← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.084

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.084 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040512.8 Arrest- Rolnummer: 842004;2759 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-04 00:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummer 2759 Arrest nr. 84/2004 van 12 mei 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 24 juni 2003 in zake E. Geeringhs tegen P. Kelchtermans, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 juli 2003, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 159, 191 en 212 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze artikelen bepalen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de buitenvervolginggestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de burgerlijke partij, dan wanneer geen wettelijke bepaling uitdrukkelijke bevoegdheid verleent aan de kamer van inbeschuldigingstelling indien de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep vanwege de inverdenkinggestelde die naar de feitenrechter wordt verwezen, uitgaat van de burgerlijke partij ? » Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - E. Geeringhs, wonende te 2490 Balen, Ruiterweg 15; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. J. Kerkhofs, advocaat bij de balie te Gent, voor E. Geeringhs; . Mr. J. Claessens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Eiser in cassatie werd door de kamer van inbeschuldigingstelling veroordeeld tot betaling van één euro provisionele schadevergoeding aan verweerder in cassatie wegens tergend en roekeloos hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij die laatste als inverdenkinggestelde buiten vervolging werd gesteld. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de kamer van inbeschuldigingstelling ingevolge de vervanging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek niet langer 3 voormelde bevoegdheid bezat. Het Hof van Cassatie heeft die stelling verworpen en gesteld dat de kamer van inbeschuldigingstelling daartoe thans haar bevoegdheid put uit de artikelen 159, 191, 212 en 240 van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan de onderzoeksgerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van alle vorderingen tot schadevergoeding van de buiten vervolging gestelde verdachte tegen de burgerlijke partij, onder meer de door eerstgenoemde ingestelde rechtsvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Eiser is verder van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden doordat de burgerlijke partij voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet de mogelijkheid heeft om tegen de inverdenkinggestelde een rechtsvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep in te stellen wanneer diens hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking wordt afgewezen. Daarop heeft het Hof van Cassatie de voormelde prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.

  1. De Ministerraad wijst allereerst erop dat de wetgever de vroeger bestaande, in artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering vervatte mogelijkheid voor de buiten vervolging gestelde persoon om van de burgerlijke partij schadevergoeding te eisen indien die laatste vruchteloos hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer, bij de wet van 12 maart 1998 heeft afgeschaft. Met verbazing neemt hij kennis van het standpunt van het Hof van Cassatie dat een dergelijke schadevergoeding thans kan worden toegekend door de kamer van inbeschuldigingstelling ofschoon artikel 212 van het Wetboek van Strafvordering een zeer beperkte draagwijdte heeft en enkel slaat op de gevallen waarin een vonnis teniet wordt gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als een wanbedrijf of een overtreding, terwijl het te dezen gaat om de bevestiging van een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer. Hij eerbiedigt evenwel de beslissing van de rechterlijke macht en gaat dan ook uit van de interpretatie van het Hof van Cassatie. A.
  2. In hoofdorde betwist de Ministerraad de vergelijkbaarheid van de categorieën van personen, namelijk de inverdenkinggestelden en de burgerlijke partijen, wier belangen uitermate verschillend zijn. De verwezen inverdenkinggestelde, die een ingrijpende procedure voor een vonnisgerecht mag verwachten, moet immers al zijn mogelijke rechten kunnen uitputten. Een mogelijke veroordeling wegens tergend en roekeloos beroep, schendt zijn recht om vrij zijn wijze van verdediging te bepalen. Bovendien is voor hem zelfs bij bevestiging, door de kamer van inbeschuldigingstelling, van de verwijzing naar een vonnisgerecht, de procedure nog niet ten einde en dient zijn schuld voor de feitenrechter eerst nog te worden aangetoond, zodat het stuitend zou zijn hem in de onderzoeksprocedure te veroordelen wegens tergend en roekeloos hoger beroep. In geval van veroordeling kan de burgerlijke partij ook de feitenrechter om een bijzondere schadevergoeding vragen wegens tergend en roekeloos hoger beroep bij de regeling van de rechtspleging. De burgerlijke partij van haar kant wil beschuldigen en kan door haar beroep bij de kamer van inbeschuldigingstelling de strafvordering voortzetten. Haar rechten zijn niet vergelijkbaar met die van de inverdenkinggestelde, die een absoluut recht van verdediging heeft. Bovendien kan de buitenvervolginggestelde, anders dan de burgerlijke partij na verwijzing van een inverdenkinggestelde voor de feitenrechter, niet in een latere fase van de procedure een schadevergoeding verkrijgen, zodat hij daartoe een nieuwe vordering zou moeten instellen. A.
