← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.079

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.079 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040512.1 Arrest- Rolnummer: 792004;2615 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-12 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-04 00:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 337, ,§ 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vordering tot uitkering voor levensonderhoud bedoeld in artikel 336 van hetzelfde Wetboek aan een vervaltermijn van drie jaar onderwerpt. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 337, ,§ 1, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 2615 Arrest nr. 79/2004 van 12 mei 2004 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 21 januari 2003 in zake M. Heuvelmans tegen D. De Greef, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 januari 2003, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : «

  1. Schendt artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, in de mate dat het bepaalt dat kinderen die (of namens wie) een onderhoudsvordering instellen (wordt ingesteld) tegen hun verwekker overeenkomstig artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, die vordering moeten instellen binnen een korte vervaltermijn van drie jaar vanaf hun geboorte respectievelijk vanaf het staken van de vrijwillig verleende hulp, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen deze kinderen en alle andere kinderen die voor het instellen van een onderhoudsvordering tegen hun vader niet met zo’n vervaltermijn geconfronteerd worden ?
  2. Schendt artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, in de mate dat het bepaalt dat kinderen die (of namens wie) een onderhoudsvordering instellen (wordt ingesteld) tegen hun verwekker overeenkomstig artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, die vordering moeten instellen binnen een korte vervaltermijn van drie jaar vanaf hun geboorte respectievelijk vanaf het staken van de vrijwillig verleende hulp, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre aldus een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen de kinderen zonder juridische vader die een onderhoudsvordering instellen tegen hun verwekker overeenkomstig artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek, en de kinderen zonder juridische vader die een onderzoek naar het vaderschap instellen overeenkomstig artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek - vordering die ingeval van succes eveneens een onderhoudsverplichting ten laste van de verwerende man meebrengt - en die overeenkomstig artikel 331ter van het Burgerlijk Wetboek hun vordering kunnen instellen gedurende 30 jaar vanaf de dag waarop hun de staat die zij inroepen is ontzegd, dat wil zeggen gedurende 30 jaar vanaf de geboorte ingeval zij geen bezit van staat genieten ?
  3. Schendt artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, in de mate dat het bepaalt dat de onderhoudsvordering tegen de verwekker vooropgesteld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld moet worden binnen een korte vervaltermijn van drie jaar vanaf de geboorte respectievelijk vanaf het staken van de vrijwillig verleende hulp, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre aldus een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen mannen die een door hen niet erkend kind verwekt hebben tegen wie een onderhoudsvordering ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld en die de exceptie van verval kunnen opwerpen indien de vordering wordt ingesteld meer dan 3 jaar na de geboorte respectievelijk na het staken van de door hen vrijwillig verleende hulp, en mannen die een door hen niet erkend kind verwekt hebben tegen wie een onderzoek naar het vaderschap wordt ingesteld - met een verplichting tot het betalen van onderhoudsgeld als gevolg - en die deze exceptie van verval niet kunnen opwerpen ? » Memories zijn ingediend door : - D. De Greef, wonende te 1930 Zaventem, Marktstraat 24; - de Ministerraad. 3 D. De Greef heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2003 : - zijn verschenen : . Mr. A. Haegeman loco Mr. M. Legau, advocaten bij de balie te Brussel, voor D. De Greef; . Mr. O. Vanhulst loco Mr. P. Hofströssler en Mr. S. Taillieu, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 5 februari 2004 heeft voorzitter A. Arts de zaak voorgelegd aan het Hof in voltallige zitting. Bij beschikking van 12 februari 2004 heeft het Hof de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 24 maart
