id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.088 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040519.2 Arrest- Rolnummer: 882004;2698 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-17 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-04 00:35 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 2 en 3 van de wet van 17 december 2002 " tot bekrachtiging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor Grondstoffen " en van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit, ingesteld door de v.z.w. Bemefa en anderen, door de n.v. Leievoeders en anderen en door de n.v. Kemin Europa. Tekst van de beslissing Rolnummers 2698, 2712 en 2715 Arrest nr. 88/2004 van 19 mei 2004 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 2 en 3 van de wet van 17 december 2002 « tot bekrachtiging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor Grondstoffen » en van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit, ingesteld door de v.z.w. Bemefa en anderen, door de n.v. Leievoeders en anderen en door de n.v. Kemin Europa. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 13 mei 2003, 4 en 11 juni 2003 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 14 mei 2003, 5 en 12 juni 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 3 van de wet van 17 december 2002 « tot bekrachtiging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor Grondstoffen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2002, tweede uitgave) en van artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit door : - de v.z.w. Bemefa, met zetel te 1000 Brussel, Gasthuisstraat 31, de n.v. Aveve, met maatschappelijke zetel te 3000 Leuven, Minderbroedersstraat 8, de n.v. Voeders Debaillie, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Kaaistraat 31, de n.v. O. Verdegem, met maatschappelijke zetel te 9920 Lovendegem, Koning Leopoldstraat 67, de n.v. Voeders Hanekop – Molens Vanhollebeke, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Veldstraat 79, de n.v. Hens’ Voeders, met maatschappelijke zetel te 2100 Deurne, Belcrownlaan 15-17, de n.v. Voeders Depré, met maatschappelijke zetel te 8730 Beernem, Vaart-Noord 11, de n.v. Voeders Seurynck, met maatschappelijke zetel te 8880 Sint-Eloois-Winkel, Gullegemstraat 58, de n.v. Versele-Laga, met maatschappelijke zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70, de n.v. Dossche, met maatschappelijke zetel te 9800 Deinze, Tweebruggenlaan 1, de n.v. Orlux, met maatschappelijke zetel te 8710 Wielsbeke-Ooigem, Verbindingsstraat 20, de n.v. BK Petfood Products, met maatschappelijke zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70, de n.v. Danis, met maatschappelijke zetel te 8851 Koolskamp, Knijffelingstraat 15, de n.v. Dumoulin, met maatschappelijke zetel te 8500 Kortrijk, Stasegemsesteenweg 102, de n.v. Voeders Lauwers, met maatschappelijke zetel te 9810 Nazareth, Sluis 3, de « Sociétés coopératives agricoles réunies des régions herbagères », met maatschappelijke zetel te 4650 Herve, rue des Martyrs 23, de n.v. Carnipor, met maatschappelijke zetel te 4880 Aubel, route de Merckhof 110, en de n.v. de Brabander Gebroeders, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, Kaaistraat 70; - de n.v. Leievoeders, met maatschappelijke zetel te 8793 Waregem, Emile Clausstraat 23, de n.v. Vanden Avenne-Ooigem, met maatschappelijke zetel te 8710 Ooigem, postbus 58, de n.v. Belco Feed, met maatschappelijke zetel te 2860 Sint-Katelijne-Waver, Fortsebaan 30, de n.v. Hendrix, met maatschappelijke zetel te 2170 Merksem, Westkaai 21, en de n.v. Nutreco Feed Belgium, met maatschappelijke zetel te 8770 Ingelmunster, Zuidkaai 6; - de n.v. Kemin Europa, met maatschappelijke zetel te 2200 Herentals, Industriezone Wolfstee. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2698, 2712 en 2715 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 3 Memories zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, met zetel te 1000 Brussel, WTC III, Simon Bolivarlaan
- Memories van antwoord zijn ingediend door : - de verzoekende partijen in de zaak nr. 2698; - de verzoekende partijen in de zaak nr. 2712; - de verzoekende partij in de zaak nr.
- Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. D. De Keuster, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 2698 en 2712; . Mr. C. Verheyleweghen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 2715; . Mr. D. D’Hooghe, tevens loco Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering, de Ministerraad en voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Ten aanzien van het eerste middel in de drie zaken A.
- De verzoekende partijen leiden het middel af uit een schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 76 en 105 van de Grondwet. In een eerste onderdeel voeren zij aan dat artikel 2 van de wet van 17 december 2002 een belasting bekrachtigt die werd ingevoerd door artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, terwijl artikel 170 van de Grondwet bepaalt dat belastingen enkel door de wetgever kunnen worden opgelegd, artikel 76 van de Grondwet bepaalt dat over elk wetsartikel afzonderlijk wordt gestemd en dat de individuele parlementsleden het recht hebben de afzonderlijke wetsartikelen te splitsen en te amenderen en artikel 105 van de Grondwet bepaalt dat de Koning over geen andere bevoegdheden beschikt dan door de wet verleend. Enkel in geval van volstrekte noodzakelijkheid zou een beroep kunnen worden gedaan op de techniek van machtiging en bekrachtiging. In een tweede onderdeel voeren zij aan dat artikel 3 van de wet van 17 december 2002 de belasting met terugwerkende kracht invoert voor 2001 en 2002, terwijl een dergelijke retroactiviteit enkel zou zijn toegestaan indien zij noodzakelijk is en niet in een hangend rechtsgeschil ingrijpt. De verzoekers leiden daaruit af dat het legaliteitsbeginsel inzake belastingen, bepaald in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, is geschonden en dat bovendien een verschil in behandeling is ontstaan tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die de waarborg genieten dat geen belasting kan worden opgelegd indien daartoe niet voorafgaand is beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, dat geen belasting met terugwerkende kracht kan worden opgelegd en dat de beslissing om de belasting op te leggen heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de artikelen 76 en 105 van de Grondwet en, anderzijds, de belastingplichtigen onderworpen aan de belasting die door de bestreden bepalingen wordt ingevoerd en bekrachtigd, aan wie de grondwettelijke waarborgen van de voormelde grondwetsartikelen werden onthouden. A.2.
- Uit de arresten nrs. 18/98 en 52/99 leiden de verzoekende partijen af dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan opdat de invoering van een belasting door de Koning kan worden verantwoord :
(1)er moet een noodzaak bestaan om een belasting door de Koning te laten invoeren,
(2)de Koning moet door de wetgever uitdrukkelijk zijn gemachtigd,
(3)het koninklijk besluit dat de belasting invoert, moet binnen een korte termijn door de wetgever worden bekrachtigd en
(4)indien het koninklijk besluit niet tijdig is bekrachtigd, moet het worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad. A.2.
- Ook de Ministerraad, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (F.A.V.V.) en de Vlaamse Regering leiden uit de gevestigde rechtspraak af dat de techniek van de machtiging en bekrachtiging onder bepaalde voorwaarden grondwettig is. Zij verwijzen in dat verband naar de arresten nrs. 18/98 en 32/
- In tegenstelling tot de verzoekende partijen zijn zij evenwel van oordeel dat in casu aan die voorwaarden is voldaan. A.3.