  3. In ondergeschikte orde neemt de Ministerraad de argumentatie over die door het Arbitragehof werd ontwikkeld om het destijds in artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering vervatte verschil in behandeling tussen de buitenvervolginggestelde en de burgerlijke partij grondwettig te achten en die in het bijzonder was gestoeld op de vaststelling dat de mogelijkheid om tot schadevergoeding te worden veroordeeld het tegengewicht vormde voor het uitzonderlijke recht van de burgerlijke partij om de openbare vordering te laten voortzetten. Hij beklemtoont dat er thans overigens geen automatische toekenning van schadevergoeding is, 4 zoals destijds onder de gelding van het vroegere artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien wordt door de mogelijke veroordeling van de burgerlijke partij vermeden dat door de buitenvervolginggestelde een aparte procedure zou moeten worden ingeleid om vooralsnog schadevergoeding te verkrijgen. Het doel van de wetgever is dus relevant. Weliswaar heeft ook de inverdenkinggestelde thans, op grond van artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, ruimere mogelijkheden om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking tot verwijzing, doch die zijn niet dezelfde als die van de burgerlijke partij tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling. Zo kan hij geen beroep aantekenen tegen een verwijzingsbeschikking om het bestaan van voldoende bewijslast te betwisten, die de verwijzing zou verantwoorden. De vaststelling dat bij de wijziging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering werd gewezen op het eventueel discriminerend karakter van de mogelijkheid tot veroordeling van uitsluitend de burgerlijke partij wegens tergend en roekeloos hoger beroep, volstaat niet om te besluiten tot onbestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien berust het verschil in behandeling op een objectief criterium, namelijk de aard van de procespartij, en is het criterium, zoals uit hetgeen voorafgaat reeds moge blijken, pertinent. De maatregel is evenredig met de doelstelling van de wetgever, namelijk het misbruik van een uitzonderlijk recht door de burgerlijke partij te bestraffen en een aparte procedure te vermijden. Standpunt van de eiser voor het verwijzende rechtscollege A.
  4. Tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij, die als procespartij vergelijkbaar zijn, wordt, door de toepassing, ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie, van de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering voor de onderzoeksgerechten, een verschil in behandeling gecreëerd dat de toets aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet kan doorstaan. Beiden behartigen een persoonlijk particulier belang en een verschil in behandeling kan alleen worden aanvaard als het objectief en redelijk verantwoord is. A.
  5. De wetgever beoogde in 1808 aan de burger die door de burgerlijke partij ten onrechte voor de strafrechter was gebracht en daarvoor schadevergoeding wenste te verkrijgen, een comfort te verlenen, zodat hij niet voor een andere rechter diende te procederen. De strafrechter werd zelf het best geschikt geacht om de aard van de vordering en de omvang van de schade te beoordelen. De wetgever heeft in 1998 die bevoegdheid evenwel uitdrukkelijk willen ontnemen aan de kamer van inbeschuldigingstelling, wat blijkt uit de memorie van toelichting en het advies van de Raad van State. Bovendien heeft hij de mogelijkheden van hoger beroep door de inverdenkinggestelde, in artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, anders dan onder de gelding van het vroegere artikel 136 van hetzelfde Wetboek, aanzienlijk uitgebreid. Terwijl de burgerlijke partij een sanctie kan oplopen voor tergend en roekeloos hoger beroep, kan de inverdenkinggestelde zonder enig risico misbruik maken van zijn recht op hoger beroep om het onderzoek en de burgerlijke partij te obstrueren. Nochtans heeft ook de burgerlijke partij recht op de beoordeling van haar vordering binnen een redelijke termijn en geniet zij dezelfde rechten als de inverdenkinggestelde. Elke maatregel die ertoe strekt een lichtzinnige toegang tot de rechter te vermijden of te beperken moet voor beide partijen op gelijke wijze gelden, op grond van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.