  4. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. A. Benoit loco Mr. M. Legau, advocaten bij de balie te Brussel, voor D. De Greef; . Mr. V. Sagaert loco Mr. P. Hofströssler en Mr. S. Taillieu, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil betreft een vordering tot het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de beweerde verwekker van twee kinderen. In eerste aanleg wordt de vordering ten opzichte van een van de kinderen niet ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid. Wat het tweede kind betreft wordt de vordering wel ontvankelijk verklaard en wordt een D.N.A.-onderzoek bevolen. 4 Het hoger beroep strekt ertoe de vordering ten aanzien van het eerste kind ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Voor de verwijzende rechter beroept de appellante zich op de notie « gegronde redenen » bedoeld in artikel 337 van het Burgerlijk Wetboek, volgens welke de rechter de vordering ingesteld na de termijn van drie jaar, toch nog ontvankelijk kan verklaren om gegronde redenen. Volgens de verwijzende rechter moeten die gegronde redenen in verband staan met het niet inleiden van de vordering binnen de wettelijke termijn van drie jaar, waarvan de appellante evenwel het bewijs niet levert. De verwijzende rechter stelt evenwel vast dat terwijl de onderhoudsvordering van een kind tegen zijn verwekker moet worden ingesteld binnen drie jaar te rekenen hetzij vanaf de geboorte, hetzij vanaf het staken van de door de verwerende man verleende hulp, zulk een vervaltermijn niet geldt voor alle andere onderhoudsvorderingen van kinderen tegen hun vader of hun moeder, die zelfs vele jaren na de geboorte respectievelijk het staken van de vrijwillig verleende hulp kunnen worden ingesteld. Hij stelt hierop ambtshalve de drie bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A– A.
  5. De geïntimeerde voor de verwijzende rechter wijst erop dat er een objectief onderscheid bestaat tussen de situatie van kinderen wier vaderlijke afstamming niet vaststaat, ten opzichte van kinderen wier vaderlijke afstamming wel vaststaat. Hij meent dat er geen onderscheid dienaangaande wordt gemaakt tussen de soorten vaders maar wel tussen een vaststaande vader tegenover een mogelijke verwekker. Volgens hem is de verwijzende rechter ten onrechte ervan uitgegaan dat de man die gedurende het wettelijke tijdvak van verwekking met de moeder gemeenschap heeft gehad, de verwekker is. De artikelen 336 en volgende van het Burgerlijk Wetboek zijn volgens hem ruimer en betreffen de vermoedelijke verwekker. Hij beklemtoont dat het feit met de moeder gemeenschap te hebben gehad gedurende de periode van verwekking de man niet ipso facto tot verwekker maakt. Een man die niet betwist gemeenschap te hebben gehad met de moeder kan aldus tot bijdrage worden veroordeeld, zelfs al is hij niet de werkelijke verwekker van het kind. Volgens de geïntimeerde heeft de wetgever door het instellen van een vervaltermijn van drie jaar rechtszekerheid willen bieden aan de man die met de moeder gemeenschap heeft gehad tijdens de wettelijke periode van verwekking. Indien gedurende die periode geen vordering betreffende het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage voor het kind wordt ingesteld, kan men ervan uitgaan dat het vermoeden dat diegene die met de moeder gemeenschap heeft gehad ook de verwekker van het kind is, weerlegd is en als dusdanig dermate aan bewijskracht heeft ingeboet dat het niet meer als basis kan dienen voor de onderhoudsvordering op basis van artikel 337 van het Burgerlijk Wetboek. De geïntimeerde meent dat de vervaltermijn van drie jaar het tegengewicht is van het gegeven dat op het kind slechts een lichte bewijslast rust, namelijk het bewijzen van de gemeenschap met de moeder. Hij besluit dat artikel 337 van het Burgerlijk Wetboek op geen enkele wijze enige discriminatie instelt en dat de onderscheiden behandeling gerechtvaardigd is door objectieve en pertinente elementen. A.2.
