← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.090

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.090 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040519.5 Arrest- Rolnummer: 902004 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-04 00:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 3 van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Tekst van de beslissing Rolnummer 2702 Arrest nr. 90/2004 van 19 mei 2004 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3 van de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 16 mei 2003 in zake het openbaar ministerie tegen D.J., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 mei 2003, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 1 maart 2002 [betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de artikelen 37 en 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, de artikelen 37, 52 en 52quater van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en artikel 4 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, in zoverre het de minderjarigen ouder dan 14 jaar die voor als misdrijf omschreven feiten worden vervolgd, onderwerpt aan verschillende plaatsingsregelingen naargelang er al dan niet plaatsen beschikbaar zijn in een geschikte inrichting in de zin van artikel 37, § 2, 3° en 4°, van de wet van 8 april 1965 ? » Memories zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschapsregering; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad; - D.J., die keuze van woonplaats doet te 4000 Luik, rue Dartois

  1. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschapsregering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 25 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. F. Greffe, advocaat bij de balie te Luik, voor D.J.; . Mr. G. Uyttendaele loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. K. Driesen loco Mr. P. Hofströssler en Mr. O. Vanhulst, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. François en M. Bossuyt verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij beschikking van 24 november 2002 beslist de jeugdrechter te Luik D.J. te plaatsen in het Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, opgericht bij de wet van 1 maart 2002 (hierna : « het Centrum »). Bij een beschikking van 5 december 2002 maakt de jeugdrechter een einde aan die plaatsing. D.J. betwist de wettigheid van die plaatsingsmaatregel en stelt, op 26 november 2002, tegen de beschikking van 24 november 2002 beroep in voor de verwijzende rechter. Hij voert aan dat de in het geding zijnde bepaling tot doel heeft voorrang te verlenen aan het belang van de maatschappij en niet aan dat van de minderjarige, aangezien het Centrum hoofdzakelijk wordt beheerd door personeel dat onder de federale Staat ressorteert en dat geen enkele opvoedkundige opdracht heeft en niet gehouden is tot de verbintenissen opgelegd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en door de ethische gedragsregels inzake hulpverlening aan de jeugd van 15 mei 1997; hij voert ook aan dat het doel van beveiliging dat wordt nagestreefd met de wet van 1 maart 2002 in tegenspraak is met artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, waarin de maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding worden opgesomd die de jeugdrechtbank betreffende een delinquente minderjarige kan bevelen; hij voegt eraan toe dat dit doel van beveiliging onverenigbaar is met sommige artikelen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het Verdrag inzake de rechten van het kind, die het kader vaststellen waarin de opsluiting van een minderjarige kan worden overwogen. D.J. leidt uit die vaststellingen af dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de in het Centrum geplaatste minderjarigen en diegenen die in een door de Franse Gemeenschap ingerichte en gefinancierde openbare instelling voor jeugdbescherming zijn geplaatst. Hij acht dat verschil in behandeling discriminerend, in zoverre het voortvloeit uit omstandigheden buiten de wil en onafhankelijk van de persoonlijkheid van de minderjarige en de aard van de feiten waarvoor hij wordt vervolgd. De verwijzende rechter is van mening dat het voor hem ingestelde beroep een voorwerp behoudt, niettegenstaande de beschikking van de jeugdrechter die een einde maakt aan de plaatsing bevolen bij de beslissing die het voorwerp van dat beroep uitmaakt, en aanvaardt om het Hof te ondervragen over dat verschil in behandeling. Hij stelt bijgevolg de door D.J. voorgestelde en hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1.
