id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.075 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040505.10 Arrest- Rolnummer: 752004;2760 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-09-07 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 23:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 5, tweede lid, eerste zin, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Tekst van de beslissing Rolnummer 2760 Arrest nr. 75/2004 van 5 mei 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 juni 2003 in zake het openbaar ministerie tegen L. Latré en G. Latré, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 juli 2003, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals opnieuw ingevoegd bij wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het een strafuitsluitingsgrond invoert voor de natuurlijke persoon die een misdrijf pleegt in het kader van de activiteit (lees intrinsiek verband met doel, de waarneming van zijn belangen, voor rekening) van een rechtspersoon, terwijl dit niet het geval is voor de natuurlijke persoon die hetzelfde misdrijf pleegt in het kader van de activiteit (lees intrinsiek verband met doel, de waarneming van zijn belangen, voor rekening) van een natuurlijke persoon ? » De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 3 maart 2004 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil L. Latré en G. Latré worden, met toepassing van de artikelen 56 tot 58 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, vervolgd wegens het beschadigen van het wegdek en een overschrijding van de maximaal toegelaten massa’s, ten gevolge van een overbelasting van een lichte vrachtwagen met 28 pct., vastgesteld op een gewestweg. De eerste beklaagde is de broer van de tweede beklaagde en reed in diens opdracht en voor zijn rekening. De overbeladen vrachtwagen is eigendom van de eenmanszaak Latré Gabriel. In casu staan zowel de chauffeur als de opdrachtgever, beiden als natuurlijke personen, terecht. De Rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdend in hoger beroep, overweegt dat de ten laste gelegde feiten dateren van na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. De verwijzende rechter vraagt zich af of de wetgever met artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek geen ongelijke behandeling heeft ingevoerd. De beklaagde, natuurlijke persoon, die wordt vervolgd wegens een (onopzettelijk) misdrijf dat niet werd gepleegd in het kader van de activiteit van een rechtspersoon zoals in casu, zal immers strafrechtelijk verantwoordelijk zijn en gestraft worden wanneer zijn fout bewezen is. De beklaagde natuurlijke persoon die vervolgd wordt wegens hetzelfde misdrijf zal daarentegen vrijuit gaan als zijn fout minder zwaar wordt geacht dan die van de 3 rechtspersoon die dan zal worden gestraft. De verwijzende rechter meent dat het Hof op die vraag in het arrest nr. 128/2002 van 10 juli 2002 niet heeft geantwoord en stelt hierop de bovenvermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad haalt allereerst de parlementaire voorbereiding bij artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek aan en citeert vervolgens enkele overwegingen uit het arrest nr. 128/2002 van 10 juli 2002 van het Hof. Volgens de Ministerraad beoogt de prejudiciële vraag de vergelijking van de situatie van een natuurlijke persoon die een niet-opzettelijk misdrijf van « nalatigheid » pleegde, dat een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel of de waarneming van de belangen van een rechtspersoon of indien uit de concrete omstandigheden blijkt dat het voor rekening van deze laatste werd gepleegd en wanneer de door de rechtspersoon begane fout zwaarder is dan de fout begaan door de natuurlijke persoon, enerzijds, met de situatie van een natuurlijke persoon A die hetzelfde misdrijf van « nalatigheid » pleegde, dat een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van het doel van de waarneming van de belangen van een andere natuurlijke persoon B, of indien uit de concrete omstandigheden blijkt dat het voor rekening van deze laatste werd gepleegd en wanneer de door de natuurlijke persoon B begane fout zwaarder is dan de fout begaan door de natuurlijke persoon A, anderzijds. Het betreft daarenboven in casu de cumulatie van de strafrechtelijke verantwoordelijkheden van een natuurlijke persoon A en van een tweede natuurlijke persoon B die de eerstgenoemde persoon tewerkstelt. A.