- Aan de eerste voorwaarde is volgens de verzoekende partijen niet voldaan. Niets belette de Staat om in 2001, zoals in 1999 en 2000, het Consum-programma (Contaminant Surveillance System) te financieren vanuit de begroting van landbouw. Er was geen sprake van uitzonderlijke of crisisomstandigheden. Evenmin bestond het gevaar dat de belastingplichtigen hun voorzorgen zouden nemen. Ook na de beschikking van de rechter in kort geding, die verbood om het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 uit te voeren, kon het Consum-programma onverminderd worden voortgezet. Kortom, er was volgens de verzoekende partijen meer dan voldoende tijd om de gewone parlementaire procedure te volgen. A.3.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering wijzen erop dat de enorme budgettaire gevolgen van de dioxinecrisis voor de Staat en voor de landbouwsector de Regering noopten tot het nemen van dringende en effectieve maatregelen. De instelling van het Consum-programma vormde, naast het toekennen van steun aan de landbouwsector en de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, één van die maatregelen. In dat verband merken de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering op dat de dioxinecrisis in het arrest nr. 100/2003 werd aanvaard als bijzondere omstandigheid om een machtiging aan de Koning te verantwoorden. 5 A.3.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling geen belasting is tot dekking van de uitgaven van de dioxinecrisis. Het Consum-programma is enkel een beleidsmaatregel om een nieuwe crisis in de toekomst te vermijden. De dioxinecrisis trof ons land bovendien in de eerste helft van 1999, terwijl het koninklijk besluit dateert van 23 oktober
- De verzoekende partijen stellen vast dat voor de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, door de wet van 4 februari 2000, wel de normale wetgevende procedure kon worden gevolgd. Uit de aanhef van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 blijkt overigens dat het akkoord van de Europese Commissie reeds op 28 december 2000 werd verkregen, dat het advies van de Inspectie van Financiën op 17 juli 2000 werd verleend en dat het begrotingsakkoord dateert van 9 augustus
- De verzoekende partijen leiden daaruit af dat het ontwerp van koninklijk besluit meer dan een half jaar op het kabinet of de administratie heeft stilgelegen. Ten slotte heeft de wetgever naar aanleiding van de dioxinecrisis een crisiswet goedgekeurd, zijnde de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis. Voor de bestreden belasting werd evenwel geen machtiging opgenomen in die wet. Het zou enkel ten aanzien van die wet zijn dat de dioxinecrisis in het arrest nr. 100/2003 werd aanvaard als een omstandigheid die een machtiging kan verantwoorden. A.3.
- De omstandigheid dat het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 dateert van twee jaar na de crisis, is volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering niet van belang. De budgettaire gevolgen van de crisis waren immers van die aard dat zij zich over een langere periode uitstrekten. A.4.
- Aan de tweede voorwaarde is volgens de verzoekende partijen niet voldaan. Voor het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 werd geen uitdrukkelijke wettelijke machtiging goedgekeurd door het Parlement. De bestaande bepalingen waaraan wordt gerefereerd, de artikelen 2 en 5 van de wet van 11 juli 1969 en artikel 82 van de wet van 24 december 1976 kunnen naar het oordeel van de verzoekende partijen niet als wettelijke basis voor de bestreden belasting dienen. Het vermelde artikel 2 voorziet enkel in de mogelijkheid om voor de machtiging of erkenning als fabrikant een bijdrage op te leggen. Het vermelde artikel 82 zou geen betrekking hebben op personen die mengvoeders op de markt brengen. Bovendien kan uit die bepaling naar het oordeel van de verzoekende partijen geen machtiging om belastingen te heffen worden afgeleid. A.4.
- Volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering is een uitdrukkelijke machtiging te vinden in artikel 82 van de wet van 24 december 1976, dat bepaalt dat de Koning een verplichte bijdrage kan opleggen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die landbouwbestrijdingsmiddelen, grondstoffen of gemedicineerde diervoeders voortbrengen of verhandelen. Het bekrachtigde koninklijk besluit legt een bijdrage op aan de producenten en handelaars van toevoegingsmiddelen, op basis van toevoegingsmiddelen vervaardigde voormengsels, mengvoeders of bijzondere stikstofhoudende producten. Het betreft volgens de Ministerraad, het FAVV en de Vlaamse Regering duidelijk grondstoffen in de zin van het voormelde artikel
- In de wet van 11 juli 1969 wordt het begrip grondstof omschreven als « elke stof bestemd om de dierlijke en visproduktie te verbeteren, te bevorderen of te beschermen, zoals dierenvoeders ». De Raad van State zou overigens geen opmerkingen hebben geformuleerd bij het ontwerp van koninklijk besluit, noch bij het ontwerp van bekrachtigingswet. A.4.
- De verzoekende partijen antwoorden dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 82 van de wet van 24 december 1976, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, blijkt dat de wetgever de Koning niet heeft gemachtigd om belastingen in te voeren en dat de wetgever niet kan worden vermoed de Koning daartoe te hebben gemachtigd. Bovendien zou het begrip grondstoffen niet dezelfde juridische draagwijdte hebben als het begrip mengvoeders. Dat laatste wordt in artikel 1, 8°, van het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende de handel en het gebruik van stoffen bestemd voor dierlijke voeding gedefinieerd als « mengsels van voedermiddelen, met of zonder toevoegingsmiddelen, bestemd voor dierlijke voeding langs orale weg in de vorm van volledige dierenvoeders of aanvullende dierenvoeders ». Een belastingwet moet volgens de verzoekende partijen strikt worden geïnterpreteerd. Bij twijfel moet zij worden uitgelegd in het voordeel van de belastingplichtige. Indien de wetgever de Koning wilde machtigen om de omzet op mengvoeder te belasten, diende hij derhalve uitdrukkelijk naar mengvoeder te verwijzen. Zelfs indien er een machtiging zou zijn, dan is die geenszins uitdrukkelijk en ondubbelzinnig. Er werd immers teruggegrepen naar bestaande bepalingen die niet werden goedgekeurd met als doel de invoering van een belasting voor het Consum-programma. A.4.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering leiden uit dezelfde parlementaire voorbereiding af dat de wetgever de Koning wel uitdrukkelijk heeft willen machtigen om een belasting in te voeren. Er werd evenwel voor de term verplichte bijdrage gekozen om meer eenvormigheid in de terminologie te verkrijgen. Dat begrip zou inhoudelijk volledig overeenstemmen met het begrip belasting. Uit de rechtspraak van het Hof zou overigens nergens blijken dat de uitdrukkelijke machtiging niet in een bestaande wetsbepaling vervat kan zijn. 6 A.5.
- Aan de derde voorwaarde is volgens de verzoekende partijen niet voldaan. Artikel 2 van de wet van 11 juli 1969 en artikel 82 van de wet van 24 december 1976 voorzien in een bekrachtiging binnen het jaar volgend op het jaar van bekendmaking. De wetgever beschikt derhalve over één tot twee jaar om het koninklijk besluit te bekrachtigen. Dit is volgens de verzoekende partijen geen korte periode. In casu werd het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 pas na ongeveer 13 maanden bekrachtigd. A.5.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering zijn van oordeel dat dit een relatief korte termijn betreft. Zij verwijzen naar het arrest nr. 32/2000, waarin een termijn van één jaar als een relatief korte termijn werd beschouwd. A.5.
- De verzoekende partijen antwoorden dat moet worden gekeken naar de termijn zoals die door de wetgever is opgelegd in de machtigingsbepaling en niet naar de termijn in concreto. Zij leiden dit af uit het arrest nr. 100/
- Ook de termijn van één jaar in het arrest nr. 32/2000 betrof een termijn in abstracto. Vanuit dat oogpunt zou een bekrachtigingstermijn van één tot twee jaar niet relatief kort zijn. Zelfs indien de termijn in concreto zou moeten worden beoordeeld, dan zou een periode van 420 dagen geen korte periode zijn. A.6.