  2. De Franse Gemeenschapsregering weigert dat de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde norm met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met gewone wettelijke normen met een identieke waarde als de in het geding zijnde norm, zoals bepalingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, wordt onderzocht. De tussenkomende partij is overigens van mening dat het onderzoek van de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde norm met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, erop 4 zou neerkomen dat een vraag met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling wordt « meegetrokken » in de toetsing die het Hof ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uitoefent. De vraag zou dus moeten worden beperkt tot het bestaan van een discriminatie in het genot van het recht van vrijheid en veiligheid (artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), in dat van het recht dat steunt op het beginsel volgens hetwelk er geen straf zonder wet is (artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), en in dat van het recht volgens hetwelk een kind niet op onwettige of willekeurige wijze van zijn vrijheid kan worden beroofd en op grond waarvan het met menselijkheid moet worden behandeld, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn leeftijd, en ten slotte in dat van de bijzondere rechten toegekend aan de kinderen verdacht van, vervolgd of veroordeeld wegens het begaan van een strafbaar feit (artikelen 37 en 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind). A.1.
  3. De Ministerraad is van mening dat de vraag niet ressorteert onder de bevoegdheid van het Hof, omdat zij betrekking heeft op de mogelijkheid van een discriminerende toepassing van de wet. De vraag roept immers op om de gevolgen van gerechtelijke beslissingen tot plaatsing van de delinquente minderjarigen te vergelijken en heeft geen betrekking op een verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het geding zijnde norm. Ten gronde A.2.
  4. D.J. leidt uit artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en uit artikel 4 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd af dat de minderjarige geplaatst in een instelling voor jeugdbescherming van de Franse Gemeenschap aan een opvoedend stelsel is onderworpen. Die bepalingen zijn daarentegen niet van toepassing op het personeel dat onder de federale Staat ressorteert en het Centrum beheert, wat D.J. - die nog artikel 3, 3°, van de wet van 1 maart 2002 citeert - ertoe brengt het plaatsingsstelsel van het Centrum als beveiligend te beschouwen. Dat doel zou echter in tegenspraak zijn met artikel 37 van de wet van 8 april 1965 en zou niet verenigbaar zijn met sommige beginselen die voortvloeien uit de door de verwijzende rechter beoogde internationaalrechtelijke bepalingen : de opsluiting van een minderjarige is een maatregel die in laatste instantie wordt genomen en moet van een zo kort mogelijke duur zijn; die opsluiting is geen opvoedende maatregel, maar wordt gelijkgesteld met een vernederende behandeling; het optreden ten aanzien van een delinquente minderjarige kan alleen opvoedend zijn; het verbod, wegens een standstill-verplichting, om een regeling inzake de beroving van de vrijheid van een delinquente minderjarige in te voeren voor een langere duur dan wat artikel 53 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, opgeheven op 1 januari 2002, toestond. A.2.
  5. De beveiligende regeling die van toepassing is op de delinquente minderjarigen die, bij gebrek aan plaats in de gemeenschapsinstellingen, in het Centrum zijn geplaatst, zou afbreuk doen aan de rechten van die minderjarigen, terwijl de wetgever, op grond van zijn voormelde internationale verbintenissen, ertoe verplicht was andere middelen aan te wenden die in mindere mate aan die rechten afbreuk doen en toch even doeltreffend zijn, teneinde de doelstelling inzake de opvang van die minderjarigen te verwezenlijken. Het verschil in behandeling tussen de delinquente minderjarigen, naargelang zij in het Centrum of in een gemeenschapsinstelling zijn geplaatst, zou discriminerend zijn, in zoverre het zou voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil en onafhankelijk van de persoonlijkheid van de minderjarige en de aard van de feiten waarvoor hij wordt vervolgd, namelijk het bestaan van of het gebrek aan plaatsen in de gemeenschapsinstellingen. A.3.
  6. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat het verschil in behandeling tussen de in een gemeenschapsinstelling geplaatste delinquente minderjarigen en diegenen die in het Centrum zijn geplaatst, op een objectief criterium berust, namelijk het al dan niet bestaan van vrije plaatsen in een gemeenschapsinstelling. Zij voegt eraan toe dat dit verschil in behandeling evenredig is met het doel van openbare veiligheid van de wetgever, in zoverre geen enkel fundamenteel beginsel van de Belgische rechtsorde is geschonden. De maatregel inzake de plaatsing in het Centrum zal immers pas in laatste instantie worden genomen en zal zo snel mogelijk worden vervangen door een aangepaste opvoedende maatregel, zoals de overplaatsing naar een gemeenschapsinstelling. Bovendien geniet de in het Centrum geplaatste minderjarige een begeleiding en pedagogische omkadering geregeld bij het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gemeenschappen, waarmee de Franse Gemeenschap heeft ingestemd en waarin aan de in het Centrum geplaatste 5 minderjarige een omkadering wordt gewaarborgd die identiek is aan die welke een in een gemeenschapsinstelling geplaatste minderjarige geniet. De tussenkomende partij merkt ten slotte op dat de wetgever aan de rechter een ruime beoordelingsmarge laat bij diens beslissing inzake de plaatsing van een minderjarige in het Centrum. A.3.