- In hoofdorde meent de Ministerraad dat de te vergelijken situaties niet vergelijkbaar zijn. De wetgever creëerde immers een bijzonder systeem van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en het is niet gepast één van de regels van een dergelijk systeem te vergelijken met een aan de logica van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van natuurlijke personen inherente regel. Weliswaar trachtte de wetgever de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen zoveel mogelijk gelijk te stellen met de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van natuurlijke personen, maar niettemin werd hij geconfronteerd met het gegeven dat een rechtspersoon een juridische entiteit is en dus een abstracte persoon is die fundamenteel verschilt van een natuurlijke persoon. Het is op grond van die verschillende logica die inherent is aan de aard zelf van de rechtspersoon en aan het oogmerk zelf van haar oprichting dat de wetgever, naar mening van de Ministerraad, bijzondere regels van cumulatie van verantwoordelijkheden invoerde voor een door een natuurlijke persoon gepleegd misdrijf. Wanneer twee natuurlijke personen eenzelfde misdrijf plegen, dient de vraag naar het mededaderschap en de medeplichtigheid luidens de artikelen 66 en volgende van het Strafwetboek te worden gesteld. Volgens de Ministerraad hebben de cumulatieregels van artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek echter niets te maken met de regels van mededaderschap of medeplichtigheid. Er bestaat immers in het geval van een door een rechtspersoon begane strafrechtelijke fout noodzakelijkerwijze een natuurlijke persoon die de foutieve daad stelde. Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Ministerraad af dat de wetgever in een dergelijk geval wilde vermijden dat de twee verantwoordelijkheden systematisch zouden worden betrokken en dat eenzelfde misdrijf bijna altijd een dubbele veroordeling met zich mee zou brengen. Het zoeken naar de strafrechtelijke fout van de rechtspersoon beantwoordt bijgevolg aan andere regels dan het toerekenen van eenzelfde fout aan een natuurlijke persoon. De Ministerraad besluit dat de wetgever willens en wetens verschillende systemen van cumulatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheden uitwerkte zodat het systeem van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en dat van de natuurlijke personen dienaangaande niet kan worden vergeleken. A.
- Subsidiair stelt de Ministerraad dat het doel van de wet van 4 mei 1999 erin bestaat de georganiseerde criminaliteit beter te bestrijden, waarbij was vastgesteld dat het vaak niet mogelijk was ze grondig aan te pakken wegens de onmogelijkheid strafrechtelijke vervolgingen in te stellen tegen rechtspersonen. In dat verband wilde de wetgever regels van cumulatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheid instellen die verschillend zijn van de klassieke cumulatieregels betreffende de verantwoordelijkheid van natuurlijke personen. De Ministerraad beklemtoont dat de rechtspersoon vaak dient 4 om het vermogen van de oprichters en de zaakvoerders van de rechtspersoon te beschermen en dat door de rechtspersoon strafrechtelijk aansprakelijk te stellen de wetgever op een meer doeltreffende wijze de georganiseerde criminaliteit wilde aanpakken. Tegelijk wilde hij het systematische gebruik van een dubbele veroordeling vermijden voor zoverre een door een rechtspersoon begane strafrechtelijke fout noodzakelijkerwijze een strafrechtelijke fout van een natuurlijke persoon inhoudt. Door in geval van nalatigheidsmisdrijven de natuurlijke persoon te ontslaan van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid indien hij niet de zwaarste fout beging, heeft de wetgever volgens de Ministerraad een maatregel genomen is die evenredig is met het gestelde doel. Volgens de Ministerraad dient de prejudiciële vraag bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, dat luidt : « Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening, zijn gepleegd. Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld. Met rechtspersonen worden gelijkgesteld : 1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming; 2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting; 3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen. Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. » 5 B.