- Aan de vierde voorwaarde is volgens de verzoekende partijen niet voldaan. Artikel 2 van de wet van 11 juli 1969 en artikel 82 van de wet van 24 december 1976 voorzien immers niet in een opheffing van de belasting ex tunc, maar enkel ex nunc. De koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen worden krachtens die bepalingen opgeheven wanneer zij niet tijdig zijn bekrachtigd. Nergens wordt bepaald dat zij dan worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad. A.6.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering voeren in hoofdorde aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dat onderdeel van het middel aangezien zij niet het voorwerp zijn geweest van fiscale maatregelen die bij gebrek aan bekrachtiging toch hun uitwerking behielden. De kritiek zou enkel betrekking hebben op de machtigingswet en niet op de bekrachtigingswet. In ondergeschikte orde zijn de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering van oordeel dat het laatste lid van artikel 82 van de wet van 24 december 1976 grondwetsconform moet worden geïnterpreteerd, in die zin dat de opheffing van een niet bekrachtigd besluit zowel voor de toekomst als voor het verleden geldt. A.6.
- De verzoekende partijen antwoorden dat zij belang hebben bij elk motief dat het onderdeel van het middel ondersteunt. Bij de opmerking in ondergeschikte orde kunnen zij zich niet aansluiten : de term opheffing verwijst enkel naar de toekomst en niet naar het verleden. A.7.
- De verzoekende partijen wijzen op de democratische handicap van de techniek van de bijzondere machten. Bij de bekrachtiging van een koninklijk besluit worden de verschillende bepalingen door de wetgever niet individueel behandeld. Er is enkel een goedkeuring van het gehele koninklijk besluit. De parlementaire behandeling van de individuele bepalingen en de mogelijkheid van amendement (artikel 76 van de Grondwet) zouden nochtans tot de essentie van een rechtsstaat behoren. Bijzondere machten dienen bovendien de uitzondering te zijn, niet de regel. Zij zouden enkel aanvaardbaar zijn in uitzonderlijke omstandigheden en voor een korte periode. De verzoekende partijen verzetten zich derhalve tegen een permanente toestand van bijzondere machten, waarin het zou volstaan ergens een vage machtiging goed te keuren om permanent bij koninklijk besluit belastingen te kunnen opleggen. A.7.
- De kritiek als zou door de bestreden machtiging aan de Koning geen parlementair debat over de verplichte bijdrage hebben kunnen plaatsvinden en de individuele parlementsleden hun standpunt niet kenbaar hebben kunnen maken, strookt volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering niet met de werkelijkheid. Het Parlement zou immers niet verplicht zijn de koninklijke besluiten op grond van de machtiging zonder meer te bekrachtigen. De bekrachtiging kan worden beperkt tot bepaalde delen of zelfs (delen van) artikelen van het besluit. Uit de parlementaire stukken van de Kamer en de Senaat zou blijken dat tijdens de behandeling van het ontwerp van bekrachtigingswet de opportuniteit en de draagwijdte van de ingevoerde fiscale maatregel het voorwerp van discussie waren. De bevoegde minister werd uitvoerig ondervraagd en een aantal parlementsleden dienden amendementen in. A.7.
- Volgens de verzoekende partijen bewijst de parlementaire voorbereiding juist dat de parlementsleden hun splitsings- en amenderingsrecht niet hebben kunnen uitoefenen. 7 A.8.
- Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat de beschikking van de rechter in kort geding waarbij verbod werd opgelegd om het koninklijk besluit uit te voeren, gold tot de wettelijke bekrachtiging doch met uitzondering van de periode voorafgaand aan de uitvoerbaarheid van de bekrachtigingswet. Die beschikking, die in hoger beroep niet werd hervormd, zou derhalve inhouden dat voor de jaren 2000 en 2001 geen bijdrage zou zijn verschuldigd. De wetgever zou derhalve, door de retroactieve invoering van de belasting voor de jaren 2001 en 2002, doelbewust hebben ingegrepen in een rechterlijke uitspraak die van kracht was. Bovendien waren er nog annulatieberoepen hangende voor de Raad van State. A.8.
- Volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering houdt de beschikking van de rechter in kort geding niet in dat voor de jaren 2001 en 2002 niet langer een bijdrage verschuldigd zou zijn. Het betrof slechts een tijdelijk verbod van uitvoering tot de bekrachtiging van het koninklijk besluit. De uitzondering die werd gemaakt voor de periode voorafgaand aan de uitvoerbaarheid van de bekrachtigingswet zou enkel betrekking hebben op de handelingen die de belastingplichtigen moesten vervullen gedurende de tijd die is verstreken vóór de uitvoerbaarheid, doch niet op het verschuldigd zijn van de belasting. Dit zou ook voortvloeien uit artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de rechter in kort geding slechts rechtsmacht verleent om maatregelen op te leggen die geen afbreuk doen aan de grond van de zaak. Naar het oordeel van de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering kan er dan ook geen sprake zijn van het retroactief invoeren van een belasting voor de jaren 2001 en
- A.8.
- De verzoekende partijen houden vol dat de beschikking van de rechter in kort geding een volledig verbod tot uitvoering van het koninklijk besluit inhield, met inbegrip van de betaling van de belasting. Die beschikking werd in hoger beroep niet hervormd en heeft derhalve kracht van gewijsde. Ten aanzien van het tweede middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 en het vierde middel in de zaak nr. 2715 A.
- De verzoekende partijen leiden het middel af uit een schending van de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 105 van de Grondwet. In een eerste onderdeel voeren zij aan dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, zoals bekrachtigd bij artikel 2 van de wet van 17 december 2002, en artikel 3 van dezelfde wet straffen invoeren die niet worden opgelegd door een onafhankelijke rechter en niet in een duidelijke en objectieve procedure voorzien. In een tweede onderdeel voeren zij aan dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, zoals bekrachtigd bij artikel 2 van de wet van 17 december 2002, en artikel 3 van dezelfde wet straffen opleggen waarvoor de Koning geen wettelijke machtiging heeft gekregen. A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat, bij gebrek aan een tijdige aangifte, het omzetcijfer wordt gehanteerd zoals dat blijkt uit de gegevens van de Nationale Bank. Bij gebrek aan een tijdige betaling wordt de belasting automatisch en van rechtswege verhoogd met 50 pct., zonder de mogelijkheid van verdediging. Bovendien kunnen de erkenning, de registratie of de toelating worden ingetrokken, hetgeen zou neerkomen op een « administratieve doodstraf ». Volgens de verzoekende partijen voldoen die sancties aan de twee belangrijkste criteria, ontwikkeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, om van een straf in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te kunnen spreken : artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 heeft een duidelijk preventief en repressief karakter en de sancties zijn uitermate streng. Er zou geen sprake zijn van een behoorlijke rechtsbedeling, noch van een objectieve procedure omdat
(1)de rechtsbescherming op geen enkele manier wordt geregeld,
(2)de mogelijkheid van kwijtschelding ontbreekt,
(3)de straffen door de administratie worden opgelegd,
(4)de straffen worden opgelegd zonder dat de betrokkene zich kan verdedigen (de boete van 50 pct. wordt zelfs van rechtswege opgelegd) en
(5)de straffen dermate streng zijn dat de rechtsonderhorigen doelbewust verhinderd worden bij de rechter op te komen tegen die belasting. Geen enkele onderneming kan een procedure starten met het risico dat het bedrijf wordt gesloten. Het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 14 van de Grondwet houdt in dat de wetgever de straffen en de omschrijving van de bepalingen waaraan een sanctie verbonden is vastlegt. Dat zou niet verhinderen dat de overtreding van de voorschriften in een koninklijk besluit en in de verordeningen van gedecentraliseerde 8 besturen strafrechtelijk wordt bestraft binnen de grenzen door de wet bepaald. In casu werden de straffen evenwel nooit door de wetgever vastgelegd. Bovendien ontbreekt voor het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 een wettelijke basis. Naar het oordeel van de verzoekende partijen is artikel 14 derhalve geschonden. A.
- Volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering legt het bekrachtigde koninklijk besluit geen straffen op in de zin van de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Noch het hanteren van de totale omzet van het bedrijf bij gebreke van een tijdige aangifte, noch het verhogen van het verschuldigde bedrag met 50 pct. bij laattijdige betaling zouden sancties zijn van repressieve en tevens preventieve aard die de bevolking in het algemeen aanbelangen. Het zou daarentegen gaan om maatregelen die ertoe strekken de tijdige inning van de verplichte bijdrage mogelijk te maken - en de onkosten van een laattijdige inning te dekken - om aldus de financiële belangen van het Begrotingsfonds voor de grondstoffen te vrijwaren. Zij zijn daarenboven enkel van toepassing op de beperkte categorie ondernemingen die aan de verplichte bijdrage zijn onderworpen. Beide maatregelen zouden derhalve niet dermate ernstig zijn dat ze als een straf zouden kunnen worden beschouwd. Ook de procedure tot intrekking van de erkenning, de registratie of de toelating van het bedrijf, indien de bijdrage niet binnen vijftien dagen na de oorspronkelijke vervaldag wordt betaald, kan volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering bezwaarlijk als een straf worden gekwalificeerd. Ook die maatregel, die overigens niet automatisch tot een intrekking van de erkenning zal leiden, zou enkel tot doel hebben een efficiënte en tijdige inning van de verplichte bijdrage te verzekeren. A.
- Om de financiële belangen van het Begrotingsfonds veilig te stellen, zo antwoorden de verzoekende partijen, kan men ermee volstaan in een intrest wegens laattijdige betaling te voorzien, eventueel aangevuld met een wettelijke hypotheek ten voordele van de overheid. Voor het dekken van de onkosten volstaat een beperkte dossiervergoeding. Zij houden vol dat de sancties een duidelijk repressief karakter vertonen. Het feit dat een maatregel slechts op een beperkte categorie van toepassing is, is ten slotte niet van die aard dat het strafrechtelijke karakter van die maatregel erdoor verdwijnt. Ten aanzien van het derde middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 A.
- De verzoekende partijen leiden het middel af uit een schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, zoals bekrachtigd bij artikel 2 van de wet van 17 december 2002, en artikel 3 van dezelfde wet onderwerpen enkel de ondernemingen in de mengvoedersector en de rechtstreekse en onrechtstreekse leveranciers en afnemers van dergelijke ondernemingen aan de belasting, terwijl er geen redelijke verantwoording zou bestaan om andere categorieën niet aan die belasting te onderwerpen. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat de veroorzakers van het risico op contaminatie van de voedselketen met dioxines, PCB’s en andere contaminanten, zijnde de elektriciteitssector en andere industriële sectoren, niet aan de belasting worden onderworpen. De dioxinecrisis is nochtans ontstaan doordat transformatorolie, afkomstig van transformatoren gebruikt in de elektriciteitsindustrie, in de voedselketen is terechtgekomen. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat de overige schakels in de voedselketen, die een soortgelijk of zelfs groter risico op contaminatie van de voedselketen creëren, niet aan de belasting worden onderworpen. De voedselketen kan als volgt worden voorgesteld : grondstoffen – mengvoeder – dieren – voedingsindustrie – distributie – consument. Een contaminatie kan zich in elke schakel van de keten voordoen. De grootste risico’s zouden zitten in de schakels grondstoffen, dieren en voedingsindustrie. De schakel mengvoeder zou geen risicoschakel vormen. De bestreden bepalingen beogen nochtans enkel de mengvoedersector, terwijl het Consum-programma de bescherming van de ganse voedselketen beoogt. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat de buitenlandse ondernemingen die hetzelfde risico op contaminatie van de voedselketen veroorzaken, niet aan de belasting worden onderworpen. 9 In een vierde onderdeel voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat de zogenaamde zelfmengers (fabrikanten die uitsluitend voor de eigen fokkerij mengvoeders vervaardigen), die hetzelfde risico op contaminatie van de voedselketen veroorzaken, niet aan de belasting worden onderworpen. De contaminatie van veevoeder met dioxines, PCB’s en andere ongewenste stoffen ontstaat door een contaminatie van de grondstoffen. Die grondstoffen worden vermengd tot voeder en via het dier komen de dioxines en PCB’s in de menselijke voedselketen terecht. Die werkwijze is identiek voor bedrijven die zelf het voeder mengen als voor bedrijven die voeder samenstellen voor andere bedrijven. De grondstoffen voor het voeder worden door beide categorieën van ondernemingen aangekocht. In een vijfde onderdeel (enkel in de zaak nr. 2712) voeren de verzoekende partijen een discriminatie aan doordat het geëxporteerde mengvoeder aan de belasting wordt onderworpen, terwijl dat voeder geen risico op contaminatie van de voedselketen in België veroorzaakt. De bestreden bepalingen zouden derhalve hun doel, de bescherming van de Belgische voedselketen, niet bereiken. Bij wijze van besluit menen de verzoekende partijen dat het criterium van onderscheid, namelijk de aanwijzing van de mengvoederproducenten als enige categorie die een financiële bijdrage moet leveren in het kader van de veiligheid van de voedselketen, niet pertinent is. Niet de mengvoedersector doet het risico ontstaan, wel de elektriciteitssector. Andere sectoren van de voedselketen met een gelijk of zelfs hoger risicoprofiel worden niet belast. Mengvoeders van buitenlandse bedrijven en zelfmengers die een soortgelijk risico doen ontstaan, worden niet belast. Mengvoeder dat wordt geëxporteerd en in België dus geen risico veroorzaakt, wordt wel belast. A.
- Volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering is de toetsing van het Hof in fiscale zaken slechts marginaal en komt het niet aan het Hof toe de opportuniteit van een maatregel te beoordelen. De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering voeren aan dat de bestreden maatregel een wettig doel nastreeft, namelijk de financiering van het Consum-programma. Het criterium van onderscheid, namelijk de aanwijzing van de veevoederproducenten als bijdrageplichtigen, zou pertinent zijn. Het Consum-programma werd na de dioxinecrisis ingesteld om de veiligheid van de voedselketen te waarborgen. De veevoedersector zou daar dus zelf baat bij hebben. Een jaarlijkse bijdrage van 0,15 pct. van het omzetcijfer zou niet kennelijk onevenredig zijn met het nagestreefde doel. Naar het oordeel van de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering is het daarenboven logisch dat de veevoedersector bijdraagt tot de financiering van het bewakingssysteem aangezien hij mede aan de basis ligt van de dioxinecrisis. Het zijn niet de elektriciteitssector, de overige schakels in de voedselketen of de zelfmengers die de PCB’s in het veevoeder hebben verwerkt en het daarna op de markt hebben gebracht. De vaststelling dat de oorsprong van de contaminatie bij de besmette grondstoffen ligt, zou de verantwoordelijkheid van de veevoederproducenten niet uitsluiten aangezien zij dienen te waken over de kwaliteit van de door hen aangewende producten. Ook de ongelijke behandeling van buitenlandse fabrikanten en operatoren zou objectief en redelijk verantwoord zijn aangezien het niet belasten van ingevoerde producten tot doel heeft een dubbele belasting voor de controle van de voedselveiligheid te vermijden, wat in strijd zou zijn met het Europees gemeenschapsrecht. Ten slotte houdt de omstandigheid dat ook geëxporteerde mengvoeders aan de verplichte bijdrage zijn onderworpen volgens de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering geen onverantwoord onderscheid in. Het Consum-programma beoogt immers te waken over de veiligheid van alle in België geproduceerde veevoeders, ook degene die worden uitgevoerd. A.