  6. De argumenten die door het Hof destijds werden aangehaald om, wat betreft de mogelijkheid van een veroordeling wegens tergend en roekeloos hoger beroep, het verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij te verantwoorden, gelden te dezen niet. Zowel de inverdenkinggestelde als de burgerlijke partij behartigen een soortgelijk persoonlijk belang bij de procedure van regeling van de rechtspleging. Het is niet evenredig om de uitoefening van rechtsmiddelen van de burgerlijke partij te bedreigen met de maatregelen in de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl de inverdenkinggestelde bij de aanwending van tergende en roekeloze rechtsmiddelen niet wordt bedreigd met dergelijke maatregelen. Bovendien weerlegt de eiser voor het verwijzende rechtscollege de stelling van de Ministerraad dat de burgerlijke partij voor het tergend en roekeloos hoger beroep tegen de verwijzingsbeslissing schadevergoeding zou kunnen eisen voor de feitenrechter. Krachtens de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de burgerlijke partij enkel vergoeding verkrijgen van de schade die rechtstreeks voortvloeit uit het vervolgde misdrijf. Tot slot 5 wordt opgemerkt dat een buitenvervolgingstelling slechts een precair gezag van gewijsde heeft, zodat een veroordeling van de burgerlijke partij tot schadevergoeding evenzeer onredelijk zou zijn indien nadien nieuwe bezwaren zouden worden aangebracht. -B- B.
  7. De prejudiciële vraag betreft de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering. Die bepalingen luiden : « Art.
  8. Indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, en zij beslist bij hetzelfde vonnis over de vorderingen tot schadevergoeding. » « Art.
  9. Indien het feit noch een wanbedrijf noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank het onderzoek, de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, ontslaat de beklaagde van rechtsvervolging en beslist over de vorderingen tot schadevergoeding. » « Art.
  10. Indien het vonnis wordt teniet gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding, ontslaat het hof de beklaagde van rechtsvervolging en beslist in voorkomend geval over de schadevergoeding te zijnen behoeve. » B.
  11. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, de burgerlijke partij die tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de verdachte hoger beroep heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, op grond van die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, en, anderzijds, de verdachte die tegen een beschikking tot verwijzing naar de feitenrechter hoger beroep heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, bij ontstentenis van op soortgelijke wijze geïnterpreteerde wetsbepalingen, niet kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. B.3.
  12. Ingevolge de vervanging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering bij artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (Belgisch Staatsblad, 6 2 april 1998, eerste uitgave) is de kamer van inbeschuldigingstelling niet langer verplicht de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld in het hoger beroep (« verzet ») dat zij op grond van het vroegere artikel 135 van hetzelfde Wetboek had ingesteld tegen de beschikkingen van de raadkamer die het voortzetten van de strafvordering in de weg stonden, te veroordelen tot schadevergoeding jegens de verdachte. Het vroegere artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering, waarop die verplichting was gebaseerd, werd door het Hof bestaanbaar verklaard met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de arresten nr. 43/95 van 6 juni 1995, nr. 76/95 van 9 november 1995 en nr. 34/99 van 17 maart
  13. In het kader van de hervorming van de strafrechtspleging die zou leiden tot de voormelde wet van 12 maart 1998, werden de voordelen van het behoud van de mogelijkheid daartoe weliswaar erkend, maar onvoldoende geacht om een wettelijke handhaving ervan te overwegen. In dat verband vermeldt de parlementaire voorbereiding van die wet het volgende : « Het huidige artikel 136 heeft zijn belang : namelijk het besparen van een afzonderlijke procedure in het geval waar een persoon die buiten vervolging wordt gesteld, van de burgerlijke partij die zich als tegenpartij opwerpt en die in het ongelijk wordt gesteld, een schadevergoeding wil vorderen. Aanvankelijk werd door de Commissie Strafprocesrecht beoogd deze mogelijkheid te behouden, doch facultatief te maken opdat de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld niet meer, proprio motu, veroordeeld zou moeten worden door de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit gebeurt in de praktijk trouwens nu reeds lang niet meer automatisch. Zoals de Raad van State in zijn advies terecht opmerkte, rijst de vraag echter of met deze wijziging in het kader van het wetsontwerp het verschil in behandeling tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij – die wel veroordeeld kan worden tot een schadevergoeding aan de verdachte, enerzijds, maar geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding vanwege de verdachte, anderzijds - nog wel verantwoord is. Dat het Arbitragehof in het verleden oordeelde dat dit verschil in behandeling zoals het nu in de wet ingeschreven staat, wel degelijk verantwoord is (zie Arbitragehof, 6 juni 1995, nr. 43/95; Arbitragehof 9 november 1995, nr. 76/95), vormt geen garantie voor de toekomst, aangezien met het huidige wetsontwerp de mogelijkheden van beroep aanzienlijk verruimd zouden worden. In deze omstandigheden lijkt het de Commissie strafprocesrecht dan ook verkieslijk de mogelijkheid tot veroordeling van de burgerlijke partij tot schadevergoeding wegens onwerkdadig hoger beroep in zijn geheel af te schaffen, eerder dan een zelfde mogelijkheid in te voeren ten nadele van de verdachte. » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 65-66) B.3.