  7. De Franse Gemeenschapsregering voert overigens aan dat de internationaalrechtelijke beginselen die volgens D.J. zijn geschonden, in acht zijn genomen : uit artikel 4 van de wet van 1 maart 2002 leidt zij af dat de opsluiting van een minderjarige in het Centrum een maatregel is die in laatste instantie wordt genomen en die van een zo kort mogelijke duur is; de inhoud van het voormelde samenwerkingsakkoord zou het bovendien mogelijk maken de plaatsing te beschouwen als een opvoedende maatregel en de gelijkstelling met een vernederende behandeling te weerleggen; de standstill-verplichting zou in acht zijn genomen, aangezien de maatregel inzake de plaatsing in het Centrum de maatregel inzake de plaatsing van een minderjarige in een huis van arrest, die geen enkel opvoedkundig aspect vertoonde, vervangt. De Franse Gemeenschapsregering ziet ten slotte niet in naar welke middelen die in mindere mate afbreuk doen aan de rechten van de minderjarigen, D.J. verwijst. A.
  8. De Ministerraad voert aan dat de internationaalrechtelijke beginselen die volgens D.J. zijn geschonden, in acht zijn genomen. De artikelen 4 en 5 van de wet van 1 maart 2002 bepalen dat de opsluiting van de minderjarige een maatregel is die in laatste instantie wordt genomen en die van een zo kort mogelijke duur moet zijn. De plaatsing van de minderjarige in het Centrum is een opvoedende maatregel, waarbij de omkadering volkomen identiek is aan die welke de in een gemeenschapsinstelling geplaatste minderjarige geniet. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar het doel en de inhoud van het voormelde samenwerkingsakkoord en naar artikel 10 van de wet van 1 maart 2002, dat de werking van die wet na 31 oktober 2002 afhankelijk stelde van het sluiten van dat akkoord. In verband met de standstill-verplichting verklaart de Ministerraad dat het bestaan ervan niet is aangetoond en dat de vraag inzake de schending ervan niet valt onder de bevoegdheid van het Hof. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat die verplichting niet geschonden is, waarbij hij opmerkt dat de maatregel inzake de plaatsing in het Centrum een ondergeschikt karakter heeft ten opzichte van de plaatsing in een gemeenschapsinstelling; dat artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind zich niet absoluut verzetten tegen de beroving van de vrijheid van de delinquente minderjarigen; en dat de in het geding zijnde bepaling niet in grotere mate afbreuk doet aan de rechten van de minderjarige dan het vroegere artikel 53 van de wet van 8 april 1965, vermits dat artikel voorzag in een louter bewarende maatregel, terwijl de in het geding zijnde maatregel bepaalt dat de minderjarige een omkadering geniet teneinde hem een begeleiding en een pedagogische inbreng te waarborgen. In verband met het eventuele bestaan van andere middelen die de rechten van de minderjarige in grotere mate beschermen om hetzelfde doel te bereiken, voert de Ministerraad, met verwijzingen naar de rechtspraak ter staving van zijn bewering, aan dat het Hof in beginsel niet bevoegd is om na te gaan of het nagestreefde doel niet op een andere wijze kon worden verwezenlijkt. A.5.