  6. De Ministerraad wijst erop dat de vordering tegen de verwekker of de vermoede vader ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek geen vordering van staat is maar een onderhoudsvordering, die steunt op afstamming zonder haar evenwel vast te stellen. Het is een louter patrimoniale vordering die uitsluitend tot doel heeft de verwekker van het kind te doen veroordelen tot het betalen van een onderhoudsuitkering. Volgens de Ministerraad ligt de waarschijnlijkheid van het vaderschap weliswaar aan de basis van die vordering, maar wordt de afstamming hierdoor niet vastgesteld. Dit is zelfs zo indien het biologisch vaderschap van de verweerder zou komen vast te staan. De Ministerraad beklemtoont dat de onderhoudsvordering ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek op volstrekt parallelle wijze bestaat naast de vordering inzake het onderzoek naar het vaderschap ex artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek, die wel de staat der personen raakt. Beide procedures zijn volgens de Ministerraad fundamenteel verschillend en hebben een ander opzet en een ander gevolg. De wetgever heeft de rechtsonderhorige, enerzijds, een keuzemogelijkheid tussen beide procedures willen aanbieden en heeft, 5 anderzijds, een minimumbescherming willen bieden voor de gevallen waarin het kind of de moeder niet over de keuze beschikt, zoals bij bloedschennige kinderen, waar de afstamming van vaderszijde niet kan worden vastgesteld, of voor de gevallen waarin de gerechtelijke opzoeking van het vaderschap geen succes heeft. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 maart 1987 blijkt dat de wetgever de vordering tot onderhoud tegen de waarschijnlijke vader zonder aanwijzing van vaderschap om die redenen heeft willen behouden. Ook de korte termijn van drie jaar is behouden omwille van de rechtszekerheid en de bewijslevering, maar wel is aan de rechtbank de mogelijkheid geboden om laattijdige onderhoudsvorderingen toch ontvankelijk te verklaren indien daartoe gegronde redenen voorhanden zijn. A.2.
  7. De Ministerraad werpt in hoofdorde, ten aanzien van de drie prejudiciële vragen, een exceptie van niet-vergelijkbaarheid op. De prejudiciële vragen betreffen immers de vergelijking van kinderen wier afstamming van vaderszijde niet vaststaat ten opzichte van kinderen wier afstamming van vaderszijde wel vaststaat. Terwijl de eersten, willen ze een onderhoudsgeld krijgen zonder dat hun afstamming komt vast te staan, enkel een beroep kunnen doen op de vordering bedoeld in de artikelen 336 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, zullen de tweeden wel een afstammingsband beogen teneinde hun persoonlijke staat te bepalen, met alle gevolgen van dien, waaronder het recht op onderhoud, opvoeding en opleiding ex artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zodat zij voor het instellen van een onderhoudsvordering lastens hun vader, niet geconfronteerd worden met de korte vervaltermijn van artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. De Ministerraad betoogt dat beide procedures fundamenteel verschillend zijn en een ander opzet hebben. De beoogde categorieën van personen bevinden zich in fundamenteel verschillende rechtssituaties vanwege het al dan niet vaststaan van de vaderlijke afstammingsband, en dit zowel wat het kind betreft als wat de vader- verwekker betreft. De procedure ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek is louter patrimoniaal en beoogt geen wijziging van de staat der personen, terwijl de procedure ex artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek het louter patrimoniale karakter in zeer ruime mate overschrijdt en wel degelijk een wijziging in de staat der personen beoogt. De Ministerraad beklemtoont dat het perfect mogelijk is hetzij een vordering ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek om te zetten in een afstammingsvordering ex artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij een afstammingsvordering ex artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek in te stellen na het voeren van een procedure ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek. A.2.3.