- Volgens de verzoekende partijen is er geen reden waarom het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken anders zou worden beoordeeld dan in andere zaken. Zij merken ook op dat het opsporen van PCB’s en dioxines de ganse voedselketen ten goede komt. Er zou geen redelijke verdeling zijn van de financiële lasten over de verschillende schakels van de voedselketen. De Consum-belasting zou overigens alleen in België bestaan, zodat het argument om dubbele belasting te vermijden uit de lucht is gegrepen. Ten slotte protesteren de verzoekende partijen tegen de stelling dat zij de dioxinecrisis zouden hebben veroorzaakt. De parlementaire onderzoekscommissie heeft de hoofdverantwoordelijkheid van de crisis bij de overheid gelegd. Aan de mengvoedersector werd enkel verweten na het ontstaan van de crisis gebrekkig te hebben gecommuniceerd. 10 Ten aanzien van het vierde middel in de zaak nr. 2712 A.
- De verzoekende partijen leiden het middel af uit een schending van artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Die bepaling draagt de bevoegdheid inzake de kwaliteit van de grondstoffen over aan de gewesten. Die bevoegdheid blijft enkel federaal in zoverre de betrokken maatregel de veiligheid van de voedselketen tot gevolg heeft. De nieuwe bevoegdheidsverdeling trad in werking op 1 januari 2002, dus na het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, maar vóór de wet van 17 december
- Daaruit leiden de verzoekende partijen af dat de federale wetgever het koninklijk besluit enkel kon bekrachtigen indien het betrekking heeft op de veiligheid van de voedselketen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 december 1994, waaruit de machtiging zou volgen, blijkt evenwel dat zij betrekking heeft op de landbouwbevoegdheid. Ten slotte merken de verzoekende partijen op dat een belasting tot doel heeft bij te dragen tot de algemene werking van de Staat. Een belasting zou nooit tot doel hebben de volksgezondheid te beschermen. A.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering merken op dat de bestreden financiële bijdrage tot doel heeft bij te dragen tot de financiering van het Consum-programma, dat duidelijk betrekking heeft op het controleren en verzekeren van de voedselveiligheid van grondstoffen en plantaardige producten. A.
- Volgens de verzoekende partijen luidt de vraag of de wetgever voor de uitoefening van zijn bevoegdheden een beroep mag doen op wetsbepalingen die buiten zijn bevoegdheidsdomein zijn gelegen. Artikel 82 van de wet van 24 december 1976 behoort immers tot de landbouwbevoegdheden, die aan de gewesten werden overgedragen. De federale overheid overtreedt haar bevoegdheden indien het die bepaling in de wet van 17 december 2002 hanteert als wettelijke basis voor het koninklijk besluit van 23 oktober
- A.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering repliceren dat, aangezien de federale overheid bevoegd blijft inzake de normering van en de controle op de kwaliteit van de grondstoffen, zij ter financiering daarvan een verplichte bijdrage kan heffen ten laste van de producenten van die grondstoffen. De Koning blijft derhalve bevoegd om op basis van artikel 82 van de wet van 24 december 1976 belastingen in te voeren die passen binnen de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheden en de federale wetgever blijft bevoegd om die belastingen te bekrachtigen. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 2715 A.
- De verzoekende partij leidt het middel af uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 7 van het decreet d’Allarde en artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. In een eerste onderdeel voert zij aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 17 december 2002 een discriminatie inhouden doordat de buitenlandse ondernemingen niet aan de belasting worden onderworpen en doordat de belasting alleen wordt terugbetaald wanneer de producten worden geëxporteerd nadat zij op de Belgische markt werden gebracht. De verzoekende partij verkoopt haar goederen immers rechtstreeks in het buitenland. Zij verwijst in dat verband naar de arresten nrs. 24/91, 9/95 en 87/95, waaruit zou blijken dat geen heffing of belasting kan worden geheven op producten die niet bestemd zijn voor de Belgische markt. In een tweede onderdeel voert zij een onevenredige beperking van de vrijheid van handel en nijverheid aan doordat de bestreden bepalingen haar beletten de onderneming op economisch en financieel verantwoorde wijze te beheren. De vrijheid van handel en nijverheid zou immers impliceren dat wie een beroepsactiviteit uitoefent op gelijke wijze het recht geniet een redelijke beloning ervoor te krijgen, met inbegrip van een redelijke winst. A.
- Wat het eerste onderdeel betreft, verwijzen de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering naar hun weerlegging van het derde middel in de zaken nrs. 2698 en
- Voorts merken zij op dat de verzoekende partijen ten onrechte aanvoeren dat de bestreden bijdrage zou worden terugbetaald wanneer de producten worden geëxporteerd nadat zij op de Belgische markt werden gebracht. 11 Wat het tweede onderdeel betreft, wijzen de Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering erop dat de vrijheid van handel en nijverheid niet zo fundamenteel is dat ze zou leiden tot een striktere toetsing dan het algemene discriminatieverbod. De vrijheid zou niet op onevenredige wijze zijn beperkt. A.
- De verzoekende partij merkt in de eerste plaats op dat zij haar producten wereldwijd afzet en niet alleen in de Europese Gemeenschap. Vervolgens trekt zij de stelling in twijfel dat het Consum-programma ook over de veiligheid van de uitgevoerde veevoeders beoogt te waken. Ten slotte vraagt de verzoekende partij zich af waarom het onderscheid waarin artikel 2 van het koninklijk besluit voorziet, niet werd herhaald in artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit. A.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering repliceren dat de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 op verschillende situaties betrekking hebben. Artikel 2 betreft een belasting op bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik, terwijl artikel 3 de verplichte bijdrage regelt die wordt geheven op de producenten en handelaars van veevoeders. De aard en de finaliteit van beide belastingen zouden volkomen verschillend zijn. De eerste belasting houdt verband met de potentiële vervuiling in België door bestrijdingsmiddelen, terwijl de tweede belasting wordt geheven in het kader van het Consum-programma en betrekking heeft op de voedselveiligheid. De regelingen zouden derhalve niet vergelijkbaar zijn. Ten aanzien van het derde middel in de zaak nr. 2715 A.
- De verzoekende partij leidt het middel af uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het algemeen redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel voert zij aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 17 december 2002 een belasting invoeren die een aantasting van haar eigendomsrecht inhoudt. De zeer hoge belasting heeft immers drastische gevolgen voor de winst van de verzoekende partij. Gelet op haar geringe Belgische marktaandeel, houdt de maatregel geen redelijk verband met het doel dat erin bestaat de Belgische consument te beschermen. In een tweede onderdeel voert zij aan dat de belasting het algemeen rechtsbeginsel van redelijkheid en evenredigheid schendt doordat zij een onevenredige last oplegt. Aangezien de verzoekende partij slechts 3 tot 4 pct. van haar omzet op de Belgische markt genereert, zou zij niet op een redelijke wijze worden behandeld indien zij op haar volledige omzet wordt belast. Zij toont cijfermatig aan dat er sprake is van een wanverhouding tussen de verschuldigde belasting en haar Belgisch marktaandeel. A.