  9. De Vlaamse Regering is van mening dat het verschil in behandeling niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit het tegelijk toepasselijk zijn van verschillende regelingen die door verschillende bevoegde wetgevers zijn aangenomen, de gemeenschapswetgevers en de federale wetgever, waarbij de regeling van laatstgenoemde complementair is aan de regelingen van de gemeenschappen. De Vlaamse Regering verwijst naar de rechtspraak van het Hof in verband met de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11, van ongelijke behandelingen die voortvloeien uit het gelijktijdig bestaan van verschillende regelingen van de gemeenschappen of gewesten, en is van mening dat een verschil in behandeling dat voortvloeit uit het verschil tussen door verschillende wetgevers aangenomen regelingen, het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel niet kan schenden. A.5.
  10. In ondergeschikte orde verantwoordt de Vlaamse Regering het verschil tussen de plaatsingsregelingen door de ratio legis van de federale maatregel : de noodzaak om de maatschappij te beschermen, wanneer de maatregelen van de gemeenschappen tekortschieten, en het complementaire karakter van die federale regelingen ten opzichte van de regelingen van de gemeenschappen. 6 De Vlaamse Regering voegt eraan toe dat er in werkelijkheid geen enkel verschil in behandeling bestaat, aangezien de in het geding zijnde bepaling voor alle in dezelfde omstandigheden geplaatste minderjarigen voorziet in dezelfde behandeling. Zij preciseert nog dat die bepaling evenredig is, vermits de plaatsing slechts is toegestaan bij gebrek aan plaats in de gemeenschapsinstellingen. -B- De in het geding zijnde bepaling B.
  11. De wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, voorziet in de mogelijkheid voor de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter om minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, bij voorlopige maatregel van maatschappelijke beveiliging toe te vertrouwen aan een centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen, hierna het « Centrum » genoemd (artikel 2). Die mogelijkheid is onderworpen aan bepaalde voorwaarden die in hoofdzaak in artikel 3 van de voormelde wet van 1 maart 2002 worden opgesomd. Die bepaling, die het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, luidt : « De toegang tot het Centrum is tot jongens beperkt en is aan de volgende cumulatieve voorwaarden onderworpen, die in de beschikking van de rechter omstandig worden beschreven : 1° de persoon is ouder dan veertien jaar op het ogenblik van het plegen van het als misdrijf omschreven feit en er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen van schuld; 2° het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt kan, mocht hij meerderjarig zijn, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een straf tot gevolg hebben van : a) opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of een zwaardere straf, of b) een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf indien de jeugdrechtbank tegenover hem een definitieve maatregel heeft genomen als gevolg van een als misdrijf omschreven feit dat strafbaar is met dezelfde straf; 3° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid; 7 4° de opname bij voorlopige maatregel van de persoon in een geschikte inrichting zoals bedoeld in artikel 37, § 2, 3°, juncto 52, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, in een openbare instelling zoals bedoeld in artikel 37, § 2, 4°, juncto 52, inbegrepen de gesloten opvoedingsafdeling zoals bepaald in artikel 52quater van dezelfde wet is, bij gebrek aan plaats, onmogelijk. » B.
  12. Artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming somt de « maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding » op die de jeugdrechtbank kan bevelen ten aanzien van onder meer de personen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar en die voor haar worden gebracht. De rechtbank kan, onder meer en naar gelang van de omstandigheden, die personen, onder het toezicht van de bevoegde sociale dienst, plaatsen in een « geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht of beroepsopleiding » (artikel 37, § 2, 3°). De rechtbank kan die personen ook toevertrouwen aan een « openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht of aan de groep openbare instellingen voor observatie en opvoeding onder toezicht », waarbij wordt voorzien in een « opneming in een gesloten opvoedingsafdeling » georganiseerd door de gemeenschappen op grond van hun bevoegdheid om de jeugdbescherming te regelen (artikel 37, § 2, 4°). Artikel 52 van de voormelde wet van 8 april 1965 staat de jeugdrechtbank toe om voorlopig, gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding, de nodige maatregelen van bewaring te nemen, waaronder die welke zijn bedoeld in artikel 37, § 2, 3° en 4°, van de wet van 8 april
  13. B.
  14. Artikel 52quater van de voormelde wet van 8 april 1965 beperkt de duur van de maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling, voorlopig bevolen op grond van artikel 52, tot drie maanden. Er wordt voorts gepreciseerd dat een dergelijke maatregel enkel kan worden genomen « indien de betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt of indien een gerechtelijk onderzoek dit vereist » (artikel 52quater, tweede lid); dat een dergelijke maatregel slechts eenmaal kan worden verlengd (artikel 52quater, vierde lid); dat die niettemin elke maand kan worden verlengd bij gemotiveerde beslissing van, naar gelang 8 van het geval, de rechter of de jeugdrechtbank, met dien verstande dat die beslissing « moet gegrond zijn op ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid van de betrokkene en die de handhaving van [die maatregel] noodzakelijk maken » (artikel 52quater, vijfde lid). B.4.
