt dat de verzoekende partij opkomt tegen de onmiddellijke inwerkingtreding - minstens de ontstentenis van terugwerkende kracht - van het tweede lid van artikel 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, dat aan de gefailleerde, onder de bij de wet bepaalde voorwaarden, het recht op verschoonbaarheid verleent. Artikel 27, 2°, van de wet van 4 september 2002, dat in voormeld artikel 80 het tweede lid heeft vervangen, luidt als volgt : « De rechter-commissaris doet aan de rechtbank in raadkamer mededeling van de beraadslaging van de schuldeisers over de verschoonbaarheid van de gefailleerde en brengt verslag uit over de omstandigheden van het faillissement. De curator en de gefailleerde worden in raadkamer gehoord over de verschoonbaarheid en over de sluiting van het faillissement. Behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, spreekt de rechtbank de verschoonbaarheid uit van de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt. De beslissing over de verschoonbaarheid is vatbaar voor derdenverzet bij wijze van een dagvaarding die de individuele schuldeisers binnen een maand te rekenen van de bekendmaking van het vonnis tot sluiting van het faillissement ervan aan de curator en aan de gefailleerde kunnen doen. Van het vonnis dat de sluiting van het faillissement gelast, wordt door toedoen van de griffier aan de gefailleerde kennis gegeven. » Het Hof beperkt zijn onderzoek dan ook tot artikel 27, 2°, van de wet van 4 september
  10. B.2.
  11. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een regeling, de faillissementswetgeving, die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang 5 erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, p. 35). In de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd dat « verschoonbaarheid […] een gunst [is] die aan de handelspartner wordt gegeven inzoverre hij, naar redelijke verwachtingen, een betrouwbare tegenpartij zal zijn wiens handels- of industriële activiteit het algemeen belang zal dienen » (ibid., p. 36). De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel […] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het […] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (ibid., p. 29). B.2.
  12. Met de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen heeft de wetgever beoogd met nog meer doeltreffendheid de oorspronkelijke doelstellingen te bereiken (Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 1132/1, p. 1). Bovendien heeft hij de mogelijkheid van verschoonbaarheid bewust omgevormd tot een voorwaardelijk recht voor de gefailleerde. Krachtens het nieuwe artikel 80 van de faillissementswet spreekt de rechtbank, behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, de verschoonbaarheid uit van de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw handelt. B.
  13. Het enige middel is afgeleid uit de schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat personen die zich in dezelfde situatie bevinden, namelijk in staat van faillissement verklaard vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, verschillend worden behandeld naar gelang van het ogenblik waarop het faillissement wordt afgesloten. Alleen de gefailleerden wier faillissement wordt afgesloten na de inwerkingtreding van de wet van 4 september 2002, kunnen het in artikel 80, tweede lid, van de faillissementswet ingestelde voorwaardelijke recht van verschoonbaarheid genieten. 6 B.
  14. Het is het gewone gevolg van een rechtsregel dat hij, na verloop van een door de wet bepaalde termijn vanaf de bekendmaking ervan, geacht wordt van onmiddellijke toepassing te zijn, zonder dat daardoor het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie wordt miskend. Dat beginsel wordt slechts geschonden indien het tijdstip van inwerkingtreding tot een onderscheid in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.5.
  15. Het door de verzoekende partij aangehaalde verschil in behandeling berust, anders dan zij beweert, op een objectief criterium, namelijk het al dan niet reeds afgesloten zijn van het faillissement. In het licht van de in het geding zijnde maatregel is dat verschil in behandeling pertinent aangezien de rechterlijke uitspraak waarbij het faillissement wordt afgesloten, reeds rechtsgevolgen heeft gesorteerd, onder meer op het vlak van het vraagstuk van de verschoonbaarheid. De wetgever heeft geen onredelijke maatregel genomen door aan de bestreden bepaling geen terugwerkende kracht te verlenen, waardoor rechtsonzekerheid in het leven zou worden geroepen. B.5.
  16. Het is juist dat de personen die reeds failliet werden verklaard vóór de inwerkingtreding van de in het geding zijnde bepaling, maar wier faillissement nog niet werd afgesloten, zich zullen kunnen beroepen op het voorwaardelijke recht op verschoonbaarheid. Indien de wetgever de beleidswijziging op het vlak van de mogelijkheid van verschoonbaarheid dringend noodzakelijk heeft geacht, vermocht hij te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang diende te worden doorgevoerd, ook ten aanzien van gefailleerden wier faillissement vóór de inwerkingtreding van de wet nog niet was afgesloten en wier rechtspositie op het vlak van de verschoonbaarheid derhalve nog niet definitief was. Dat een voordeel niet meer kan worden verleend aan een categorie van personen van wie de rechtstoestand definitief is bepaald, kan niet ertoe leiden dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden door het enkele feit dat dit voordeel op algemene wijze vooralsnog wordt toegekend aan de categorie van personen wier rechtstoestand nog niet definitief is geregeld. B.5.
  17. Het middel kan niet worden aangenomen. 7 Om deze redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 mei
  18. De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.