- Artikel 5 van het Strafwetboek, hersteld bij de wet van 4 mei 1999, heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon ingevoerd, onderscheiden en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. Voordien kon een rechtspersoon niet als dusdanig strafrechtelijk worden vervolgd. Een misdrijf waarvoor een rechtspersoon verantwoordelijk zou kunnen worden geacht, werd aan welbepaalde natuurlijke personen aangerekend. B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 5, tweede lid, van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een strafuitsluitingsgrond invoert voor een door zowel een natuurlijke persoon als een rechtspersoon gepleegd misdrijf voor wie van hen beiden de minst zware fout heeft begaan voor zover het misdrijf door de natuurlijke persoon uit onachtzaamheid is gepleegd, terwijl een dergelijke strafuitsluitingsgrond niet kan worden aangevoerd door een natuurlijke persoon die hetzelfde onopzettelijke misdrijf heeft gepleegd als een andere natuurlijke persoon. Terwijl aldus in het tweede geval samenloop van strafrechtelijke aansprakelijkheden mogelijk is, is dit in het eerste geval uitgesloten. B.
- Volgens de Ministerraad kunnen de regels aangaande de cumulatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en een natuurlijke persoon niet worden vergeleken met die inzake natuurlijke personen onderling, daar de wetgever een bijzonder systeem van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen heeft uitgewerkt dat aan een eigen logica beantwoordt, onderscheiden van de logica van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van natuurlijke personen. De in het geding zijnde regeling betreft de toerekening van misdrijven bij een samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheden tussen de natuurlijke persoon en de rechtspersoon, die in beginsel beiden schuldbekwaam worden geacht. Die regeling is bijgevolg vergelijkbaar met de toerekening van misdrijven bij een samenloop van daders die allen de hoedanigheid van natuurlijke persoon hebben. De exceptie wordt verworpen. 6 B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.
- Volgens de memorie van toelichting regelt de in het geding zijnde bepaling de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de rechtspersoon en die van natuurlijke personen voor dezelfde feiten : « Het gehanteerde principe houdt in dat cumulatie van aansprakelijkheden in dat geval uitgesloten is, tenzij aangetoond kan worden dat het misdrijf ook aan de natuurlijke persoon zelf kan worden toegerekend, die manifest opzettelijk gehandeld heeft. In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State in het advies lijkt te stellen, betreft de uitsluiting van cumulatie enkel de delicten gepleegd met nalatigheid als intentioneel element. Het uitgangspunt is derhalve de wettelijke kwalificatie van het misdrijf. Het voorstel beoogt aldus terug te komen op bepaalde rechtspraak die zeer ver ging in de toerekening van misdrijven aan leidinggevende personen binnen rechtspersonen door het misdrijf bewezen te achten op basis van tekortkomingen van deze personen, daar waar het misdrijf duidelijk opzet vereist, of zelfs louter op basis van de positie van de betrokkene binnen de rechtspersoon te komen tot een quasi objectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid. Niettemin kan het niet zo zijn dat het voorstel een vrijbrief biedt voor personen die in het kader van de rechtspersoon strafbare gedragingen stellen. Zoals gezegd, kunnen ingeval van opzet, de rechtspersoon en de natuurlijke persoon samen als mededaders worden vervolgd en veroordeeld. Indien in hoofde van de natuurlijke persoon enkel de schuldvorm van nalatigheid aanwezig is - wat vaak het geval zal zijn in het bijzonder strafrecht waar voor veel misdrijven geen opzet vereist is -, zal de rechter geval per geval moeten nagaan of de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon, dan wel van de natuurlijke persoon het zwaarst moet doorwegen. » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, pp. 6 en 7) Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het wetsontwerp het beginsel van samenloop van verantwoordelijkheden wilde vastleggen maar alleen wanneer het misdrijf aan een natuurlijke persoon zelf kan worden toegerekend die opzettelijk zou hebben gehandeld. 7 Tijdens de parlementaire besprekingen werd staande gehouden dat men een onderscheid moet maken tussen « maffiose » criminaliteit, die « veeleer […] een opzettelijke criminaliteit [is] » en de « economische » criminaliteit, wanneer het een misdrijf met « nalatigheid » betreft (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, p. 21). B.6.