  8. Ondergeschikt betoogt de Ministerraad dat, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, het onderscheid objectief en redelijk verantwoord is en de maatregel niet onevenredig is ten opzichte van het beoogde doel. Het criterium van onderscheid, zijnde de staat der personen, is immers objectief en maakt het mogelijk het door de wetgever beoogde doel te bereiken. Volgens de Ministerraad is het in A.2.1 uiteengezette verschil tussen de procedure ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek en de procedure ex 322 van het Burgerlijk Wetboek belangrijk om de door artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek vooropgezette vervaltermijn te kunnen analyseren. De vordering ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek wil enkel een patrimoniale vordering tot onderhoud toekennen aan een kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat en dus de vermoede verwekker doen veroordelen tot het betalen van een onderhoudsuitkering zonder dat de vaderlijke afstamming wordt vaststelt. De korte vervaltermijn is dan ook ingegeven om motieven van rechtszekerheid en bewijslevering. De eisende partij dient immers te bewijzen dat de man-verweerder met de moeder van het kind gemeenschap heeft gehad gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking. Volgens de Ministerraad zal dat bewijs moeilijker worden naargelang de tijd verstrijkt. Dit is niet zo voor wat de bewijslevering van de biologische afstamming betreft rekening houdend met de huidige stand van de wetenschap. Ook de rechtszekerheid ligt aan de basis van de driejarige vervaltermijn, daar de eisende partij de procedure ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek zou kunnen misbruiken. De driejarige termijn is aldus het resultaat van de afweging van de belangen van het kind met die van de vermoede vader. Die problemen inzake rechtszekerheid en bewijslevering zijn niet aanwezig bij de vordering van staat tot vaststelling van de afstamming, die de staat der personen raakt en derhalve van essentieel belang is, zodat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar dient te worden behouden. Ten slotte meent de Ministerraad dat de wetgever geen onevenredig zware lasten heeft opgelegd. Het kind wiens vaderlijke afstamming niet vaststaat beschikt immers over een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of vanaf het staken van de vrijwillig verleende hulp. De vervaltermijn is niet absoluut vermits de rechter een laattijdig ingestelde vordering toch ontvankelijk kan verklaren indien daartoe « gegronde redenen » voorhanden zijn, een begrip dat door de rechtspraak ruim wordt geïnterpreteerd. Ten slotte kan, na het verstrijken van de 6 termijn van drie jaar, worden overgegaan tot de vordering met het oog op de vaststelling van vaderschap, hetgeen automatisch een onderhoudsrecht met zich mee zal brengen. De eerste prejudiciële vraag dient volgens de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. A.2.3.
  9. Ook de tweede prejudiciële vraag dient volgens de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. Het daarin beschreven onderscheid berust op de aard van de procedure die al dan niet de staat der personen raakt : terwijl de ene procedure louter patrimoniaal is, beoogt de andere procedure wel een wijziging in de staat der personen. Een dergelijk onderscheid berust aldus op een objectief criterium dat pertinent is ten opzichte van het doel, en de maatregel kan, om de redenen uiteengezet in A.2.3.1, niet als onevenredig worden beschouwd. A.2.3.
  10. De Ministerraad meent ten slotte dat ook de derde prejudiciële vraag op dezelfde manier dient te worden geanalyseerd als de tweede prejudiciële vraag daar ook zij betrekking heeft op de procedure ex artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek versus artikel 322 van het Burgerlijk Wetboek, zij het vanuit het standpunt van de eventuele vader-verweerder in kwestie. A.
  11. In zijn memorie van antwoord verklaart de geïntimeerde zich aan te sluiten bij de argumenten van de Ministerraad. Hij meent derhalve dat er geen sprake is van vergelijkbare situaties en neemt voor het overige de argumenten over die zijn uiteengezet in zijn memorie. -B- Wat betreft de eerste prejudiciële vraag B.
  12. De verwijzende rechter verzoekt het Hof twee categorieën van kinderen met elkaar te vergelijken : enerzijds, het kind dat tegen degene die gemeenschap heeft gehad met zijn moeder tijdens het wettelijke tijdvak van de verwekking, een vordering tot uitkering voor levensonderhoud bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek instelt; anderzijds, het kind dat tegen zijn vader een onderhoudsvordering instelt die op artikel 203, § 1, van hetzelfde Wetboek is gebaseerd. Alleen het eerstgenoemde moet zijn vordering instellen binnen een vervaltermijn van drie jaar, krachtens artikel 337, § 1, van hetzelfde Wetboek. B.
  13. Volgens de Ministerraad kan het kind wiens afstamming van vaderszijde vaststaat, niet worden vergeleken met het kind dat een uitkering tot levensonderhoud vordert van een persoon die niet de vader is. B.