  15. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motivering van het verwijzende vonnis blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over verschillen in behandeling tussen, enerzijds, de minderjarige ouder dan 14 jaar die voor als misdrijf omschreven feiten wordt vervolgd en bij voorlopige maatregel van bewaring wordt opgenomen in een « geschikte inrichting » of een « openbare instelling voor observatie en opvoeding onder toezicht » van de gemeenschap en, anderzijds, de minderjarige die, in dezelfde omstandigheden, is opgenomen in het Centrum wegens plaatsgebrek in de gemeenschapsinrichtingen of -instellingen. Die verschillen in behandeling tussen de minderjarigen zoals die zijn opgemerkt door de verwijzende rechter en D.J. dienen achtereenvolgens te worden onderzocht. B.4.
  16. In de eerste plaats zou artikel 3 van de wet van 1 maart 2002, in tegenstelling tot de maatregelen bedoeld in artikel 37 van de wet van 8 april 1965, ertoe leiden dat de in het Centrum opgenomen minderjarige wordt onderworpen aan een plaatsingsregeling waarvan het doel hoofdzakelijk beveiligend is en geen enkel opvoedend aspect vertoont. Er wordt nog aangevoerd dat die doelstelling tegengesteld is aan het doel van de maatregelen bedoeld in artikel 37 van de voormelde wet van 8 april 1965 en in het bijzonder van de maatregelen inzake huisvesting. B.4.
  17. Hoewel de in het geding zijnde bepaling wordt ingevoegd in een wet die ertoe strekt de openbare veiligheid te vrijwaren door de maatschappij tegen delinquente minderjarigen te beschermen, is haar voornaamste doelstelling daarom niet van beveiligende aard. Zij ressorteert overigens onder het beleid inzake jeugdbescherming. De bij die wet geregelde plaatsingsmaatregel verschilt in geen enkel opzicht van de maatregelen van bewaring waarin artikel 37 van de wet van 8 april 1965 voorziet en die de jeugdrechtbank op grond van artikel 36, 4°, van dezelfde wet op vordering van het openbaar ministerie kan nemen. In die wet wordt immers geen enkel onderscheid gemaakt tussen de vorderingen die een doel van openbare veiligheid zouden nastreven en die welke een doel van bijstandsverlening zouden nastreven. 9 De in het geding zijnde bepaling kan dus geen aanleiding geven tot het aangevoerde verschil in behandeling, dat onbestaande is. B.4.
  18. De verwijzende rechter merkt vervolgens op dat de in het Centrum geplaatste minderjarige, in tegenstelling tot de in een gemeenschapsinstelling geplaatste minderjarige, verblijft in een inrichting die voornamelijk wordt beheerd door personeel dat onder de federale Staat ressorteert, geen enkele opvoedende opdracht heeft en niet gebonden is door de verplichtingen opgelegd aan de actoren van de sector van de hulpverlening aan de jeugd door het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en, in het bijzonder, die welke voortvloeien uit de ethische gedragsregels inzake hulpverlening aan de jeugd. Zonder dat de juistheid van die beoordeling dient te worden nagegaan, stelt het Hof vast dat dat verschil in behandeling niet voortvloeit uit artikel 3 van de wet van 1 maart 2002, de enige in het geding zijnde bepaling. B.4.
  19. Geen enkele van de aangevoerde verschillen in behandeling die aan de prejudiciële vraag ten grondslag liggen, vloeit dus voort uit de in het geding zijnde bepaling. B.
  20. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 mei
  21. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.