- Op de kritiek van een senator dat « het voorstel […] de gevaarlijke weg [lijkt] op te gaan van de ontheffing van verantwoordelijkheid van natuurlijke personen » (amendement nr. 11, Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/2, p. 5, en de uiteenzetting hierbij in Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, pp. 31-50), antwoordde de Minister dat « ze niet allebei veroordeeld kunnen worden, omdat hun respectievelijke handelingen zo moeilijk te onderscheiden zijn dat systematische cumulatie in deze gevallen onvermijdelijk tot dubbele veroordelingen zou leiden terwijl er momenteel maar een mogelijk is ». De Minister voegde eraan toe : « De bedoeling is in deze gevallen de echte verantwoordelijke aan te wijzen. » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1217/6, p. 42) Daarop werd een amendement ingediend (amendement nr. 19, Parl. St., Senaat, 1998- 1999, nr. 1-1217/4) dat tot de uiteindelijke tekst van artikel 5, tweede lid, heeft geleid en waarbij de indiener aanvoerde : « Dit artikel voert als nieuw element in dat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon wordt geïmpliceerd uitsluitend wegens de tussenkomst van een geïdentificeerd natuurlijke persoon. Enkel in dat geval moet de rechter een keuze maken. Bij deze keuze is de zwaarste fout het criterium. Beiden kunnen dus worden vervolgd, maar de rechter kan enkel degene veroordelen die de zwaarste fout heeft begaan, en voor zover de aansprakelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt ingevolge de uitsluitende tussenkomst van de geïdentificeerde natuurlijke persoon. Aldus wordt de casus beperkt waarbij de aansprakelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt - uitsluitend wegens de tussenkomst van een natuurlijk persoon - en ten tweede wordt het criterium bepaald, namelijk dat de rechter moet nagaan wie de zwaarste fout heeft begaan. » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, p. 46) B.6.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat een samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon in beginsel is uitgesloten (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2093/5, p. 15). Op die wijze wilde de wetgever ingaan tegen een rechtspraak die tot een quasi objectieve verantwoordelijkheid leidde door de bestuurders van de rechtspersonen te veroordelen voor inbreuken die ze materieel niet 8 hadden gepleegd, maar aan wie de inbreuken ten laste werden gelegd vanwege de positie die ze bekleedden binnen de rechtspersoon. B.
- Doordat de in het geding zijnde maatregel ten aanzien van de personen die samen met een rechtspersoon een misdrijf uit onachtzaamheid hebben begaan, een strafuitsluitingsgrond in het leven roept, doet hij een verschil in behandeling ontstaan ten aanzien van de personen die samen met een andere persoon dan een rechtspersoon een misdrijf uit onachtzaamheid hebben begaan. B.
- Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording gelet op de verschillen die er bestaan tussen de beide in B.7 beschreven situaties. Wanneer twee natuurlijke personen tegelijkertijd worden vervolgd wegens eenzelfde feit, moet de rechter in het licht van de omstandigheden van elke zaak onderzoeken of zij beiden schuldig zijn. Artikel 5, eerste lid, stelt daarentegen automatisch de rechtspersoon aansprakelijk voor de nalatigheid die toe te schrijven is aan de natuurlijke persoon die voor zijn rekening heeft gehandeld. Rekening houdend met het feit dat een rechtspersoon uitsluitend handelt door het optreden van een natuurlijke persoon, vermocht de wetgever, om de in B.6.2 in herinnering gebrachte redenen, te oordelen dat, wanneer de natuurlijke persoon wordt geïdentificeerd en teneinde te vermijden dat de rechtspersoon en de natuurlijke persoon systematisch samen worden veroordeeld (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/6, p. 38), de rechter ertoe diende te worden aangezet een afweging te maken tussen, enerzijds, het aspect fout van een natuurlijke persoon en, anderzijds, de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2093/5, p. 15) en hem de mogelijkheid moest worden geboden geval per geval na te gaan welk gedrag bepalend was, dat van de rechtspersoon, dan wel dat van de natuurlijke persoon. (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 6). B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 5, tweede lid, eerste zin, van het Strafwetboek, zoals hersteld bij de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 mei
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div