- De Ministerraad, het F.A.V.V. en de Vlaamse Regering merken op dat de tweede alinea van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens uitdrukkelijk de bevoegdheid erkent om belastingen en andere heffingen op te leggen. De Belgische overheid zou die bevoegdheid in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel hebben uitgeoefend. 12 -B- De bestreden bepalingen B.1.
- Artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de Grondstoffen voegt volgende paragraaf toe aan artikel 3 van het laatstgenoemde koninklijk besluit : « §
- De fabrikanten en operatoren bedoeld in het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 betreffende de erkenning en de registratie van fabrikanten en tussenpersonen en de toelating van operatoren en handelaars in de sector van de dierenvoeding, moeten een verplichte jaarlijkse bijdrage, waarvan het bedrag 1,5 pro duizend bedraagt van het omzetcijfer gerealiseerd tijdens het vorige boekhoudkundig jaar, storten in het Begrotingsfonds voor de grondstoffen. Deze bepaling is niet van toepassing op de ingevoerde producten. De in rekening te nemen omzet voor de fabrikanten is deze verbonden aan het op de markt brengen van toevoegingsmiddelen, voormengsels bereid met toevoegingsmiddelen, de mengvoeders en de bijzondere stikstofhoudende stoffen, gefabriceerd hetzij in hun eigen installaties, hetzij tegen loon. De omzet voor de operatoren is deze verbonden aan het op de markt brengen van voedermiddelen en toevoegingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 4°bis van het voornoemd koninklijk besluit. De fabrikanten en de operatoren zoals bedoeld hierboven dienen een verklaring op erewoord af te leggen waarbij de omzet, zoals gedefinieerd in deze § en die gerealiseerd is tijdens het laatste afgesloten boekhoudkundig jaar wordt meegedeeld. Deze verklaring dient door een bedrijfsrevisor, een externe accountant of een erkende boekhouder te worden gecertificeerd. Deze verklaring moet ten laatste op 1 juli van ieder jaar maar voor de eerste maal op 1 november 2001 worden opgestuurd naar het volgende adres : Ministerie van Middenstand en Landbouw Inspectie-generaal Grondstoffen en Verwerkte producten (DG4) WTC III - 8e verdieping S. Bolivarlaan 30 1000 BRUSSEL Bij gebrek aan het tijdig indienen van deze verklaring wordt de totale omzet van het bedrijf, zoals deze bekend is bij de bevoegde overheidsdiensten, in aanmerking genomen. Op eenvoudige aanvraag verstrekt de Nationale bank van België alle desbetreffende inlichtingen. 13 De bijdrage moet gestort worden aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen vóór 1 september van ieder jaar. Bij in gebreke blijven wordt dit bedrag automatisch verhoogd met 50 %. Indien deze bijdrage niet geregistreerd werd op de rekening van het hier bedoelde Fonds vóór 15 september wordt de procedure tot intrekking van de erkenning, de registratie of de toelating die het bedrijf bezit in toepassing van de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit, ingezet. » Artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 bepaalt dat, voor het jaar 2001, de voormelde data van 1 en 15 september worden vervangen door respectievelijk 15 november en 1 december. B.1.
- De wet van 17 december 2002 tot bekrachtiging van sommige bepalingen van het voormelde koninklijk besluit van 23 oktober 2001 bepaalt : « Art.
- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art.
- De bepalingen betreffende de bijdragen voorzien bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de Grondstoffen zijn bekrachtigd met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding. Art.
- Wat de fabrikanten en operatoren betreft die de verklaringen over de omzetcijfers 2000 en 2001 niet hebben opgestuurd en die de daarmee overeenstemmende bijdragen niet hebben gestort, worden de volgende wijzigingen aangebracht in artikel 3, § 6, van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de Grondstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 : A) in het zevende lid worden de woorden, ‘ maar voor de eerste maal op 1 november 2001 ’ weggelaten; B) na het zevende lid, een nieuw lid invoegen, luidend als volgt : ‘ De verklaringen betreffende de omzetcijfers 2000 en 2001 moeten evenwel opgestuurd worden uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van twee maanden na de bekendmaking van deze wet. ’ C) na het negende lid, een nieuw lid invoegen, luidend als volgt : ‘ De bijdragen betreffende de omzetcijfers 2000 en 2001 moeten evenwel worden gestort uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van drie maanden na de bekendmaking van deze wet. Bij in gebreke blijven worden deze bedragen automatisch verhoogd met 50 %. ’ 14 D) de paragraaf aanvullen met een nieuw lid, luidend als volgt : ‘ Voor de bijdragen 2001 en 2002, worden de voornoemde data van 1 september en 15 september vervangen door de data van het verstrijken van de termijn respectievelijk van drie maanden na de bekendmaking van deze wet en van deze termijn verlengd met vijftien dagen. ’ » De benaming « Fonds voor de Grondstoffen » werd inmiddels gewijzigd in de benaming « Fonds voor de grondstoffen en de producten » (artikel 19 van de wet van 28 maart 2003 tot wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid) en het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 werd opgeheven en vervangen door het koninklijk besluit van 14 januari 2004 tot vaststelling van de retributies en bijdragen verschuldigd aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten. Die wijzigingen hebben evenwel geen invloed op de thans voorliggende beroepen tot vernietiging. Ten aanzien van het vierde middel in de zaak nr. 2712 B.
- Het middel is afgeleid uit een schending van de bevoegdheidverdelende regels doordat de wet van 21 december 1994, waaruit de machtiging zou volgen, betrekking zou hebben op het landbouwbeleid, terwijl dat beleid op het ogenblik van de goedkeuring van de bestreden bekrachtigingswet tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. B.3.
- De verplichte bijdrage ten laste van de fabrikanten en operatoren van dierenvoeding wordt door de federale Staat geheven op grond van de fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen door artikel 170, § 1, van de Grondwet. B.3.
- Artikel 170, §§ 1 en 2, van de Grondwet bepaalt : « §
- Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet. §
- Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt. » 15 B.3.
- Weliswaar kan de verplichte bijdrage ten laste van de fabrikanten en operatoren van dierenvoeding een onrechtstreekse weerslag hebben op het landbouwbeleid van de gewesten, maar een dergelijke weerslag is eigen aan elke fiscale maatregel. Uit niets blijkt evenwel dat de bestreden maatregel de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.4.
- De verzoekende partijen voeren aan dat een belasting tot doel heeft bij te dragen tot de algemene uitgaven van de Staat. Een belasting zou nooit tot doel hebben de volksgezondheid te beschermen. B.4.
- De in het geding zijnde bijdragen worden door en ten behoeve van de Staat ingevoerd maar, krachtens artikel 82 van de wet van 24 december 1976, zoals gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, door de wet zelf toegewezen aan het Fonds voor de grondstoffen en de producten. Artikel 170 van de Grondwet sluit een dergelijke aanwijzing van bestemming niet uit. B.
- Het vierde middel in de zaak nr. 2712 kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het eerste middel in de drie zaken B.
- Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 76 en 105 van de Grondwet. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van de wet van 17 december 2002 een belasting bekrachtigt die werd ingevoerd door artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, terwijl artikel 170 van de Grondwet bepaalt dat belastingen enkel door de wetgever kunnen worden opgelegd, terwijl artikel 76 van de Grondwet bepaalt dat over elk wetsartikel afzonderlijk wordt gestemd en dat de parlementsleden het recht hebben de afzonderlijke wetsartikelen te splitsen en te amenderen en terwijl artikel 105 van de Grondwet bepaalt dat de Koning over geen andere bevoegdheden beschikt dan door de wet verleend. 16 De verzoekende partijen voeren tevens aan dat daardoor een categorie van belastingplichtigen wordt gediscrimineerd. B.7.
- Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is. De niet-inachtneming van die bepalingen impliceert bovendien een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij houdt immers een niet te verantwoorden verschil in behandeling in tussen twee categorieën van belastingplichtigen : degenen die de waarborg genieten dat niemand kan worden onderworpen aan een belasting indien daartoe niet is beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering en degenen aan wie die grondwettelijke waarborg wordt ontzegd. B.7.
- Wanneer de wetgever zich evenwel in de onmogelijkheid bevindt om zelf alle essentiële elementen van een belasting vast te stellen omdat de inachtneming van de parlementaire procedure hem niet ertoe zou in staat stellen met de vereiste spoed te handelen om een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken, kan worden aanvaard dat hij de Koning ertoe machtigt zulks te doen op voorwaarde dat die machtiging uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is en dat de door de Koning genomen maatregelen door de wetgevende macht worden onderzocht binnen een relatief korte termijn, vastgesteld in de machtigingswet. B.7.
- Het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 legt een bijdrage op aan de producenten en handelaars van toevoegingsmiddelen, op basis van toevoegingsmiddelen vervaardigde voormengsels, mengvoeders of bijzondere stikstofhoudende producten. B.7.
- Volgens de Ministerraad, het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en de Vlaamse Regering vindt dat koninklijk besluit een rechtsgrond in artikel 82 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 17 1976-1977, zoals vervangen bij artikel 187 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, dat luidt : « De Koning kan een verplichte bijdrage opleggen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die landbouwbestrijdingsmiddelen, grondstoffen of gemedicineerde diervoeders voortbrengen of verhandelen. […] Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid wordt opgeheven wanneer het door de wetgever niet wordt bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. » B.7.
- In de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt wordt het begrip grondstof omschreven als « elke stof bestemd om de dierlijke en visproduktie te verbeteren, te bevorderen of te beschermen, zoals dierenvoeders ». Artikel 82 van de wet van 24 december 1976, zoals vervangen bij artikel 187 van de wet van 21 december 1994, bevat een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige machtiging aan de Koning om de bestreden belasting in te voeren. B.7.
- De uitzonderlijke omstandigheden die de machtiging verantwoorden, dienen aanwezig te zijn op het ogenblik van de machtiging. In zoverre het middel aanvoert dat er geen noodzaak bestond om een dergelijke bevoegdheid aan de Koning te delegeren, beoogt het in werkelijkheid artikel 82 van de wet van 24 december 1976, zoals vervangen bij artikel 187 van de wet van 21 december 1994, bepaling die niet ter beoordeling aan het Hof is voorgelegd. B.7.
- In zoverre het middel aanvoert dat de bekrachtigingstermijn één tot twee jaar kan bedragen en dat de machtigingswet niet bepaalt dat een niet tijdig bekrachtigd koninklijk besluit moet worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad, beoogt het eveneens artikel 82 van de wet van 24 december 1976, zoals vervangen bij artikel 187 van de wet van 21 december
- Het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 werd door de wetgevende macht onderzocht binnen een termijn die redelijkerwijs als een relatief korte termijn kan worden beschouwd. 18 B.7.
- In zoverre het eerste onderdeel van het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, is het niet gegrond. B.8.
- De verzoekende partijen voeren tevens aan dat op discriminerende wijze afbreuk zou zijn gedaan aan de waarborgen van de artikelen 76 en 105 van de Grondwet. B.8.
- Artikel 76 van de Grondwet bepaalt : « Een wetsontwerp kan door een Kamer eerst worden aangenomen nadat daarover artikelsgewijs is gestemd. De Kamers hebben het recht de artikelen en de voorgestelde amendementen te wijzigen en te splitsen. » B.8.
- Het middel, dat in die zin moet worden gelezen dat daarin een schending van die bepaling door de aangevochten bepaling zelf wordt aangeklaagd, kan niet worden aangenomen. Het Hof is immers bevoegd om de grondwettigheid van wetsbepalingen, in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, te toetsen wat hun inhoud betreft, en niet wat de wijze van hun totstandkoming betreft. Daaruit vloeit voort dat de grieven die niet de inhoud van de aangevochten bepalingen betreffen maar enkel de wijze van totstandkoming ervan, vreemd zijn aan de bevoegdheid van het Hof. B.8.
- Artikel 105 van de Grondwet bepaalt : « De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen. » B.8.
- Wanneer een specifieke grondwetsbepaling de waarborg biedt dat over de essentiële elementen van een bepaalde aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering dient te worden beslist, wordt de waarborg van artikel 105 van de Grondwet daardoor opgeslorpt. Uit de vaststelling dat de wetgever geen afbreuk heeft gedaan aan de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, volgt derhalve dat hij evenmin op discriminerende wijze afbreuk heeft gedaan aan artikel 105 van de Grondwet. 19 B.8.
- In zoverre het eerste onderdeel van het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 76 en 105, van de Grondwet, is het niet gegrond. B.9.
- In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3 van de wet van 17 december 2002 de belasting met terugwerkende kracht invoert voor 2001 en 2002, terwijl een dergelijke retroactiviteit enkel zou zijn toegestaan indien zij noodzakelijk is en niet in een hangend rechtsgeding ingrijpt. B.9.
- De grief houdt verband met het verbod, opgelegd door een beschikking van 9 januari 2002 van de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 uit te voeren. Het verbod zou ophouden uitwerking te hebben indien het koninklijk besluit tijdig werd bekrachtigd, « doch met uitzondering van de tenuitvoerlegging van het besluit gedurende de periode voorafgaand aan de uitvoerbaarheid van deze bekrachtigingswet ». Uit het arrest van 17 maart 2003 van het Hof van Beroep te Brussel blijkt dat de uitzondering op het verbod « betrekking heeft op de handelingen die de belastingplichtigen moesten vervullen gedurende de tijd die verstreken is vóór deze uitvoerbaarheid, maar niet op het verschuldigd zijn van de belasting zelf ». Het Hof van Beroep stelde vast dat de in eerste aanleg ingestelde vorderingen ten gevolge van de bekrachtiging door de wet van 17 december 2002 zonder voorwerp waren geworden. B.9.
- De verzoekende partijen gaan ten onrechte ervan uit dat de verplichte bijdrage op de omzetcijfers 2000 en 2001, op grond van artikel 3, § 6, van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 oktober 2001 en zoals bekrachtigd bij de wet van 17 december 2002, nog steeds aan het door de rechter opgelegde verbod van tenuitvoerlegging is onderworpen. Artikel 3 van de wet van 17 december 2002 voert derhalve niet op retroactieve wijze een verplichte bijdrage in betreffende de omzetcijfers 2000 en 2001, doch wijzigt enkel de termijnen voor het indienen van de vereiste verklaringen en het betalen van die verplichte bijdragen. 20 B.9.
- Het tweede onderdeel van het middel mist grondslag. B.
- Het eerste middel in de drie zaken kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 en het vierde middel in de zaak nr. 2715 B.
- De middelen zijn afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11, 13 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 105 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 oktober 2001, zoals bekrachtigd bij artikel 2 van de wet van 17 december 2002, en artikel 3 van dezelfde wet straffen invoeren die niet worden opgelegd door een onafhankelijke rechter en niet in een duidelijke en objectieve procedure voorzien (eerste onderdeel) en waarvoor de Koning geen wettelijke machtiging heeft gekregen (tweede onderdeel). B.