  14. Het verwijzende rechtscollege heeft de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering evenwel aldus geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling 7 niettemin de bevoegdheid verlenen de burgerlijke partij wier hoger beroep tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de verdachte ongegrond wordt verklaard, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte te veroordelen tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Het Hof dient die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  15. Het verschil in behandeling van de burgerlijke partij en de in verdenking gestelde verdachte berust op een objectief criterium, namelijk hun hoedanigheid als procespartij en de onderscheiden gronden waarop zij thans op basis van de paragrafen 1 en 2 van artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer. Anders dan de burgerlijke partij vermag de in verdenking gestelde verdachte slechts op een beperkt aantal gronden een beschikking van de raadkamer in hoger beroep te betwisten, wat het verschil in behandeling tussen de beide partijen op het vlak van de mogelijkheid tot veroordeling wegens tergend en roekeloos hoger beroep kan verantwoorden. B.
  16. Het rechtsmiddel dat op grond van artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering door de burgerlijke partij wordt aangewend tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte, is, zelfs na de wijziging van de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Strafvordering bij de voormelde wet van 12 maart 1998, een uitzondering op de regel volgens welke het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet vordert. Het gevolg van het hoger beroep van de burgerlijke partij is identiek aan dat van het hoger beroep van het openbaar ministerie, vermits de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet uitspreekt over de burgerlijke vordering, doch wel over de strafvordering. Het valt daarbij niet uit te sluiten dat burgerlijke partijen misbruik zouden maken van hun recht van hoger beroep en de verdachte zouden schaden door het gerechtelijk onderzoek te verlengen, om redenen die geen verband houden met het algemeen belang, door ongepast hoger beroep in te stellen en aldus de strafvordering aan te houden. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege bieden de in het geding zijnde bepalingen dan ook de mogelijkheid - doch geenszins de verplichting - de burgerlijke partij tot schadevergoeding te veroordelen wanneer zij op haar hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte in het ongelijk wordt gesteld. Op die 8 wijze wordt de buiten vervolging gestelde verdachte beschermd en de burgerlijke partij gewaarschuwd tegen het onverantwoord aanwenden van het rechtsmiddel van het hoger beroep tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling. Het onderscheid is dan ook pertinent om de doelstelling te verwezenlijken. B.
  17. De maatregel, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, is ook niet onevenredig met de beoogde doelstelling. De maatregel staat het instellen van hoger beroep, dat volkomen rechtmatig is wanneer het rechtsmiddel strekt tot vrijwaring van een beschermenswaardig belang, met name de hervorming of vernietiging van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven, geenszins in de weg. Alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om de beschikking tot buitenvervolgingstelling voor de kamer van inbeschuldigingstelling te betwisten, kan tot veroordeling tot schadevergoeding aanleiding geven, overigens niet ambtshalve, maar op vordering van de buiten vervolging gestelde partij en nadat hierover een debat is gevoerd. Het komt de kamer van inbeschuldigingstelling toe, op grond van de concrete elementen van het dossier, te oordelen of het hoger beroep dient te worden gekwalificeerd als tergend en roekeloos en of de vordering tot schadevergoeding gegrond is. De maatregel beperkt evenmin op buitensporige wijze de rechten van burgerlijke partijen, die hun vorderingen nog steeds voor de burgerlijke rechter kunnen brengen. Het is daarentegen vanuit proceseconomische overwegingen niet onverantwoord de vordering tot schadevergoeding van de buitenvervolginggestelde, die uitsluitend voortvloeit uit het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij buiten vervolging wordt gesteld, te laten beoordelen door het rechtscollege dat het meest aangewezen moet worden geacht om daarover te oordelen. B.
  18. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 12 mei
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.