  14. Het recht om een uitkering tot levensonderhoud te vorderen bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek gaat uit van een veronderstelling van afstamming, hetgeen wordt bevestigd in artikel 338bis van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de vordering tot uitkering voor levensonderhoud wordt afgewezen « indien de verweerder door alle wettelijke middelen het bewijs levert dat hij de vader niet is ». De kinderen behorend tot beide in B.1 7 beschreven categorieën moeten worden vergeleken, doordat zij beiden hun vordering doen steunen op een afstamming die in het ene geval vaststaat en in het andere geval verondersteld wordt. B.
  15. De vorderingen tot levensonderhoud kunnen, algemeen genomen, worden ingesteld tegen de in de wet aangewezen onderhoudsplichtigen zonder dat de onderhoudsgerechtigde zijn rechten verliest, indien hij zich gedurende een langere tijd ervan onthouden heeft die vordering in te stellen. Artikel 337, § 1, wijkt van die regel af doordat het een vervaltermijn van drie jaar vaststelt, te rekenen hetzij van de geboorte van het kind, hetzij van het staken van de hulp door de verweerder. Aldus wordt een verschil in behandeling vastgesteld dat, wil het verenigbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel, redelijkerwijze verantwoord moet zijn. B.
  16. De vervaltermijn van drie jaar is ingesteld bij de wet van 6 april 1908 op het onderzoek naar het vaderschap en het moederschap van het onecht kind. Die korte termijn werd verantwoord « door de moeilijkheid om na zeker tijdsverloop, hetzij de werkelijkheid » van de seksuele betrekkingen « te bepalen, hetzij de verdedigingsmiddelen te doen gelden, vooral wanneer het de exceptio plurium geldt » (Parl. St., Senaat, 1906-1907, nr. 22, p. 29). B.
  17. Een dergelijke verantwoording was relevant ten tijde dat het bewijs dat werd geëist van diegene die een uitkering tot levensonderhoud vorderde, hoofdzakelijk was gebaseerd op getuigenissen en de vordering werd afgewezen onder voorbehoud van andere verweermiddelen, « indien bewezen wordt, dat, gedurende het wettelijk tijdperk der bevruchting, de moeder gemeenschap heeft gehad met een anderen man of dat zij van bekend slecht levensgedrag was » (vroeger artikel 340d van het Burgerlijk Wetboek). B.
  18. Bij wet van 31 maart 1987 heeft de wetgever dat verweermiddel afgeschaft en heeft hij het voormelde artikel 338bis ingevoerd, dat het de verweerder mogelijk maakt « door alle wettelijke middelen het bewijs [te leveren] dat hij de vader niet is ». 8 B.
  19. De bij de wet vereiste bewijzen worden voortaan voornamelijk geleverd door middel van wetenschappelijke procédés die niet zo wankel zijn als getuigenissen en die na verloop van tijd even betrouwbaar blijven. De in 1908 aangevoerde argumenten verantwoorden niet langer redelijkerwijze dat de termijn waarin de vordering tot uitkering voor levensonderhoud gegrond op artikel 336 moet worden ingesteld, beperkt wordt tot drie jaar. B.
  20. Artikel 337, § 1, bepaalt weliswaar dat de vordering die wordt ingesteld na de termijn van drie jaar, niettemin door de rechtbank ontvankelijk kan worden verklaard « om gegronde redenen ». Doordat de wetgever geen enkele aanwijzing geeft over de aard van die redenen, heeft hij echter een maatregel genomen waarvan de gevolgen onzeker zijn en die, om die reden, niet kan volstaan om het in B.8 vastgestelde gebrek te verhelpen. B.
  21. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.
  22. Aangezien de andere prejudiciële vragen niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid kunnen leiden, behoeven zij geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 337, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de vordering tot uitkering voor levensonderhoud bedoeld in artikel 336 van hetzelfde Wetboek aan een vervaltermijn van drie jaar onderwerpt. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 12 mei
  23. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.