- De verplichte bijdrage wordt geheven op het omzetcijfer van het vorige boekhoudkundig jaar aan toevoegingsmiddelen, voormengsels bereid met toevoegingsmiddelen, mengvoeders en bijzondere stikstofhoudende stoffen, gefabriceerd hetzij gerealiseerd in de eigen installaties van het bedrijf, hetzij tegen loon. Wanneer dat omzetcijfer niet tijdig wordt meegedeeld, wordt de totale omzet van het bedrijf, zoals die bekend is bij de bevoegde overheidsdiensten, in aanmerking genomen. Wanneer de bijdrage niet tijdig wordt betaald, wordt het verschuldigde bedrag automatisch verhoogd met 50 pct. en wordt de procedure ingezet tot intrekking van de erkenning, de registratie of de toelating die het bedrijf bezit met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 oktober 1998 betreffende de erkenning en de registratie van fabrikanten en tussenpersonen en de toelating van operatoren en handelaars in de sector dierenvoeding. 21 B.13.
- Anders dan het in aanmerking nemen van de totale omzet van het bedrijf in geval van het niet tijdig meedelen van de omzet die voor de verplichte bijdrage relevant is, kan de fiscale boete in de vorm van een belastingverhoging met 50 pct. in geval van het niet tijdig betalen van de verplichte bijdrage niet worden beschouwd als een maatregel die louter ertoe strekt de tijdige inning van de verplichte bijdrage mogelijk te maken en de kosten van een laattijdige inning te dekken. Zij moet daarentegen als een straf worden beschouwd in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie onder meer Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 24 februari 1994, Bendenoun t/ Frankrijk, en 16 december 2003, Faivre n° 2 t/ Frankrijk). B.13.
- Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer inbreuken inzonderheid het algemeen belang schaden. Tegen de administratieve geldboete bestaat geen specifiek jurisdictioneel beroep, maar de beroepsmogelijkheden van het gemeen recht blijven bestaan. In zoverre de middelen zijn afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, missen ze grondslag. B.13.
- Wanneer de wetgever, in overeenstemming met de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, de Koning machtigt een verplichte bijdrage in te voeren, impliceert die machtiging dat de Koning ook een administratieve geldboete vermag in te voeren die wordt opgelegd indien de belastingplichtige in gebreke blijft de verplichte bijdrage tijdig te betalen. In zoverre de middelen zijn afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 14, in samenhang gelezen met artikel 105, van de Grondwet, zijn ze niet gegrond. B.
- Het tweede middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 en het vierde middel in de zaak nr. 2715 kunnen niet worden aangenomen. 22 Ten aanzien van het derde middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 B.
- Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepalingen een discriminatie inhouden doordat zij de mengvoederbedrijven aan de verplichte bijdrage onderwerpen terwijl andere categorieën het risico op contaminatie van de voedselketen veroorzaken, namelijk de elektriciteitssector en andere industriële sectoren (eerste onderdeel), de andere schakels van de voedselketen (tweede onderdeel), de buitenlandse bedrijven (derde onderdeel) en de landbouwbedrijven die zelf hun diervoeder mengen, de zogenaamde zelfmengers (vierde onderdeel). De verzoekende partijen in de zaak nr. 2712 voeren daarenboven een discriminatie aan doordat het geëxporteerde mengvoeder aan de belasting wordt onderworpen, terwijl dat voeder geen risico op contaminatie van de voedselketen in België veroorzaakt (vijfde onderdeel). B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 23 B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan. Zij zijn eveneens toepasselijk in fiscale aangelegenheden, wat overigens wordt bevestigd door artikel 172 van de Grondwet, dat een bijzondere toepassing inhoudt van het in artikel 10 vervatte gelijkheidsbeginsel. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten verschilt niet van datgene dat vervat is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het dient niet in het onderzoek van het Hof te worden betrokken. B.
- De bestreden bijdragen worden opgenomen in het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten, dat tot de financiering strekt van bepaalde opdrachten, waaronder het controleprogramma betreffende het onderzoek van PCB en dioxines in voormengsels en mengvoeders bestemd voor de dierlijke voeding dat door een ministerieel besluit van 19 november 1999 is ingesteld. Naar luid van de aanhef van dat besluit beoogt het controleprogramma het vertrouwen te herstellen van de kwekers en van de verbruikers in de nationale dierlijke productie. B.
- Nu de bestreden bijdragen moeten worden geacht in beginsel te worden aangewend voor uitgaven in de sector van de bijdrageplichtigen, inzonderheid voor de financiering van een controlesysteem dat hun producten een waarborg van voedselveiligheid verleent, steunt de bijdrageplicht op een objectief en pertinent criterium van onderscheid. De elektriciteitssector en andere industriële sectoren (eerste onderdeel van het middel), de andere schakels van de voedselketen (tweede onderdeel), de buitenlandse bedrijven (derde onderdeel) en de zogenaamde zelfmengers (vierde onderdeel) kunnen immers niet worden geacht op dezelfde wijze als de mengvoederbedrijven de gunstige effecten van het vermelde controleprogramma te genieten. Anderzijds komt de waarborg van voedselveiligheid alle bedrijven ten goede die mengvoeders op de markt brengen, ook indien die voeders bestemd zijn voor de buitenlandse markt (vijfde onderdeel). Gelet op het beperkte percentage (0,15 pct.) op de omzet van de betrokken bedrijven, kan de verplichte bijdrage niet kennelijk onevenredig worden geacht. 24 B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 2715 B.
- Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 7 van het decreet d’Allarde en artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.
- In zoverre de verzoekende partij een discriminatie aanvoert ten aanzien van de buitenlandse bedrijven, valt het middel samen met het derde onderdeel van het derde middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 en dient het om dezelfde redenen te worden verworpen. B.
- In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de bijdrage krachtens artikel 2, § 9, van het koninklijk besluit van 19 augustus 1998 alleen wordt terugbetaald wanneer de producten worden geëxporteerd nadat zij op de Belgische markt werden gebracht, faalt het middel naar recht. De vermelde bepaling heeft immers betrekking op andere dan de thans bestreden bijdragen. Het verschil in behandeling van de bijdrageplichtigen op grond van artikel 2, § 9, en de bijdrageplichtigen op grond van artikel 3, § 6, van het vermelde koninklijk besluit is niet in het middel aangevoerd en dient derhalve niet te worden onderzocht. B.
- De vrijheid van handel en nijverheid kan niet als een onbeperkte vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de wet de economische bedrijvigheid van de personen en ondernemingen regelt. De wetgever zou het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie enkel schenden indien hij op discriminerende wijze inbreuk zou maken op die vrijheid. Uit wat voorafgaat blijkt dat dit te dezen niet het geval is. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. 25 Ten aanzien van het derde middel in de zaak nr. 2715 B.
- Het middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met het algemeen redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. B.
- De vereisten van redelijkheid en evenredigheid zijn geen normen die samenhangen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vermits zij reeds impliciet in die bepalingen zijn vervat. In zoverre de verzoekende partij een schending van die grondwetsbepalingen aanvoert, valt het middel samen met het derde middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 en dient het om dezelfde redenen te worden verworpen. B.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat de bescherming van het eigendomsrecht « op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». Die bepaling erkent uitdrukkelijk de bevoegdheid voor de nationale overheden om belastingen en andere heffingen op te leggen. Weliswaar is de wetgever ertoe gehouden bij het opleggen van fiscale maatregelen het gelijkheidsbeginsel te respecteren, doch uit het onderzoek van het derde middel in de zaken nrs. 2698 en 2712 is reeds gebleken dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. 26 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 mei
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div